»Mijne heeren,” zeide zij met eene zwakke stem, »ik gevoel mij

ongesteld; weest zoo goed en veroorlooft mij om heen te gaan.”

»Inderdaad,” riep de graaf opstaande en naar haar toeloopend om haar

zijn arm te bieden en te ondersteunen, »gij zijt bleek, doña Anita, sta

mij toe u naar uwe kamer te geleiden?”

»Ik dank u, caballero,” zeide zij; »ik gevoel mij sterk genoeg om

alleen te gaan, en ofschoon erkentelijk voor uw aanbod ben ik zoo vrij

om het af te wijzen.”

»Zoo als u behaagt, señorita,” zei de graaf, heimelijk gebelgd over

deze weigering.

Don Sylva stond eene enkele seconde in beraad om zijne dochter te

bevelen te blijven, maar het arme kind wierp hem zulk een wanhopigen

blik toe, dat hij den moed niet bezat haar eene langere foltering op te

leggen.

»Ga, mijn kind,” zeide hij.

Het meisje haastte zich van deze vergunning gebruik te maken, snelde de

zaal uit en nam de vlucht naar hare slaapkamer, waar zij zich opsloot,

op een stoel neerzonk en in tranen uitbarstte.

»Wat schort er toch aan doña Anita?” vroeg de graaf vol belangstelling

toen zij vertrokken was.

»Vapeurs, hoofdpijn, zenuwen, wat weet ik het?” antwoordde de

haciendero schouderophalend; »alle jonge meisjes zijn zoo; over eenige

oogenblikken zal zij het reeds vergeten zijn.”

»Des te beter! ik moet u bekennen dat ik ongerust was.”

»Nu wij alleen zijn, wilt gij misschien de oplossing niet meer hooren

van het raadsel dat u zooveel belang scheen in te boezemen?”

»Neen zeker. Spreek zonder verder uitstel, ik heb u van mijn kant een

aantal gewichtige zaken mede te deelen.”

III.

TWEE OUDE KENNISSEN VAN DEN LEZER.

Op ongeveer vijf mijlen afstand van Guaymas ligt het kleine dorp San

José, in de wandeling de Rancho genaamd.

Deze armzalige pueblo of buurtschap bestaat slechts uit een plein van

geringe grootte, rechthoekig gekruist door twee straten, met

bouwvallige steenen huizen, deels bewoond door Hiaquis-Indianen, die

jaarlijks in grooten getale naar Guaymas gaan arbeiden, als

havenwerkers, timmerlieden, commissionairs enz., deels ook door die

avonturiers en gelukzoekers zonder eer of deugd, daar het aan de oevers

der Stille Zuidzee sedert de ontdekking der goudmijnen in Californië

van wemelt.

De weg van Guaymas naar San José loopt door een dorre zandige streek,

waar slechts enkele nopalplanten en verkreupelde cactus opschieten,

wier verdroogde en met stof overdekte takken of bladen er bij nacht

uitzien als witte spoken.

In den avond van den dag waarmede ons verhaal begint, reed een eenzame

ruiter, tot aan de oogen in zijn mantel gewikkeld in vliegenden galop

naar de Rancho.

De donkerblauwe hemel was met duizend fonkelende sterren bezaaid; de

maan, in haar eerste kwartier, verlichtte de zwijgende velden en

verlengde tot in ’t oneindige de schaduw van het geboomte over de kale

aarde.

De ruiter, zonder twijfel haast hebbende om het doel eener reis te

bereiken, die in dat late uur gevaarlijk genoeg was, zette zijn paard

onophoudelijk aan met spoorslag en stem, ofschoon het moedige dier

blijkbaar geen bijzondere aansporing noodig had.

Reeds was onze ruiter de onbebouwde landen voorbij en op het punt om

een dicht woud van Peruboomen in te rijden, dicht in de nabijheid der

Rancho, toen zijn paard eensklaps een zijsprong maakte en zich op de

vier beenen pal zette, met schuwe blikken en achterwaarts gestreken

ooren.

Een kort en knetterend geluid bewees dat de ruiter zijne pistolen

wapende; na deze onverhoedsche voorzorg wierp hij een bespiedenden blik

om zich heen.

