De gemaskerde had hem met de hevigste ontroering aangehoord, zijne

oogen fonkelden van woede, hij stampvoette van spijt; het gelukte hem

echter zijn gevoel te overmeesteren en hij antwoordde met eene kalme en

bedaarde stem:

»Zie wel toe wat gij doet, caballero; ik heb gezworen u te waarschuwen,

en ik waarschuw u eerlijk en trouw, de Hemel geve dat mijne woorden in

uw hart weerklank vinden en dat gij den raad volgen zult dien ik u

geef!.... De eerste keer dat het lot ons weer bij elkander brengt, moet

een van ons beiden sterven.”

»Ik zal de noodige voorzorgen nemen, wees daar gerust op; intusschen

doet gij verkeerd dat gij de tegenwoordige gelegenheid niet waarneemt

om mij te dooden; want die zult gij nooit terug vinden.”

De twee gemaskerden waren weder te paard gestegen.

»Graaf de Lhorailles,” zei de eene, zich nogmaals tot den Franschman

wendende, »wees op uwe hoede, ik heb op u een groot voordeel; ik ken u

en gij kent mij niet, het zal mij dus altijd gemakkelijk zijn u te

bereiken, als ik dat wil. Wij Mexicanen zijn van Indiaansch en Spaansch

bloed, wij zijn vurig in het haten, wees gewaarschuwd!”

Na eene beleefde buiging voor den graaf barstte hij los in een

spotachtigen schaterlach, gaf zijn paard de sporen en vertrok in

duizelingwekkende vaart, gevolgd door zijn zwijgenden kameraad.

De graaf oogde hem na met een peinzenden blik tot zij in de schemering

verdwenen waren; hij schudde eenige malen het hoofd als of hij er de

sombere gedachten wilde wegschudden die hem tegen wil en dank

bestormden; toen raapte hij zijn sabel en hier en daar verstrooide

pistolen op, nam zijn paard bij den teugel en stapte langzaam naar de

pulqueria in welker nabijheid de strijd was voorgevallen.

Het licht dat door de slecht gevoegde planken der deur scheen en het

gezang en gelach, dat hij daar binnen hoorde deden hem veronderstellen,

dat hij in de herberg nog wel een tijdelijk nachtverblijf zou vinden.

»Hm!” mompelde hij half overluid terwijl hij voorttrad, »de bandiet

heeft gelijk, hij kent mij, en ik zal hem onmogelijk weer kunnen

vinden. Vive Dios! daar heb ik mij een mooien haat op den hals gehaald!

Bah!” vervolgde hij, »wat geef ik er om! Ik was al te gelukkig, ik had

een vijand noodig. Bij mijn ziel! laat men doen wat men wil, al zou de

duivel zelf tegen mij samenspannen, zweer ik, dat niets mij bewegen zal

de hand van doña Anita af te staan,”

Op dit oogenblik bevond hij zich voor de pulqueria, waar hij op de deur

klopte.

Van nature niet zeer geduldig en bovendien vergramd door hetgeen hem

overkomen was en door den vreeselijken kamp dien hij had moeten

verduren, was de graaf op het punt van zijne bedreiging uit te voeren

en de deur aan spaanders te breken toen zij eindelijk geopend werd.

»Valge me dios?” riep hij verbolgen, »laat gij de menschen voor uw huis

vermoorden zonder hun te hulp te komen.”

»Zoo!” riep de pulquero levendig met zekere nieuwsgierigheid, »is er

iemand vermoord?”

»Neen, Goddank!” hervatte de graaf, »maar het scheelde weinig, of ik

was dood.”

»O!” riep de pulquero onverschillig, »als men zich wilde storen aan

allen die bij nacht om hulp roepen, dan zou men de handen vol hebben,

en daarbij, als de politie er achter komt, heeft men er maar last van.”

De graaf haalde de schouders op en trad binnen, met zijn paard aan den

toom achter zich; terwijl de deur onmiddellijk gesloten werd.

