nauwelijks hoorbare stem, »zooals gij zelf hebt gezegd, señorita. O!
vergeef mij dat ik u aldus heb durven verrassen. Ik heb een groven
misslag begaan, dat weet ik; maar een ongeluk bedreigt u, dat heb ik
gevoeld en geraden; gij zijt alleen, zonder hulp en ik kwam hier om het
u te zeggen; señorita, ik ben wel zeer gering en zeer onwaard u te
dienen, doch gij hebt een trouw en vastberaden hart noodig, dat bied ik
u aan; neem mijn bloed, neem mijn leven, ik zou mij gelukkig achten
voor u te mogen sterven. In ’s hemels naam, señorita, in naam van al
wat u lief is op de wereld! wijs mijn verzoek niet van de hand; mijn
arm en mijn hart zijn tot uwe beschikking.”
Deze woorden werden met eene door hartstocht bewogen stem uitgesproken,
terwijl don Martial midden in de kamer geknield lag, met de handen
gevouwen en de oogen op doña Anita gericht, met een smachtenden blik,
waarin zijne gansche ziel zich uitdrukte.
Doña Anita keek den jongman wederkeerig strak aan, als om zich van
zijne oprechte bedoeling te verzekeren, en zonder het hoofd af te
wenden naderde zij hem langzaam, aarzelend en bevend, tegen wil en
dank. Toen zij dicht bij hem kwam stond zij een oogenblik besluiteloos,
maar legde hem eindelijk hare kleine blanke hand op de schouders en
bracht haar gelaat zoo dicht bij het zijne dat hij haar frisschen adem
op zijn voorhoofd voelde en hare geparfumeerde lokken zijne wangen
streelden.
»Gij bemint mij dus, don Martial?” vroeg zij met een welluidende stem.
»O!” prevelde de jongman schier tot waanzinnigheid verliefd door deze
zoete gewaarwording.
De Mexicaansche boog zich over den Tigrero en raakte met hare
rozenlippen zijn klam voorhoofd.
»Welaan,” zeide zij, oogenblikkelijk terugspringende als eene
verschrikte hinde, terwijl een purperen blos hare wangen kleurde uit
schaamte over den stap dien zij had gewaagd, »nu moogt gij mij
verdedigen, don Martial, want voor God, die ons ziet en hoort, ben ik
uwe vrouw.”
De Tigrero vloog op als geëlectriseerd door dezen gloeienden kus. Met
een fier voorhoofd en tintelenden blik, sloot hij het meisje in zijne
armen, leidde haar in een hoek van de kamer naar een zilveren statuet
van de heilige Maagd, voor hetwelk eene welriekende lamp brandde.
»Kniel, señora!” zeide hij met bezielde stem terwijl hij zelf de knie
reeds boog.
Doña Anita gehoorzaamde.
»Heilige Mater dolorosa!” hervatte don Martial, »Nuestra Señora de la
Soledad, troosteres der bedroefden. Gij die de harten beproeft, gij
ziet de reinheid onzer wenschen en de heiligheid onzer liefde. In uwe
tegenwoordigheid neem ik doña Anita de Torres tot vrouwe. Ik zweer haar
te zullen verdedigen en beschermen tegen en voor allen, met mijn goed
en leven in den strijd dien ik heden aanga voor het heil van haar die
ik bemin en die ik van heden af beschouw als mijne echte en deugdelijke
bruid.”
Na deze gelofte met eene duidelijke en krachtvolle stem te hebben
uitgesproken, wendde de Tigrero zich naar het meisje.
»Nu is het uwe beurt, señorita,” zeide hij.
Doña Anita vouwde de handen en sloeg de oogen vol tranen op naar het
heilige beeld.
»Nuestra Señora de la Soledad,” stamelde zij met eene diepe, door
aandoening geschokte stem, »gij, mijne eenige beschermster van den dag
mijner geboorte af, gij weet of ik u getrouw was, ik zweer dat alles
wat deze man heeft gezegd waarheid is; ik neem hem tot echtgenoot voor
u, en zal nooit een anderen nemen.”
Zij stonden op.
Doña Anita trok den Tigrero naar het balkon.
