zoo ik hoop, bereiken wij het doel dat wij zoolang reeds beoogd hebben,
en treden wij uit de duisternis, in welke wij thans nog voortkruipen,
te voorschijn om plaats te nemen in het volle zonlicht. Amerika is een
wonderbaar land, waar aller eerzucht bevrediging kan vinden; zooals ik
veertien dagen geleden, toen ik de eer had u voor de eerste maal bijeen
te roepen, mij verbonden heb, heb ik alle noodige maatregelen genomen
en wij zijn geslaagd. Gij lieden, mijne vrienden, hebt mij wel tot
directeur der Mexicaansche beweging willen benoemen; en ik zeg er u
dank voor, mijne broeders. Eene aanvraag van drieduizend acres land is
mij toegestaan, te Guetzalli, in Opper-Sonora. De eerste stap is
gedaan. Mijn luitenant de la Ville is gisteren naar Mexico vertrokken
om het afgestane land in bezit te nemen. Heden heb ik u een verzoek te
doen. Gij allen die mij hier hoort, zijt Europeanen of
Noord-Amerikanen; gij zult mij dus begrijpen.
»Reeds sedert lang in schijn onverschillig voor hetgeen er in de
Amerikaansche republieken omgaat, zijn de Dauph’yeers, de wettige
opvolgers der Kust-Broeders, tot hiertoe werkelooze toeschouwers
gebleven bij de woelige tooneelen, plotselinge veranderingen en
onbeschaamde omwentelingen, die de oude Spaansche koloniën
onophoudelijk teisteren.
»Het uur is voor ons gekomen om aan den strijd deel te nemen: ik heb
honderd vijftig getrouwe mannen noodig. Guetzalli zal hun voorloopig
toevluchtsoord zijn. Spoedig zal ik hun zeggen wat ik van hunnen moed
verlang; tracht slechts te doen wat ik wil wagen. De onderneming die ik
beraamd heb en in welke ik wellicht zal omkomen is geheel ten voordeele
van ons bondgenootschap; zoo ik slagen mag, is elk die er deel aan
heeft genomen eene rijke belooning en eene aanzienlijke plaats
verzekerd. Gij kent den man die mij bij u heeft ingeleid, hij bezat uw
aller vertrouwen; de gedenkpenning dien hij mij gaf, bewijst dadelijk
dat hij volkomen voor mij borg staat: en nu vraag ik u of gij op uwe
beurt mij vertrouwen schenkt, gelijk hij mij vertrouwde; zonder u kan
ik niets uitrichten. Ik wacht uw antwoord.”
Hier zweeg hij.
Onder de aanwezigen ontstond thans ofschoon met gesmoorde stem eene
levendige woordenwisseling, die een geruimen tijd aanhield. Eindelijk
werden allen weder stil en stond een van hen op.
»Mijnheer de graaf Gaëtan de Lhorailles,” zeide hij, »mijne broederen
gelasten mij u in hunnen naam te antwoorden. Gij hebt u aan ons
voorgesteld, ondersteund door de krachtige aanbeveling van een man die
ons volste vertrouwen bezit; uw eigen gedrag schijnt ons toe deze
aanbeveling in allen deele te bevestigen; de honderd vijftig mannen die
gij vraagt zijn bereid u te volgen, onverschillig waarheen gij hen
leiden zult, en wel overtuigd dat zij niet anders dan winnen kunnen
door uwe plannen te ondersteunen. Ik, Diego Leon, schrijf mijn naam
bovenaan op de lijst.”
»En ik!”
»En ik!”
»En ik!” riepen de Dauph’yeers om strijd.
De graaf wenkte met de hand en het werd weder stil.
»Broeders, ik dank u,” zeide hij. »Te Valparaiso zal ik, wanneer alles
goed gaat, de dappere mannen kiezen, die ik in ’t vervolg zal noodig
hebben. Heden heb ik aan honderd vijftig mannen genoeg. Zoo mijn plan
gelukt, wie weet wat ons dan in de toekomst nog wacht. Ik heb
eigenhandig een contract opgemaakt, welks voorwaarden ik niet twijfel
dat stipt door u zoowel als door mij zullen worden nagekomen. Leest het
eerst en teekent het daarna: binnen twee dagen vertrek ik naar Talca;
maar over zes weken ben ik weder hier om mij te verstaan met diegenen
onder u, die bereid zijn mij te volgen, en alsdan zal ik hun mijne
plannen tot in de kleinste bijzonderheden mededeelen.”
