eenmaal zult leeren kennen. Welaan dan op Gods genade! Met het
aanbreken van den dag gaan wij op weg.”
»Zoo vroeg gij maar wilt.”
»Ik heb met Arendskop afgesproken om hem drie dagreizen van hier te
ontmoeten. Ik zou mij zeer moeten bedriegen als hij mij niet reeds
wachtte.”
»Maar wat gaat gij in Apacheria doen?”
»Dat weet ik niet; Arendskop heeft mij verzocht hem te vergezellen, en
ik ga; een mijner stellingen is: nooit meer te willen weten dan mijne
vrienden mij van hunne geheimen zelf gelieven te zeggen; dat geeft de
meeste vrijheid zoowel voor hen als voor mij.”
»Zeer goed geredeneerd, mijn waarde Goedsmoeds; maar als wij nu toch
zoo lang samen zullen leven, dat hoop ik tenminste.....”
»Ik ook.”
»Zal het niet kwaad zijn,” vervolgde de Franschman, »dat gij mijn naam
weet, dien ik tot nog toe vergat u op te geven.”
»Laat u dat niet verontrusten, ik zelf zal er u wel een geven, zoo gij
wellicht reden hebt om uw incognito te bewaren.”
»Daar heb ik volstrekt geen reden toe; ik ben de graaf Louis de Prébois
Crancé.” [8]
Goedsmoeds sprong op als een losgelaten veer die zich ontspant, hij nam
zijn bonten muts af en maakte een eerbiedige buiging.
»Duid mij niet ten kwade, mijnheer de graaf,” zeide hij, »dat ik een
weinig vrij tot u gesproken heb; had ik geweten met wien ik de eer had
samen te zijn, dan zou ik mij zoo veel vrijheid niet hebben
veroorloofd.”
»Goedsmoeds, Goedsmoeds,” riep de graaf met een ernstigen glimlach
terwijl hij driftig zijne hand greep, »moeten wij zoo onze verbintenis
aanvangen? Er staan twee mannen gereed hetzelfde leven te leiden,
dezelfde gevaren te trotseeren, dezelfde vijanden te bestrijden, laten
wij voor de zotten in de steden de dwaze onderscheidingen over die voor
ons geenerlei waarde of beteekenis hebben. Ik wil voor u niets anders
zijn dan Louis, uw goede reisgezel, en uw trouwe vriend, even als gij
voor mij niets anders zijt dan Goedsmoeds, de beproefde onversaagde
woudlooper.”
Bij deze woorden kwam er op het gelaat van den Canadees een glans van
genoegen.
»Goed gesproken, bij mijne ziel, mooi gesproken,” riep hij uit. »Ik ben
maar een arme onwetende jager, waarom zou ik dit verbergen? Maar
hetgeen gij mij daar gezegd hebt, was mij recht naar het hart
gesproken. Bij den hemel! Louis, ik ben geheel de uwe, in leven en
dood, en ik hoop u weldra te bewijzen, vriend, dat ik zekere waarde
heb,”
»Daar ben ik meer dan van overtuigd; en hiermede hebben wij elkander
thans goed begrepen, niet waar?”
»Pardi! ja.”
Op dit oogenblik klonk er op de straat zulk een geweldig leven, dat het
in de zaal duidelijk gehoord werd.
Gelijk gewoonlijk in dergelijke gevallen, zwegen de luidruchtige gasten
in de pulqueria opeens doodstil om te luisteren. Men hoorde duidelijk
schreeuwen en vloeken, gekletter van sabels, en getrappel van paarden,
bij tusschenpoozen overstemd door het losbranden van vuurwapenen.
»Carai!” riep Goedsmoeds, »ik geloof dat er op straat gevochten wordt.”
»Dat vrees ik ook,” antwoordde de pulquero flegmatiek en meer dan half
beschonken, terwijl hij nog een glas refino ledigde.
Eensklaps werd er, hetzij met het gevest van een sabel of met de kolf
van een pistool, heftig op de zwakke deur der pulqueria geklopt, en
riep eene krachtige stem op barschen toon:
»Doe open voor den duivel! anders trap ik de ellendige deur aan
spaanders.”
