AIMARD’S Indiaansche Verhalen
DE GRAAF
DE LHORAILLES
DOOR
GUSTAVE AIMARD
MET 8 ILLUSTRATIEN VAN
CHS ROCHUSSEN
DERDE DRUK
ROTTERDAM
UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ „ELSEVIER”
1884
DE GRAAF DE LHORAILLES
I.
FERIA DE PLATA.
Reeds sedert de eerste dagen der ontdekking van Amerika, werden zijne
afgelegene kusten het toevluchtsoord en de verzamelplaats voor
avonturiers van allerlei soort, wier ontembare geest, warsch van de
boeien der oude Europeesche beschaving, elders een goed heenkomen
zocht.
Eenigen van hen vroegen der Nieuwe Wereld vrijheid van geweten, en het
recht om God te dienen naar eigen keus en overtuiging; anderen
verwisselden den degen met den moordenaarsdolk, om gansche volken te
verdelgen ter wille van hun goed en zich te verrijken met den bloedigen
roof; nog anderen eindelijk, onrustige gemoederen met leeuwenharten en
ijzeren lichamen, die geen teugel of wet eerbiedigden en het woord
vrijheid met het woord losbandigheid verwarden, vormden schier zonder
het zelf te weten, dat geduchte bondgenootschap der zoogenaamde
»Broeders van de Kust,” dat het machtige Spanje een oogenblik voor
zijne overzeesche bezittingen deed beven en waarmede zelfs Lodewijk de
Veertiende, de zonne-koning, zich niet ontzag verdragen te sluiten.
De afstammelingen dezer buitengewone menschen bestaan nog altijd in
Amerika, en zoo vaak eene mislukte omwenteling, na een kortstondigen
strijd, de woelgeesten, die de volksbeweging plotseling uit de diepte
deed voortkomen, aan deze stranden werpt scharen zij zich instinctmatig
rondom de naneven der eerste avonturiers, op hoop van, even als zij,
buitengewone daden te doen.
Tijdens mijn verblijf in Amerika, werd ik bij toeval getuige van een
der stoutste ondernemingen, welke ooit door deze vermetele gelukzoekers
zijn beraamd of uitgevoerd. De aanslag dien ik bedoel maakte zulk een
ophef, dat zij gedurende eenige maanden de drukpers bezig hield en de
belangstelling zoo wel als de nieuwsgierigheid der geheele wereld
wekte.
Om redenen die de bescheiden lezer wel zal weten te waardeeren, hebben
wij met opzet de namen der personen veranderd, die in dit zonderling
drama de voornaamste rollen speelden, ofschoon wij overigens de
historische feiten met de meeste nauwkeurigheid zullen wedergeven.
Het is nu omtrent twintig jaar geleden, dat de ontdekking der rijke
goudmijnen in Californië plotseling den prikkel der hebzucht in het
hart van alle gelukzoekers deed ontwaken en verscheidene jonge,
schrandere, voortvarende menschen vaderland en familie deed verlaten,
om zich vol geestdrift en gouden droomen, te begeven naar het nieuwe
Eldorado, dat hun van de andere zijde des oceaans zoo verleidelijk
toelachte, doch waar de meeste hunner helaas! niets dan ellende vonden,
of den dood na het doorstaan van tallooze jammeren en ontberingen.
De weg van Europa naar Californië is lang. Vele gelukzoekers bleven
halverwege terug, sommigen te Valparaiso, anderen te Callao, nog
anderen te Mazatlan of te San Blas; de meesten echter bereikten San
Francisco.
Het ligt te ver buiten ons tegenwoordig bestek, om de trouwens van
elders bekende bijzonderheden te vermelden der velerlei teleurstelling
en tegenspoed, die de ongelukkige emigranten trof van het eerste
oogenblik af, dat zij den voet zetten in dit veelbelovende
luilekkerland, waar zij zich verbeeld hadden dat zij slechts behoefden
te bukken om er het goud, zoo als men zegt, met volle handen op te
grabbelen.
Het is te Guaymas zes maanden na de ontdekking der goudmijnen, dat wij
den lezer verzoeken ons te volgen.
Reeds in een vorig werk hebben wij van Sonora gesproken [1], doch daar
de geschiedenis die wij thans voornemens zijn te vertellen geheel en al
in deze afgelegen provincie van Mexico voorvalt, zullen wij hier de
beschrijving voltooien die wij toen slechts als ter loops hebben
aangestipt.
Mexico is ontegenzeggelijk het schoonste land van de wereld, alle
klimaten zijn er als het ware broederlijk vereenigd. In uitgestrektheid
heeft het inderdaad bijna geene grenzen, daar het niet minder dan
575,080 vierkante mijlen oppervlakte beslaat.
Jammer slechts dat de bevolking in verhouding tot de grootte van het
land uiterst gering is en niet meer dan 7,200,000 zielen bedraagt, van
welke ongeveer 5,000,000 tot de Indiaansche rassen of kleurlingen
behooren.
Het Mexicaansche bondgenootschap omvat het district Mexico en een en
twintig staten, behalve drie gewesten of provinciën die geen inwendig
onafhankelijk bestuur hebben.
Wij zeggen hier niets van de regeering, om de eenvoudige reden dat de
toestand van dat heerlijke maar ongelukkige land tot dusver in den
regel nagenoeg volslagen regeeringloos is geweest [2].
Intusschen is Mexico een bondgenootschappelijke republiek, althans het
heeft er den naam van, ofschoon er inderdaad geen andere macht bestaat
dan die van het zwaard.
De eerste der zeven aan den Atlantischen Oceaan gelegen staten is
Sonora. Deze staat strekt zich uit van het noorden naar het zuiden,
tusschen de Rio Gila en de Rio Mayo; ten oosten scheidt de Sierra-Verde
het van den staat Chihua-hua en ten westen wordt het bespoeld door de
Vermiljoen-zee, of de zee van Cortez, zooals de meeste Spaansche
landkaarten haar nog altoos blijven noemen.
De staat Sonora is een der rijkste van Mexico uithoofde van zijne
talrijke goudmijnen, waarmede de bodem als het ware dooraderd is;
gelukkiger- of ongelukkigerwijs, al naar het oogpunt waaruit men de
zaak beschouwen wil, wordt de Sonora gestadig door talrijke Indiaansche
volksstammen doorkruist, tegen welke de inwoners zich onophoudelijk
moeten wapenen; ook hebben de gedurige oorlogen met deze woeste horden,
de onrust en doodsverachting die daarvan het gevolg zijn, en de
gewoonte om bij de minste aanleiding menschen-bloed te vergieten, aan
het karakter der Sonoreezen een stempel van fierheid en voortvarendheid
gegeven, die reeds dadelijk in hunne edele en stoutmoedige houding
zichtbaar is en hen geheel van de inwoners der andere staten
onderscheidt.
Ondanks zijn uitgestrekt grondgebied en de lange reeks zijner kusten,
bezit Mexico slechts twee eigenlijk gezegd bruikbare havens aan de
Stille Zuidzee.