»Vertrek!” zeide zij, »de vrouw van don Martial moet niet verdacht
worden: vertrek, mijn echtgenoot en mijn broeder; de man aan wien men
mij wil overleveren heet de graaf de Lhorailles. Morgen eer de zon
opgaat, gaan wij waarschijnlijk op reis naar zijne hacienda.”
»En hij?”
»Is dezen nacht reeds vertrokken.”
»Waarheen?”
»Dat weet ik niet?”
»Ik zal hem dooden?”
»Tot weerziens, don Martial, tot weerziens!”
»Tot weerziens! doña Anita, houd moed, ik waak over u.”
En na haar een kus op het voorhoofd te hebben gedrukt, stapte hij over
de balustrade, greep de reata en liet zich in de straat afglijden.
»Helaas! helaas!” murmelde zij met een gesmoorden zucht, »wat heb ik
gedaan! ... Heilige Maagd, gij alleen kunt mij den moed wedergeven die
mij ontzinkt!”
Zij liet het gordijn neder dat voor het venster hing en keerde terug om
voor het Madonnabeeld te knielen, maar deinsde oogenblikkelijk
achterwaarts met een uitroep van schrik.
Op twee passen afstand stond don Sylva de Torres met gefronste
wenkbrauwen en een streng gelaat.
»Doña Anita, mijne dochter,” zeide hij met een langzame, hortende stem,
»ik heb alles gezien en gehoord; spaar dus, verzoek ik u, eene
nuttelooze ontkenning.”
»Vader!....” stamelde het arme kind met een gebroken stem.
»Zwijg!” hervatte don Sylva, »het is thans drie ure. Wij vertrekken met
zonsopgang, en binnen veertien dagen wordt gij de vrouw van den graaf
don Gaëtano de Lhorailles.”
Zonder er verder een woord bij te voegen stapte hij langzaam de kamer
uit en sloot de deur achter zich toe.
Alleen achtergebleven, stond doña Anita in gebogen houding bij de deur
als om te luisteren, zij wierp een verwilderden blik om zich heen, deed
eenige wankelende stappen voorwaarts, sloeg de beide handen krampachtig
naar de benauwde toegeschroefde keel, gaf een verscheurenden gil en
stortte op den vloer neder.
Zij lag in onmacht.
VII.
EEN TWEEGEVECHT.
Het was omtrent acht ure des avonds toen de graaf de Lhorailles de
woning van don Sylva de Torres verliet. De feria de Plata was toen in
haar vollen luister: de straten van Guaymas waren met eene vroolijk
woelende menigte bedekt: aan alle kanten verhief zich het gejuich,
gezang en gelach; stapels goud blonken op de monté-tafels, en
verspreidden hun geelachtigen verleidelijken gloed in het heldere
schijnsel der talrijke aan alle deuren en vensters schitterende
lichten; hier en daar hoorde men de vihuelas en jarabes strijken en
tokkelen uit de met drinkers en dansers opgevulde pulquerias. De graaf
werkte zich met schouders en ellebogen zoo snel mogelijk door de dichte
groepen die hem ieder oogenblik den doortocht versperden; maar zijn pas
gehouden gesprek met don Sylva had hem in een te gelukkige luim
gebracht dan dat hij er aan zou gedacht hebben om boos te worden over
de tallooze stooten die hij ieder oogenblik ontving.
Eindelijk, na ontelbare moeielijkheden en met verlies van dubbel ja
driemaal zooveel tijd als hij onder andere omstandigheden noodig zou
hebben gehad, gelukte het hem tegen tien uren des avonds zijn logement
te bereiken.
Hij had bijna een uur noodig gehad om ongeveer zes honderd passen ver
te gaan.
In de meson komende, ging de graaf onmiddellijk naar de corral om zijn
paard te verzorgen, dat hij twee schoven alfalfa (spurrie) gaf; na
vervolgens te hebben last gegeven dat men hem ten een ure wekken zou,
zoo hij, dat wel niet waarschijnlijk was, nog niet op mocht zijn, begaf
hij zich naar zijn cuarto (kamer) ten einde eenige uren rust te nemen.
