De hacienda verhief zich op een schiereiland van drie mijlen in den

omtrek, met bosschen, akkers en weidevelden, in welke laatsten meer dan

vier duizend stuks vee vrijelijk liepen grazen, die des avonds in

parken dicht bij het huis werden samengebracht. Aan drie zijden door de

rivier omgeven, diende deze haar als een natuurlijke schans; de smalle

landtong van nauwelijks acht ellen breedte, die haar met het vaste land

verbond, werd bestreken door eene batterij van vijf stukken grof

geschut, behoorlijk gedekt door aardewerken en versterkt door eene

diepe met water gevulde gracht.

Het heerenhuis, door hooge gecreneleerde muren omringd en aan de vier

hoeken met torens versterkt, was een soort van vesting, op zich zelf

reeds voldoende in staat om een geregeld beleg te verduren, dank zij de

acht kanonnen op de vier hoektorens, die al de toegangen verdedigden.

Het bestond uit een hoofdgebouw, twee verdiepingen hoog en met een plat

dak; in den voorgevel waren tien vensters, en links en rechts stonden

twee andere gebouwen met den rug naar voren gekeerd; het een dienende

tot bergplaats voor granen en hooi en het ander tot woonhuis voor den

capataz of hofmeester en de talrijke bedienden der hacienda.

Eene breede stoep, voorzien van eene dubbele ijzeren balie, sierlijk

bewerkt en bekroond met eene veranda, geleidde naar de vertrekken van

den graaf, die op de wijze der landhoeven in Spaansch-Amerika even

eenvoudig als smaakvol en schilderachtig waren gemeubeld.

Tusschen het woonhuis en den ringmuur, waarin tegenover de stoep een

cederhouten deur was van vijf duim dik en met sterke ijzeren platen

beslagen, lag een groote welonderhouden Engelsche tuin zeer fraai

aangelegd en zoo dicht beplant dat men geen tien passen er doorheen kon

zien. De ruimte achter het huis was voor stallen en parken bestemd,

waar men iederen avond het vee in opsloot, en verder eene groote open

plaats, waar men op zekeren tijd des jaars gewoon was de matanza del

ganado—de slacht voor den wintervoorraad te houden.

Geen schilderachtiger gezicht laat zich denken dan de aanblik van dit

witte huis, dat men reeds in de verte kon zien liggen, half verscholen

achter de welige bosschages als achter een gordijn van groen daar het

oog met welgevallen op bleef rusten.

Uit de vensters der bovenverdieping had men aan de eene zijde het

onbelemmerde uitzicht over de ruime vlakte en aan de andere over de Rio

Gila, die als een breed zilver lint in de grilligste bochten

voortkronkelde en zich in onafzienbare verte verloor in het nevelig

verschiet van den blauwenden horizont.

Sedert de Apachen bijna op het punt waren geweest van de hacienda te

bemachtigen, was er op het dak van het hoofdgebouw een mirador of

wachttoren geplaatst, in welken nacht en dag een schildwacht op den

uitkijk stond om de omstreken te bewaken, en dadelijk door middel van

een koehoorn moest waarschuwen als hij een vreemdeling de kolonie zag

naderen.

Bovendien werd de batterij aan de landengte door een post van zes man

bewaakt, terwijl de kanonnen altijd geladen stonden om bij den minsten

onraad los te branden.

Zoo was de karavaan nog ver van de hacienda verwijderd, toen hare komst

aldaar werd opgemerkt en een der luitenants van den graaf, een oud

soldaat uit Afrika met name Martin Leroux, volgens order, te paard

achter de verschansing zich gereed hield om de nieuw aankomenden te

ondervragen zoodra zij onder het bereik zijner stem zouden zijn.

Don Sylva was intusschen met de wachtorde der hacienda ten volle

bekend, eene dienstregeling trouwens die op alle buitenbezittingen der

blanken gevolgd werd; want op de posten aan de grenzen, waar men voor

de aanvallen en strooptochten der Indianen onophoudelijk blootstond,

was men wel genoodzaakt om gedurig op zijne hoede te zijn.