IV.
DE GRAAF MAXIMA GAËTAN DE LHORAILLES.
Alvorens onze lezers de oorzaak op te helderen van het geweldige rumoer
dat den rustigen gang der zaken in de pulqueria zoo plotseling kwam
storen, zijn wij verplicht eenige stappen terug te treden.
Drie jaren ongeveer voor het tijdstip waarop ons verhaal begint, in een
kouden regenachtigen Decembernacht, hadden acht personen, zoo als
genoegzaam uit hunne kleeding en manieren bleek, tot de hoogste klasse
der Parijsche samenleving behoorende, zich vereenigd in een elegant
kabinet van het Engelsche koffiehuis te Parijs.
Het was reeds diep in den nacht; de waskaarsen, meer dan twee derden
verbrand, verspreidden haar zedig maar somber licht, de regen kletterde
tegen de vensters en de wind blies daar buiten met naargeestig gehuil.
De gasten zaten rondom eene tafel, waarop het overschot van een
schitterend souper nog aanwezig was; zij schenen zich tegen wil en dank
door de sombere weersgesteldheid te laten beheerschen, en met de ruggen
in de gemakkelijke leuningstoelen weggezonken waren sommigen
ingesluimerd, terwijl anderen, in hunne gedachten verdiept, evenmin
acht sloegen op hetgeen er rondom hen gebeurde.
De pendule op den schoorsteenmantel sloeg langzaam drie ure; nauwelijks
had de laatste slag uitgegalmd, of het herhaald geklipklap van een
postiljonszweep en het vroolijk gerinkel van paardenbellentuig liet
zich hooren onder de vensters van het vertrek, die op den Boulevard
uitzagen.
De deur werd weldra geopend en een garçon kwam binnen.
»De postchais voor mijnheer den graaf de Lhorailles is voor,” zei de
knecht.
»Dank u,” zei een der gasten en wenkte den garçon dat hij heen kon
gaan.
Deze boog en verwijderde zich, de deur achter zich sluitende.
De weinige woorden, zoo even door den knecht gesproken, hadden de
bekoring gebroken die de gasten tot hiertoe geketend hield; allen
vlogen op alsof zij met schrik ontwaakten, en wendden zich tot een jong
heer van omtrent dertig jaar, die in hun midden zat.
»Het is dus waar dat gij vertrekt?” riepen allen uit eenen mond.
»Ja, ik vertrek,” antwoordde hij kalm met een toestemmenden hoofdknik.
»Maar waar gaat gij dan toch heen? Men verlaat zijne vrienden maar zoo
niet zonder waarschuwen en zonder adres,” hervatte een der gasten.
De man, dien deze vraag gold, glimlachte zwaarmoedig.
De graaf de Lhorailles was een schoon en welgemaakt edelman, met
sprekende gelaatstrekken, krachtvollen blik, trotsche lippen; hij
behoorde tot een der oudste adellijke geslachten en genoot een bepaald
gevestigden roem onder de lions van dien tijd.
Hij stond op en liet zijn blik over de gasten rondgaan.
»Mijne heeren,” zeide hij, »ik begrijp al het zonderlinge van mijn
gedrag; gij hebt het recht om eene verklaring van mijne zijde te
verwachten; en die verklaring wil ik u gaarne geven. Bovendien is het
alleen met dit doel dat ik u heden bij mij heb genoodigd om met u het
laatste maal te gebruiken; het uur van mijn vertrek is geslagen, de
postchais staat mij te wachten: morgen ben ik reeds ver van Parijs,
binnen acht dagen zal ik Frankrijk hebben verlaten; hoort mij voor ’t
laatst.”
De gasten waren blijkbaar getroffen en staarden den graaf aandachtig
aan.