Die twee havens zijn Guaymas en Acapulco.
De overige zijn inderdaad slechts buitenhavens of opene reeden, waar de
zeevaarders ongaarne eene schuilplaats zoeken, inzonderheid wanneer de
geduchte cordonazo uit het zuidwesten buldert en de golf van Californië
onstuimig in beweging zet.
Wij zullen hier alleen van Guaymas spreken.
De stad van dien naam, eerst sedert weinige jaren aan den mond der
rivier San José gebouwd, schijnt geroepen om eerlang een der
voornaamste havens aan de Stille Zuidzee te worden.
De krijgskundige ligging van Guaymas is uitmuntend.
Gelijk in alle steden van Spaansch-Amerika zijn er de huizen laag, met
platte daken en geheel wit geverfd; alleen het kasteel, op den top
eener rots aangelegd, in hetwelk eenige oude kanonnen op verweerde
affuiten trots regen en zonneschijn liggen te roesten, heeft eene gele
tint die zeer goed nuanceert met het okerkleurige zand van den oever.
Op het vlakke strand komen de rozenroode baren der Vermiljoen-zee
sterven tusschen de krachtige en dicht opgeschoten mangiums of
waterwilgen, wier warrige wortels en twijgen zij verkwikken. Achter de
stad verheffen zich als ontzaglijke burchttransen de kantelige toppen
van hemelhooge bergen, wier steile hellingen, vol diepe ravijnen, door
de wateren der zondvloedstijdperken zijn uitgehoold, en wier sombere
klipgevaarten zich in de wolken verliezen.
Tot ons leedwezen moeten wij zeggen dat deze havenplaats, al draagt zij
reeds den trotschen naam van stad, nog niets meer is dan eene ellendige
buurt zonder kerk en zonder herberg, in den goeden zin namelijk, want
het ontbreekt er helaas niet aan kroegen, die er integendeel—en dat is
licht te begrijpen, zoo dicht bij Francisco,—in menigte voorkomen.
Guaymas heeft een treurig aanzien; men voelt er bij iederen stap, dat
ondanks alle de pogingen der Europeanen en avonturiers om de bevolking
te galvaniseeren, de Spaansche dwinglandij, die haar gedurende drie
eeuwen heeft onderdrukt, haar zoo al niet geheel verlamd, dan toch in
een staat van zedelijke gezonkenheid en geesteloosheid heeft gebracht,
waaruit zij zich eerst na verloop van jaren zal kunnen verheffen.
Op den dag waarmede onze historie begint, ofschoon tegen twee ure na
den middag, terwijl de zon hare brandende stralen loodrecht op de stad
liet vallen, het uur wanneer de bevolking, overstelpt door de hitte,
gewoon is zich in de huizen op te sluiten en aan den slaap over te
geven, bood Guaymas een zoo levendig schouwspel, dat een vreemdeling
die bij geval hare poorten binnentrad, zich verbeeld zou hebben een der
duizend pronunciamento’s of omwentelingen te zullen bijwonen, die van
jaar tot jaar dit ongelukkige land verontrusten.
Dit was echter geenszins het geval.
Het militaire bewind, vertegenwoordigd door den generaal San Benito,
gouverneur van Guaymas, was of scheen althans met het hoofdbestuur op
den besten voet en met den gang der zaken tevreden.
De smokkelaars, leperos, en kaailoopers, waren het onderling tamelijk
goed eens, en klaagden niet bijzonder over de regeering.
Vanwaar dan de buitengewone opschudding in de stad?
Welke drangreden was machtig genoeg om de anders zoo trage bevolking te
doen ontwaken en haar de gewone siesta te doen vergeten?
Sedert drie dagen was de stad ten prooi aan de goudkoorts.
De gouverneur had, op dringend aanzoek van eenige aanzienlijke
bankiers, verlof gegeven tot het houden eener feria de plata, of
zoogenaamde geldkermis, gedurende vijf dagen.
In de voornaamste huizen werden door aanzienlijke personen ten gevalle
van het publiek hazard-spelen gehouden.
Wat echter aan dit feest een allerzonderlingst karakter gaf, dat men
elders te vergeefs zou zoeken, was dat er op alle pleinen en alle
straten onder den blooten hemel monté-tafels waren opgericht, waar het
om zoo te zeggen goud stroomde, en ieder zonder onderscheid van rang of
kleur, die een reaal bezat, het recht had om hem aan de speelbank te
wagen.
In Mexico geschiedt alles anders dan ergens elders en gaan de zaken
tegen den gewonen regel. De inwoners in dat land denken aan geen
voorleden, dat zij liefst willen vergeten, gelooven aan geen toekomst,
daar zij niets van verwachten, en leven in den roes van het
tegenwoordige, met de koortsachtige drift van een volk, dat zijn einde
voelt naderen en met het volle besef dat het zoo niet lang meer duren
kan.
De Mexicanen staan onder de heerschappij van twee sterk sprekende
neigingen: het spel en de liefde.
Wij zeggen met opzet neigingen en niet hartstochten, want de Mexicaan
kent ze niet die geweldige drijfveeren der ziel die al onze vermogens
in werking roepen, den wil beheerschen en het gansche menschelijke
samenstel beroeren door de macht eener onweerstaanbare drift tot
handelen, hetzij goed of kwaad.
Rondom de monté-tafels hadden zich talrijke groepen verzameld en was
ieder druk in de weer.
Intusschen ging alles met eene orde en bedaardheid die zich door niets
scheen te laten verstoren en de tegenwoordigheid der openbare macht
overbodig maakte, zoodat er geen enkele politie-agent op de straat was
om de rust te bewaren of op den geregelden gang van het spel toezicht
te houden.
Ongeveer in het midden der calle de la Merced, een der voornaamste
straten van Guaymas stond, tegenover een fraai huis, eene langwerpige
met een groen kleed bedekte tafel, beladen met stapeltjes goudstukken,
en daarachter een man van omtrent dertig jaar, sluw en geslepen van
uitzicht, die met een spel kaarten in de hand en een vroolijken lach om
de lippen, in uitlokkende bewoordingen de talrijke toeschouwers op de
dringendste wijs uitnoodigde om hun fortuin te beproeven.
»Komaan, caballeros,” riep hij op zoetsappigen toon en met een
uitdagenden blik op de ellendelingen, die in hunne schitterende maar
gescheurde plunjes hem in fiere, bijna onverschillige houding
aangaapten, »ik kan immers niet altijd winnen, de kans moet keeren,
daar ben ik zeker van; ziet hier heb ik honderd oncen; wie moet er mede
gaan strijken?”
Hij zweeg.
Niemand die antwoord gaf.
De bankier, zonder zich te laten ontmoedigen, liet met edelen zwier een
stapel goudstukken, wier fonkelende gloed den standvastigste kon doen
wankelen, als een ruischende straal van de eene hand in de andere
rinkelen.