De graaf was voornemens ten een ure des morgens te vertrekken, om de
hitte van den dag te vermijden en meer op zijn gemak te reizen.
Bovendien, na zijn gewichtig onderhoud met don Sylva, verlangde de
edele avonturier zeer om alleen te zijn, ten einde nog eens het geluk
te overdenken dat hem in den afgeloopen avond was te beurt gevallen en
zulk eene schoone toekomst beloofde.
Sedert zijne komst in Amerika had de graaf de Lhorailles—om hier een
gemeenzame uitdrukking te bezigen—met ongehoord geluk gespeeld; alles
liep hem mede, alles kwam zijne wenschen en plannen te gemoet; binnen
weinige maanden stond de balans van zijn fortuin als volgt: het bezit
van eene kolonie, onder de gunstigste vooruitzichten gegrondvest en
bereid, op den weg van vooruitgang en bloei; daarbij in het volle genot
zijner nationaliteit, met volkomen vrijheid van handelen, onafhankelijk
en meester van alle partijen, was hij in dienst bij het Mexicaansch
gouvernement, als kapitein eener vrij-kompagnie van honderd vijftig
man, hem geheel toegedaan en met wier behulp hij alles, zelfs de
buitensporigste ondernemingen, zoo al niet uitvoeren dan ten minste
wagen kon; ten slotte op het punt van te huwen met de eenige dochter
van een man, die zooveel hij kon nagaan twintig maal millionair moest
zijn, en wat de zaak zeker niet erger maakte, zijne aanstaande bruid
was eene allerbekoorlijkste vrouw: ziedaar in korte trekken de stand
van zijn tegenwoordig fortuin.
Ongelukkig of gelukkig, al naar het oogpunt waaruit de lezer verkiest
onzen held te bezien, had de voorspoedige man geen gevoel of hart meer
voor iets: geblaseerd door de bedwelmende buitensporigheden van het
leven in Parijs, klopte zijn boezem niet meer onder de afwisselingen
van vreugde, droefheid of vrees; alles in hem was gestorven. Zoo was
hij juist de man om te slagen in het land waar het toeval hem geworpen
had. In den grooten levensstrijd door hem in Amerika begonnen, had hij
een groot voordeel op zijne mededingers, namelijk dat hij zich nooit
door zijne hartstochten liet regeeren en, dank zijne onverstoorbare
koelbloedigheid, in staat was om telkens de strikken te verijdelen die
gedurig voor zijne voeten gespannen werden en waarover hij wist te
triomfeeren zonder dat hij het zelf scheen te gevoelen.
Na het boven gezegde zal het niet noodig zijn er bij te voegen dat hij
de vrouw wier hand hij zocht, niet beminde; was zij jong en schoon,
zooveel te beter; maar al ware zij oud en leelijk geweest, zou hij haar
toch genomen hebben. Wat kon het hem schelen? hij zocht in dit huwelijk
niets anders dan eene schitterende en benijdenswaardige partij.
Kortom, bij den graaf de Lhorailles was alles berekening.
Maar neen, wij vergissen ons in een enkel opzicht, de graaf de
Lhorailles had ééne zwakke zijde, hij was eerzuchtig.
Deze drift, een der hevigste roerselen die het menschelijk hart in
beweging brengen, was misschien het eenige dat den graaf aan de
maatschappij verbond.
Die eerzucht was bij hem, vooral sedert de laatste maanden, tot zulk
eene hoogte ontwikkeld dat hij er alles voor zou hebben opgeofferd.
Maar wat was nu het doel van zijne eerzucht? wat was de eigenlijke
droom zijner toekomst?
Deze vraag zullen wij den lezer later waarschijnlijk tot in de kleinste
bijzonderheden kunnen beantwoorden.
De graaf, na zich ontkleed te hebben, ging naar bed, dat wil zeggen,
wikkelde zich in zijn zarape en strekte zich op de brits, of liever het
raam met lederen overtrek, dat in gansch Mexico dienen moet om onze
bedden te vervangen, een meubel dat in Europa geheel onbekend is.
