WERKEN BETER DAN BEDELEN.

Midden in het gebergte lag een alleraardigst dorpje, dat bewoond

werd door Alpenherders en gemzenjagers. Het lag ook heelemaal van

den grooten weg af, zoodat men er maar hoogstzelden een vreemdeling

zag. Als er een kind geboren was, dan wisten ze er allen wat van te

vertellen; ze wisten hoe het heeten zou, ja, wat het worden moest

zelfs. Was het een jongetje en was de vader Alpenherder, dan zou

het kind dat óók eens worden. Was de vader gemzenjager, dan wist

men vooruit, dat er uit den jongen, als hij maar groot werd, ook een

gemzenjager groeien zou.

Yan één jongen hadden ze dat echter niet kunnen voorspellen; want

zijn vader was geen herder en ook geen jager.

"Zwarte Pietro," zooals hij in de wandeling genoemd werd, was eens op

een zomeravond met zijn vrouw in het dorp gekomen en had in de kleine

herberg gevraagd of er hier in het dorp niet een huisje te huur was.

"Jawel, vreemdeling," antwoordde de herbergier; "maar het is heel

afgelegen en wel een half uur buiten het dorp, de bergen in!"

In vroegere tijden had een hertog de gewoonte gehad, om een paar

keer in het jaar hier te komen jagen en, om te kunnen uitrusten, als

hij vermoeid van de jacht was, had hij dat kleine huisje daar laten

zetten. Toen hij later niet meer kwam, had hij tegen den dorpsschout

gezegd: "Dat jachthuisje geef ik aan het dorp. Je kunt het verhuren,

als je wilt!"

Maar niemand wilde zoo ver van het dorp wonen en daardoor kwam het,

dat het jaren lang ledig stond en nog nooit bewoond was geweest,

toen de vreemdeling met zijn vrouw in het dorpje kwam.

Uit de papieren, die de man bij zich had, bleek dat hij van beroep

ketellapper was, en dat hij het laatst te Milaan was geweest, waar de

papieren door het hoofd van de politie onderteekend waren voor "goed."

De dorpsschout maakte dan ook volstrekt geen zwarigheid om het huisje

aan Pietro, den ketellapper, te verhuren, en reeds den anderen dag

betrok hij het.

Waar ze op sliepen, op zaten of kookten, dat begreep niemand; want de

ezel, dien ze bij zich hadden, droeg enkel wat gereedschap, een ketel,

een volgeladen mand en een paar groote, ledige zakken.

Doch dat ging niemand aan; als de nieuwe inwoners van het dorpje

maar brave lieden waren, dan was het goed. Zijzelven moesten maar

zien hoe ze zich behielpen.

In den loop van denzelfden dag, dat het jachthuisje door hen betrokken

was, kwam hij reeds bij de menschen aan de huizen rond, om te vragen

of ze geen ketels te lappen, geen aardewerk te krammen, geen klokken

schoon te maken, geen stoelen te matten of geen geweren te herstellen

hadden. Hij scheen dus van beroep nog meer dan ketellapper te zijn

en iedereen, die hem wat gegeven had om te maken, kreeg het spoedig

en goed afgewerkt weder thuis.

Maar het dorpje was te klein om er op den duur werk genoeg te vinden,

en daarom zag men Pietro dikwijls voor dag en voor dauw met zijn

ezel, die het gereedschap droeg, uit het dorp gaan, om op heel andere

plaatsen werk te zoeken.

Toen hij er zoo omstreeks een jaar gewoond had, vernam men in het

dorpje, dat hij den vorigen dag een zoontje gekregen had, dat hij

Luigi noemen zou.

Maar, wat moest Luigi worden?

Ja, dat wist Pietro zelf nog niet. Als hij acht jaar oud was, dan

was het tijd genoeg om er eens over te gaan praten.

Daarvan begreep niemand iets. Hoe konden er ooit ouders gevonden

worden, die bij de geboorte van een jongen niet al aanstonds wisten,

wat hij worden moest?

Intusschen werd de kleine Luigi ouder en grooter.