Eén ding echter begreep de Mexicaan niet recht, namelijk dat de eigen

luitenant van den graaf, die hem ongetwijfeld moest hebben herkend, hem

niet dadelijk de deuren had geopend.

Hij deed dit terstond aan den graaf opmerken.

»Daar zou hij verkeerd aan hebben gedaan,” zeide deze, »de kolonie

Guetzalli is een gewapende post en altoos in staat van oorlog; de

wachtorde moet dus stipt gevolgd worden voor ieder die zich aanmeldt,

wie dan ook; van deze stipte waarneming hangt het algemeen welzijn af.

Martin heeft mij reeds lang herkend, dat weet ik zeker, maar hij

vooronderstelt dat ik door de Indianen gevangen zou kunnen zijn, en dat

zij mij in schijn vrij lieten, om de kolonie des te beter te kunnen

overrompelen. Ik verzeker u, dat mijn brave luitenant ons niet door zal

laten, alvorens hij overtuigd is dat er onder onze Europeesche

kleederen geen Roodhuiden schuilen.”

»Ja,” mompelde don Sylva in zich zelven, »dat is maar al te juist; die

Europeanen denken om alles, zij zijn ons ver vooruit.”

De karavaan was thans nauwelijks twintig passen ver van de hacienda.

»Ik geloof” zeide de graaf, »als wij ten minste geen hagelbui van

kogels op het lijf willen krijgen, dat wij wijs zullen doen van hier

stil te houden.”

»Hoe dat!” riep don Sylva verschrikt, »zouden zij schieten?”

»Zonder twijfel.”

De beide mannen hielden hunne paarden in en bleven staan wachten tot

men hen ondervroeg.

»Wiedaar!” riep eene krachtvolle stem in ’t Fransch van achter de

batterij.

»Wel, wat vindt gij er nu van, don Sylva?” vroeg hij den haciendero.

»’t Is iets ongehoords?” mompelde don Sylva.

»Vrienden!” riep nu de graaf in antwoord op de vraag van den

schildwacht, »Lhorailles en de vrijheid.”

»Alles wel! De poort open!” kommandeerde de stem, »het zijn vrienden,

zoo als ik hoop dat de Hemel ons nog dikwijls zenden zal.”

De peons lieten de brug neêr, de eenige toegang om in de hacienda te

komen.

De karavaan trok nu binnen, en de brug werd onmiddellijk achter hem

weder opgehaald.

»Gij zult het mij niet kwalijk nemen, kapitein,” zeide Martin Leroux

terwijl hij den graaf eerbiedig te gemoet trad, »maar ofschoon ik u

zeer goed herkende, wij leven in een land waar men mijns bedunkens niet

te voorzichtig kan zijn.”

»Gij hebt uw plicht gedaan, luitenant, ik kan u niet anders dan geluk

wenschen. Wat is er voor nieuws?”

»Niet veel bijzonders: een troep jagers, door mij in de wildernis

gevonden, heeft mij bericht dat zij een verlaten vuur op de vlakte

hebben ontdekt; ik denk dat er weer Indianen om ons heen zwerven.”

»Wij zullen een wakend oog op hen houden.”

»O, ik houd goed de wacht, vooral tegenwoordig nu wij de maand naderen

die de Comanchen zoo brutaal zijn de Maan van Mexico te noemen; ik zou

er niets tegen hebben als zij eens bij ons kwamen, om hun een les te

kunnen geven die zij in ’t vervolg konden onthouden.”

»Ik ben het volkomen met u eens; verdubbelen wij dus onze waakzaamheid

en alles zal wel gaan.”

»Hebt gij mij geen andere orders te geven?”

»Neen.”

»Dan wil ik gaan, kapitein; gij weet dat gij mij het algemeen toezicht

hebt opgedragen, ik moet dus een weinig overal zijn.”

»Ga, luitenant, laat ik u niet langer ophouden.”

De oude soldaat boog voor zijn kommandant en verwijderde zich, terwijl

hij onder de hand den capataz minzaam groette, die hem volgde met de

peons van don Sylva en de pakezels.