»Weest niet ongerust, mijne heeren,” zeide hij, »ik zal niet te veel
van uw geduld vergen, de historie die ik u te vertellen heb is niet
lang, het is de mijne. Hier is zij in weinige woorden, aldus: Ik ben
geheel geruïneerd; van alles wat ik bezat heb ik slechts eenige
biljetten van 100 francs over, waarmede ik, zoo ik te Parijs bleef, van
honger zou kunnen sterven of binnen eene maand genoodzaakt zou zijn mij
voor den kop te schieten, een vooruitzicht verzeker ik u, dat al te
treurig is om mij aan te lokken. Ongelukkigerwijs heb ik geen de minste
kans om bij het leger geplaatst te worden, want geheel buiten mijne
schuld heb ik te recht of te onrecht den naam van een overgegeven
duëllist, dat mij zeer in den weg staat, vooral sedert die treurige
zaak met den armen burggraaf de Morseus, dien ik tegen wil en dank
verplicht was te dooden, om hem den mond te stoppen en een einde te
maken aan zijne lasterlijke beweringen. Kortom wegens de redenen die ik
de eer heb gehad u op te geven en om een aantal andere, die gij niet
behoeft te weten en die ik zeker ben dat, zoo gij ze wist, u geen het
minste belang zouden inboezemen, is mij Frankrijk onverdragelijk
geworden, en dat wel zoo erg dat ik het met allen spoed ga verlaten. Nu
nog een glas champagne voor ’t laatst en daarmede adieu aan u allen!”
»Een oogenblik, graaf!” antwoordde een der gasten, dezelfde die vroeger
reeds gesproken had, »gij hebt ons nog niet gezegd naar welk land gij
voornemens zijt te vertrekken.”
»Kunt gij dat niet raden? Naar Amerika. Men zegt vrij algemeen dat het
mij niet aan moed of verstand ontbreekt, welnu, ik ga naar een land,
waar deze twee hoedanigheden, als ik de loopende geruchten gelooven
mag, voldoende zijn om fortuin te maken voor dengene die ze bezit. Hebt
gij mij nog iets te vragen, baron?” vervolgde hij zich tot den laatsten
spreker wendende.
Deze stond alvorens te antwoorden eenige minuten in ernstige gedachten
verdiept en scheen zich te beraden. Eindelijk keek hij op en zag den
graaf met een koelen doordringenden blik aan.
»Is het u inderdaad ernst, vriend, met uw vertrek,” zeide hij.
»Volkomen ernst.”
»Zweert gij mij dat op uwe eer?”
»Ja, op mijne eer zweer ik het u.”
»En zijt gij waarlijk besloten om u in Amerika een plaats te verwerven,
ten minste gelijk staande met die welke gij hier hebt ingenomen?”
»Ja,” riep de graaf schielijk, »door alle mogelijke middelen.”
»Goed zoo. Hoor dan op uwe beurt naar mij, graaf, en als gij uw
voordeel wilt doen met hetgeen ik u heb mede te deelen, zal het u
misschien met Gods hulp gelukken de dolzinnige plannen te volvoeren die
gij u hebt voorgenomen.”
Al de aanwezigen traden belangstellend nader, zelfs de graaf scheen
tegen wil en dank nieuwsgierig te worden.
De baron de Spurtzheim was een man van omtrent vijf en veertig jaar;
zijne vale kleur, scherp geteekende trekken en de onbeschrijfelijke
uitdrukking van zijn oogopslag gaven hem een zweem van zonderlingheid,
daar het gewone publiek zich geen recht denkbeeld van kon maken en die
hem zelfs bij de lieden van bekende scherpzinnigheid voor een inderdaad
merkwaardig man deden doorgaan.
Men kende den baron algemeen aan zijn kolossaal vermogen, dat hij
koninklijk verteerde; wat echter zijne antecedenten betreft, daarvan
wist niemand, ofschoon hij in de hoogste kringen den vrijen toegang
had.
Alleen zeide men algemeen dat hij verre reizen gedaan en verscheidene
jaren in Amerika gewoond had; maar niets is onzekerder dan loopende
geruchten en op dien grond zou het hem zeker nooit gelukt zijn in de
salons van den hoogsten adel voet te krijgen, zoo niet de
Oostenrijksche ambassadeur, zonder zich nochtans op dat punt ten zijnen
opzichte ooit duidelijk uit te laten, hem niet, buiten zijn weten, meer
dan eens in verscheidene netelige gevallen, met krachtdadige warmte in
zijne bescherming had genomen.