»Vrees niets, caballero!” riep eene moedige vertrouwelijke stem; »en

wijk maar een weinig rechtsaf uit, als het u niet schelen kan.”

De ruiter keek voor zich naar den grond en zag bijna onder de hoeven

van zijn draver een man geknield liggen, met den kop van een paard in

de hand, dat dwars over den weg lag.

»Wat duivel doet gij daar?” vroeg hij.

»Wat gij ziet,” antwoordde de andere bedrukt, »ik neem voor ’t laatst

afscheid van mijn armen reisgenoot; men moet een geruimen tijd in de

wildernis geleefd hebben om te begrijpen hoe veel zulk een vriend waard

is.”

»Dat stem ik u toe,” riep de vreemdeling, en hij steeg terstond af.

»Maar is hij dan dood?” vervolgde hij.

»Neen, nog niet; maar ongelukkigerwijze is hij er daarom niet te beter

aan toe.”

Hier zuchtte hij.

De onbekende bukte over het paard, dat aan al zijne leden lag te

stuiptrekken, schoof het de oogleden open en bekeek het aandachtig.

»Uw paard heeft eene ophooping van bloed in de hersenen,” zeide hij

kort daarna; »laat mij even begaan.”

»O!” riep de andere, »ziet gij nog kans hem te redden?”

»Ik hoop ja,” antwoordde de eerste lakoniek.

»Caraï! als gij dat kondt, zijn wij vrienden in leven en sterven. Die

arme Negro! mijn oude kameraad op zoo menige reis.”

De ruiter wiesch de slapen van het paard met een mengsel van water en

rum; na verloop van eenige minuten scheen het beest weer bij te komen,

zijn dof en beneveld oog schitterde weder en het deed eene poging om op

de beenen te komen.

»Houd hem goed vast,” zei de onverhoopte paardenarts.

»Wees maar niet bang, mijn beest. Stil, stil, Negro! stil, beste

jongen! quieto, quieto, het is tot uw bestwil,” riep hij, zijn paard

streelende.

Het schrandere dier scheen het wel te begrijpen, het stak den kop naar

zijn meester op en gaf hem antwoord met een klagend gehinnik.

Intusschen had de ruiter iets uit zijn gordel gehaald, en boog hij

opnieuw over het paard.

»Houd hem vooral goed vast,” waarschuwde hij opnieuw.

»Wat gaat gij doen?”

»Ik zal hem aderlaten.”

»Ja, dat is het, dat wist ik wel, maar ik dorst het alleen niet wagen,

uit vrees dat ik hem zou dooden door hem te willen redden.”

»Hebt gij hem goed vast?”

»Ja. Ga uw gang.”

Plotseling maakte het dier eene felle beweging toen hij het koude staal

en den prik voelde, maar zijn meester hield hem zoo ferm vast dat hij

zich niet verroeren kon.

Er volgde voor de beide mannen eene angstvolle minuut; het bloed kwam

niet te voorschijn, eindelijk verscheen op de plek van het priksel een

zwarte droppel, daarna een tweede weldra gevolgd door een derde en

opeens sprong er een straal zwart en schuimend bloed naar buiten.

»Hij is behouden!” riep de ruiter terwijl hij zijn lancet afveegde en

weder in zijn foudraal borg.

»Dat zal ik u vergelden, zoo waar als ik Goedsmoeds heet!” riep de

eigenaar van het geredde paard; »gij hebt mij een van die diensten

bewezen die men nooit weder vergeet.”

En met onweerstaanbare drift greep hij de hand van den man, dien hij

zoo ter goeder ure op zijn pad ontmoet had. Deze beantwoordde zijn

handdruk met gelijke warmte. Voortaan hadden zij elkander trouw

gezworen; deze twee mannen, die nauwelijks eenige minuten te voren

elkaar niet kenden, en niet wisten dat de andere in de wereld was,

waren voor altijd vrienden geworden, door een van die kleine maar

gewichtige diensten, die in de Amerikaansche wildernissen zoo oneindig

veel waarde hebben.