Nauwelijks was hij gaan liggen of hij sliep in met de gerustheid van
een ijverig werkzaam man, voor wien ieder uur kostbaar is en die, daar
hij slechts over weinige oogenblikken te beschikken heeft, zich haast
om ze waar te nemen en slaapt, zoo als de Spanjaarden zeggen: a pierna
suelta, hetgeen wij zouden kunnen vertalen door slapen »met gesloten
vuisten.”
Ten één ure des morgens, gelijk hij zich beloofd had, werd de graaf
wakker, hij stak de eenige cebo aan die hem tot verlichting diende,
bracht zijn toilet een weinig in orde, bekeek met zorg zijne pistolen
en zijne karabijn, voelde of zijn zwaard wel vlug uit de scheede ging,
en na de verdere voor iederen reiziger die op zijne veiligheid bedacht
is onvermijdelijke voorzorgen, opende hij de deur der cuarto en begaf
zich regelrecht naar de corral.
Zijn paard vrat nog volmondig en lustig zijn laatste hapje spurrie; de
graaf gaf het een maat haver toe, die het met een zacht gehinnik
genoot; vervolgens legde hij zijn viervoetigen vriend den zadel op.
In Mexico zal geen echt ruiter, tot welke klasse der maatschappij hij
ook behoort, ooit aan anderen toevertrouwen om zijn paard te verzorgen,
want in deze nog half wilde streken van Mexico hangt het lijfsbehoud
van den ruiter grootendeels af van de kracht en vlugheid van zijn
paard.
De deur der herberg stond slechts op de klink, om den reizigers
vrijheid te laten van komen of gaan naar verkiezing, zonder iemand
anders in huis te verontrusten.
De graaf stak een sigaar op, steeg in den zadel en reed in gestrekten
draf den weg op van Guaymas naar de Rancho.
Niets is aangenamer dan het reizen in Mexico bij nacht of in den
vroegen morgen. De aarde, door de nachtelijke koelte met overvloedigen
dauw besproeid, wasemt er de verkwikkendste en welriekendste geuren,
wier heilzame invloed aan het lichaam al zijne kracht en aan den geest
al zijne helderheid geeft.
De maan, die weldra onder zou gaan, verlengde met haar bijna
horizontaal invallend licht de schaduw der hier en daar langs den weg
staande boomen, en gaf hun in de nachtelijke duisternis het aanzien van
spoken.
De donkerblauwe hemel was met een talloos heir van tintelende sterren
bezaaid, te midden waarvan het Zuidelijk Kruis, aan hetwelk de Indianen
den naam van Poron Chayké hebben gegeven, schitterde met onverdoofbaren
glans. De wind schuifelde zacht door de takken, tusschen welke de
blauwe nachtuil nu en dan zijn melodisch maar klagend gezang hooren
liet, en waarmede zich in de diepten der wildernis het ernstig gebrul
van puma en cougouar, of het hortend gemauw van panter en boschkat
vermengde, of het schorre geblaf der op buit loerende coyotes.
Bij zijn vertrek van Guaymas had de graaf zijn paard sterk aangezet,
maar in weerwil van zich zelven, door den onweerstaanbaren indruk van
dezen verrukkelijken herfstnacht medegesleept, vertraagde hij ongemerkt
den pas van zijn paard en gaf zich van lieverlede over aan den vollen
stroom der gedachten, die gedurig in zijn brein opkwamen en hem weldra
deden zinken in zoete mijmeringen.
De afstammeling van een oud en hooghartig Fransch geslacht, hier in de
woestijn alleen, liet in zijn geest den verdwenen luister van zijn
sedert lang verduisterden naam voorbijgaan en zijn hart zwol van vreugd
en van trots bij de gedachte, dat voor hem wellicht de taak was
weggelegd, om, zoo niet den roem zijner voorzaten te herstellen, ten
minste ditmaal voor altijd het fortuin zijner familie te vestigen, dat
hij tot hiertoe zoozeer veronachtzaamd, althans zoo slecht had weten te
bewaren.
De grond, dien hij nu betrad, moest hem honderdvoudig teruggeven wat
hij zoo dwaselijk verloren en verkwist had; het oogenblik was gekomen,
waarop hij eindelijk vrij van alle banden de plannen zijner toekomst
zou verwezenlijken, die hij zoo lang in zijn hoofd had ontworpen.