Zijn moeder bracht hem wel eens een enkele maal mee, als ze

boodschappen in het dorp moest doen, doch voor het overige zag men

het kind nooit.

Andere jongens en meisjes gingen op hun zesde jaar al naar de

dorpsschool; maar Luigi was al acht jaar oud geworden en van schoolgaan

was nog geen sprake.

Dat was wel ongelukkig; want een mensch, die, als hij groot is,

niet lezen, schrijven of rekenen kan, is al zeer te beklagen.

Eens bracht Pietro een aap uit de stad mee.

Hijzelf naaide voor het dier een broekje en een jasje, en maakte van

bordpapier een schako.

De kleine Luigi had razend veel pret met het dier, en leerde hem in

minder dan een maand allerlei kunstjes.

Had de jongen echter geweten, wat van zijn ijver het gevolg zou zijn,

hij had misschien met het leeren van die kunstjes geen begin gemaakt.

"Wel, Luigi, wat kan je aap zoo al?" vroeg Pietro op zekeren avond,

een week of vier nadat hij het beest had thuis gebracht.

"O, vader, hij kan heel beleefd groeten. Alles wat ik hem geef, pakt

hij aan met zijn rechter voorpoot. Als ik zeg: 'klim', dan klimt hij;

zeg ik: 'ga dood liggen!' dan ligt hij zoo stil als een muisje, en

zeg ik: 'Sim, hoe doen de kindertjes, die pret hebben?' dan gaat hij

dansen en in de handen klappen. Hij kan koffie malen, een geweertje

afschieten, touwtje springen, en nog veel meer."

"Nu, dat is al meer dan genoeg. Je kunt er zoo best je kost mee

verdienen!" antwoordde Pietro, en toen Luigi hem met groote oogen

verwonderd aankeek, vervolgde hij: "Ja, ja, jongen, je bent een paar

maanden geleden al acht jaar geworden. Het is nu meer dan tijd dat

je ons huis uit-, en de wijde wereld ingaat!"

"Ga je dan mee, vader?" vroeg Luigi eenigszins beschroomd en verlegen;

want vader sprak zoo bar.

"Ben je wel dwaas, jongen? Je gaat alleen!"

"Voor hoe lang, vader?"

"Wel, hoor me nu zulk een lompen jongen eens aan! Misschien voor twee

of drie jaar, misschien ook wel voor altijd!"

"Maar mag ik dan nooit terugkomen, vader?"

"Ja, als je je zakken vol met geld hebt, anders kunnen we je best

missen!"

De moeder sprak geen woord; maar toch geloof ik, dat zij, als ze doen

kon wat ze wilde, niet zoo leelijk zou doen als haar man; want nu en

dan pinkte zij stilletjes een traan weg.

De arme jongen!

Veertien dagen later bracht Pietro, toen hij 's morgens vroeg met

zijn ezel uitreed om de naburige dorpen te bezoeken, onzen Luigi tot

aan den grooten straatweg.

Toen ze daar gekomen waren zei de vader:

"Nu, Luigi, ik ga hier links af. Jij moet maar altijd rechtdoor loopen,

dan kom je, als je stevig doorstapt, tegen den middag in een groote

stad. Bij de poort begin je maar terstond met Sim kunstjes te laten

doen en voor het geld, dat je daarvoor krijgt, koop je maar dadelijk

eten. Begrepen?"

"Maar, vader, als ze me nu eens geen geld geven?"

"Dan ga je bij de boeren buiten de stad maar een stuk brood bedelen en

vragen of je 's nachts in de schuur mag slapen. En nu, ik ga weg. Zorg

maar, dat je gauw je zakken vol geld hebt, hoor!"

Zonder iets meer te zeggen ging Pietro heen en liet zijn zoontje staan.

Deze keek met betraande oogen zijn vader na en ging, toen hij hem

niet meer zag, den weg op.

Hij liep maar al rechtuit en telkens als hij voorbij een huis kwam,

moest Sim zijn kunstjes vertoonen. Sommige menschen gaven hem wat,

anderen weer niet. Slechts langzaam vorderde hij, en eerst tegen den

avond kwam hij in de groote stad.