»Kapitein de Lhorailles,” hernam Diego Leon; »gij zegt dat gij niet
meer dan honderd vijftig mannen noodig hebt. Laten wij er dan om loten,
want allen willen u volgen.”
»Ik zeg u wederom dank, brave kameraden,” zei de graaf, »gelooft mij,
ieder van u zal zijne beurt krijgen; het door mij ontworpen plan is
grootsch en uwer waardig; onder ulieden eene keus te doen zou te veel
naijver wekken, tusschen mannen die allen verdienstelijk zijn; ik
gelast u derhalve, Diego Leon, om door het lot te beslissen, wie van
onze eerste onderneming deel moeten uitmaken.”
»Dat zal geschieden,” antwoordde Diego Leon, een stijve en regelmatige
Bearnees, voormalig brigadier der Spahis, een oud soldaat, ten volle
bekend met de dienst; strenge krijgstucht was zijn stokpaardje.
»Nu, mijne vrienden, nog een enkel woord: denkt er om dat ik u heden
over drie maanden wacht te Guetzalli, van daar met Gods hulp zal de
ster der Dauph’yeers heerlijk voor ons opgaan. Drinken wij, mijne
broeders, op het welslagen onzer onderneming.”
»Drinken wij!” riepen al de Kust-Broeders in blakende geestdrift.
De kastelein werd uit zijn bed gehaald om de gasten te bedienen.
Nu werd er wijn en brandewijn bij volle stroomen gelapt en gedronken.
De gansche nacht ging om in eene slemppartij, die tegen den morgen haar
volle hoogte bereikte, toen de vergadering met het krieken van den dag
onder de beste verwachtingen uiteen ging.
Zoo had de graaf de Lhorailles, dank zij den talisman dien de baron hem
voor zijn vertrek uit Europa gegeven had, zich terstond na zijn
aankomst in Amerika aan het hoofd gesteld van een troep bondgenooten,
bestaande uit ondernemende en vastberaden mannen, met wier behulp een
man van zooveel verstand en aanleg als hij, wel in staat was groote
dingen uit te voeren.
Ongeveer twee maanden na de hierboven door ons beschreven vergadering,
waren de graaf en zijne honderd vijftig Dauph’yeers vereenigd in de
kolonie te Guetzalli, welke heerlijke bezitting hij zich door den
geheimen invloed van den baron Spurtzheim had weten te verschaffen.
Zonder dat iemand gissen kon waaraan men zulk een opgang moest
toeschrijven, genoot de graaf een ongehoorden voorspoed, alles gelukte
hem, de schijnbaar dolzinnigste ondernemingen werden door hem tot een
goed einde gebracht, zijne kolonie bloeide meer en meer en breidde zich
uit op een wijze die een ieder bewonderde, en zelfs het Mexicaansche
gouvernement met de schoonste verwachtingen vervulde.
Met de grondige wereld- en menschenkennis, die de graaf in de hoogste
mate bezat, had hij de afgunst zijner benijders tot zwijgen weten te
brengen en zich een kring van trouwe vrienden en nuttige helpers
verworven, die hem in honderd omstandigheden met hunne voorspraak
begunstigden en met hun crediet ondersteunden.
Om onze lezers terstond te doen zien, welke vorderingen hij in
betrekkelijk korten tijd, nauwelijks drie jaren, maakte, zal het genoeg
zijn te zeggen, dat hij op het oogenblik toen wij hem in ons verhaal
lieten optreden, bijna het doel zijner standvastige pogingen had
bereikt; hij had zich inderdaad in de publieke opinie weten te vestigen
en was op het punt zich een eervollen rang in de maatschappij te
verwerven door zijn aanstaande echtverbintenis met de dochter van don
Sylva de Torres, een der rijkste hacienderas in Sonora; en dank zij den
invloed van zijn aanstaanden schoonvader, had hij een aanstelling
ontvangen als kapitein van een vrij-kompagnie, bestemd om de invallen
der Apachen en Comanchen op het Mexicaansche grondgebied af te weren,
met het recht om deze kompagnie naar verkiezing geheel uit Europeanen
samen te stellen.