Intusschen werd het bloed allengs minder zwart, het werd purperrood en

vloeide mild, de adem van het paard, eerst hijgend en schokkend, werd

gemakkelijk en regelmatig. De onbekende zette de lating nog een poos

voort; eerst toen hij dacht, dat het paard op den goeden weg was,

stopte hij den bloedstraal.

»Wat denkt gij thans te doen?” vroeg hij aan den andere.

»Waarachtig als ik het weet, uwe hulp heeft mij zooveel dienst gedaan,

dat ik niets beter kan doen dan hetgeen gij mij raden zult.”

»Waarheen was uw weg toen u dit ongeval overkwam?”

»Naar de Rancho.”

»Dat was ook de mijne; wij zijn er niet ver meer vandaan, gij stijgt

achter mij te paard, wij nemen uw paard aan den teugel mede, en

vertrekken zoodra gij wilt.”

»Ik kan niets beter wenschen. Denkt gij dat mijn paard mij niet zou

kunnen dragen?”

»Misschien zou hij het wel doen kunnen, want het is een flink beest;

maar dat ware niet voorzichtig, gij zoudt gevaar loopen het te

verliezen; het is beter dat gij het middel te baat neemt dat ik u

aanwees.”

»Ja, maar ik vrees nu....”

»Wat vreest gij?” viel de andere hem met drift in de rede, »wij zijn

immers vrienden?”

»Dat is waar. Ik neem het aan.”

Het kranke paard stond uit eigen beweging op, en de twee mannen, die

elkander zoo zonderling hadden ontmoet, namen de reis aan zooals gezegd

was, gezeten op hetzelfde paard.

Geen twintig minuten waren er noodig, of zij bereikten de eerste huizen

der Rancho.

Aan den ingang van het dorp hield de man die het paard bestuurde stil

en wendde zich tot zijn tochtgenoot.

»Waar wilt gij afstijgen?” vroeg hij.

»Dat is mij onverschillig,” antwoordde de andere; »ik vind mij overal

thuis; laten wij samen gaan waar gij gaat?”

»Ja!” riep de ruiter zich het oor krabbende, »ik ga eigenlijk niet

bepaald ergens heen.”

»Hoedat! nergens heen?”

»Mijn hemel, neen. Ik zal u dit aanstonds verklaren. Ik ben eerst heden

morgen te Guaymas ontscheept; de Rancho is mijn eerste pleisterplaats

op eene reis die ik naar de wildernis onderneem, en die waarschijnlijk

van langen duur zal zijn.”

In het heldere maanlicht, dat den vreemdeling op dit oogenblik juist in

het aangezicht scheen, lette zijn kameraad eenige seconden op diens

edel en nadenkend gelaat, waarop de smart of de tegenspoed reeds diepe

voren schenen geploegd te hebben.

»Gij wilt dus zeggen,” sprak hij eindelijk, »dat alle logementen u even

welkom zijn?”

»Een enkele nacht is spoedig voorbij. Ik verlang alleen huisvesting

voor mij en mijn paard.”

»Welnu, als gij mij dan vergunt u op mijne beurt als gids te dienen,

zal ik u binnen tien minuten daarvan voorzien.”

»Dat neem ik aan.”

»Ik beloof u wel is waar geen paleis, maar ik zal u brengen in eene

pulqueria, waar ik zelf gewoonlijk mijn intrek neem als het geval wil

dat ik deze streek uitkom. Gij zult er een min of meer gemengd

gezelschap aantreffen; maar wat geeft gij daar om, er zit niets anders

op en, zoo als gij wel zegt, het is maar om één kwaden nacht te doen.”

»Zoo als ’t God b’lieft! laten wij gaan.”

Thans zijne armen onder die van zijn kameraad doorstekende, nam de

nieuwe gids de teugels, en wendde het paard naar een huis, dat ongeveer

in de helft der straat lag waar zij zich bevonden, en uit welks half

gesloten vensters het fakkellicht in de nachtelijke duisternis blonk

als uit de gaten van een oven, terwijl het gejoel, gelach en gezang,

vermengd met het hortend gekras der jarabes, hun tegenklonk, ten

bewijze dat, ofschoon in het dorp alles sliep, daar ten minste nog

alles wakker en in vollen gang was.