De graaf de Lhorailles wist nog niet dat al wie in Mexico een lijk

opneemt, of zich tegen den moordenaar civiele partij stelt, verplicht

is om de kosten van het gerecht, die soms enorm hoog loopen te betalen,

en ten slotte toch geen verhaal of recht voor het slachtoffer kan

krijgen.

Men is in geheel Mexico hiervan zoo vast overtuigd, dat als er een

manslag plaats heeft, iedereen zich uit de voeten maakt zonder het

slachtoffer hulp te verlenen, daar dit, ingeval er de dood op volgt,

voor hem die er zich mede bemoeid heeft de grootste onaangenaamheden

veroorzaakt.

In Sonora doet men nog erger, zoodra er een oploop is, en een doode

valt, sluit iedereen zijne deur.

VIII.

HET VERTREK.

Zoo als don Sylva de Torres aan zijne dochter gezegd had, was tegen

zonsopgang alles gereed om te vertrekken.

In Mexico en bovenal in Sonora, waar de wegen gewoonlijk het beste

zijn, als zij ten eenenmale ontbreken, gaat het reizen geheel anders

dan in Europa.

Daar zijn geen openbare vracht- of postdiensten, geen pleisterplaatsen

of paardenposterijen, veel min spoorwegen. Eene reis van eenige dagen

kost oneindig veel zorg en beweging, men is dan verplicht alles bij

zich te hebben, daar men niet zeker is iets onder weg te zullen vinden:

bedden, tenten, levensmiddelen en water wel het meest; alles moet op

muilezels gepakt en weggesleept worden; zonder deze voorzorgen, zou men

gevaar loopen van honger of dorst om te komen of onder den blooten

hemel te moeten overnachten.

Daarbij moet men zich van een aanzienlijk, goed gewapend geleide

voorzien, om den aanval van wilde beesten niet slechts, maar ook der

Indianen en vooral der struikroovers af te weren, daar het dank zij de

regeeringloosheid van dat ongelukkige land op alle wegen van Mexico van

wemelt.

Diensvolgens zal de lezer gemakkelijk begrijpen, dat don Sylva

reikhalzend verlangde om Guaymas zoodra mogelijk te verlaten, toen, zoo

als wij gezegd hebben, in den vroegen morgen alles voor zijn vertrek

gereed was.

De opene plaats voor het huis had veel van eene groote pleisterplaats;

vijftien muildieren met pakken en balen beladen stonden te wachten tot

dat men gereed was met de palankijn, in welke doña Anita de reis mede

zou maken.

Een veertigtal paarden, getuigd en gezadeld, met het vliegennet over

den neus, en pistolen in de holsters, stonden in ringen aan den muur

vastgemaakt, en een enkele peon afzonderlijk met een heerlijken,

kostbaar getuigden draver aan de hand, die voor don Sylva bestemd,

ongeduldig stond te wuiven en te stampvoeten, knabbelende op het

zilveren gebit, dat met schuim overdekt was.

Kortom het was om doof te worden van al het geschreeuw, gelach en

gedruisch.

In de straat stond eene menigte volks te gapen, waaronder zich ook

Cuchares en don Martial bevonden, die van hun toer naar de Rancho

teruggekomen, met nieuwsgierigheid dit vertrek gadesloegen, daar zij

niets van begrepen in dit vergevorderde jaargetij, zoo weinig geschikt

voor een verblijf op het land, en zich verdiepten in allerlei gissingen

die kant noch wal raakten, over deze zoo geheel buitengewone reis.

Onder den hoop hier, hetzij toevallig of uit nieuwsgierigheid

samengevloeid, bevond zich een man, blijkbaar een Indiaan, die

schijnbaar achteloos tegen den muur geleund, evenwel het huis van don

Sylva niet uit het oog verloor en met de meeste belangstelling al de

bewegingen der talrijke bedienden van den haciendero gadesloeg.

