"Kijk, kijk, die moet er ook wezen! Wat maait hij met zijn beenen! Het
lijkt wel of het roeiriemen zijn! En wat zwaait hij met zijn armen! Het
is of hij aanstonds op den hol zal gaan! Dat is een gekke vent! Zie
je hem wel, Douwes?"
"Och, jij met je geschreeuw, zwijg toch! Straks poetst die oppasser
met zijn lederen helm en sabel op zijde, ons nog weg! Wat zeg jij er
van, Huibert?"
"Wat ik er van zeg? Dat er hier voor ons toch zooveel niet te zien
is. Ik ga er uit en buiten op het plein wat vangballetje spelen. Kijk
eens wat een mooie bal, Douwes!" riep de derde en duwde zijn makker,
die eigenlijk een heel anderen weg uitzag, een grooten elastieken
bal onder den neus.
"Och, loop, jij met je bal! Ik blijf hier, George, en het is een
knappe jongen, die me er vandaan krijgt!" antwoordde Douwes.
Dit gesprek werd gevoerd bij een gebouw van den dierentuin, waarin
allerlei opgezette dieren bewaard werden. Het was kermis en de directie
van die diergaarde wilde den vreemdelingen en onbemiddelden burgers
ook wel eens wat laten kijken, en daarom stond dien dag voor een
onnoozele vijfentwintig cents het hek open.
En, er werd druk gebruik van gemaakt ook.
Matrozen, die van de lange reis teruggekeerd waren en nu in het
vaderland het zuur verdiende geld bijna zoo goed als gingen opmaken;
soldaten, die niet veel te missen hadden en toch ook wel eens wat zien
wilden; kindermeisjes met kleine kinderen op den arm, die bang werden;
heeren en dames, die van buiten de stad kwamen en oude vrouwtjes uit
een hofje, alles woelde en wriemelde door elkander.
Tusschen het gedrang aan de poort was het Douwes, Huibert en George
gelukt om, zonder de entree te betalen, toch binnen te komen, en
als echte stads-kwajongens dachten ze er geen oogenblik aan, dat ze
heel leelijk deden, en dat ze wel eens op een gevoelige wijze konden
weggejaagd worden.
Overal waar ze kwamen hadden ze het hoogste woord, en als ze het
konden gedaan krijgen, dan hielden ze vooral de menschen, die van
buiten kwamen, braaf voor den gek.
Zoo hadden ze bij de apenkooi tegen een ouden zeeman, die er heusch
heel leelijk uitzag, gezegd:
"Baas, is die baviaan daar je broertje of je zoontje?"
Ze waren hierop schielijk weggeloopen; maar Douwes was nog niet vlug
genoeg geweest, want hij had van den zeeman nog een fermen draai om
zijn ooren opgeloopen.
"Baviaan, leelijke baviaan!" riepen de drie jongens, toen ze zoo ver
waren, dat hij hen toch niet meer krijgen kon.
"Wel foei, dat waren dan toch eens echte kwajongens!" denk jelui zeker.
Ja, wat zal ik je daarop antwoorden? Ik hoop maar, dat je nog nooit zoo
iets zult gedaan hebben, en het ook nooit doen zult! Anders.... Doch
laten we nu weer maar naar ons ondeugend drietal terugkeeren.
Alleen Douwes had dan gezegd, dat hij hier blijven wilde. Waarom,
dat wist hij zelf niet; hij keek tóch nergens naar.
"Hoor je het, Huibert, hoor je het? Douwes blijft hier en wil niet
meespelen. Wat 'n brave jongen toch, hé?" riep George op tergenden
toon.
"O, hij is vast bang, dat hij den Baviaan weer ergens zien zal,
en dat wil hij liever niet," antwoordde Huibert.
Toen hij dit gezegd had, werd hij door een dikken heer tegen het
lijf geloopen, en achter zich kijkend om te zien wie dat deed, zag
hij, achter een langen rekruut, den man staan over wien ze zooeven
gesproken hadden.
"Ik zie iemand met een wollen muts op. Op die wollen muts is een
kwastje, en onderaan een randje van rood, wit en blauw. Wie zou dat
zijn, Douwes?" zei hij.
Douwes keek ook om en zag den man, dien hij had uitgescholden, en van
wien hij een klap om de ooren gekregen had, ook staan. Hij stond te
lachen, omdat niet ver van hem af, een kind op den arm van een meisje
uit benauwdheid hard begon te huilen.
"Nu blijft Douwes nog hier," sarde Huibert.
"Neen, neen, laten we maar gauw maken, dat we wegkomen! Ga je mee naar
de Markt, daar is Dassie met zijn honden- en apenspel. Dat is veel
mooier dan hier!" zei Douwes en trok zijn kameraads mede naar buiten.
Het kostte onzen jongens nogal moeite om uit het hek te komen;
want zóó dom waren ze toch niet, of ze begrepen, dat de portier,
hen ziende, wel zou kunnen nagaan, dat zij geen jongens waren om een
kwartje entree te betalen.