Voor de deur dezer herberg van lager allooi hielden de beide

vreemdelingen stil en stegen af.

»Is uw besluit stellig genomen?” vroeg de eerste aan zijn kameraad.

»Stellig en zeker,” antwoordde deze.

De gids klopte nu met de hand op de vermolsemde deur.

Het duurde vrij lang eer men antwoord gaf; eindelijk riep eene rauwe

stem aan de binnenzijde, terwijl het geraas en getier dat tot dusver

daar binnen heerschte als op een tooverslag zweeg, en door de diepste

stilte werd afgewisseld.

»Quien vive?”

»Gente de paz!” antwoordde de vreemdeling.

»Hm!” riep de stem, »dat is geen naam. Hoe is het weer buiten?”

»Eens voor al en alles voor één! de cormuel [5] blaast dat de buffels

van de Cerro-del-Huerfano afwaaien.”

Oogenblikkelijk werd de deur geopend, en de reizigers traden binnen.

In ’t eerst konden zij in de zaal niets onderscheiden vanwege den

dikken rook, en stapten zij op den tast voort.

De gids scheen echter in dit berenhol goed bekend te zijn, want zoowel

de kastelein als verscheidene der gasten drongen zich om strijd om hem

heen.

»Caballeros,” zeide hij op den persoon wijzende die hem volgde, »deze

señor is mijn vriend, ik verzoek u hem met de meeste onderscheiding te

behandelen.”

»Hij zal op gelijke wijze ontvangen worden als gij zelf, Goedsmoeds,”

antwoordde de man die in de herberg kastelein scheen te zijn, »uwe

paarden zijn reeds naar de corral gebracht, waar men hun ieder een

schoof haver heeft gegeven. Wat u zelven betreft is het huis tot uwe

dienst, gij kunt er naar welgevallen over beschikken.”

Onder het wisselen dezer komplimenten, hadden de vreemdelingen zich

door de menigte een weg weten te banen; zij waren de zaal doorgegaan en

met veel moeite was het hun gelukt zich in een hoek neder te zetten,

aan eene tafel waarop de kastelein zelf de noodige pulque, mezcal,

chinguirito, catalonische refino en xeres-wijn geplaatst had.

»Caramba! señor Huespad (hospes),” riep de eene vreemdeling, dien men

reeds eenige malen Goedsmoeds had genoemd, »gij zijt mild vandaag.”

»Ziet gij dan niet dat ik een angelito (engeltje) heb,” antwoordde de

kastelein ernstig.

»Alzoo is uw zoontje Pedrito....”

»Hij is gestorven! ik tracht mijne vrienden zoo goed mogelijk te

ontvangen, opdat mijn arme kind des te feestelijker in den hemel zal

ontvangen worden, het heeft nog nooit zonde gedaan en is nu een

engeltje bij God.”

»Dat is waar,” zei Goedsmoeds, terwijl hij zijn glas aansloeg met dat

van den vader, die zoo weinig zieletroost scheen te behoeven.

Deze dronk zijn glas refino in een enkele teug ledig en verwijderde

zich.

De vreemdelingen, bereids aan den hen omgevenden atmospheer gewoon,

wierpen thans een blik in het rond.

De gelagkamer der pulqueria bood een allerzonderlingst, ja een

aanstootelijk schouwspel.

In het midden stond eene tafel, aan welke een tien- of twaalftal

personen met schelmengezichten, in geplukte costumen en tot aan de

tanden gewapend, druk monté speelden.

Als eene vreemde bijzonderheid, die echter geen der aanwezige spelers

scheen te verwonderen, dient te worden vermeld, dat er rechts van den

bankhouder, een ponjaard in de tafel was geplant, terwijl er twee

pistolen aan zijne linkerzijde lagen. Eenige stappen van daar waren een

troep mannen en vrouwen meer dan half beschonken aan ’t zingen en

dansen, met walgelijke gebaren en woeste kreten, op de ruwe muziek van

twee of drie vihuelas en jarabes. In een minder luidruchtigen hoek der

zaal stond een dertigtal personen om eene andere tafel verzameld, in

het midden waarvan, op een kleinen stoel van bamboes, een kind van

hoogstens vijf jaar gezeten was. Dit kind presideerde als ’t ware de

vergadering, het had zijne beste kleertjes aan, een krans bloemen om

het hoofd, terwijl een menigte bloemen rondom hem op de tafel gestrooid

lagen.