Keeren wij thans terug naar het huis van don Sylva de Torres, dat wij
verlaten hebben weinige oogenblikken nadat de graaf de Lhorailles het
was binnen getreden.
VI.
DOOR HET VENSTER.
Toen doña Anita de salon verliet om zich naar hare slaapkamer te
begeven, oogde de graaf haar zoo lang mogelijk na, daar hij niets
scheen te begrijpen van haar zonderling gedrag jegens hem, vooral uit
hoofde der bijzondere betrekking waarin zij tegenover elkander waren
geplaatst, ter zake van het huwelijk dat hen weldra voor levenslang zou
verbinden. Na echter eenige minuten te hebben nagedacht, schudde bij
eindelijk het hoofd, als wilde hij de treurige gedachten verdrijven die
hem bestormden, en wendde zich tot zijn toekomstigen schoonvader.
»Spreken wij over onze zaken,” zeide hij; »zoo gij immers wilt.”
»Hebt gij mij dan iets nieuws mede te deelen?”
»Een aantal zaken.”
»Gewichtige?”
»Dat zult gij zelf beoordeelen.”
»Laat hooren dan. Ik ben ongeduldig om ze te vernemen.”
»Gaan wij ordelijk voort. Gij weet, vriend, waarom ik Guetzalli
verlaten had.”
»Volkomen. Zijt gij goed geslaagd?”
»Geheel naar mijne verwachting. Dank zij zekere brieven, die ik had
medegebracht en vooral ten gevolge uwer welwillende aanbeveling, heeft
de generaal Marcos zich jegens mij zeer genegen getoond. De wijze
waarop hij mij ontving was allerminzaamst, kortom, hij verleende mij
zijn naam in blanko, met volmacht niet alleen om honderd vijftig man
aan te werven, maar zelfs dubbel zoo veel als ik dit noodig oordeelde.”
»O! dat is heerlijk, inderdaad.”
»Niet waar? Bovendien heeft hij mij gezegd, dat hij in een oorlog als
die welken ik thans ging ondernemen, want een jacht op de Apachen is
niets minder dan een oorlog, mij volkomen vrijheid liet om naar eigen
goedvinden te handelen, en keurde bij voorbaat alles goed wat door mij
gedaan zou worden, wel overtuigd, voegde hij er bij, dat het alleszins
strekken zou tot roem en voordeel van Mexico.”
»Wel, dat hoor ik met veel genoegen, vriend. Maar hoe zijt gij thans
voornemens te handelen na zulk een gelukkigen afloop?”
»Ik ben vooreerst besloten om van hier onmiddellijk naar Guetzalli te
vertrekken, dat ik reeds sedert drie weken verlaten heb. Ik moet
noodzakelijk naar mijne kolonie terug, om te zien of alles geregeld
gaat en mijn volk gelukkig is. Bovendien zou ik, alvorens mij,
misschien voor langen tijd, met het grootste gedeelte mijner
manschappen te verwijderen, de kolonisten gaarne tegen eene
overrompeling beveiligen, door rondom mijne bezittingen eenige werken
aan te leggen, zoodat de achterblijvenden in staat zijn iederen aanval
der wilden met kracht af te weren. Dit is van des te meer belang, omdat
Guetzalli in zekeren zin altijd mijn hoofdkwartier blijven moet.”
»Dat is zoo. En wanneer denkt gij te vertrekken?”
»Heden avond.”
»Zoo spoedig reeds?”
»Ik moet wel. Gij zelf weet hoe zeer de tijd dringt.”
»Inderdaad. Hebt gij mij niets anders meer te zeggen?”
»Vergeef mij, ik heb u nog eene andere vraag te doen, die ik met opzet
voor het laatst bewaard heb.”
»Is zij dan zoo belangrijk?”
»Van het hoogste belang.”