Doch ze wisten ook hier hun kans zóó goed waar te nemen, dat ze er
ongemerkt uit konden komen, en spoedig daarop stonden ze op de Markt
voor het honden- en apenspel. Wat ze daar zoo al uitvoerden, wil
ik liever maar niet vertellen, want dat was ook al niet veel moois,
dat begrijp je wel.
Liever willen we kennis maken met den leelijken zeeman.
Zie, daar komt hij het hek uit.
Ja, het is waar! Hij is foeileelijk en heusch niet veel mooier dan
een baviaan.
Welke dikke lippen! Welk een stompe neus! Wat rare oogen! En wat
loopt hij "sjok-sjok" langs de straat! Het is of hij dronken is.
Nu maar, dan kijk je toch verkeerd, hoor! De man is volstrekt niet
dronken, en we kunnen hem gerust volgen ook. Als wij hem maar niet
uitschelden, zal hij ons geen kwaad doen.
Kijk, daar slaat hij links af en loopt de Maansteeg in.
Dat is geen mooie straat. Allemaal groentewinkels en
water-en-vuur-huizen.
Wat hindert dàt? Daar kunnen ook wel goede menschen wonen, zou ik
zoo meenen.
"Dag, grootvader! Ben je daar al?" roept een klein meisje, dat den
ouden zeeman te gemoet komt en hem bij de hand vat. "Grootmoeder
slaapt nog, en het eten is bijna klaar. Ik ben blij, dat je terugkomt!"
"Zoo, Leentje, was je bang, meid?"
"Neen, grootvader; maar het is hier zoo stil in de steeg! Al de
menschen zijn naar de kermis."
"Nu, als grootmoeder wakker is, en je hebt de tafel afgenomen,
dan wed ik, dat je wel met me mee mag. Kijk, dat heb ik alvast voor
je gekocht!"
Dit zeggend, haalde de man uit zijn jaszak een alleraardigst
speldenkussentje en een naaldenkokertje, die allebei keurig mooi met
schelpjes opgelegd waren.
"Is het goed, lieve meid?" vroeg hij.
Leentje stond te dansen van blijdschap, en den ouden man om den
hals vallend, zag zij niet, dat hij zoo verschrikkelijk leelijk was,
maar gaf hem drie frissche zoenen.
"Nu, nu, je bent een beste meid, hoor!" zei grootvader en stapte met
Leentje het kleine en armoedige huisje aan het eind van de Maansteeg
binnen.
Het zag er armoedig maar knapjes uit. Wat blinken kon, blonk, en
wat helder en schoon kon zijn, was niet vuil, maar bij de sneeuw af,
zoo wit.
En hier woonde nu Jochem Pels met zijn vrouw, die echter in den
laatsten tijd wat sukkelde. Daarom was Jochem naar zijn zoon gegaan, en
had hem gevraagd of Leentje, op een na het oudste van zijn kinderen,
grootmoeder wat in het huishouden mocht helpen. De zoon deed dat
natuurlijk graag, en zoo komt het, dat we op dezen mooien kermisdag
Leentje Pels bij grootvader in de Maansteeg, en niet bij haar vader
in de Turflaan vinden. Na afloop van het middageten knapte Leentje
zich wat op, om met grootvader naar de kermis te gaan. Grootmoeder
was nu opgestaan, en op het oogenblik iets beter.
Hé, wat keek Leentje op de kermis rond! Wat was er veel, waarvan ze
zelfs den naam niet wist!
Ze kwam haast oogen te kort!
Dat was vooral bij een groote speelgoedkraam het geval.
Onverwachts hoorde ze echter eenige jongens schreeuwen; "Baviaan,
leelijke baviaan!" en naar den kant ziende, vanwaar de stemmen kwamen,
zag ze drie jongens, die hard lachend achter de kraam liepen, en aan
de andere zijde weer voor den dag kwamen.
"Baviaan, leelijke baviaan!" riepen ze nogmaals.
Eén der jongens kende ze wel. Het was Douwes Vlinder, die vroeger
ook in de Turflaan gewoond had; maar wie de twee andere waren, dat
wist ze niet. Ze had hen nooit gezien.
De oude Pels deed net, alsof hij niets gehoord had en ging met Leentje
verder de kermis op.
Toen ze weer thuis waren, vroeg Leentje: "Maar, grootvader, wat is
een baviaan?"
"Dat is een groote, leelijke aap!" was het antwoord.
"Maar was er dan bij die kraam een baviaan? Ik heb er geen gezien!"
"Och, dat riepen die jongens maar om iemand uit te schelden!" was
het antwoord, en hij zei er verder maar liever niets van.
Den anderen dag ging Leentje in den vroegen voormiddag een boodschap
doen.
Daar zag ze Douwes loopen en dadelijk dacht ze weer aan den baviaan.
"Douwes, Douwes!" riep ze.