Maar helaas het voorhoofd van dit kind was verbleekt, de oogen stonden

verglaasd, de wangen waren loodblauw, hier en daar met violetkleurige

vlekken, en het gansche lichaam zoo koud en stijf als een lijk, want

het kind was dood: dat was nu het engeltje, welks intrede in den hemel

door den pulquero zoo feestelijk gevierd werd.

Zoowel vrouwen als mannen en kinderen dronken en lachten, terwijl zij

aan de arme moeder, die de heldhaftigste pogingen deed om niet in

tranen uit te barsten, als om strijd herinnerden hoe voorspoedig,

schrander en goedaardig het lieve kind geweest was dat zij verloren

had.

»Ik vind dat ergerlijk en akelig,” mompelde de eerste reiziger met een

beweging van afschuw.

»Niet waar?” antwoordde de andere, »laten wij er ons niet langer mede

ophouden, maar zonderen wij ons af van dit gespuis, dat toch niet meer

aan ons denkt; laten wij liever samen wat praten.”

»Ik wil wel, maar ongelukkig hebben wij elkaar niets te vertellen.”

»Misschien; vooreerst moeten wij elkander nog nader leeren kennen.”

»Dat is waar.”

»Ziet gij nu wel? Om te beginnen, wil ik u het eerst een voorbeeld van

vertrouwen en openhartigheid geven.”

»Goed! daarna zal het mijne beurt zijn.”

Goedsmoeds wierp een zijdelingschen blik op het gezelschap; de

ongepaste drukte en vroolijkheid was met nieuwe kracht aan den gang;

het was duidelijk dat niemand der aanwezigen acht op hen gaf. Hij ging

met de ellebogen op tafel liggen, schoof dichter bij zijn kameraad en

begon:

»Zoo als gij weten zult, daar gij mijn naam reeds meermalen hebt hooren

uitspreken, waarde vriend, heet ik Goedsmoeds [6]; ik ben een Canadees,

dat wil zeggen, bijna een Franschman. Omstandigheden, teveel om op dit

oogenblik te vertellen, maar die ik u later wel zal mededeelen, hebben

mij reeds vroeg in dit land gevoerd. Twintig levensjaren heb ik besteed

met de woestijn in alle richtingen te doorkruisen; er is geen verloren

beek, of vergeten voetpad dat ik niet ken. Als ik dit wilde, zou ik

gerust en onbezorgd kunnen leven bij een dierbaren vriend, een ouden

kameraad van mij, op eene heerlijke landhoeve, die hij eenige mijlen

ver van Harmosillo bezit en bewoont; maar het woudloopersleven heeft

zijne onweerstaanbare bekoorlijkheid, dat begrijpen alleen zij die er

in gedeeld hebben; het trekt hen aan tegen wil en dank om het te

hervatten.

»Ik ben nog jong, nauwelijks vijf en veertig jaar. Een ander oud vriend

van mij, een Indiaansch Opperhoofd met name Arendskop, stelde mij

onlangs voor om met hem een uitstapje naar Apacheria te maken; ik liet

er mij toe overhalen, nam afscheid van mijne vrienden die mij

vruchteloos poogden te weerhouden, en vrij van alle banden, zonder

spijt over het verledene en onbezorgd voor het toekomende, ging ik

vroolijk op weg, de onwaardeerbare schatten van een vrijen jager met

mij voerende, namelijk een moedig hart, een opgeruimd gemoed, goede

wapenen en een paard even als zijn meester gehard tegen voor- en

tegenspoed, en hier zit ik nu. Ziedaar, kameraad, thans kent gij mij

zoo goed als of wij reeds tien jaar samen verbonden waren geweest.”

De andere had dit verhaal aandachtig aangehoord, met den blik

onafgewend op den stoutmoedigen jager gericht, die glimlachend

tegenover hem zat; hij beschouwde met innige belangstelling den man,

wiens open en sterksprekend gelaat ruwe maar ronde oprechtheid ademde

en alle kenteekenen droeg van ware goedheid en grootheid.