De baron was meer intiem met den graaf gelieerd dan met zijne overige
vroolijke vrienden; hij scheen zeker bijzonder veel belang in hem te
stellen, en had hem meer dan eens in moeielijke omstandigheden, wanneer
hij vermoedde dat zijn vriend in verlegenheid was, langs bedekte wegen
uit den brand trachten te helpen.
De graaf de Lhorailles, ofschoon te trotsch om deze offers aan te
nemen, had den baron deswege niet te min steeds een erkentelijk hart
blijven toedragen en dezen onbedacht zeker overwicht bij hem laten
verwerven.
»Spreek, waarde baron, maar wees kort,” zei de graaf de Lhorailles;
»gij weet dat de postkoets op mij wacht.”
Zonder te antwoorden greep de baron het schelkoord en trok aan de bel.
De knecht kwam binnen.
»Zend den postiljon weg en zeg hem dat hij morgen ochtend tegen vijf
ure terugkomt, gauw, gauw.”
De knecht boog en vertrok.
De graaf, hoezeer hoogelijk verwonderd over deze vrijheid van zijn
vriend, maakte echter geen de minste aanmerking; hij schonk zich een
glas champagne-wijn, dat hij in een teug ledigde, kruiste de armen op
de borst, wierp zich met den rug in zijn stoel en wachtte.
»Welaan, mijne heeren,” begon de baron van Spurtzheim op zijn gewonen
schertsenden en pikanten toon, »terwijl onze vriend de Lhorailles ons
zijne geschiedenis verteld heeft en wij hier zoo fideel bij elkander
zitten, waarom zou ik u dan de mijne ook niet vertellen? Het is
vreeselijk weer, het stormt en stortregent daar buiten, hier zitten wij
warm en op ons gemak, wij hebben regalias en champagne, twee
uitmuntende zaken als men er zich niet in te buiten gaat. Wat zouden
wij beter doen kunnen? Niets immers? Wilt mij dus hooren, want ik meen
dat hetgeen ik u zeggen zal u wel belang zal inboezemen, te meer daar
ik zeker ben dat sommigen onder u gaarne hooren zullen waaraan zij zich
ten mijnen opzichte te houden hebben, en wat zij eigenlijk van mij
denken moeten.”
De meeste barstten los in een schaterend gelach, bij deze stoute
verklaring. Toen hunne vroolijkheid weder bedaard was, nam de baron het
woord en begon:
»Wat het eerste gedeelte mijner geschiedenis betreft, mijne heeren: zal
ik even kort zijn als de graaf. In de eeuw die wij beleven zijn de
edelen, ten gevolge van onze vooroordeelen en van onze opvoeding, zoo
geheel natuurlijk buiten den regel en de wet geplaatst, dat wij allen
een goede les in de school des levens noodig hebben en als het ware
genoodzaakt zijn, om zonder bijna te weten hoe, in weinige jaren ons
vaderlijk erfgoed door te brengen. Zoo ging het ook mij, gelijk de
meesten van u, mijne heeren. Mijne voorouders waren in de middeleeuwen
zoo wat roofzieke baronnen geweest, het echte bloed verloochent zich
niet licht. Toen nu mijne laatste hulpbronnen bijna waren uitgeput,
begon mijn aangeboren instinct wakker te worden en vestigden mijne
blikken zich op Amerika. Ik ging er heen; en in minder dan tien jaren
had ik het kolossaal fortuin verzameld, dat ik thans bezit en dat ik
thans het onuitsprekelijk geluk heb, niet te verkwisten, daarvoor had
ik niet te vergeefs eene harde les geleerd, maar te verteren en in uw
onschatbaar bijzijn te genieten, wel zorg dragende mijn kapitaal
onaangeroerd te laten.”