Deze persoon, nog jong, scheen een zoogenaamde Hiaqui-Indiaan, ofschoon

een nauwlettend opmerker bij nader onderzoek het tegendeel zou gezegd

hebben; in het breede voorhoofd van den man, zoowel als in zijn

moeielijk te bedwingen fonkelend oog, en in den fieren mond, maar

vooral in zijne forsche ledematen, die naar het model van den

Griekschen Hercules schenen gevormd te zijn, was iets edels,

vastberadens en onafhankelijks, dat veeleer den trotschen Comanch of

den woesten Apache aanduidde, dan den meestal dommen Hiaqui. Onder de

talrijke schaar dacht echter niemand zich met dezen Indiaan bezig te

houden, die van zijnen kant wel zorg droeg de aandacht niet te trekken,

maar zich zooveel mogelijk te verbergen.

De Hiaquis komen zich gewoonlijk te Guaymas als werklieden of als

lastdragers verhuren: daarom heeft de tegenwoordigheid van zulk een

Indiaan niets vreemds.

Eindelijk, tegen acht uren in den morgen, verscheen don Sylva de Torres

met zijne dochter aan de hand, gekleed in een keurig reisgewaad, onder

de peristyle van het huis.

Doña Anita was zoo bleek als kwam zij uit het graf; haar betrokken

gelaat en gezwollen oogen bewezen maar al te zeer, hoeveel zij dien

nacht geleden en welk een zelfbedwang zij op dit oogenblik noodig had,

om niet voor aller oog in tranen uit te breken. Bij hare verschijning

wisselden don Martial en Cuchares een snellen blik, terwijl op de

lippen van den Indiaan een glimlach trilde van onbeschrijfelijke

uitdrukking.

De tegenwoordigheid van den haciendero herstelde als met een tooverslag

de stilte; de arrieros plaatsten zich terstond aan het hoofd hunner

muildieren; de peons, tot aan de tanden gewapend, stegen in den zadel

en don Sylva, na zich met een oogopslag verzekerd te hebben dat zijne

bevelen stipt waren uitgevoerd, liet zijne dochter in de palankijn

stappen, waar zij zich terstond in de kussens verborg als een bengali

[12] in een bed van rozeblaren.

Op een wenk van den haciendero, begonnen de muilezels, kop aan staart

achter elkander gebonden, achter de nana of moederezelin, die de bel

aanhad, en onder geleide der peons, het huis uit te komen.

Alvorens te paard te stijgen wendde don Sylva zich tot een zijner

oudste bedienden, die met den stroohoed in de hand eerbiedig voor hem

stond.

»Adieu, no Pelucho,” zeide hij, »ik vertrouw u het huis toe, houd goed

de wacht en draag zorg voor al wat er in is. Overigens laat ik u

Pedrito en Florentio, die u kunnen helpen en aan wie gij de noodige

orders zult geven, zoodat alles gedurende mijne afwezigheid goed gaat.”

»Gij kunt volkomen gerust zijn, mi amo (meester),” antwoordde de

grijsaard met een nederige buiging voor zijn meester, »het is Goddank

niet voor het eerst dat gij mij hier alleen laat, ik geloof dat ik mij

altijd goed van mijn plicht gekweten heb.”

»Gij zijt een goed dienaar, no Pelucho,” antwoordde don Sylva met een

vriendelijken lach, »ik kan u niet anders dan prijzen, ook ga ik ten

volle gerust van hier.”

»Dat God u zegene! mi amo, even als de Niña,” antwoordde de oude man,

een kruis makende.

»Tot weêrziens, no Pelucho,” zei nu het meisje terwijl zij even het

hoofd uit de palankijn stak, »ik weet dat gij zorgen zult voor al wat

van mij is.”

De grijsaard boog, zichtbaar vergenoegd.

Don Sylva gaf bevel om te vertrekken en de gansche karavaan zette zich

in beweging naar de Rancho de San José. Het was een van die heerlijke

ochtenden zooals men alleen in deze rijk gezegende streken vindt; het

onweder gedurende den afgeloopen nacht had den hemel geheel schoon

geveegd, die zich thans voordeed in een zacht blauw; de zon, die reeds

vrij hoog boven den gezichteinder stond, verspreidde hare warme

stralen, min of meer getemperd door de welriekende dampen die uit den

grond opstegen; de atmospheer met frissche en versterkende geuren

bezwangerd, was bijzonder doorzichtig en werd van tijd tot tijd door

eene lichte koelte verfrischt; gansche scharen van vogels, van

duizenderlei kleur en pluimaadje vlogen in alle richtingen, en de

muildieren die achter de bellen der nana madrina—de

moederezelin—aankwamen, draafden luchtig voort, onder het opwekkend

gezang der arrieros.