Zoo reed hij stapvoets voort, midden in de wildernis en zoodanig in
zijne eigene beschouwingen verdiept, dat hij geen acht sloeg op hetgeen
er rondom hem gebeurde.
De sterren aan den hemel begonnen te verbleeken en de een na de ander
te verdwijnen. De dageraad teekende reeds een witte streep aan den
uitersten horizont, die zich van lieverlede kleurde met roodachtige
tinten; met de aannadering van den dag, werd de lucht koeler en
frisscher, terwijl de graaf door het koude gevoel van den rijkelijk
gevallen dauw der woestijn zoo te zeggen uit zijne sluimering gewekt,
huiverend de plooien van zijn zarape om zijne schouders trok en zijn
paard op nieuw in galop zette, met een verstoorden blik op den
veranderden hemel en een wreveligen uitroep:
»O! ik zal slagen, in weerwil van alles!”
Verwaten uitdaging, op welke de hemel onmiddellijk scheen te willen
antwoorden.
Ofschoon de dag op het punt stond van aan te breken, was het alsof
juist daarom de nacht, in zijne worsteling met de ochtendschemering,
des te duisterder wilde worden, gelijk dit trouwens na het ondergaan
der volle maan meermalen gebeurt, gedurende de weinige minuten die de
verschijning der zon voorafgingen.
De eerste huizen der rancho van San José begonnen zich reeds in de
verte te vertoonen en hunne witte gevels in den dikken morgennevel op
te steken, toen de graaf op eens kort achter zich op de keien van den
weg den haastigen hoefslag van verscheidene paarden hoorde klinken, of
althans meende te hooren weergalmen.
In Amerika, bij nacht en op een eenzamen weg, is de ontmoeting van
menschen altijd, of ten minste bijna altijd een teeken van dreigend
gevaar.
De graaf bleef staan om te luisteren, het geluid naderde snel.
De Franschman was dapper, dit had hij bij menige gelegenheid getoond;
intusschen gevoelde hij weinig lust om ergens op weg onverhoeds
overvallen en wellicht jammerlijk vermoord te worden.
Hij keek in het rond, om zich te vergewissen hoeveel kans er was om
zich te redden, in geval de aankomende ruiters vijanden mochten zijn.
Het terrein was geheel kaal en effen, geen enkele boom, of kuil, of
heuvel achter welke hij zich zou kunnen verschansen.
Op twee honderd passen afstands verhieven zich, zooals wij reeds gezegd
hebben, de eerste huizen der Rancho.
De graaf nam dadelijk zijn besluit. Hij gaf zijn paard de sporen en
reed in vliegenden galop in de richting van San José.
Het bleek weldra dat de vreemdelingen zijn voornemen hadden geraden,
want ook zij versnelden den gang hunner paarden merkelijk.
Zoo verliepen een paar minuten, terwijl het gedruisch van den galop al
meer en meer duidelijk werd.
De Franschman begreep dus dat het op hem gemunt was, en dat de vreemde
ruiters, wie zij ook wezen mochten, hem zochten in te halen.
Hij wierp een blik achterwaarts, en bemerkte in de donkere verte twee
schaduwen, die recht op hem aanhielden en in onbeteugelde vaart
naderden.
Intusschen had de graaf de Rancho bereikt; door de nabijheid der huizen
gerustgesteld en niet gaarne voor een wellicht ingebeeld gevaar
willende vluchten, wendde hij zijn paard plotseling om en posteerde
zich dwars in de straat met een pistool in iedere hand.
De vreemdelingen renden aan met onverpoosde snelheid; weldra waren zij
geen twintig passen meer van den graaf verwijderd.
»Wie daar?” riep hij met een luide en ferme stem.
De onbekenden antwoordden niet, maar schenen nog harder door te zetten.
»Wie daar?” herhaalde de graaf, »houdt op, of ik schiet.”
Hij sprak dit op zulk een beslisten toon en met een zoo onverschrokken
houding, dat de onbekenden, na een oogenblik aarzelens bleven staan.
Zij waren met hun beiden.