Toen Goedsmoeds zweeg, zat de andere, blijkbaar in diep en ernstig

nadenken verzonken, eenige oogenblikken zonder te antwoorden; daarop

strekte hij hem over de tafel zijne blanke fijngevormde hand toe, en

zeide met eene bewogen stem in het beste Fransch dat ooit in deze ver

verwijderde gewesten gesproken werd:

»Ik dank u voor het in mij gestelde vertrouwen, Goedsmoeds; mijne

geschiedenis is niet veel langer dan de uwe, maar zij is veel

treuriger; ik geef u die in weinige woorden.”

»Ei!” riep de Canadees, terwijl hij de hem toegestoken hand met warmte

drukte, »zijt gij misschien een Franschman?”

»Ja, die eer heb ik.”

»Pardi! dat had ik reeds kunnen vermoeden,” hervatte hij vroolijk; »als

ik zoo naga hoe wij nu sedert een uur lang gebrekkig Spaansch hebben

gesproken in plaats van onze eigene taal te gebruiken, want, om kort te

gaan, ik ben uit Canada, en de Canadeezen zoo als gij weet zijn de

Franschen uit Amerika, niet waar?”

»Gij hebt gelijk.”

»Dus, dat is afgesproken, voortaan geen Spaansch meer tusschen ons?”

»Neen Fransch, altijd Fransch.”

»Bravo! op uw welzijn, brave landgenoot; en nu,” vervolgde hij, na zijn

glas geledigd te hebben, en het met kracht weder op de tafel zettende,

»nu wil ik uwe geschiedenis hooren, ik luister met aandacht.”

»Zooals ik u reeds gezegd heb, is zij niet lang.”

»Dat doet er niets toe, vertel maar, ik ben zeker dat zij mij zeer veel

belang inboezemt.”

De Franschman smoorde een zucht.

»Ook ik heb het leven van een woudlooper geleid,” begon hij, »ook ik

heb de wegslepende bekoorlijkheid van dat koortsachtig bestaan

ondervonden, zoo vol treffende, altoos afwisselende en verrassende

gebeurtenissen. Ver van het land waar wij ons thans bevinden, heb ik

uitgestrekte wildernissen en ongerepte natuurwouden doorloopen, waar

vóór mij geen sterfelijk mensch ooit zijn voet had afgedrukt. Evenals

gij, op mijne avontuurlijke tochten vergezeld door een trouwen vriend,

die mijn moed steunde en mijne zielskracht door zijne onuitputtelijke

vroolijkheid en wel beproefde vriendschap wist te verheffen. Helaas!

die tijd was de gelukkigste mijns levens!

»Ik werd verliefd op eene vrouw en ik huwde haar. Doch nauwelijks had

mijn vriend gezien dat ik rijk was en een familie bezat, of hij verliet

mij. »Ik kon nu maar gerust voortleven,” zeide hij, »en had hem niet

meer noodig.” Zijn vertrek was mijn eerste verdriet, een verdriet, dat

ik nooit goed heb kunnen verzetten, dat van jaar tot jaar drukkender

werd en dat mij tot op dezen dag foltert als een zelfverwijt. Helaas!

waar is thans dat moedige hart, die trouwe ziel, die ik altijd gereed

zag mij in den nood bij te staan, die mij lief had als een broeder en

dien ik wederkeerig een broederlijke genegenheid toedroeg? Helaas!

misschien is hij dood!”

Bij het uiten dezer laatste woorden liet de Franschman het hoofd

tusschen de beide handen zinken, en gaf hij zich over aan een stroom

van bittere gedachten, die met iedere nieuwe herinnering als uit zijn

hart opkwamen.

Goedsmoeds keek hem zwaarmoedig aan en drukte hem hartelijk de hand.

»Houd moed, broeder,” zeide hij op vertrouwelijken toon.

»Ja,” hervatte de Franschman. »Juist zoo sprak hij altijd, als ik door

droefheid verslagen den moed liet zinken.