»O, dan moet ik haar hooren, vriend, spreek op, dadelijk.”
»Bij mijne komst hier te lande,” hervatte de graaf, »toen de
onderneming, die ik thans God zij dank! tot een goed einde heb
gebracht, nog slechts op het papier bestond, waart gij zoo welwillend,
señor don Sylva, om niet alleen uw onmetelijk crediet, maar ook uwe
onberekenbare rijkdommen te mijner beschikking te stellen.”
»Dat is zoo,” zei de Mexicaan glimlachend.
»Welnu, ik heb van uw aanbod ruimschoots gebruik gemaakt, menigmaal uit
uw geldkist geput en over uw crediet zoo dikwijls beschikt als de
gelegenheid het vorderde; vergun mij thans het eene gedeelte mijner
verplichting aan u te kwijten, terwijl ik erken dat ik het andere
gedeelte u vooreerst zal moeten schuldig blijven. Zie hier,” vervolgde
hij, een papier uit zijne portefeuille nemende, »hier is een
wisselbrief, ten bedrage van honderd duizend piasters, betaalbaar op
zicht en getrokken op Walter Blount en Comp. bankiers te Mexico. Ik
acht mij gelukkig, don Sylva, in staat te zijn deze schuld zoo
gereedelijk af te doen, niet omdat....”
»Met uw welnemen,” viel de haciendero hem in de rede, terwijl hij den
wissel, dien de graaf hem aanbood, met drift afwees, »maar ik geloof
dat wij elkander op dit oogenblik niet goed begrijpen.”
»Hoezoo niet?”
»Tot opheldering zal ik u zeggen: bij uwe komst te Guaymas, mijnheer de
graaf, kwaamt gij bij mij met een dringenden aanbevelingsbrief van wege
een man met wien ik, zonder daarom ooit intiem aan hem verbonden te
zijn, nochtans eenige jaren geleden zeer groote geldelijke betrekkingen
heb gehad. De baron van Spurtzheim stelde u aan mij voor, meer als een
beminden zoon dan als een vriend voor wien men zich partij stelt. Ik
heb mijn huis wagenwijd voor u opengezet. Ik was verplicht zulks te
doen. Later, toen ik u leerde kennen en het grootsche en edele in uw
karakter heb kunnen waardeeren, zijn onze aanvankelijk koele
betrekkingen nauwer geworden en bood ik u de hand mijner dochter, die
gij hebt aangenomen.”
»Tot mijn onuitsprekelijk geluk!” riep de graaf.
»Zeer goed,” hernam de haciendero glimlachend, »het geld dus dat ik van
een onbekende zou kunnen terug ontvangen, en dat hij mij als zoodanig
wettig verschuldigd was, dat geld behoort aan mijn schoonzoon.
Verscheur dus, bid ik u, dien wisselbrief, waarde graaf, en denken wij
niet verder om dat bagatel.”
»Juist!” riep de graaf schielijk en op verdrietigen toon, »dat is juist
wat mij hindert; ik ben uw schoonzoon nog niet en, als ik het u zeggen
moet, ik vrees dat ik het nooit worden zal.”
»En wat geeft u aanleiding om daarvoor te vreezen? Hebt gij niet mijne
belofte? Het woord van don Sylva de Torres, waarde heer graaf de
Lhorailles, is een waarborg, dien nog nooit iemand heeft durven in
twijfel trekken.”
»Daar twijfel ik ook in ’t minst niet aan, don Sylva; het is niet voor
u dat ik vrees.”
»Voor wie dan?”
»Voor doña Anita.”
»Voor mijne dochter?”
»Ja.”
»Wat zegt gij, vriend! dat vereischt nadere opheldering, want ik zweer
u dat ik het volstrekt niet begrijp” riep don Sylva, terwijl hij
driftig opstond en onrustig het salon op en neder trad.
»Mijn hemel, don Sylva!” riep de graaf, »het spijt mij waarlijk dat ik
dit bezwaar bij u heb ter sprake moeten brengen, want ik bemin doña
Anita; maar de liefde, zooals gij weet, is ergdenkend; en ofschoon uwe
dochter altijd lief en goed voor mij geweest is, heb ik haar sedert
onze verloving gadegeslagen en als ik het u bekennen moet geloof ik
stellig dat zij mij niet bemint.”