Zoo marcheerde de karavaan in opgeruimde stemming over de zandige

vlakte, wolken van stof opjagende, terwijl zij als eene lange

kronkelende slang zich voortbewoog in de eindelooze bochten van den

weg.

Eene voorhoede uit tien peons bestaande nam de omstreken op en

bespiedde hier en daar de struiken en heuvels van het golvende terrein.

Don Sylva rookte eene sigaar en praatte met zijne dochter, terwijl eene

achterhoede van twintig kloeke peons den trein sloot en voor de

veiligheid van het convooi waakte.

Wij herhalen hier, in dit land waar geen politie en bij gevolg geen

openbaar toezicht bestaat, is eene reis van vier mijlen—want verder

ligt de Rancho de San José niet van Guaymas—een even ernstige en

zorgvereischende zaak als eene reis van honderd mijlen elders; de

vijanden die men zou kunnen ontmoeten en met welke men ieder oogenblik

te doen kan krijgen, hetzij roofzieke Indianen of verscheurende dieren,

zijn te talrijk, te stoutmoedig en te tuk op roof en moord om te hunnen

aanzien zijn leven alleen aan de vlugheid van zijn paard toe te

vertrouwen.

Men had Guaymas reeds ver achter zich, en de witte huizen waren sinds

lang in de oneffenheden van het terrein verdwenen, toen de capataz, die

zich tot hiertoe rustig aan het hoofd der karavaan had gehouden, op

eens van daar terugkwam en in galop naar de palankijn reed, waar don

Sylva de Torres zich nog steeds bevond.

»Wel, Blas,” riep deze, »wat nieuws hebt gij? Onraad gezien voor ons

uit?”

»Nog niets, señoria, antwoordde de capataz, »alles gaat goed en binnen

een uurtje komen wij aan de Rancho.”

»Hoe komt gij dan zoo haastig naar mij toe?”

»O, mijn hemel, señoria, het beteekent niet zoo veel, maar er loopt mij

een idee door het hoofd, er is iets dat ik wilde aanwijzen.”

»Ah zoo,” riep don Sylva, »wat, brave jongen?”

»Kijk eens, señoria,” hervatte de capataz met de hand naar het

zuidwesten wijzende.

»Hé! wat zou dat beduiden? Daar is een vuur, als ik het wel heb.”

»’t Is inderdaad een vuur, señoria; maar kijk eens hier,” en hij wees

nu naar het zuid-oosten.

»Dat is er nog een. Wie duivel toch stookt hier vuur op zulke hooge

steilten, met welk oogmerk kan men dat gedaan hebben?”

»O! maar dat is zoo moeielijk niet te begrijpen, señoria.”

»Vindt gij dat, mijn jongen? wel, dan moest gij mij de zaak eens

ophelderen.”

»Met alle genoegen. Zie daar ginds,” zeide hij, met de hand naar den

berg wijzende daar hij het eerste vuur gezien had, »die heuvel is de

Cerro del Gigante.”

»Werkelijk.”

»En deze,” vervolgde de capataz naar het tweede vuur wijzende, »is de

Cerro de San Xavier.”

»Dat meen ik ook.”

»ik weet het zeker.”

»Welnu?”

»Welnu, daar het eene bewezen waarheid is, dat een vuur niet van zelve

kan ontstaan en dat bij eene hitte van veertig graden niemand lust zal

hebben om voor aardigheid een vuur boven op den berg te gaan

stoken.....”

»Wat besluit gij er dan uit?”

»Ik denk dat die vuren hetzij door roovers of door Indianen zijn

aangelegd die de lucht hebben van onzen uittocht.”

»Ja, ja, ja! wat gij daar zegt, is bondig geredeneerd, vriend; ga voort

met uw verklaring, zij wekt mijne hoogste belangstelling.”