»Maar mijn hemel!” riep de graaf ongeduldig, »hoe hebt gij het kunnen
verzamelen dat kolossale fortuin zoo als gij zelf het noemt?”
»Veertig millioenen ongeveer,” antwoordde de baron droogjes.
Eene begeerlijke huivering liep de aanwezigen door de aderen.
»Wel een kolossaal vermogen, inderdaad,” riep de graaf; »maar ik
herhaal mijne vraag hoe hebt gij dat verzameld?”
»Als ik niet bepaald voornemens was geweest het u te openbaren, geloof
mij, mijn waarde, ik zou uw geduld niet hebben misbruikt om u iets van
mijne armoede te zeggen dat gij zoo aanstonds hooren zult.”
»Wij zijn geheel oor!” riepen allen.
De baron liet zijn blik langzaam over de aanwezigen rondgaan.
»Drinken wij eerst nog een glas champagne op het succes van onzen
vriend,” zei de baron sarcastisch. De glazen werden gevuld, geklonken,
en in een oogwenk geledigd, zoo groot was de nieuwsgierigheid die allen
bezielde.
Na zijn glas voor zich op de tafel te hebben gezet, stak de baron een
regalia aan en wendde zich tot den graaf.
»Het is inzonderheid tot u, mijn vriend,” zeide hij, »dat ik mij thans
richten zal, gij zijt jong, ondernemend, in het bezit van een vasten
wil en een ijzeren gezondheid: het staat bij mij onwederlegbaar vast
dat gij, tenzij de dood uwe plannen in duigen werpt, slagen moet in
alles wat gij onderneemt en welk doel gij ook beoogt. Op de baan die
gij u zelven gekozen hebt is de voornaamste, ja de eenige grond van
welslagen, dat men door en door bekend zij met het terrein waarop gij
moet werken en den kring waarin gij zult binnen treden. Had ik bij mijn
eerste optreden in het avontuurlijk leven dat gij begint, even als gij
dadelijk een vriend gevonden zoo als gij, om mij in de geheimen van
mijn nieuw bestaan te leiden, dan zou ik mijn fortuin reeds vijf jaar
vroeger gemaakt hebben. Wat niemand voor mij gedaan heeft wil ik thans
voor u doen, misschien zult gij mij later nog dank zeggen over de
aanwijzingen, die ik geven zal en die u leeren zullen den weg te vinden
in den verwarden doolhof, dien gij gereed zijt binnen te treden.
Vooreerst moet gij dit u ten beginsel stellen: dat de volken in wier
midden gij leven zult uwe natuurlijke vijanden zijn, gij gaat dus een
onophoudelijken strijd te gemoet, van dag tot dag en van uur tot uur;
alle middelen moeten u welkom zijn die u helpen kunnen om de zege te
behalen: zet al uwe grondregels van eer en kieschheid ter zijde, in
Amerika zijn dat niet dan ijdele woorden, die zelfs de kracht niet
hebben om er iemand mede te misleiden, om de eenvoudige reden dat
niemand er aan gelooft. De eenige God van Amerika is het goud; om goud
te verkrijgen is de Amerikaan tot alles in staat; en dat niet zoo als
in het oude Europa, onder een eerlijken schijn of met bedekte middelen,
maar open en bloot en zonder schaamte of berouw. Dit eenmaal tot regel
gesteld zijnde, is u de weg aangewezen, geen plan zoo dwaas en
buitensporig of het heeft in Amerika kans op welslagen, daar de
middelen om het uit te voeren in ruimen overvloed en schier onbeperkt
voorhanden zijn. Geen volk ter wereld heeft beter begrepen dan de
Amerikaan, wat associatie vermag: dat is de machtige hefboom waarmede
hij al zijne plannen tot stand brengt. Als men daar ginds, alleen,
zonder vrienden, zonder kennis of ervaring aankomt, moge men zoo
verstandig of zoo vastberaden zijn als men wil, maar men is verloren,
omdat men alleen staat tegenover de macht van allen.”
»Dat is waar,” mompelde de graaf overtuigd en somber.