»Gij zijt dwaas, don Gaëtano; de meisjes weten zoo min wie zij beminnen
als wie zij niet beminnen. Bekommer u niet over die kinderachtige
grillen; ik heb u beloofd dat zij uwe vrouw zal worden, en dat zal
zij.”
»Maar zoo zij nu evenwel een ander beminde, zou ik u niet willen....”
»Kom, loop heen! dat is nu toch wat al te gek. Anita bemint geen ander
dan u, dat weet ik zeker; en ziedaar, ik zal er u op eens van
verzekeren; gij vertrekt heden avond hebt gij gezegd naar Guetzalli?”
»Ja, nog dezen avond.”
»Zeer goed; laat dan kamers in gereedheid brengen voor mij en mijne
dochter, en binnen weinige dagen komen wij bij u in de hacienda
logeeren.”
»Zou dat mogelijk zijn?” riep de graaf verheugd.
»Morgen met het krieken van den dag vertrekken wij; dus haast u.”
»O! duizendmaal dank.”
»Goed, zijt gij nu gerustgesteld?”
»Niemand kan gelukkiger zijn dan ik.”
Na nog eenige woorden te hebben gewisseld namen de twee mannen
afscheid, met de belofte dat zij elkander spoedig weêr zouden zien.
Don Sylva was gewoon om in zijn huis door niemand tegengesproken te
worden of zijne bevelen in omvraag te brengen; wel overtuigd van
Anita’s gehoorzaamheid, liet hij haar met de kamenier zeggen, dat zij
zich den volgenden morgen tegen zonsopgang voor eene tamelijk verre
reis moest gereed maken.
Dit bericht klonk het meisje als een donderslag in de ooren.
Half flauw van den schrik zeeg zij op een stoel neder en smolt weg in
tranen; zij gevoelde maar al te duidelijk dat deze reis niets dan een
voorwendsel was, om haar van haren beminde te scheiden en haar weêrloos
over te leveren aan den man dien zij verfoeide, en aan wien men haar
ongevraagd ongeweigerd dacht uit te huwelijken.
Zoo bleef zij eenige uren lang zitten, geheel in zich zelve verzonken,
aan de wanhoop ten prooi, zonder te denken aan de welkome rust, die zij
toch niet zou gevonden hebben, want zij wist dat de slaap hare
gezwollen en roodgeweende oogleden niet zou sluiten.
Allengs waren alle geluiden in de stad verdoofd, alles sliep of althans
scheen te slapen; ook het huis van don Sylva was geheel donker, slechts
een enkel flauw licht blonk als eene eenzame ster door de glasruiten
van Anita’s venster, en bewees dat zij ten minste nog waakte.
Op dit oogenblik vertoonden zich twee onzekere en vreesachtige schimmen
op den muur tegenover het huis van den haciendero; twee mannen in lange
mantels gehuld, bleven staan en keken naar het flauw verlichte venster,
met eene oplettendheid zoo strak als alleen aan dieven of aan
verliefden eigen is.
De twee door ons genoemde mannen behoorden ongetwijfeld tot de
laatstgenoemde kategorie.
»Hm!” riep de een met eene halfgesmoorde stem, »dus zijt gij zeker van
hetgeen gij beweert, Cuchares?”
»Zoo zeker als ik hoop zalig te worden, señor don Martial,” antwoordde
de andere op denzelfden toon, »ik heb dien verwenschten Engelschman in
huis zien komen juist toen ik er was; en don Sylva scheen op den besten
voet met zoo’n duivelschen ketter.”
Wij moeten in ’t voorbijgaan aanmerken, dat de Mexicanen eenige jaren
geleden en wellicht ook nu nog alle vreemdelingen, ongevraagd tot welke
natie zij behooren, voor Engelschen houden en bij gevolg als ketters
aanmerken; de vreemdelingen zagen zich dus, zelfs buiten hun weten
gerangschikt onder de lieden die men zonder misdadig te zijn kon
dooden, ja wier vermoording integendeel bijna als een verdienstelijk
werk werd beschouwd.