De capataz of majordomo van don Sylva, was een kloeke borst van omtrent

veertig jaren, een vent als een Herkules, en met hart en ziel aan zijn

meester gehecht die wederkeerig in hem het grootste vertrouwen stelde.

Op de minzame woorden van den haciendero boog de eerlijke man met een

glimlach van zelfvoldoening.

»O, maar ik heb zooveel niet meer te zeggen” riep hij, »niets anders

dan dat de ladrones (dieven), of wie het ook wezen mogen die op ons

loeren, door dit signaal gewaarschuwd zijn dat don Sylva de Torres en

zijne dochter van Guaymas op weg zijn naar de Rancho de San José.”

»Waarlijk, gij hebt gelijk, ik heb dat alles over het hoofd gezien: ik

dacht het minst niet aan de roofvogels van allerlei soort die op ons

pad loeren. Maar alles wel ingezien, wat geven wij er om of de

bandieten ons op de hielen zitten, wij zijn immers onder duizend

getuigen op reis gegaan, zoo dat niemand er onkundig van behoeft te

zijn, en bovendien wij zijn talrijk genoeg om voor geen aanranding te

vreezen, maar zoo het mocht gebeuren dat eenige dier schelmen ons

durven aanvallen, carcaras! dan zullen ze weten met wien ze te doen

hebben, dat beloof ik u; trekken wij dus onbezorgd voort, beste vriend;

ik zie niet in dat ons iets onaangenaams kan overkomen.”

De capataz boog voor zijn meester en reed in galop naar zijne plaats

aan het hoofd der karavaan terug.

Een uur later bereikten zij zonder tegenspoed de Rancho.

Don Sylva reed aan het rechter portier der palankijn en sprak tegen

zijne dochter die hem slechts karige antwoorden gaf, al trachtte zij

hare droefheid zoo veel mogelijk voor den scherpzienden blik van haren

vader te verbergen, toen de haciendero zich op eens bij herhaling

hoorde roepen: hij keek dadelijk om en was niet weinig verbaasd, daar

hij in den man die hem zoo onverwachts tot verantwoording riep den

graaf de Lhorailles herkende.

»Hoe, señor graaf, gij hier!” riep hij uit, »door welk zonderling

toeval ontmoet ik u hier zoo dicht bij de haven, daar gij dezen nacht

mij reeds zoover vooruit had moeten zijn?”

Zoodra doña Anita den graaf zag kreeg zij een blos, zij trok zich

schielijk terug en liet de gordijnen der palankijn neer.

»O!” antwoordde de graaf met eene beleefde buiging, »tusschen nu en

gisteren avond zijn er zekere dingen gebeurd die ik u vertellen zal,

Don Sylva, dingen daar gij verwonderd van zult opkijken, ik verzeker u;

maar het tegenwoordig oogenblik is niet geschikt om zulk eene historie

te beginnen.”

»Zooals gij gepast oordeelt, mijn vriend. Maar hoe is ’t met u,

vertrekt gij, of blijft gij hier?”

»Ik vertrek, ik vertrek! Ik ben alleen hier gebleven met oogmerk om u

op te wachten; en zoo gij het goedvindt reizen wij samen; in plaats van

u naar Guetzalli vooruit te gaan, komen wij er dan gezamenlijk aan.”

»Met alle genoegen. Op marsch!” vervolgde hij met een wenk tegen den

capataz.

Laatstgenoemde had toen hij zijn meester met den graaf zag spreken, de

karavaan halt laten maken. Thans trok zij weder op weg.

De Rancho de San José was weldra achter den rug en nu eerst begon de

eigenlijk gezegde reis.

Voor de reizigers uit strekte zich de woestijn met hare onafzienbare

zandvlakte, op wier geelachtigen bodem eene bochtige lijn, gevormd door

het wit gebleekt gebeente der paarden en muildieren, die in de woestijn

waren bezweken, het pad aanwees dat men te volgen had om niet te

verdwalen.