»’t Is een mooie som, caballeros, honderd oncen; daarmede kan de
leelijkste man de schoonste der schoonen overhalen. Kijk maar! wie moet
ze van mij winnen?”
»Bah!” riep een der leperos met een verachtelijken grijns. »’t Wil wat
zeggen, honderd oncen? Als gij mijn laatsten piaster niet afgewonnen
hadt, Tio-Lucas, zou ik hem tegen u opzetten.”
»Het spijt mij in mijn ziel, señor Cuchares,” hernam de bankhouder met
eene eerbiedige buiging, »dat het geluk u niet gediend heeft; het zou
mij aangenaam zijn, als gij mij de vrijheid wildet geven u een ons te
leenen.”
»Spot gij er mede?” zeide de lepero op een toon van gekwetste majesteit
zich zoo trotsch mogelijk in postuur stellende. »Bewaar uw goud, voor u
zelven, Tio-Lucas, ik weet wel middel om het te krijgen, zooveel ik wil
en zoodra het mij goeddunkt; maar,” vervolgde hij met eene
allerwellevendste buiging, »ik ben u daarom niet minder dankbaar voor
uw edelmoedig aanbod.”
En hij stak den bankier, over de tafel, zijne hand toe, die deze met
warmte drukte.
De lepero maakte van deze gelegenheid gebruik om met de andere hand,
die vrij was, een stapeltje van twintig oncen, dat onder zijn bereik
stond, weg te kapen.
Tio-Lucas bedwong een grimas en hield zich alsof hij niets gezien had.
Op deze uitwisseling van wederzijdsche toegenegenheid volgde groote
stilte.
De toeschouwers hadden niets van hetgeen er gebeurd was onopgemerkt
gelaten, en wachtten met nieuwsgierigheid den afloop van dit tooneel.
Señor Cuchares was de eerste die weder sprak.
»O!” riep hij eensklaps, zich met de vuist op het voorhoofd kloppende,
»bij Nuestra Señora de la Merced, ik geloof waarlijk dat ik mijn
verstand verlies!”
»Hoedat, caballero?” vroeg Tio-Lucas blijkbaar verontrust door dezen
uitroep.
»Carai! dat is toch eenvoudig genoeg,” hernam de andere, »heb ik u
daareven niet gezegd dat gij mij al mijn geld hadt afgewonnen?”
»Dat hebt gij mij inderdaad gezegd, deze caballeros hebben het zoowel
gehoord als ik; tot den laatsten piaster, dat waren uwe eigen woorden.”
»Ik herinner het mij klaar en duidelijk, en dat maakt mij juist
woedend.”
»Wat zegt gij!” riep de bankier met geveinsde verbazing. »Zijt gij
woedend omdat ik u alles heb afgewonnen?”
»Neen, dat is het juist niet.”
»Wat is het dan?”
»Caramba! ’t is dat ik mij zoo deerlijk vergist heb en dat ik nog
eenige oncen over had.”
»Dat is onmogelijk,” riep Tio-Lucas.
»Zie maar eens.”
De lepero grabbelde in zijn zak, haalde er het goud uit te voorschijn,
dat hij den bankier een oogenblik te voren ontstolen had, en liet het
hem zien met een onbeschaamd gezicht.
Op het gelaat van Tio-Lucas bewoog zich geen spier.
»’t Is onmogelijk,” herhaalde hij.
»Is het?” riep de lepero, hem met een fonkelenden blik aankijkende.
»Ja, ’t is inderdaad niet te gelooven, señor Cuchares, dat uw geheugen
zoo slecht zou geweest zijn.”
»Laat dat zijn zoo het wil, maar nu ik er toch weder aan gedacht heb,
is er niets mede verloren; komaan, hervatten wij ons spel.”
»Zeer goed: het gaat om honderd oncen dan, niet waar?”
»Wel neen! zooveel geld bezit ik niet.”
»Bah! zoek maar eens goed.”
»Dat zou niet baten, ik weet zeker dat ik het niet heb.”
»Dat is nu toch zoo jammer als het kan.”
»Hoedat, jammer?”
»Omdat ik gezworen heb om niet minder te spelen.”
»Dus wilt gij mij geen twintig oncen volhouden?”
»Ik kan niet; er mag geen enkel once aan de honderd ontbreken of ik zal
ze u niet kunnen houden.”
»Hm!” bromde de lepero met een dreigenden blik.... »is dat een affront,
Tio-Lucas?”
De bankhouder had den tijd niet om te antwoorden, daar een man van
ongeveer dertig jaar, op een heerlijk zwart paard gezeten en
allerprachtigst gekleed, sedert eenige oogenblikken de tafel genaderd
was, en onder het rooken van een geurigen pajillo, het gesprek tusschen
den lepero en Tio-Lucas beluisterde.
»Top! voor uwe honderd oncen!” riep hij op eens terwijl hij met zijn
paard door de menigte heendrong om dichter bij de tafel te komen, waar
hij eene welgevulde goudbeurs op wierp.
De beide sprekers keken verbaasd op.
»Ziedaar de kaarten, caballero,” riep de bankier, die haastig de
ongezochte gelegenheid waarnam om zich, voorloopig althans, van een
gevaarlijken antagonist te ontslaan.
Cuchares haalde verachtelijk de schouders op en keek den nieuwen speler
aan.
»O!” riep hij met eene gesmoorde stem, »de Tigrero! komt hij wellicht
om Anita? Dat zal ik spoedig weten.”
Daarop trad hij zachtjes naar den ruiter en had hem weldra bereikt.
Laatstgenoemde was een man van trotsch voorkomen, olijfbruine
huidkleur, magnetischen oogopslag en openhartig vastberaden gelaat.
Zijne kleeding was allerkostbaarst rijk, en ruischte van goud en
diamanten.
Een weinig over het linkeroor gebogen, stond zijn groote vilthoed met
breeden rand, en om den bol een massief gouden golilla of lint met
diamanten gesp; onder den blauw lakenschen, rijk in zilver geborduurden
dolmantel, zag men een batisten hemdrok van schitterende witheid, aan
den hals gesloten met een das van chineesch krip, gevat in een juweelen
ring; zijne calzoneras, aan de heupen gesloten door een rood zijden
gordel met gouden franjes, rijk gegalonneerd en met twee rijen
diamanten knoopen bezet, was aan de knieën open en liet den daaronder
gedragen calzon uitfladderen; verder een paar botas vaqueras van
gestempeld leder, rijk geborduurd en onder de knie vastgemaakt met een
kousenband van zilverstof; zijn manga of korte mantel, schitterend van
goud en edelgesteenten, was zwierig aan den rechter-schouder
opgeslagen.
Zijn paard, klein van kop en met pooten zoo fijn als weversspoelen, was
allerprachtigst uitgedost: de armas de agua (holsterkappen), de zarape
of mantel die over zijn kruis reikte en de kwistig met stalen
kettingjes en rinkels gegarneerde anquera of staartriem, voltooiden een
stel tuigen daar men zich in Europa moeielijk een idee van zou kunnen
maken.