De graaf zelf geleidde zijne vrienden naar dat gedeelte van het

hoofdgebouw, dat voor de vreemde gasten bestemd was, en waar een

appartement met alle noodige gemakken voor hen was ingericht.

»Neem nu een weinig rust, don Sylva,” zeide hij tegen den haciendero,

»gij zult wel vermoeid zijn van de reis zoo wel als doña Anita; morgen

met uw goedvinden, spreken wij wel over onze zaken.”

»Zoo als gij verlangt, vriend.”

De graaf boog voor zijne gasten. Sedert hij het meisje ontmoet had was

er nog geen woord tusschen hem en haar gewisseld.

Op het voorplein ontmoette de graaf den Hiaqui, die een pijp rookte en

op zijn gemak rondslenterde; hij trad naar hem toe.

»Ziedaar de tien piasters die ik u beloofd heb,” zeide hij.

»Dank u,” zeide de Indiaan terwijl hij ze aannam.

»Wat gaat gij nu doen?”

»Rusten tot morgen, en dan keer ik tot mijne broeders terug.”

»Hebt gij zoo veel haast hen weder te zien?”

»Ik! o neen.”

»Blijf dan hier.”

»Om wat te doen?”

»Dat zal ik u zeggen: misschien zal ik u binnen een paar dagen noodig

hebben.”

»Krijg ik daar geld voor?”

»Volop; zijt gij nu tevreden?”

»Ja.”

»Dus blijft gij?”

»Ja, ik blijf.”

De graaf verwijderde zich, zonder den vreemden blik op te merken dien

de Indiaan hem toewierp.

IX.

DE LEGERSCHANS IN DE WILDERNIS.

Op ongeveer drie geweerschoten afstands van de hacienda, in een dicht

bosch van lentisken, nopals en inktboomen, doormengd met eenige

acajou-ceders, wilde katoen- en Peruboomen, steeg een uur voor

zonsondergang een ruiter af, en kluisterde zijn paard—een heerlijken

mustang met fonkelend oog, fieren hals en golvende manen. Nadat de

ruiter een bespiedenden blik in het rond had geworpen, blijkbaar

welvoldaan over de diepe heerschende stilte, maakte hij zich gereed om

te kampeeren.

De onbekende had de helft van zijne levensbaan reeds afgelegd: het was

een Indiaansch krijgsman, lang en forsch van gestalte, en gekleed in

het kostuum der Comanchen in zijne grootste zuiverheid. Ofschoon reeds

meer dan zestig jaar oud was hij nog vol levendigheid en kracht en

vertoonde zich geen spoor van ouderdom of verval in zijne gespierde

leden; de arendsveer die midden uit zijn oorlogskuif opstak deed hem

kennen als een opperhoofd of sachem.

Deze man was de Arendskop, het Comanchenhoofd, waarmede de lezer reeds

in een vorig werk kennis heeft gemaakt [14].

Na zijne wapens afgedaan en zijn geweer te hebben in rust gebracht,

verzamelde hij een hoop droog hout en stak het in brand. Vervolgens

legde hij eenige ellen tasajo, een stuk hertebout en een half dozijn

maïskoeken op de kolen. Onder het maken van deze toebereidsels voor een

stevig souper, vulde hij zijne calumet en toen hij er mede klaar was

ging hij bij het vuur zitten; en begon te rooken met al de bedaardheid

die den Indianen eigen is en hen in geenerlei omstandigheden verlegen

laat.

Zoo gingen er twee uren vreedzaam voorbij, zonder dat de rust van het

Indiaansch hoofd in het minst gestoord werd.

De nacht was op den dag gevolgd, de duisternis had de wildernis

ingenomen, en met haar begon het rijk der stilte en der eenzaamheid in

de geheimzinnige diepte der prairiën.

De Indiaan bleef steeds onbeweeglijk zitten en vergenoegde zich met nu

en dan naar zijn paard om te zien, dat lustig zijne wilde doperwten en

jonge bladrijzen knabbelde.

Op eens echter stak de Arendskop het hoofd op, boog het lijf naar voren

en zonder zich verder te verroeren greep hij naar zijn geweer, terwijl

de mustang ophield met vreten, de ooren spitste en een krachtig

gehinnik aanhief.