Omtrent twee honderd passen voor de karavaan uit, reed op een kreupelen

ezel in sukkeldraf een man, hij zwaaide telkens links en rechts, en

scheen half in slaap geraakt door de brandende zonnestralen die

loodrecht op zijn bloot hoofd vielen.

»Hei! Blas!” riep don Sylva tegen zijn majordomo, toen hij den eenzamen

ruiter in ’t oog kreeg, »gij moest dien Indiaan daar voor ons uit eens

gaan roepen; die weergasche Roodhuiden kennen de woestijn op hun duim,

hij zou ons als gids kunnen dienen; dan loopen wij minder gevaar van

verdwalen, want als wij ons soms mochten vergissen, zal hij ons zeker

wel weder op den rechten weg brengen.”

»Gij hebt gelijk,” zei de graaf, »in deze verduivelde zandvlakte is men

nooit zeker van het rechte spoor.”

»Ga hem roepen!” hervatte don Sylva.

De capataz zette zijn paard in galop. Op eenigen afstand van den

eenzamen reiziger gekomen bracht hij de handen aan zijn mond bij wijze

van roeper:

»Heila, José!” schreeuwde hij.

In Mexico heeten al de mansos of geciviliseerde Indianen José, zoodat

deze naam voor hen een soort van geslachtsnaam is geworden.

De Indiaan keek om.

»Wat moet gij hebben?” vroeg hij onverschillig.

Het was dezelfde persoon dien wij te Guaymas met zoo veel aandacht de

reisaanstalten van den haciendero hebben zien beschouwen.

Was hij toevallig dezen weg uitgereden, of met opzet?

Dit is eene vraag die niemand had kunnen beantwoorden.

Blas Velazquez was wat men in Mexico een hombre de a caballo, wij

zouden zeggen een geboren ridder, noemt, sedert lang op de hoogte van

al de listen der Indianen, zoowel als met de jacht op wilde dieren. Hij

wierp den reiziger een doordringenden blik toe, dien deze met volmaakte

onverschilligheid doorstond. Het hoofd eenigszins verlegen gebukt, de

handen op den hals van zijn ezel en de naakte beenen er links en rechts

af hangende, was hij de volslagen type van een manso Indiaan, die door

de vernederende en slaafsche behandeling der blanken bijna tot een

redeloos dier is geworden.

De capataz schudde onvoldaan het hoofd, zijn onderzoek was alles

behalve naar wensch; intusschen, na eene minuut aarzelens, hervatte hij

zijn verhoor.

»Wat maakt gij hier zoo alleen op den weg, José?” vroeg hij.

»Ik kom van del Puerto, waar ik mij als timmermansknecht had verhuurd;

ik ben er omtrent eene maand gebleven, en toen ik er de kleine som daar

het mij alleen om te doen was had overgewonnen, ben ik gisteren weder

vertrokken en keer naar mijn dorp terug.”

Dit alles klonk zoo waarschijnlijk als men verlangen kon; de meeste

Hiaqui Indianen deden zoo; en bovendien, wat reden kon deze man hebben

om te liegen? Hij was alleen, en ongewapend; de karavaan daarentegen

was talrijk en bestond uit dappere mannen; er was dus geen het minste

gevaar te vreezen.

»En hebt gij braaf geld gewonnen?” hervatte de capataz.

»Ja,” zei de Indiaan met een zegevierend gezicht, »vijf piasters en nog

drie meer.”

»Oho! José, gij zijt rijk.”

De Hiaqui glimlachte dubbelzinnig.

»Ja,” zeide hij, »de Tiburon [13] heeft geld.”

»Heet gij de Tiburon?” hernam de capataz wantrouwig, »dat is geen mooie

naam.”

»He! waarom niet? De bleekgezichten hebben dien aan hun rooden zoon

gegeven, hij vindt hem mooi, omdat hij van hen afkomstig is en hij zal

hem houden.”

»Ligt uw dorp nog ver van hier?”

»Als ik een goed paard had, zou ik er in drie dagen kunnen zijn, mijn

stamdorp ligt tusschen de Gila en Guetzalli.”

»Zijt gij bekend te Guetzalli?”