De dag, die meer en meer begon aan te breken, veroorloofde den graaf
hen volkomen te onderscheiden. Zij waren gekleed als Mexicanen, maar
vreemd voor dit land, waar de bandieten zich weinig bekommeren hun
gelaat te vertoonen, waren zij gemaskerd.
»Heila! bazen,” riep de graaf, »wat beduidt die hardnekkige
vervolging?”
»Dat is waarschijnlijk omdat wij u gaarne wilden inhalen,” antwoordde
eene holle stem sarcastisch.
»Hebt gij het dan op mij gemunt?”
»Ja, zoo gij de vreemdeling zijt die zich de graaf de Lhorailles
noemt.”
»Juist; ik ben de graaf de Lhorailles,” zeide hij onverschrokken.
»Goed, dan hebben wij elkander een woordje te zeggen.”
»Daar heb ik niets tegen, al moet ik uit uw voorkomen opmaken dat gij
bandieten zijt; zoo het u misschien om mijn beurs te doen is, neemt die
en gaat uws weegs, ik heb niet veel tijd.”
»Uw beurs moogt gij behouden, caballero: het is uw leven, niet uw geld
dat wij u willen ontnemen.”
»Ah zoo! dat is hier dan eene aanranding vooraf en een moord daarna?”
»Niet geraden: wij stellen u een eerlijken strijd voor.”
»Hm! een eerlijken strijd,” riep de graaf, »van twee tegen een, dat is
mijns inziens toch wel een weinig ongelijk.”
»Daarin zoudt gij gelijk hebben, wanneer het zoo was,” antwoordde
degene die tot dusver het woord had gedaan, »maar mijn kameraad is hier
alleen om het gevecht aan te zien, niet om er deel aan te nemen.”
De graaf bedacht zich een oogenblik.
»Pardi!” riep hij ten slotte, »het is wel een raar avontuur! een duël
in Mexico en met een Mexicaan!..... dat is tot hiertoe nog nooit
gezien.”
»Dat is waar, caballero, maar er is een begin voor alles.”
»Al scherts genoeg; ik heb er niets tegen om te strijden en hoop u te
bewijzen dat ik wel durf; maar eer ik uw voorstel aanneem, zou ik
gaarne weten waarom gij mij noodzaakt met u te vechten.”
»Waartoe zou dat dienen?”
»Waartoe zou dat dienen? Caspita! omdat ik het weten wil. Gij begrijpt
wel, dat ik hier mijn tijd niet kan verspillen met al de slechthoofden
den hals te breken die mij op weg ontmoeten en goedvinden om zich met
mij te meten.”
»Laat het u dan voldoende zijn te weten dat ik u haat.”
»Caramba! daar was ik genoegzaam zeker van, maar dewijl gij er op staat
om uw aangezicht voor mij te bedekken, zou ik u toch gaarne eenmaal
willen herkennen.”
»Al woorden genoeg,” hervatte de onbekende, »de tijd vliegt heen; wij
hebben reeds veel te lang geredekaveld.”
»Welnu, meester, als het er zoo mede gelegen is, houd u dan gereed ik
zeg u vooruit, dat ik voornemens ben op u beiden te schieten: een
Franschman is niet verlegen om twee Mexicaansche bandieten het hoofd te
bieden.”
»Zoo als gij goedvindt,”
»Voorwaarts!”
»Voorwaarts!”
De drie ruiters spoorden hunne paarden en reden op elkander in; toen
zij elkander ontmoetten schoten zij hunne pistolen op elkander af,
daarop trokken zij hunne sabels.
De strijd was kort, maar hevig; een der onbekenden, licht gewond, werd
door zijn paard weggevoerd en verdween in een wolk van stof. De graaf,
even door een kogel geraakt, voelde zijn woede ten top gestegen en
verdubbelde zijne pogingen om zijn vijand meester te worden of althans
buiten gevecht te stellen; maar hij had met een moeielijken
tegenstander te doen, een man van verbazende behendigheid en in kracht
ten minste met hem gelijk.