Als alle Mexicanen van zekere klasse wanneer zij zich op reis bevinden,
was de onbekende van top tot teen gewapend. Behalve de gewone aan zijn
zadel hangende lasso en het geweer, dat dwars over de pistoolholsters
was geplaatst, had hij een langen degen op zijde en een koppel pistolen
in zijn gordel, ongerekend het groote jachtmes, welks met zilver
ingelegden steel men uit een zijner vaqueras-laarzen zag uitsteken.
Om kort te gaan, de man zooals hij hier door ons werd voorgesteld, was
de volmaakte type van een Mexicaansch landedelman uit de provincie
Sonora, altoos toegerust en gereed zich te verdedigen, in tijd van
oorlog zoowel als in tijd van vrede, zonder den een te vreezen of den
anderen te verachten.
Na eene beleefde buiging voor Tio-Lucas, nam hij de kaarten over die
deze hem aanbood, en verschiffelde ze een poos tusschen zijne vingers,
terwijl hij de oogen liet rondgaan.
»Ei! zoo!” riep hij met een vriendelijken blik op den lepero, »gij ook
hier, compadre Cuchares?”
»Om u te dienen, don Martia,” antwoordde de andere met de hand even aan
den verhavenden rand van zijn gebulten vilthoed.
De vreemdeling glimlachte.
»Wees zoo goed de kaart voor mij af te nemen, terwijl ik mijn pajillo
aansteek.”
»Met genoegen!” riep de lepero.
El Tigrero of don Martial, hoe de lezer hem noemen wil, haalde een
gouden tondeldoos uit zijn zak en sloeg op zijn gemak vuur, terwijl de
lepero de kaarten voor hem trok.
»Señor,” zei laatstgenoemde met eene klagende stem.
»Wel, wat is ’t?”
»Gij hebt verloren.”
»Goed. Tio-Lucas, neem honderd oncen uit mijne beurs,” vervolgde hij
tegen den bankier.
»Ik heb ze, señoria,” antwoordde deze; »behaagt het u nog verder te
spelen?”
»Welzeker! maar geen misére meer, hoor! want ik zou de partij gaarne
animeeren.”
»Ik zal u volhouden voor al wat gij gelieft op te zetten, señoria,”
hernam de bankier, wiens geoefende blik in de beurs van den onbekende,
onder een tamelijk groote massa oncen, een veertig stuks diamanten had
gezien van het eerste water.
»Hm! zijt gij inderdaad mans genoeg om mij vol te houden voor alles wat
ik verlang op te zetten?” vroeg de onbekende.
»Ja!” zei Tio-Lucas.
De vreemdeling keek hem strak aan.
»Zelfs al speelde ik om duizend oncen?” [3].
»Ik ben goed voor de dubbele som, monseñor, zoo gij het wagen durft die
te verspelen,” sprak de onverstoorbare bankier.
Een minachtende glimlach plooide andermaal de trotsche lippen van den
cavalier.
»Dat durf ik,” zeide hij.
»Dus twee duizend oncen?”
»Akkoord!”
»Zal ik afnemen?” vroeg Cuchares bedeesd.
»Waarom niet?” hernam de andere op luchthartigen toon.
De lepero nam de kaarten, en beefde van ontroering toen hij ze opnam.
Er volgde een oogenblik van koortsachtige belangstelling onder de
spelers die rondom de tafel stonden.
Op hetzelfde oogenblik werd er in het huis waarvoor Tio-Lucas zijne
monté tafel had opgericht een venster geopend, en kwam er een
verrukkelijk schoone dame op het balkon te voorschijn, die achteloos
met den elleboog op de balustrade leunende, met een verstrooiden blik
over de straat uitkeek.
De vreemdeling wendde zich naar het balkon en verhief zich hoog in de
stijgbeugels.
»Mijn eerbiedige groet aan de schoone Anita,” zeide hij, zijn hoed
afnemende met eene diepe buiging.
Het meisje kreeg een blos, wierp den cavalier uit hare lange zijden
wimpers een veelbeteekenenden blik toe, maar antwoordde niet.
»Gij hebt verloren, monseñor,” zei Tio-Lucas op een toon van blijdschap
die hij niet geheel had kunnen ontveinzen.
»Zeer goed,” zei de vreemdeling, zonder hem eens aan te zien, zoo
geboeid werd hij door de bekoorlijke verschijning op het balkon.
»Gij speelt zeker niet meer?” zei Tio-Lucas.
»Integendeel, ik verdubbel.”
»Wat?” riep de bankier, die bij dit onverwachte voorstel onwillekeurig
een stap achterwaarts deed.
»Ik vergis mij, ik heb u iets anders voor te stellen.”
»Wat dan, señoria?”
»Hoeveel hebt gij daar?” riep hij met een wenk van geringschatting naar
de tafel wijzende.
»Daar? wel..... zoo wat zevenduizend oncen op zijn minst.”
»Niet meer?... hm! dat is weinig.”
De omstanders staarden met eene mengeling van stomme bewondering naar
den buitengewonen man die om oncen en diamanten speelde, als een ander
om realen.
Het meisje op het balkon verbleekte: zij wierp den vreemden cavalier
een smeekenden blik toe.
»Speel niet langer,” murmelde zij met eene bevende stem.
»Ik dank u, señorita, wel verplicht!” riep hij, »uwe schoone oogen
zullen mij geluk brengen; ik zou al het goud dat daar op de tafel ligt
willen geven voor de suchilbloem, die gij daar in uwe hand hebt en die
uwe lippen heeft mogen aanroeren.”
»Speel toch niet langer, don Martial,” herhaalde het meisje, terstond
met drift terugtredende terwijl zij het venster achter zich sloot.
Doch, hetzij bij toeval of uit eenige andere oorzaak, de suchilbloem
ontglipte aan hare hand.
De cavalier liet zijn paard steigeren, ving de bloem in de vlucht op en
verborg haar in zijne borst na haar vooraf gekust te hebben.
»Cuchares,” zeide hij tegen den lepero, »keer eene kaart.”
De lepero gehoorzaamde.
»Seis de copas,” zeide hij.
»Voto a brior!” riep de vreemdeling, »de kleur van het hart, wij moeten
winnen. Tio-Lucas, ik speel met u op deze kaart om al het goud dat op
uw tafel ligt.”
De bankier werd bleek, hij aarzelde; de omstanders hielden hem scherp
in ’t oog.
»Bah!” riep hij een minuut later, »hij kan onmogelijk winnen. Ik neem
het aan, monseñor,” zeide hij.
»Tel eens hoeveel gij daar hebt.”
»’t Is niet noodig, monseñor, er liggen negenduizend vierhonderdvijftig
oncen goud” [4].
Bij het hooren van dit ontzagwekkend cijfer slaakten de aanwezigen een
kreet van verbazing en begeerigheid tegelijk.
»Ik hield u voor rijker,” zei de vreemdeling spotachtig. »Maar hoe dan
ook, om negenduizend vierhonderd en vijftig oncen.”