De Indiaan trok minachtend de schouders op.

»De Roodhuiden kennen al de jachtgronden aan de Gila,” zeide hij.

Op dit oogenblik had de karavaan de beide sprekers ingehaald.

»Wel, Blas,” vroeg don Sylva, »wat is dat voor een man?”

»Een Hiaqui-Indiaan, die eene kleine som geld te Puerto heeft

overgewonnen en naar zijn dorp terugkeert.”

»Zou hij ons van dienst kunnen zijn?

»Ik denk het wel, zijn stam, zegt hij, ligt tusschen de Gila en de

kolonie te Guetzalli.”

»Ah zoo!” riep de graaf die thans naderbij kwam, »behoort hij dan

misschien tot den stam van het Witte Paard?”

»Ja,” zei de Indiaan.

»O! dan sta ik borg voor den man,” riep de graaf levendig, »dat zijn

zeer zachtzinnige Indianen, het zijn ellendige arme drommels, die bijna

van honger sterven; ik gebruik hen dikwijls op de hacienda.”

»Hoor eens,” hervatte don Sylva, den Roodhuid vriendelijk op den

schouder kloppende, »wij moeten naar Guetzalli.”

»Goed.”

»En wij hebben een trouwen en eerlijken gids noodig.”

»De Tiburon is arm, hij heeft niets dan een zwakken ezel, zoodat hij de

bleekgezichten niet zal kunnen bijhouden.”

»Maak u daar niet ongerust over,” liet er de haciendero op volgen; »ik

zal u een paard laten geven zoo als gij er nog nooit een bereden hebt;

en als gij ons eerlijk dient, zal ik bij onze komst aan de hacienda nog

tien piasters voegen bij die gij reeds hebt. Bevalt u dat?”

De oogen van den Indiaan schitterden van begeerlijkheid bij dit

voorstel.

»Waar is het paard?” vroeg hij.

»Daar is het,” antwoordde de capataz terwijl hij hem een heerlijken

draver aanwees die een der peons hem bracht.

De Roodhuid beschouwde het paard met het oog van een kenner.

»Gij aanvaardt dus den koop?” vroeg de haciendero.

»Ja,” antwoordde de Roodhuid.

»Kom dan maar gezwind van uw ezel en wij vertrekken dadelijk.”

»Ik kan mijn ezel niet verlaten; hij is een goed dier, dat mij lang

dienst heeft gedaan.”

»Wees daar niet bezorgd over, hij komt met de pakezels achteraan.”

De Indiaan gaf een wenk van toestemming en antwoordde niets; eenige

oogenblikken daarna zat hij behoorlijk op zijn paard en ging de

karavaan weder op weg.

Alleen de capataz scheen niet veel vertrouwen te stellen in den zoo

zonderling aangetroffen gids.

»Ik zal hem in het oog houden,” mompelde hij in zich zelven.

De tocht werd dien ganschen dag zonder verdere stoornis voortgezet, en

den volgenden dag bereikte men de Rio Gila.

De oevers der Rio Gila maken door hunne vruchtbaarheid een sterk

contrast met de dorre vlakten in hare nabijheid; de reis van don Sylva,

ofschoon hervat op het oogenblik toen de zon in het toppunt stond en

hare stralen loodrecht nederschoot, was nu niets anders dan een

aangename wandelrit van weinige uren, onder de schaduw van het

loofrijkst geboomte dat hier met een in ons klimaat onbekenden wasdom

opschiet.

Het was ongeveer drie uren in den namiddag toen onze reizigers

nauwelijks vijftig passen voor zich uit de kolonie Guetzalli zagen

liggen, welke door den graaf de Lhorailles gesticht en ofschoon nog

geen drie jaren tellende, reeds eene aanzienlijke uitbreiding had

bekomen en tot in hooge mate ontwikkeld was.

Deze kolonie bestond uit eene hacienda of landhoeve, rondom welke de

arbeiderswoningen in groepen verspreid lagen; wij zullen haar in

weinige woorden beschrijven.

De graaf de Lhorailles · 第 7 / 26 段