Het bosch bleef intusschen even kalm: er was al de scherpte van een

Indiaansch gehoor toe noodig om in deze stilte nog eenig verdacht

geluid op te merken.

Een oogenblik daarna werden de samengetrokken wenkbrauwen van het

opperhoofd weder effen, hij hernam zijne onbezorgde houding en de beide

voorvingers aan den mond brengende, bootste hij met zonderlinge

juistheid, gedurende twee of drie minuten het welluidend gezang der

centzontle of Mexicaanschen nachtegaal na; ook het paard had zijn

afgebroken maaltijd weder hervat.

Er verliep nauwelijks een minuut, of het geschrei van den watersperwer

klonk tweemaal aan de zijde der rivier.

Weldra hoorde men een gedruisch van paarden, vermengd met het kraken

van takken en geschuifel van bladeren, en er verschenen twee ruiters.

Het opperhoofd keek niet eens op om te zien wie het waren; hij had hen

waarschijnlijk reeds herkend en wist dat zij, hetzij beiden of althans

een van hen, bij hem zouden komen.

Deze twee ruiters waren don Louis en Goedsmoeds.

Zij kluisterden hunne paarden bij dat van het opperhoofd, gingen op een

stilzwijgenden wenk van den Indiaan bij het vuur zitten en vielen met

kracht aan op het souper dat te hunnen gerieve was gereed gemaakt.

Den vorigen dag van de Rancho vertrokken zijnde, hadden zij

onafgebroken doorgereisd zonder een oogenblik te verliezen om bij den

Arendskop te komen.

De graaf de Lhorailles had hun in de pulqueria aangeboden om samen te

reizen, maar dat aanbod was door Goedsmoeds geweigerd.

Niet wetende met welk oogmerk de Indiaan hem in de woestijn had

afgesproken, wilde hij niet gaarne een vreemdeling in de zaken van zijn

vriend opening geven.

Evenwel waren de drie mannen op den besten voet van elkander gescheiden

en had de graaf don Louis en den Canadees uitgenoodigd om hem te

Guetzalli te komen opzoeken, eene beleefdheid die zij min of meer

uitwijkend beantwoordden.

De sympathie is soms wonderlijk in hare uitwerkselen: de indruk door

den graaf op de twee avonturiers gemaakt was voor hem zoo ongunstig

geweest, dat deze, ofschoon zijn verzoek met welwillendheid ontvangende

het niet raadzaam vonden, zich te laten kennen, maar te zijnen aanzien

de meeste terughouding in acht te nemen, hunne voorzichtigheid zelfs

zoo ver drijvende dat zij hunnen landaard voor hem verborgen hielden,

en het gesprek bleven voortzetten in het Spaansch, ofschoon zij hem

reeds bij zijn eerste woord voor een Franschman hadden herkend.

Toen het souper geëindigd was, stopte Goedsmoeds zijne pijp en strekte

de hand naar het vuur om er een brandhout uit te grijpen.

»Wacht!” riep de Arendskop met drift.

Dit was het eerste woord dat de Indiaan sprak; tot op dit oogenblik

hadden de drie vrienden nog geen syllabe gewisseld.

Goedsmoeds keek hem aan.

»Wel!” riep hij, »wat is er dan nu weer voor nieuws?”

»Ik weet het nog niet,” antwoordde het opperhoofd, »maar ik heb een

verdacht geritsel in de bladeren gehoord, en op verren afstand van ons,

onder den wind, zijn verscheidene buffels die vreedzaam liepen grazen,

op eens op de vlucht gegaan, zonder dat ik er eenige reden voor zie.”

»Zoo!” hernam de Canadees, »dat wordt ernstig; wat denkt gij er van,

Louis?”

»In de wildernis,” antwoordde deze bedaard, »heeft alles zijne oorzaak,

en geschiedt er niets bij toeval; ik denk, onder verbetering, dat wij

wel zullen doen, op onze hoede te zijn. Ei zie,” vervolgde hij

opkijkende en zijnen vrienden een troep vogels wijzende, die snel boven

hunne hoofden voorbij vlogen, »hebt gij ooit een troep condors op dit

uur en zoo laag in de lucht zien vliegen?”