Hier zou hij geld, veel geld krijgen; want kijk eens, wat rijden daar

mooie koetsen! Wat loopen daar prachtig gekleede heeren en dames! Als

ieder maar één cent gaf, dan zou hij spoedig de zakken vol geld hebben,

en kon hij naar zijn huis terugkeeren.

Dat dacht hij, ja, maar die rijke menschen reden en wandelden hem

voorbij, zonder hem ook maar even aan te zien. Slechts nu en dan

smeet er een hem een klein, heel klein koperen geldstukje toe.

Ach, dien avond sliep Luigi voor het eerst van zijn leven op een hoop

stroo onder een poort!

Hij had ternauwernood zooveel geld verzameld om een droog stuk brood

te koopen. En, toen hij niet wist waarheen, was hij maar op een hoop

stroo neergevallen, en daar sliep hij nu in gezelschap van zijn vriend

Sim, die hem, toen hij schreide, met de zwarte, kleine handen over

het gelaat gestreken had.

Het is veertien dagen later.

Wat een drukte en beweging is daar ginds aan het spoorwegstation!

Wat zou er te doen zijn?

Wel, een grooten dief heeft men aangebracht. Iedereen wil den man zien,

die al zooveel kwaad gedaan heeft, en voor wien men nu niet meer bang

behoeft te wezen.

Maar met dien booswicht hebben we niets te maken, wel met den

boevenwagen waarin hij per spoor hierheen gebracht werd.

Op het perron stond Luigi met zijn aap, en daar hij hier in deze groote

stad al zoo lang gezworven had, zonder zooveel te verdienen, dat hij

iets kon overhouden, besloot hij naar een andere plaats te gaan, die

ongeveer zes uur verder lag. Maar, hoe daar te komen? Hij had al in

twee dagen geen brood gekocht, in de hoop dan zooveel te besparen,

dat hij het reisgeld op het spoor betalen kon. Met dat geld nu was

hij thans naar het station gegaan, en aan een man met een glimmende

pet op, vroeg hij of hij voor dat geld wel mee kon rijden naar Trient.

De spoorwegbeambte zag het weinigje geld, begon hard te lachen en zei:

"Ben je wel dwaas, jongen? Voor geen tienmaal zooveel."

Den armen knaap stond het schreien nader dan het lachen. Hij had er

nu toch twee dagen lang bijna niets voor gegeten!

De spoorwegbeambte evenwel had pret in de onnoozelheid van den knaap,

en vertelde het nu eens aan den een, dan aan den ander.

In het eind hoorde de stations-chef het ook. Deze had medelijden met

Luigi en zei tegen den conducteur: "Je neemt immers den boevenwagen

weer mee terug?"

"Jawel, meneer!" was het antwoord.

"Welnu, laat den jongen de reis dan daarin maken!" hernam de goedige

man, en stopte onzen Luigi bij een broodje nog een paar geldstukjes

in de hand.

Weldra zat hij nu in den donkeren, grooten wagen, waarin alleen een

venstertje van boven eenig licht bracht.

"Goede reis," riep de conducteur hem toe en sloot de deur.

Daar hoorde Luigi een langgerekt gefluit, toen kreeg de wagen een

schok, en hij voelde dat hij vooruitging. Of het snel of langzaam ging,

dat wist hij niet; want hij kon niets zien. Van tijd tot tijd hoorde

hij het fluiten weer, en hij meende, dat hij er nu zijn zou. Maar dan

begon het gerommel en gestamp opnieuw. Dat duurde lang en hij begon

al spijt te krijgen, dat hij meegereden was, toen hij andermaal het

fluitje van de locomotief hoorde. Een oogenblik later werd de deur

opengedaan en een andere man dan die hem erin gelaten had, zei:

"Je kan er uitkomen, mannetje!"