»Dezen keer zult gij afnemen, monseñor,” zei de bankier.
»Neen: ik voor mij ben vast overtuigd dat gij verliezen moet,
Tio-Lucas. Ik wil u wederkeerig de zekerheid geven dat ik eerlijk
gewonnen heb. Doe mij daarom het pleizier en neem zelf de kaart af;
zoodoende,” vervolgde hij ironisch, »wordt gij de smid van uw eigen
ondergang en kunt het aan niemand anders verwijten.”
De omstanders trantelden van genot en belangstelling toen zij zagen hoe
ridderlijk de vreemdeling zich gedroeg. Binnen weinige oogenblikken was
de straat letterlijk gevuld met nieuwsgierigen, die door deze
buitengewone partij aangetrokken uit alle hoeken der stad
samenstroomden en zich rondom de tafel verdrongen.
Weldra bedaarde het gewoel en doodstilte heerschte onder de wachtende
menigte, die met ongeduld den afloop verbeidde van het ongehoord hooge
spel en brandde van nieuwsgierigheid om te weten wie de gelukkige zou
zijn.
De bankier wischte het zweet af dat op zijn bleek voorhoofd parelde, en
met bevende hand nam hij de eerste kaart.
Eenige seconden lang balanceerde hij er mede, blijkbaar aarzelend voor
het oogenblik der beslissing.
»Maak voort,” riep Cuchares ongeduldig.
Tio-Lucas liet de kaart werktuigelijk op de tafel vallen en wendde het
hoofd om.
»Seis de copas!” riep de lepero met eene snerpende stem.
De bankier brulde van spijt.
»Ik heb verloren!” mompelde hij.
»Dat wist ik wel,” zei don Martial zoo bedaard als ooit. »Cuchares,”
vervolgde hij, »breng die tafel met al het goud dat er op is naar doña
Anita; ik wacht u heden avond, gij weet wel waar.”
De lepero maakte eene eerbiedige buiging. Met behulp van twee sterke
kerels die zich daartoe gereedelijk lieten vinden, volvoerde hij het
zoo even ontvangen bevel en bracht de tafel het huis in, terwijl de
vreemdeling in allerijl wegreed en Tio-Lucas, reeds min of meer bekomen
van den zwaren slag die hem getroffen had, zeer pacifiek een
maïscigarette rolde en aan allen die hem hun ongevraagden troost
zochten op te dringen toeriep:
»Ik heb verloren, dat is zoo, maar aan een zeer mooien speler en op een
zeer schoone kans. Bah! later zal ik het hem wel betaald zetten, ieder
op zijn beurt; hij op de zijne en ik op de mijne.”
Toen hij zijn sigaar geheel klaar gemaakt had, stak de afgestapte
bankier haar aan en wandelde met rustigen tred van daar.
De menigte had geen reden meer om langer op die plaats te blijven, en
verstrooide zich weldra door de stad.
II.
DON SYLVA DE TORRES.
Guaymas is eene geheel nieuwe stad, min of meer om zoo te zeggen met
den dag gebouwd, naarmate de grilligheid der emigranten zulks verkoos,
zonder regel of orde, daar het stadsbestuur zich niet bemoeide met hun
de rooiing voor te schrijven, hetgeen soms zoo goed als kwaad is,
wanneer de bouwmeester geen smaak of kennis genoeg heeft om een stad
aan te leggen of een goed bouwplan voor te schrijven. Ofschoon wij ons
hier haasten te zeggen, dat er te Guaymas slechts weinige gebouwen zijn
die werkelijk den naam van woonhuizen verdienen, de overige zijn niets
meer dan afzichtelijke krotten en hutten, gebouwd van klei en aarde
tusschen twee planken vastgestampt, even bouwvallig als ongeregeld, en
onrein in den hoogsten graad.
In de calle de la Merced, de voornaamste, of liever de eenigste straat
der stad, want de overige zijn weinig meer dan moddergoten, stond een
huis met ééne verdieping en voorzien van een balkon, ondersteund door
een peristyle van vier kolommen, gelijk de meeste huizen in Mexico. De
voorgevel was met kalk van verblindende witheid bestreken en het dak
was mede naar ’s lands wijze plat.
De eigenaar van dit huis, een der rijkste mineros in de Sonora, bezat
een tiental mijnen, allen in volle bewerking; bovendien legde hij zich
toe op de veefokkerij en bediende zich daarbij van verscheidene
hacienda’s of landhoeven, over de gansche provincie verspreid, en
waarvan de kleinste minstens even veel grond besloeg als een
departement in Frankrijk.
Ik ben zeker dat, als don Sylva de Torres zijn fortuin had willen
liquideeren en berekenen, het eenige honderde millioenen zou hebben
bedragen.
Don Sylva de Torres was eerst sedert een paar jaar te Guaymas komen
wonen, waar hij echter slechts nu en dan en dat nog wel bij lange
tusschenpoozen, een kortstondig verblijf hield.
Ditmaal had hij, tegen zijne gewoonte, zijne dochter Anita
medegebracht; daarom ook was de gansche bevolking van Guaymas opgetogen
van nieuwsgierigheid en richtten aller blikken zich op het huis van don
Sylva, dewijl men begreep dat er voor dit buitengewone gedrag van den
haciendero gewichtige redenen moesten bestaan.
Binnen zijne woning besloten, welker deuren zich alleen voor eenige
weinige bevoorrechten openden, liet don Sylva de menschen praten en
zonder zich in ’t minst om de wereld te bekommeren, scheen hij
ongestoord aan de verwezenlijking van zekere ontwerpen te arbeiden,
wier gewicht hem belette te onderzoeken wat anderen van hem spraken of
dachten.
Ofschoon de Mexicanen geweldig rijk zijn en zich gaarne veel op hunne
schatten laten voorstaan, hebben zij geen het minste idee van gemak of
genot en leven zij doorgaans in de grootste zorgeloosheid. Hunne
weelde, zoo men haar dien naam kan geven, is woest, plomp, onverstandig
en zonder eenige levenswaarde.
De rijken, meerendeels aan het ruwe leven der Amerikaansche wildernis
gewoon en voortdurend gehard tegen de ongemakken van een vaak doodelijk
klimaat en de gedurige invallen der Indianen, die hen van alle zijden
insluiten, kampeeren zich in de steden veel meer dan dat zij er
eigenlijk wonen, en meenen zich reeds vrij wel te hebben uitgesloofd
wanneer zij op eene onverantwoordelijke wijs oncen goud en diamanten
als dwazen hebben verkwist of weggesmeten.
De Mexicaansche woonhuizen zijn dáár om de juistheid van dit ons
oordeel te bewijzen. Behalve de onmisbare Europeesche piano, die in een
hoek van iedere salon ongebruikt staat, ziet men er niets dan eenige
ongemakkelijke butacca’s, slecht gemaakte tafels, slecht geteekende en
bontgekleurde kunstplaten aan de wit gekalkte muren opgehangen, ziedaar
alles.