De Indiaan schudde het hoofd.

»Er is iets aan de hand,” mompelde hij, »de Apachenhonden zijn op de

jacht.”

»’t Is mogelijk,” zei Goedsmoeds.

»Voor alles,” merkte de Franschman aan, »laten wij het vuur uitdoen;

het schijnsel, hoe zwak ook, zou ons kunnen verraden.”

Zijne kameraden volgden zijn raad, het vuur werd oogenblikkelijk

uitgedoofd.

»Mijn bleeke broeder is voorzichtig,” zei het opperhoofd beleefd; »hij

kent de woestijn, ik ben blijde dat ik hem bij mij zie.”

Don Louis dankte den Indiaan met eene buiging.

»Thans zijn wij nagenoeg onzichtbaar,” vervolgde Goedsmoeds, »dreigend

gevaar hebben wij vooreerst niet te duchten, laten wij samen raad

houden. Het opperhoofd was de eerste die onraad heeft bespeurd, hij

moet ons uitleggen wat hij er van denkt.”

De Indiaan wikkelde zich in zijn mantel en de drie mannen gingen zoo

dicht bijeen zitten dat het gesprek fluisterend kon worden voortgezet.

»Reeds dezen morgen met zonsopgang ben ik op reis gegaan,” zei de

Arendskop; »en daar ik haast had om het afgesproken punt te bereiken,

reed ik dwars door de prairie om de reis te bekorten. Maar den geheelen

weg over zag ik duidelijke sporen van een talrijken troep ruiters, die

sporen waren breed en vol, als gewoonlijk van een detachement dat sterk

genoeg is om voor geen onverhoedsche aanranding te vreezen; ik heb die

sporen een geruimen tijd kunnen waarnemen en volgen, tot zij op eens

verdwenen waren, zonder dat ik ze bij mogelijkheid heb kunnen

terugvinden.”

»Te duivel!” mompelde de Canadees, »dat ziet er gek uit.”

»In ’t eerst dacht ik mij met die sporen niet bezig te houden, maar

later begon ik er ongerust over te worden en daarom heb ik gemeend er u

van te moeten spreken.”

»Om welke reden werdt gij ongerust?”

»Ik denk, en als het wezen moet, durf ik wel zeggen ik weet het zeker,

dat het door mij ontdekte spoor gericht is naar de groote hut der

bleekgezichten te Guetzalli.”

»Welken grond hebt gij voor die veronderstelling?” vroeg Louis.

»Deze: op het uur dat de alligator den modderigen oever verlaat om zich

weder in de Gila te dompelen, hoorde ik op korten afstand van mij een

gedruisch van paarden, zoodat ik uit vrees van ontdekt te worden

genoodzaakt was mij achter een boschje van wortelboomen en

floripondio’s te verbergen; toen ik daar veilig zat keek ik uit en nu

reed er geen boogschot ver van mij af een troep bleekgezichten voorbij,

in de richting van Guetzalli.”

»Ik begrijp er niets van,” riep Goedsmoeds, »ga voort.”

»Ondanks al de zorg waarmede hij zich onkenbaar had zoeken te maken,

herkende ik den man die de karavaan als gids diende, en toen begreep ik

terstond welk een helsch komplot die Apachen-honden hebben gesmeed.”

»En wie is die man?”

»O mijn broeder kent hem wel: het is Wahsho chegora—de Zwarte-Beer—het

voornaamste opperhoofd van den stam der Witte Raven.”

»Als gij u daarin niet vergist hebt, hoofdman, dan zullen hier binnen

kort vreeselijke dingen gebeuren; de Zwarte-Beer is de onverzoenlijkste

vijand der blanken.”

»Dat is de eenige reden waarom ik mijn broeder heb willen spreken.

Overigens gaat het ons niet aan; in de wildernis hebben wij genoeg met

onze eigene zaken te doen, zonder dat wij ons met die van anderen

bemoeien.”

De Canadees schudde het hoofd.