»Geduld!” hervatte de baron met een glimlach, »of denkt gij dat ik u
zonder harnas ten strijd zou willen voeren? Neen, neen, ik zal er u een
geven van het kostelijkste staal, dat verzeker ik u.”
Al de aanwezigen staarden vol verbazing den man aan, die in hun oog
binnen weinige minuten honderd ellen grooter was geworden. De baron
hield zich echter alsof hij den door hem gemaakten indruk niet
opmerkte, en vervolgde een oogenblik later, met nadruk op ieder woord
en als zocht hij zijne lessen in het geheugen van den graaf te willen
graveeren:
»Onthoud wel wat ik u zeggen zal; het is van de grootste
aangelegenheid, vriend, dat er u geen woord van ontgaat; want de
uitslag uwer reis naar de Nieuwe Wereld hangt er bepaald van af.”
»Spreek, ik zal er geen syllabe van verliezen,” riep de graaf met
koortsachtig ongeduld.
De baron ging voort.
»In den eersten tijd der landverhuizing, toen de toestroom der
vreemdelingen naar Amerika begon, vormde zich een maatschappij van
stoute gezellen zonder eer of trouw, zonder genade en zonder zwakheid,
die met terzijdestelling van alle nationaliteiten, vermits zij uit
allerlei volken afkomstig waren, geen andere regeering erkenden dan die
zij zelven instelden op het zoogenaamd Schildpaddeneiland, een schier
onmerkbare rots in het midden van den grooten Oceaan; die regeering was
monsterachtig, daar zij alleen op geweld was gegrond, en geen andere
wet erkende dan het recht van den sterkste. Die stoute gezellen,
onderling saamverbonden door eene drakonische wet, of schriftelijke
overeenkomst, gaven zich den naam van Broeders der Kust en waren in
twee klassen verdeeld, namelijk, de boekaniers en de vrijbuiters.
»De boekaniers zwierven in de onmetelijke wouden, jacht makende op
buffelstieren, terwijl de vrijbuiters de zeeën afschuimden, alle
vlaggen aanvielen, en schepen van alle natiën plunderden, onder
voorwendsel van den Spanjaarden afbreuk te doen, maar inderdaad om de
rijken te bestelen ten voordeele der armen, als het eenigst hun bekende
middel om het evenwicht tusschen de beide klassen te herstellen. De
Broeders van de Kust namen gedurig al het gespuis in zich op dat uit de
oude wereld tot hen overkwam, zij werden steeds machtiger en machtiger,
zoo zelfs dat de Spanjaarden beefden voor hunne Amerikaansche
bezittingen en een roemrijk Koning van Frankrijk zich verwaardigde met
hen verdragen te sluiten en hun een ambassadeur te zenden. Later, door
de onverbiddelijke kracht der omstandigheden, zijn ook de Broeders van
de Kust, gelijk alle uit regeeringloosheid voortgesproten
staatsmachten, die bijgevolg geen beginsel van levensvatbaarheid in
zich zelven bezitten, allengs verminderd en eindelijk geheel verdwenen.
Toen men hen gedwongen had in de duisternis terug te treden, meende men
hen niet slechts overwonnen, maar totaal vernietigd te hebben; het was
er echter verre vandaan, zooals gij weldra met eigen oogen zien zult.
Ik vraag u verschooning voor deze lange en vervelende inleiding, maar
zij was onvermijdelijk noodig om u wel te doen verstaan wat ik u nog
verder te zeggen heb.”
»Het is reeds half vijf, baron,” merkte de graaf aan, »wij hebben nog
maar veertig minuten tijd.”