De woning van don Sylva verschilde in geenen deele van de overigen, en
gelijk overal, moesten de paarden om van den stal naar het wed en van
daar weder naar den stal te komen, druipnat de groote voorzaal of
vestibule door, waar zij in den vloer met hunne hoeven reeds menigen
tegel gebroken en diepe sporen hadden achtergelaten.
Op het oogenblik dat wij den lezer in het huis van Sylva de Torres
binnenleiden, zaten twee personen, een man en eene vrouw, in het salon
samen te praten, althans bij lange tusschenruimten eenige woorden te
wisselen.
Deze twee personen waren don Sylva en zijne dochter Anita.
De kruising van het Spaansche met het Indiaansche menschen-ras, heeft
de schoonste plastische vormen voortgebracht die men zich verbeelden
kan.
Don Sylva, ofschoon reeds bijna vijftig jaar oud, scheen nog nauwelijks
veertig; bij eene hooge welgemaakte gestalte voegde zich eene edele
houding en gang, en een streng gelaat, maar gepaard met groote
goedwilligheid. Hij droeg de Mexicaansche kleeding in haren zuiversten
vorm, maar zoo kostbaar en zoo rijk versierd, dat slechts weinigen
zijner landgenooten hem hadden kunnen evenaren, veelmin overtreffen.
Anita, in gemakkelijke houding op de kanapé uitgestrekt, half
verscholen in golven van zijde en gaas, als een kolibrietje in het
donzige mos, was een aanminnig kind van hoogstens zeventien of achttien
jaar; hare zwarte, door lange fluweelen wimpers zedig gesluierde oogen,
tintelden van zoete beloften, die geenszins werden gelogenstraft door
de slanke en mollige omtrekken van haar fijngevormde leest. Tot in hare
minste bewegingen bezat zij eene gratie en majesteit daar de liefelijke
glimlach van hare koralen lippen de hartveroverende kroon opzette. Haar
frissche kleur, min of meer verguld door de warme zon van
Middel-Amerika, gaf aan haar gelaat eene betooverende uitdrukking die
zich moeielijk laat beschrijven; in een woord, over haar gansche
persoon zweefde een bekoorlijk waas van onschuld, eenvoudigheid en
oprechtheid, dat harten en zinnen boeide en sympathie en liefde gebood.
Even als alle Mexicaansche schoonen wanneer zij zich binnenshuis
bevinden, droeg zij eene lichte robe van gebrocheerd mousseline; de
gazen rebozo of sluier was achteloos over hare schouders geworpen en
eene versche tuil van zomerbloemen tooide hare blauwzwarte lokken met
een ambergeurige kroon.
Anita scheen te droomen; somwijlen trokken de wenkbrauwbogen zich
donkerder samen onder den drang der gedachten die haar bestormden; haar
boezem golfde nu en dan bij dieper ademhaling en de kleine, fijn
geënkelde voeten, in pantoffels van zwanendons gestoken, trappelden wel
eens ongeduldig op den grond.
Ook don Sylva de Torres scheen ontevreden; na een strengen en ernstigen
blik op zijne dochter, stond hij op, trad naar haar toe en sprak:
»Gij zijt een dwaas kind, Anita; uwe handelwijs is buitensporig, eene
welgeboren jonge dochter mag in geen geval handelen zoo als gij
gehandeld hebt....”
De jeugdige Mexicaansche antwoordde alleen met een veelbeteekenend
pruilend mondje en haalde bijna onmerkbaar de schouders op.
Haar vader vervolgde.
»Vooral niet,” zeide hij, met nadruk op iedere syllabe, »in uwe positie
tegenover den graaf de Lhorailles.”
Het meisje richtte zich op als of zij door een adder gestoken was en
met een vragenden blik naar het onverbiddelijk gelaat van den
haciendero antwoordde zij:
»Ik begrijp u niet, vader.”
»Begrijpt gij mij niet, Anita? Dat kan ik kwalijk gelooven. Heb ik dan
uwe hand niet aan den graaf beloofd?”
»Wat maakt dat uit, daar ik hem toch niet bemin. Wilt gij mij dan
doemen om mijn geheele leven ongelukkig te zijn?”
»Integendeel, het is uw geluk dat ik met deze vereeniging beoog. Ik heb
niemand dan u, Anita, om mij te troosten over het smartelijk verlies
van uwe beminde moeder. Arm kind; gij zijt goddank nog in dien door den
hemel gezegenden leeftijd, waarin het hart bijna niets weet van zich
zelven en de woorden geluk en ongeluk nog geene beteekenis hebben. Gij
bemint den graaf niet, zegt gij; nu goed; uw hart is vrij; als gij
later in staat zult zijn de edele hoedanigheden te waardeeren van hem
dien ik u tot echtgenoot geef, dan zult gij mij dankbaar zijn dat ik u
tot een huwelijk riep, waarin gij heden zooveel reden van droefheid
ziet.”
»Maar, vader,” riep het meisje met een verdrietig gezicht, »mijn hart
is niet vrij, dat weet gij wel.”
»Ik weet alleen, doña Anita de Torres,” hervatte de haciendero streng,
»dat eene liefde die uwer en mijner onwaardig is in uw hart geen plaats
kan grijpen. Door mijne voorvaderen ben ik Cristiano Veyo en zoo er al
eenige droppels Indiaansch bloed in mijne aderen vloeien, heb ik des te
dieper in mijne ziel gegrift wat ik aan mijne voorouders verschuldigd
ben. Onze eerste stamvader Antonio de Sylva, luitenant van Fernando
Cortez, huwde wel is waar met eene Mexicaansche prinses uit het
geslacht van Montecuzoma, maar al onze overige stamgenooten zijn
Spanjaarden.”
»Zijn wij dan geen Mexicanen, vader?”
»Helaas! arm kind, wie kan zeggen wat wij zijn, of worden zullen? Ons
ongelukkig land, sedert het de Spaansche dwingelandij afschudde,
verkeert in een staat van beroering, en put zich uit onder de herhaalde
pogingen der heerschzuchtigen van de lagere klasse, die binnen korte
jaren eindigen zullen met ons zelfs de nationaliteit te ontrukken, daar
wij zoo lang naar gestreefd en die wij met zooveel moeite verworven
hebben. Deze schandelijke burgeroorlogen stellen ons ten spot voor
andere volken en zijn de vreugd van onze hebzuchtige naburen, die de
oogen onafgewend op ons gevestigd houden, en gereed staan onze schatten
onder zich te verdeelen, daar zij reeds de eerstelingen van hebben
geroofd door ons eenigen onzer rijkste provinciën te ontweldigen.”
»Maar, vader, ik ben eene vrouw en bij gevolg weet ik niets van de
politiek; ik heb niets met de gringos te maken.”