Tot lof van de Mexicanen moeten wij er dan ook bijvoegen, dat zij bij
elke voorkomende gelegenheid de zoogenaamde Engelschen omhals brachten,
met eenen ijver die van hunne welbegrepen vroomheid alleszins
getuigenis gaf.
Don Martial antwoordde:
»Op mijn woord als Tigrero, die kerel is mij reeds tweemaal in den weg
gekomen en tweemaal heb ik hem gespaard, maar laat hij zich wachten
voor den derden keer.”
»O!” riep Cuchares, »de eerwaarde pater Becchio heeft mij gezegd dat ik
altijd een goeden aflaat kon verdienen met een Engelschman te snijden
[11] (cortar). Ik heb het voordeel nog niet gehad om er een te
ontmoeten, al ben ik er ongeveer acht schuldig op mijne rekening met
pater Becchio. Ik heb grooten lust om met dezen een begin te maken, dat
ware ten minste zooveel gewonnen.”
»Wees gewaarschuwd, om uw leven, picaro, die man hoort mij toe.”
»Dan spreken wij er niet meer van,” antwoordde Cuchares met een
gesmoorden zucht; »ik laat hem voor u. Maar in allen geval het spijt
mij, ofschoon de niña hem hartelijk schijnt te verfoeien.”
»Hebt gij bewijs voor hetgeen gij daar zegt?”
»Is er beter bewijs dan de afkeer dien zij hem betoont als hij komt, ik
heb haar bij deze gelegenheid zien verbleeken als een doek, zonder dat
er eenige andere denkbare reden voor kon bestaan.”
»O! ik zou duizend oncen willen missen om te weten wat er van is?”
»Wie belet u dat? de heele wereld slaapt, niemand zal u zien: vijftien
voet! hooger is het niet. Ik ben zeker dat Anita blijde zou zijn als
zij eens met u kon praten.”
»O! als ik dat kon denken,” mompelde hij aarzelend met een
zijdelingschen blik naar het altijd verlichte venster.
»Misschien! wie weet of zij niet op u wacht!”
»Zwijg, ellendeling.”
»Wat weêrga! luister toch; als het waar is wat ik heb hooren vertellen,
moet het arme kind erg in de verknijping zitten, om er niet meer van te
zeggen; zij heeft dringend hulp noodig.”
»Wat zegt men van haar? laat hooren, maar kort.”
»Eenvoudig dit: dat doña Anita de Torres vandaag over acht dagen
trouwen zal met den Engelschman don Gaëtano.”
»Gij liegt, deugniet,” riep de Tigrero met kwalijk verholen woede; »als
ik mij niet weêrhield, zou ik u met mijn ponjaard de woorden teruggeven
die gij daar gesproken hebt.”
»Daar zoudt gij verkeerd aan doen,” hervatte de andere zonder zijne
bedaardheid te verliezen; »ik ben slechts de echo, die herhaalt wat hij
heeft hooren zeggen, meer niet. Gij zijt de eenigste in Guaymas die van
dat nieuws niets weet. In allen geval is dat niet te verwonderen, daar
gij eerst heden avond in de stad terug zijt gekomen na eene maand
afwezigheid.”
»Dat is waar, wat dan gedaan?”
»Caraï! naar goeden raad luisteren en doen wat ik u zeg.”
De Tigrero keek een geruime poos naar het venster, en liet het hoofd
besluiteloos hangen.
»Wat zal ze wel zeggen, als zij mij ziet?” mompelde hij.
»Caramba!” riep de lepero op sarcastischen toon, »wat zij zal zeggen?
Wees welkom, alma mia (beste vriend) dat is klaar, carai! Gij zijt toch
geen kind, don Martial, om voor een vrouwenblik te beven? De
gelegenheid heeft slechts drie haren, in de liefde zoowel als in den
oorlog; men moet haar aangrijpen als zij zich voordoet, of men loopt
gevaar dat zij nooit weêrkomt.”
De Mexicaan naderde den lepero tot hij hem bijna aanraakte, en staarde
hem diep in de groene kattenoogen.