»Die tijd, hoe kort ook, zal mij voldoende zijn” antwoordde de baron;
»ik hervat dus: de Broeders der Kust waren niet verdelgd. Zij waren
slechts van gedaante verwisseld—zich met meesterlijke buigzaamheid
schikkende naar de eischen van eene macht die hen dreigde te
overtreffen; zij waren van huid veranderd, en in plaats van tijgers
vossen geworden. De Broeders der Kust waren thans de Dauph’yeers; in
plaats van even stout als voorheen met den dolk in de eene en de
enterbijl in de andere hand de vijandelijke schepen te bespringen,
hielden zij zich klein en groeven onderaardsche holen; tegenwoordig
zijn de Dauph’yeers de meesters der Nieuwe Wereld, zij zijn nergens en
zij zijn overal; zij regeeren overal; hun invloed doet zich onder alle
rangen en standen der maatschappij in Amerika gevoelen en opmerken,
zonder dat men hen zelven ooit te zien krijgt. Zij zijn het die de
Vereenigde Staten aan Engeland; Peru, Chili en Mexico aan Spanje hebben
ontrukt. Hunne macht is onbegrensd, des te geduchter naarmate zij meer
in het duister werkt, meer verloochend en geïgnoreerd wordt, daarin
juist ligt hunne kracht. Verloochend en ontkend te worden is voor eene
geheime maatschappij de onmisbare voorwaarde harer macht; er heeft in
Amerika geen omwenteling plaats, zonder den invloed der Dauph’yeers,
hetzij door haar te doen zegevieren of haar te doen mislukken. Zij
vermogen alles, zij zijn alles; buiten hunnen kring is niets mogelijk,
daar binnen alles; ziedaar wat in den voortgang des tijds in minder dan
twee eeuwen de Broeders der Kust, thans de Dauph’yeers, geworden
zijn!.... namelijk de ontwijfelbare spil waar in de Nieuwe Wereld alles
op draait; wel een jammerlijk lot voor dit schoon gewest om zoo ten
allen tijde, van zijne ontdekking af aan gedoemd te zijn onder de
dwingelandij te zuchten van de veelsoortige bandieten, die zich tot
taak schijnen gesteld te hebben het te beheeren en er hun voordeel mede
te doen, onder allerlei vormen, zonder dat het ooit in staat zal zijn
er zich van te ontslaan!”
Er volgde eene vrij langdurige stilte; allen dachten na over hetgeen
zij gehoord hadden, dat, hoe overdreven ook, in allen deele ten minste
een schijn van waarheid bezat; de baron zelf liet het hoofd op de beide
handen zinken en scheen zich te verliezen in den maalstroom van ideeën,
die hij in zich had wakker gemaakt en die hem in massa bestormden met
de vele smartelijke en bittere herinneringen, welke zij in hem te
voorschijn riepen.
Het rollen van een rijtuig in de verte, maar dat snel scheen te
naderen, riep den graaf de Lhorailles tot den zakelijken ernst van zijn
tegenwoordigen toestand terug.
»Daar is mijne postchais!” riep hij, »ik vertrek, en ik weet nog
niets.”
»Geduld,” antwoordde de baron, »neem afscheid van uwe vrienden en
vertrekken wij.”
Tegen wil en dank gedwee, door het overwicht van dezen zonderlingen
man, gehoorzaamde de graaf zonder zelfs de minste aanmerking te maken.
Hij stond op, omhelsde zijne oude vrienden, wisselde met hen de warmste
handdrukken, ontving hunne wenschen voor zijn welslagen en verliet het
vertrek, gevolgd door den baron.
De postchais wachtte hem voor de deur van het koffiehuis.
De andere heeren hadden de vensters van de kamer geopend en wenkten
hunnen vriend opnieuw vaarwel.
De graaf wierp een langen blik op den Boulevard; de nacht was donker,
ofschoon de regen had opgehouden, de hemel was zwart als inkt, en de
gasvlammen schitterden flauw in de verte als sterren die zich verloren
in een nevel.
»Vaarwel!” mompelde de edelman met eene gesmoorde stem, »vaarwel! wie
weet of ik ooit wederkom.”
»Schep moed!” klonk eene strenge stem aan zijn oor.
De jonkman sidderde; de baron stond naast hem.
»Kom vriend,” zeide hij hem in het rijtuig helpende, »ik ga met u tot
aan de barrière.”
De graaf steeg waggelend in het rijtuig en zonk op een der kussens
neêr.
»Naar Normandië!” riep de baron tegen den postiljon en sloot het
portier.