»Meer dan gij denkt, meisje. Ik wil niet dat na zeker tijdsverloop de
onmetelijke bezittingen, die mijne voorouders en ik door kracht van
arbeid zich verworven hebben, t’ eenigen dage de prooi worden van die
vervloekte ketters. Dit is de reden waarom ik, ten einde mijne
bezittingen te redden, besloten heb u aan den graaf de Lhorailles uit
te huwelijken. Hij is Franschman, en hij behoort tot een der eerste
familiën van dat land; bovendien is hij een schoon en krijgshaftig
ridder van nauwelijks dertig jaar; bij zijne natuurlijke gaven voegt
hij de lofwaardigste zedelijke hoedanigheden; hij behoort tot eene
machtige en geachte natie, die hare kinderen, in welken hoek der aarde
zij zich ook bevinden, weet te beschermen. Door hem te huwen is uw
fortuin tegen iederen staatkundigen rampspoed gewaarborgd.”
»Maar ik bemin hem niet, vader.”
»Kleingeestigheid, lief kind, spreken wij er niet langer over, ik wil u
de dwaasheid wel vergeven waaraan gij u eenige oogenblikken hebt
schuldig gemaakt, doch onder voorwaarde dat gij don Martial uit uwe
gedachten stelt.”
»Nooit!” riep zij standvastig.
»Nooit? dat is zoo lang, dochter, gij zult u wel bedenken, dat weet ik
zeker. En daarbij, wie is die man? Waar komt hij vandaan? Kent gij hem?
Men noemt hem Martial el Tigrero, vota a Dios! Is dat een naam! Die man
ja, heeft uw leven gered door uw paard op te houden toen het met u
doorging, maar is dat nu eene reden waarom hij op u verlieven moet, en
gij op hem? Ik heb hem een schitterende belooning aangeboden, die hij
met de meeste verontwaardiging heeft van de hand gewezen; hiermede is
alles geëindigd, hij late mij nu met vrede; ik wil niets meer met hem
te doen hebben.”
»Hem bemin ik, vader, en geen ander,” hernam zij.
»Hoor eens, Anita, als gij zoo voortgaat verlies ik mijn geduld, het
kost mij moeite bedaard te blijven, derhalve genoeg hiervan, en houd u
gereed om den graaf de Lhorailles naar behooren te ontvangen. Ik heb
gezworen dat hij uw echtgenoot wordt, en bij den hemel! dat zal hij, al
zou ik u met geweld naar het altaar voeren.”
De haciendero sprak deze woorden op zulk een vastberaden en
onverzettelijken toon, dat Anita terstond begreep liever te moeten
zwichten, al was het ook in schijn, dan een redetwist voort te zetten
die slechts bitterder kon worden en misschien de ergste gevolgen zou na
zich slepen; zij boog dus het hoofd en zweeg, terwijl haar vader met
groote stappen en een ontevreden gezicht het salon op en neder trad.
De deur ging open en een peon stak bescheiden het hoofd door de kier.
»Wat wilt gij?” vroeg don Sylva stilstaande.
»Señoria, antwoordde de knecht, »een caballero, gevolgd door vier
anderen met eene tafel vol goud, verlangt de señorita te spreken.”
De haciendero wierp een onbeschrijfelijken blik op zijne dochter.
Doña Anita boog in verwarring het hoofd.
Don Sylva dacht een oogenblik na, en toen helderde zijn gelaat op.
»Laat hem binnenkomen,” zeide hij.
De peon ging heen, maar keerde een paar minuten later terug ten geleide
van onzen ouden kennis Cuchares, altijd in zijn gescheurde zarapé en
gevolgd door vier leperos, die een zwaar beladen tafel droegen.
Terwijl Cuchares de zaal binnentrad, nam hij eerbiedig den hoed af,
maakte voor den haciendero en zijne dochter eene hoffelijke buiging en
wenkte de dragers om de tafel midden in het salon te plaatsen.
»Señorita,” zeide hij op vleienden toon, »señor don Martial, getrouw
aan het woord dat hij aan u gaf, verzoekt u nederig het goud aan te
nemen dat hij met de monté gewonnen heeft, als een gering bewijs van
zijne hulde en gehechtheid aan u.”
»Kerel!” brulde don Sylva toornig, hem een stap te gemoet gaande, »weet
gij niet in wiens tegenwoordigheid gij u bevindt?”
»Ja, señor, in tegenwoordigheid van doña Anita en haar eerbiedwaardigen
vader,” antwoordde de schelm zonder in ’t minst verlegen te worden,
terwijl hij zich statig in zijn geplukten mantel wikkelde, »en zooveel
ik weet heb ik jegens geen van beiden den verschuldigden eerbied
verzuimd?”
»Vertrek oogenblikkelijk en breng dat goud weer weg, daar mijne dochter
niets mede te maken heeft.”
»Verschoon mij, señoria, ik heb dat goud ontvangen om het hier te
brengen, en met uw verlof zal ik het hier laten; don Martial zou het
mij nooit vergeven als ik anders deed.”
»Ik ken geen don Martial, of hoe gij hem ook noemt die u zendt, ik wil
met hem volstrekt niets te doen hebben.”
»Dat kan wel waar zijn, señoria; maar dat gaat mij niet aan, dat moogt
gij naar goedvinden zelf met hem uitmaken; wat mij aangaat, nu ik mijn
boodschap verricht heb, kus ik u de handen en ga heen.”
En met eene nieuwe buiging voor de beide personages, trad de lepero vol
majesteit de salon uit, met afgemeten stappen, gevolgd door zijne vier
handlangers.
»Nu mijne dochter,” riep don Sylva buiten zich zelven van drift, »nu
ziet gij eens aan welk een hoon ik door uwe dwaasheid blootsta.”
»Een hoon! vader?” antwoordde zij bedeesd: »integendeel, ik vind dat
don Martial zich gedraagt als een echt caballero en dat hij mij een
groot bewijs van zijne liefde geeft: het is eene onmetelijke som.”
»Ha! zoo,” zei don Sylva toornig, »denkt gij er zoo over! welnu dan zal
ik ook doen als een caballero, voto a brios! dat zult gij zien.—Hola!
help even!”
Er kwamen eenige peons binnen.
»Zet de vensters open!”
De bedienden gehoorzaamden.
De volksverzameling had zich nog niet verstrooid, een groot aantal
menschen stonden nog altijd voor het huis of zwierven in den omtrek.
De haciendero boog naar het venster en keek naar buiten. Hij wenkte het
volk, om stilte te verzoeken.
Werktuigelijk zweeg de woelige menigte en trad naderbij, als gevoelde
zij dat er voor haar iets van belang zou gebeuren.
»Señores caballeros y amigos!” riep de haciendero met luider stem,
»iemand, dien ik niet ken, heeft mijne dochter het goud durven
aanbieden, dat hij met de monté gewonnen had. Doña Anita versmaadt
zulke geschenken, bovenal wanneer zij van een persoon afkomstig zijn,
met wien zij noch door vriendschap, noch door eenige andere betrekking
verbonden is. Zij verzoekt mij dit goud, dat zij zelfs niet zou willen
aanraken, onder u te verdeelen, ten einde daardoor in het openbaar en
voor u allen te bewijzen hoe diep zij den man veracht, die haar zoo
heeft durven beleedigen.”