»Cuchares,” zeide hij met eene zware nadrukkelijke stem, »ik verlaat
mij op u. Gij kent mij; ik heb u zoo menigmaal geholpen maar als gij nu
mijn vertrouwen teleurstelt, dood ik u als een coyote.”
De Tigrero sprak deze woorden op zulk een toon van stille woede, dat de
lepero, die zeer wel wist met welk een man hij te doen had, tegen wil
en dank bleek werd en beefde als een riet.
»Ik ben in alles tot uw dienst, don Martial,” antwoordde hij met eene
stem die hij vruchteloos poogde ferm te houden; »wat er ook gebeure,
gij kunt op mij rekenen: wat moet ik voor u doen?”
»Niets, wachten, opletten en bij het minste geluid dat u als onraad
voorkomt of bij den eersten zweem van vijand dien gij in de duisternis
ziet mij onmiddellijk waarschuwen.”
»Reken op mij, doe uwe zaken; ik ben stom en doof, en zal gedurende uwe
afwezigheid voor u waken als een zoon voor zijnen vader.”
»Goed!” riep de Tigrero.
Hij trad eenige stappen terug, maakte de reata los die om zijn middel
geslagen was, hield haar in de rechterhand gereed, sloeg de oogen op,
berekende den afstand en toen de reata eenige malen met kracht boven
zijn hoofd slingerende wierp hij haar naar het balkon van doña Anita.
De strik hechtte zich aan een der ijzeren punten der balustrade en
bleef stevig vast zitten.
»Denk om uwe belofte!” zei de Tigrero zich tot Cuchares wendende.
»Ga uw gang,” antwoordde deze terwijl hij tegen den muur aan de
overzijde post vatte en de beenen over elkander kruiste, »ik sta borg
voor alles.”
De Mexicaan nam genoegen of scheen althans genoegen te nemen met deze
verzekering; hij greep de reata, en van zijne plaats opspringende als
een van die panters die hij zoo vaak had vervolgd in de savane, palmde
hij zich met de vuisten naar boven en bereikte na eenige seconden het
balkon.
Hij stapte over de balustrade en naderde het venster.
Doña Anita zat in halfliggende houding op haar armstoel te slapen.
Het arme kind, bleek en ontdaan, de oogen door tranen gezwollen, was
eindelijk overmeesterd door den slaap die zijne rechten op jeugdige en
krachtvolle naturen nimmer verliest. Hare marmerbleeke wangen
vertoonden nog de sporen der pas geweende tranen. Martial begluurde met
verteederden blik zijne beminde, zonder haar te durven naderen. Zoo in
haar slaap verrast, kwam het meisje hem bekoorlijker voor dan ooit, een
aureool van reinheid en onschuld scheen te zweven boven haar hoofd, als
om hare rust heilig en onschendbaar te bewaken.
Na eene lange en onverzaadbare beschouwing, besloot de Tigrero
eindelijk nader te treden.
Het venster, dat slechts op een kier stond, daar Anita zeker niet
gedacht had op die wijze in te slapen, week terug voor den minsten
stoot van don Martial; hij deed nog een stap en stond in de slaapkamer
van doña Anita.
De indruk van dit vertrek, waar alles zoo kalm, zoo maagdelijk rein en
ordelijk was, boezemde den Tigrero een ongewoon gevoel van eerbied in,
zijn hart klopte in zijne borst als of het zou barsten, en in zijne
hartstochtelijke opwinding tusschen liefde en vrees waggelde hij voort
en zonk op de knieën naast zijne beminde.
Het meisje opende de oogen.
»O!” riep zij, toen zij don Martial zag, »Gode zij dank die u te mijner
hulpe zendt.”
De Tigrero keek tot haar op, met vochtigen blik en hijgende borst.
Maar plotseling rees Anita overeind, zij kwam tot bezinning en daarmede
tot de schuchtere vrees die alle vrouwen is aangeboren.
»Ga heen!” riep zij terwijl zij zich in den versten hoek der kamer
terugtrok, »ga heen, caballero. Hoe komt gij hier? wie heeft u bij mij
ingeleid? Antwoord, antwoord mij dadelijk!”
De Tigrero boog deemoedig het hoofd.