»Wat gij daar zegt is wel waar,” antwoordde hij, »wij zouden misschien

wijs doen als wij de bewoners der hacienda aan hun lot overlaten en ons

niet steken in zaken daar wij grooten last van kunnen hebben.”

»Zijt gij dan voornemens werkelijk zoo te handelen,” vroeg de

Franschman met drift.

»Dat wil ik niet stellig zeggen,” hernam de Canadees, »maar het is een

moeielijk geval; wij zullen met een talrijken vijand te doen krijgen.”

»Ja, maar die men wil overrompelen zijn uwe landgenooten.”

»Dat is waar, en dat maakt de zaak inderdaad zeer netelig, ik zou die

ongelukkigen niet gaarne zien scalpeeren. Aan den anderen kant, als wij

ons onbedacht in den strijd werpen, loopen wij gevaar om zelven er het

slachtoffer van te worden.”

»Waarom bedenkt gij er u zoo lang over?”

»Pardi! om het voor en tegen goed na te gaan; ik aarzel altijd om mij

in eene onderneming te wagen, daar ik te voren niet al de gevolgen van

heb berekend; ben ik er eenmaal in, dan geef ik er minder om.”

Don Louis kon zich moeielijk zonder lachen houden bij deze zonderlinge

redeneering, en staarde zijn vriend aan.

»Mijn besluit is genomen,” hervatte de Canadees een oogenblik later.

»Eer de nacht voorbij is zullen wij zeker wat nieuws zien gebeuren;

gaan wij dichter bij de rivier, ik twijfel niet of wij krijgen daar

weldra de noodige aanwijzing om er ons plan naar te regelen. Onze

paarden staan hier veilig, wij kunnen ze gerust achter laten, zij

zouden ons bovendien maar belemmeren.”

De drie mannen gingen plat op den grond liggen en kropen stil naar de

rivier, in de door Goedsmoeds aangewezen richting.

De nacht was heerlijk, de maan scheen in vollen luister en de dampkring

was zoo doorzichtig dat men het kleinste voorwerp op grooten afstand

kon onderscheiden.

De drie avonturiers kwamen eindelijk uit de struiken tevoorschijn, maar

verborgen zich aan den rand der rivier, in een ondoordringbaar boschje,

waar zij bleven wachten met al het geduld dat den woudloopers eigen is.

De heerschende stilte in de woestijn was zoo diep, dat ook het zwakste

geluid merkbaar werd; een vallend blad in het water, een keitje dat

zich aan den oever loswoelde, het zacht en eentonig gemurmel van den

stroom over zijn zandige bedding, de ritselende vleugelslag van een

uil, die van tak tot tak sprong, was het eenige dat zich hooren liet.

Zoo zaten de drie avonturiers reeds verscheidene uren onverdroten te

waken, met open oog en ooren, met den vinger aan de gespannen buks, uit

vrees van overrompeling en nog was er niets gebeurd dat de vermoedens

van den Arendskop of de voorspellingen van Goedsmoeds kon versterken,

toen Louis de hand van den Indiaan zacht aan zijn schouder voelde

drukken, hem naar de rivier wijzende; de Franschman richtte zich op de

knieën en keek uit.

Eene bijna onmerkbare beweging beroerde de oppervlakte van het water,

als zwom er een alligator voorbij.

»Ha ha!” mompelde Goedsmoeds, »daar komt eindelijk wat wij zoo lang

gewacht hebben, denk ik.”

Een zwarte massa verscheen weldra, meer drijvend dan zwemmend, op de

rivier en naderde van lieverlede de plaats waar de jagers zich

verscholen hielden.

Na verloop van eenige minuten hield de donkere massa, wat zij dan ook

wezen mocht, stil en hoorde men verscheidene malen achtereen het gejank

van den hond der prairiën.

Weldra klonk het gehuil van den coyote met kracht en zoo dicht in de

nabijheid, dat de drie wakers huns ondanks er van schrikten.

Oogenblikkelijk zagen zij een man met beide handen van een acajou-eik

afhangen en eensklaps op den grond vallen, geen zes passen ver van de

plek waar zij zich bevonden.

Die man was in Mexicaansche kleeding.