»Schep moed, broeder,” zeide hij dan met zijne ruwe maar hartige stem

en met de hand op mijn schouder, en dan voelde ik mij inderdaad als

geëlectriseerd; ik herleefde op het hooren van die hartelijke

krachtvolle stem, ik was inderdaad opnieuw sterk en opnieuw gereed om

den strijd te hervatten. Verscheidene jaren verliepen er voor mij onder

het genot van ongestoord huiselijk geluk, dat door niets gestoord werd.

Ik had eene beminnelijke vrouw, die ik aanbad: lieve kinderen van welke

ik mij de schoonste toekomst beloofde, kortom, niets ontbrak mij, dan

mijn boezemvriend, van wien ik, sedert hij mij verliet, ondanks al

mijne nasporingen nooit weder iets heb mogen vernemen. Thans is mijn

geluk voor altijd vervlogen, mijne lieve vrouw en mijne kinderen zijn

dood, lafhartig in hun slaap vermoord door de Indianen die zich van

mijne hacienda hadden meester gemaakt. Ik was de eenige die levend

overbleef te midden der rookende puinhoopen eener woning waar ik

zoovele gelukkige dagen had doorgebracht. Alles wat ik had lief gehad

was onder bouwvallen begraven; mijn hart barstte, ik besloot mijn

verloren lievelingen niet te overleven; maar een enkele vriend, de

eenige die mij getrouw bleef, redde mij; hij voerde mij met geweld naar

zijn stam; want hij was een Indiaan. Aldaar, dank zij de trouwe zorg

die hij aan mij besteedde, riep hij mij tot het leven terug en wekte in

mij, zoo al niet de hoop op een voor mij onmogelijk geworden geluk,

tenminste den moed om met mijn lot te kampen dat mij zulke harde slagen

had toegebracht. Nu nauwelijks drie maanden geleden is hij gestorven.

»Eer hij voor altijd de oogen sloot, heeft hij mij laten bezweren te

zullen doen wat hij mij vragen zou; en ik beloofde het hem. »Broeder,”

zeide hij toen, »ieder heeft in het leven een doel noodig, wat het ook

zij, als het maar een edel en goed is. Ik wil er u een geven; mijn

wensch is dat gij zoodra ik dood ben op reis gaat, om den vriend te

zoeken daar gij zoo lang van gescheiden waart; dat gij hem vinden zult

daarvan ben ik overtuigd. Laat dit het doel in uw leven zijn.” Twee

uren later stierf het eerwaardige opperhoofd in mijne armen. Zoodra was

zijn lijk niet ter aarde besteld, of ik ging op weg. Heden juist,

zooals ik u gezegd heb, ben ik te Guaymas aangekomen. Mijn voornemen is

om onmiddellijk de woestijn in te trekken; zoo mijn vriend nog leeft

moet ik hem daar alleen terugvinden.”

Er volgde een lange stilte.

Eindelijk nam Goedsmoeds het woord weder op.

»Waarlijk, uw lot is allertreurigst, vriend, dat moet ik bekennen,”

riep hij hoofdschuddend; »en nu, bovendien, begeeft gij u in eene

hopelooze onderneming, die weinig kans heeft te zullen slagen: een

eenig mensch in de woestijn is als een verloren zandkorrel. Gesteld dat

uw vriend nog leeft, wie weet in welk oord hij zich dan op dit

oogenblik bevindt, en terwijl gij hem aan den eenen kant der wildernis

zoekt, is hij misschien juist aan den anderen. Intusschen wil ik u een

voorstel doen, dat ik niet twijfel of het zal voor u aannemelijk en

voordeelig zijn.”

»Dat voorstel, vriend, weet ik reeds eer gij het mij zegt. Ik dank er u

voor en neem het dadelijk aan,” antwoordde de Franschman schielijk.

»Dus toegestemd en afgesproken,” zei Goedsmoeds, »wij vertrekken samen

en gij gaat met mij naar Apacheria, niet waar?”

»Ja.”

»Te weêrga! dat noem ik geluk. Nauwelijks ben ik van mijn vriend

Edelhart gescheiden of de goede voorzienigheid voert mij een anderen,

even dierbaren tegemoet.”

»Wie is die Edelhart daar gij van spreekt?” [7]

De graaf de Lhorailles · 第 2 / 26 段