Hij zag zijne oogen als gloeiende kolen schitteren door de gaten van
zijn masker, terwijl hij met ongelooflijke snelheid om hem heen reed en
zijn paard de stoutste sprongen en wendingen deed maken, hem gedurig
aanvallende, nu met de spits en dan met het scherp van zijn sabel, en
tegelijk zorg dragende dat hij buiten het bereik der slagen van zijn
tegenpartij bleef.
De graaf verspilde tegen zijn onvermoeiden vijand zijn kracht te
vergeefs; zijne bewegingen begonnen aan vaardigheid en juistheid te
verliezen, zijn gezicht werd beneveld, het zweet gudste van zijne
slapen. De aanvallen zijner stilzwijgende tegenpartij daarentegen
werden des te sneller; de uitslag van den strijd was niet meer te
betwijfelen, toen de Franschman plotseling een strik op zijne schouders
voelde, en eer hij er aan dacht om er zich van te ontdoen, zoo onzacht
uit den zadel gerukt en op den grond werd geworpen, dat hij bijna
bewusteloos bleef liggen, zonder zich te kunnen bewegen.
Den tweeden onbekende was het, na een dollen rit van eenige minuten,
eindelijk gelukt zijn paard weder meester te worden; en toen met allen
spoed naar de plaats van het gevecht terug gereden, zonder dat de twee
verbitterde kampioenen door de hitte des strijds zijne tegenwoordigheid
opmerkten, had hij het noodig geoordeeld den strijd te doen eindigen en
zijn reata nemende had hij den graaf gelasseerd.
Zoodra de onbekende zijn vijand zag vallen, steeg hij van zijn paard en
liep naar hem toe.
Zijne eerste zorg was den Franschman van den strik te bevrijden, die
hem bijna worgde, vervolgens poogde hij hem weer tot bewustzijn te
brengen, hetgeen niet veel tijd vorderde.
»Ha!” riep de graaf met een bitteren glimlach, terwijl hij opstond en
de armen op de borst kruiste, »durft gij dat een eerlijken strijd
noemen?”
»Gij alleen hebt de schuld van hetgeen er gebeurd is,” antwoordde de
andere, »daar gij mijne voorstellen niet hebt willen aannemen.”
De Franschman verwaardigde zich niet hierover te redeneeren, hij
vergenoegde zich met verachtelijk de schouders op te halen.
»Uw leven heb ik gewonnen,” vervolgde zijn weerpartij.
»Ja, door een schelmstuk; maar wat kan het mij schelen! vermoord mij en
maak er een eind aan.”
»Ik wil u niet dooden.”
»Wat wilt gij dan?”
»U een raad geven.”
»Mij?”
»Ja, u.”
De graaf grinnikte.
»Gij zijt een gek, waarde heer.”
»Niet zoo erg als gij denkt. Luister aandachtig naar hetgeen ik u te
zeggen heb.”
»Zoo ik hopen mocht daardoor des te eerder van uwe tegenwoordigheid
ontslagen te worden, zou ik het doen.”
»Hoor dan, señor conde de Lhorailles, uwe komst hier te lande heeft
twee personen in ’t ongeluk gestort.”
»Loop heen, gij houdt mij voor den gek.”
»Ik spreek in vollen ernst. Don Sylva de Torres heeft u de hand zijner
dochter beloofd.”
»Wat gaat u dat aan?”
»Antwoord.”
»Het is zoo, waarom zoude ik het loochenen?”
»Doña Anita bemint u niet.”
»Hoe kunt gij dat weten?” riep de graaf met een schamperen lach.
»Ik weet het, en ik weet bovendien dat zij een ander bemint.”
»Welnu en wat nog meer?”
»En dat die andere haar bemint.”
»Des te gekker voor hem, want ik zal haar nooit afstaan, dat zweer ik
u.”
»Gij hebt ongelijk, señor conde, gij zult haar afstaan, of gij sterft.”
»Het een zoo min als het ander!” riep de onstuimige Franschman, die
thans van zijn val geheel hersteld was. »Ik herzeg u dat ik Anita zal
huwen. Bemint zij mij niet, hetgeen ik echter betwijfel, welnu dat is
een ongeluk; ik hoop dat zij later te mijnen opzichte wel van meening
zal veranderen; ik wil dat huwelijk, en niemand is in staat het te
verhinderen.”