»Kom hier, hoofdman,” zeide hij, half overluid tegen de zwarte massa in

het water, zonder zich te dicht aan den oever te wagen. »Kom vrij, wij

zijn alleen.”

De toegesprokene zwarte massa, blijkbaar een Indiaan, kwam uit het

water en kroop op handen en voeten naar den man uit den boom.

»Mijn broeder spreekt te hard,” zeide hij; »in de woestijn is men nooit

alleen; de bladeren hebben oogen en de boomen ooren.”

»Bah! wat gij mij daar zegt is al te gek; wie duivel zou ons hier

bespieden. Uwe krijgslieden er buiten gerekend, die waarschijnlijk in

den omtrek verborgen zijn, kan niemand ons hier zien of hooren.”

De Indiaan schudde bedenkelijk het hoofd.

Nu deze op vasten bodem was, nauwelijks tien passen van onze

avonturiers, moest Goedsmoeds bekennen dat de Arendskop zich niet

bedrogen had en dat de bedoelde man werkelijk niemand anders was dan de

Zwarte-Beer.

De beide mannen stonden een poosje zwijgend tegenover elkander.

Eindelijk vatte de Mexicaan het woord weder op.

»Gij hebt goed gemanoeuvreerd, hoofdman,” zeide hij op vleienden toon;

»ik weet niet hoe gij het gedaan hebt gekregen, maar ik veronderstel

dat het u gelukt is om binnen de hacienda te komen?”

»Dat is het,” antwoordde de Indiaan.

»Dan hebben wij nu niets meer te doen dan onze laatste maatregelen te

beramen; gij zijt een groot opperhoofd, in wien ik het onbepaaldste

vertrouwen stel; ziedaar wat ik u beloofd heb; ik behoefde u eerst

later te betalen, maar ik wil dat er niet de minste reden van verwijt

tusschen ons besta.”

De Indiaan wees de hem aangeboden goudbeurs met weerzin terug.

»De Zwarte-Beer heeft zich bedacht,” zeide hij koel.

»In welk opzicht, als ik u vragen mag?”

»Een krijgsman is geen vrouw dat hij noodeloos woorden zou verspillen;

wat mijn broeder den Zwarten-Beer had aangeboden, weigert de Apache

stellig.”

»Dat wil zeggen?”

»Dat alles tusschen ons verbroken is.”

De Mexicaan onderdrukte met moeite zijne teleurstelling.

»Derhalve hebt gij uwe krijgslieden niet gewaarschuwd; en zult gij

wanneer ik het u beveel de hacienda niet aantasten?”

»De Zwarte-Beer heeft zijne krijgers gewaarschuwd, hij zal de

bleekgezichten aantasten.”

»En wat zegt gij mij dan daar even? Ik moet u verklaren dat ik u niet

begrijp, hoofdman.”

»Dat komt omdat het bleekgezicht mij niet begrijpen wil: de Zwarte-Beer

zal de hacienda wel aantasten, maar voor zijn eigen rekening.”

»Dat was immers tusschen ons afgesproken, zoo ik meen?”

»Ja, maar de Zwarte-Beer heeft de zingende vogel gezien, zijne tent is

ledig, hij wil er de jonge bleeke maagd in huisvesten.”

»Ellendeling!” riep de Mexicaan verbolgen, »moet gij mij aldus

verraden?”

»Waarin verraad ik het bleekgezicht?” antwoordde de Indiaan altijd

onverstoord; »hij heeft mij een koop aangeboden, en ik heb dien

geweigerd, daarin zie ik niets dan volkomen trouw en eerlijkheid.”

De Mexicaan verbeet zich de lippen van woede; hij zag zich gevangen, en

had niets meer te antwoorden.

»Ik zal mij wreken!” riep hij stampvoetend.

»De Zwarte-Beer is een machtig opperhoofd: hij lacht met het gekras der

raven; het bleekgezicht kan niets tegen hem doen.”

Met een sprong sneller dan eene gedachte wierp de Mexicaan zich op den

Apache, greep hem bij de keel, trok zijn mes en hief het reeds op om

hem te treffen.

De graaf de Lhorailles · 第 8 / 26 段