Deze geïmproviseerde toespraak van den haciendero werd door de leperos
en andere voor het huis saamgeschoolde bedelaars, die hem met begeerige
blikken aanstaarden, met een daverend hoerah beantwoord.
Anita voelde de tranen op hare oogleden branden, ondanks hare uiterste
pogingen om zich goed te houden; haar hart dreigde te bersten.
Zonder zich echter om zijne dochter te bekommeren, gaf don Sylva zijne
bedienden order om de oncen op straat te werpen.
Toen begon er letterlijk een gouden regen op het verbaasde volk af te
dalen: de arme schooiers stormden van alle kanten toe en wierpen zich
als razenden op het blinkend metaal als of er in tijd van hongersnood
brood uit den hemel viel.
De calle de la Merced bood het zonderlingste schouwspel dat men zich
kan verbeelden.
Het regende maar altoos goud, goud, goud, de gele schijven vlogen in
alle richtingen, het scheen onuitputtelijk.
De geplukte en gelapte leperos stortten zich als uitgehongerde coyotes
op het kostelijk metaal, de sterksten verdrongen de zwakkeren, de
zwaksten geraakten onder de voet en werden vertrapt.
Onder het hevigst van deze stortbui kwam er een ruiter in vliegenden
galop aanrijden.
Verbaasd over hetgeen hij zag, bleef hij een oogenblik staan om rond te
kijken; toen gaf hij zijn paard opnieuw de sporen en door het uitdeelen
van karwatsslagen links en rechts, gelukte het hem de dicht
opeengepakte menigte te verdeelen, die als een onstuimige zee naar
weerszijde der straat uiteenstoof, en zoo baande hij zich een weg naar
het huis van den haciendero, dat hij terstond binnen reed.
»Daar is de graaf de Lhorailles,” zeide don Sylva lakonisch tegen zijne
dochter.
Werkelijk trad de graaf eenige oogenblikken later de salon binnen.
»Hoe is het met u!” riep hij op den dorpel staan blijvende, »hoe kwaamt
gij op dien zonderlingen inval, don Sylva? Bij mijne ziel! gij schijnt
u te amuseeren met uwe millioenen het raam uit te werpen, tot groot
genoegen der leperos en andere gauwdieven van dezelfde soort.”
»Ah! zijt gij daar, mijnheer de graaf,” antwoordde de haciendero kalm,
»ik heet u welkom, en ik ben tot uwe dienst, nog slechts weinige
handvollen en ik heb gedaan.”
»Laat ik u niet storen” lachte de graaf, »ik moet bekennen, de grap is
recht origineel,” en zich thans tot het meisje wendende, dat hij met de
uitstekendste wellevendheid groette, vervolgde hij: »Ei—lieve,
señorita, geef mij toch de oplossing van die raadselachtige zaak, want
ik verklaar u dat ik er ten hoogste nieuwsgierig naar ben die te
hooren.”
»Dat moet gij aan mijn vader vragen, señor,” antwoordde zij met zekere
stroefheid, die alle verdere samenspreking onmogelijk maakte.
De graaf hield zich alsof hij deze koele ontvangst niet opmerkte,
maakte een statige buiging en wierp zich glimlachend op eene butacca.
»Dan zal ik een weinig wachten,” zeide hij achteloos. »Ik heb geen de
minste haast.”
Toen de haciendero aan zijne dochter zeide, dat de man dien hij voor
haar bestemde een schoone cavalier was, bleek thans, dat hij geen
vleitaal gesproken had. De graaf Maxime Gaëtan de Lhorailles was iemand
van hoogstens dertig jaar, lenig en vlug van gestalte en een weinig
boven de middelbare lengte. Zijne blonde haren teekenden hem als een
zoon van het Noorden; zijne trekken waren schoon, zijn oogopslag vol
uitdrukking, zijne handen en voeten droegen het kenmerk zijner afkomst;
alles duidde bij hem den edelman van echten stempel aan, en indien dus
don Sylva zich in hem evenmin bedroog wat het moreele als wat het
uitwendige betrof, was de graaf de Lhorailles een volmaakt cavalier.
Eindelijk had de haciendero al het goud dat door Cuchares was
binnengebracht het raam uitgesmeten; op hare beurt vloog thans de tafel
die straat op, hij gaf order de vensters te sluiten en keerde in zijne
handen wrijvende naar den graaf terug om naast hem te gaan zitten.
»Zie zoo!” zeide hij met een vroolijk gezicht, »dat is afgedaan, nu ben
ik geheel tot uwe dienst.”
»Vooraf een woord.”
»Spreek.”
»Neem mij niet kwalijk, gij weet, ik ben vreemdeling, en als zoodanig
laat ik mij gaarne onderrichten.”
»Ik hoor u.”
»Sedert ik in Mexico woon heb ik al vrij wat zonderlinge gebruiken
gezien, zoo dat ik bijna onvatbaar ben om door iets nieuws getroffen te
worden; intusschen moet ik u bekennen, dat hetgeen ik hier in de
laatste oogenblikken zag, alles overtreft wat ik tot dusver heb
waargenomen. Ik zou gaarne willen weten wat dit beduidt en of het
misschien een gebruik is dat mij tot hiertoe ontsnapte.”
»Waar spreekt gij toch van.”
»Wel, hoe kunt gij dat nog vragen, van hetgeen ik u juist zag doen toen
ik binnenkwam, dat goud, dat gij met milde hand uitstrooidet en als een
weldadige regen over de bandieten en bedelaars van allerlei slag, die
zich voor uw huis hadden verzameld, deedt nederruischen; het zijn onder
ons gezegd leelijke planten om ze op die wijs te begieten.”
Don Sylva begon te lachen.
»Neen,” antwoordde hij, »dat is geen gewoonte.”
»Zeer goed. Dus was het alleen een vorstelijke tijdkorting om zoo een
millioen voor het janhagel te smijten? Te duivel, don Sylva, men moet
zoo rijk zijn als gij, om zich zulk eene gril te veroorloven.”
»Dat denkt gij toch niet in goeden ernst.”
»Ik heb intusschen de oncen zien regenen.”
»Dat is zoo, maar ze waren niet van mij.”
»Al mooier en mooier, dat wordt ingewikkeld, gij maakt mij inderdaad
meer en meer nieuwsgierig.”
»Ik zal u voldoening geven.”
»Ik ben geheel oor, want het is voor mij zoo onderhoudend als eene
Arabische nachtvertelling.”
»Hm!” riep de haciendero hoofdschuddend, »het gaat u misschien nader
aan, dan gij vermoedt.”
»Is het mogelijk?”
»Dat moogt gij zelf beoordeelen.”
Doña Anita lag als op de pijnbank; zij wist niet hoe zij zich houden
moest: wel begrijpende dat haar vader alles aan den graaf zou
vertellen, had zij den moed niet om deze toelichting af te wachten en
stond zij wankelend op.