Sim moest weer dadelijk beginnen met zijn kunsten te vertoonen;

maar het scheen wel, dat de menschen hier nog minder mild waren dan

te Verona, waar hij vandaan kwam. Reeds begon de avond te vallen,

toen hij nog zoo goed als niets gekregen had, en hij zag al hier en

daar uit, of hij niet een geschikte plaats vond om er den nacht door

te brengen, doch te vergeefs.

Moedeloos zette hij zich op een stoep neer en begon van de droge

broodkorst, die hij van Verona medegebracht had, te eten, toen een

jongen bij hem kwam staan.

"Kom je uit Tyrol?" vroeg hij.

Luigi schudde het hoofd.

"Waar kom je dan vandaan?"

"Uit Verona!"

"En wat kom je hier doen?"

"Ik laat Sim kunsten maken."

"Zoo, en heb je al veel verdiend?"

"Hier? Neen, bijna nog niemendal!"

"Dat wil ik wel gelooven; de menschen geven hier niet. De boeren daar

buiten zijn veel beter. Waarom ga je niet bij de boeren?

"Ik wist het niet, dat die zoo mild waren. Zou ik daar mijn zakken

gauw vol geld hebben?"

"Misschien wel in een week. Ga jij morgen maar gerust den boer op,

hoor!" zei de vreemde jongen en ging heen.

Dien nacht sliep Luigi alweer maar in een oude poort, die door de

vrachtlieden gebruikt werd om er hun karren in te zetten.

Den anderen morgen al heel vroeg ging hij de poort en de stad uit.

Het was een eenzame weg, en hij was misschien wel al een uur

voortgegaan zonder iemand te ontmoeten, of een huis te zien.

Intusschen begon de zon heel fel te schijnen en het werd brandend

heet. Den vorigen dag al had hij zijn voeten op de straten van Trient

open geloopen, en deze begonnen hem nu verschrikkelijk zeer te doen.

Daar kwam hij eensklaps aan een driesprong.

De eene weg liep tegen de bergen op; de andere door het dal en de

derde door het bosch.

Om tegen de hitte der zon beveiligd te zijn, koos hij den laatsten.

Maar ach, de weg werd al smaller en smaller, en eindigde op het laatst

in een aantal voetpaden. Een er van sloeg hij op goed geluk in; maar

hoe hij ook zocht en uitkeek, nergens zag hij menschen of huizen. Ach,

niets anders dan boomen en nog eens boomen!

Wel besloot hij nu terug te keeren, en den weg door het dal te nemen,

doch hij verdwaalde op de kleine paden al meer en meer. Hoe licht

Sim ook woog, hij werd den jongen veel te zwaar om te dragen, en bij

iederen stap, dien hij deed, had hij het wel kunnen uitschreeuwen

van de pijn.

Eindelijk hoorde hij hetzelfde schelle gefluit als dat, hetwelk hem

zoo verveeld en haast bang gemaakt had, toen hij in den boevenwagen

op het spoor zat.

Hij keek op, en ja, daar ginds zag hij over een breed water een steenen

brug, en met vreeselijk geweld kwam er een spoortrein over rollen.

Doch op dien weg kon hij weer niet komen; want een andere snelvlietende

beek scheidde hem er heelemaal van.

Moedeloos zette hij zich bij het frissche, heldere water neer. Zijn

dorst had hij spoedig bevredigd en thans trok hij de oude kousen uit,

om in het koele water zijn brandend heete voeten te verkwikken. Uit

zijn ransel haalde hij een paar lappen, die hij trachtte er om heen

te winden.

Onderwijl hij daar zoo zat en van pijn en verdriet huilde, hield Sim

zich met wat anders bezig. Toen zijn baas den ransel had geopend om

er zwachtels uit te halen, liet hij hem open staan ook, en al dadelijk

vielen de oogen van den aap op het brood, dat er in lag.

Spoedig had hij het beet en begon er van te eten, en reeds had hij het

meer dan half op, toen Luigi omkeek en Sim zoo bezig zag. Het beest

wist zeker, dat hij kwaad deed; want het brood in den mond stekend,

klom hij er, zoo schielijk hij kon, mede in een boom. Welke lieve

namen Luigi hem ook gaf, de aap trok maar leelijke gezichten en klom

nog hooger.

Plotseling echter hoorde Luigi een schot en, eer hij tijd had om te

zien wie dat loste, tuimelde Sim uit den boom en viel dood aan zijn

voeten neder.

Daar kraakten de takken en een man, gekleed in een jas met koperen

knoopen, trad met een geweer onder den arm en een sabel op zijde,

te voorschijn. Een groote hond sprong hem achterna.

"Was dat jouw aap, jongen?" vroeg hij.

Luigi kon den vreemdeling nauwelijks verstaan, doch hij begreep hem

toch wel, en zei daarom: "Jawel, meneer, dat was mijn aap!"

"En wat zit je hier te doen?" vroeg de man weer.

Luigi vertelde hem alles en wees op zijn voeten.

"Een mooie geschiedenis," bromde de jager. "Daar schiet ik je

kostwinner dood, en ik zit met jou opgescheept! Maar zeg, wil je

werken?"

De arme knaap antwoordde, dat hij wel werken wilde, maar het nooit

geleerd had.

Dat kon de man, die een houtvester was, maar niet gelooven en daarom

zei hij: "Och wat, niet werken kunnen! Alle menschen kunnen werken! Ga

maar mee!"

Luigi droogde zijn voeten af, trok de oude kousen en schoenen aan,

en, na den dooden aap opgenomen te hebben, strompelde hij den

houtvester na.

Toen ze zoo ongeveer een kwartier geloopen hadden, kwamen ze aan een

alleraardigste woning. Voor de deur zat een jonge vrouw en op het

grasperk liepen drie kinderen te spelen.

"Vrouw," riep de houtvester, "ik breng hier een jongen mee, die niet

werken kan; maar die honger heeft. Heb je wat te eten voor hem?"

De vrouw was dadelijk bereid, het hem te geven.

Onder het eten begonnen de houtvester en zijn vrouw den knaap allerlei

vragen te doen, en de eerste schaterde het uit van lachen toen Luigi

vertelde, dat hij niet thuis mocht komen vóór hij de zakken vol

geld had; maar toen hij daarna ook vertelde, dat hij niet lezen of

schrijven kon, ja, zelfs nog nooit gebeden had, riep hij uit:

"Vrouw, heb je ooit van je leven zulke menschen gezien? Dat leert hun

kinderen niet lezen, schrijven, rekenen, bidden of werken! Mijn hemel,

jongen hoe kun je dan je zakken vol geld krijgen?"

Luigi tastte dapper toe en ondertusschen spraken de man en de vrouw

wat met elkander af.

Toen alles op was, legde Luigi den lepel neer.

"Zoo, heeft het je gesmaakt?" vroeg de jager.

"Heerlijk, meneer!"

"Goed, en zou je zóó heerlijk wel driemaal op een dag willen eten?"

"O, wat graag, meneer!"

"Best, dat kan je hier doen! Je mag een week bij ons blijven. In

den kleinen stal hier achter zal mijn vrouw een slaapplaats voor je

gereedmaken. Maar, als ik je het dan leer, zou je dan willen werken?"

"Jawel meneer!" gaf Luigi ten antwoord.

"Kom, ga dan alvast maar mee, dan zal ik je aardappelen leeren delven

en gras snijden; want ik heb zes geiten, weet je, en voor die dieren

moet jij dan zorgen."

Luigi ging met den houtvester mee en deze deed hem een en ander van

het werk voor.

De knaap was niet dom en had spoedig den slag er van beet. Zijn dooden

aap begroef hij in het bosch.

Toen de week om was vroeg de houtvester hoe het hem beviel, en of

hij bij hem wilde blijven.

"Jawel, meneer, maar, maar...."

"Nu, wat maar, jongen, spreek maar zooals je het meent!" zei de man.

"Maar, meneer, ik zou zoo graag gauw, heel gauw mijn zakken vol

geld hebben!"

"Aha! Jawel, ik dacht wel dat er zoo iets komen zou. Maar, hoor eens,

beste jongen, dat zijn maar praatjes van je vader geweest om van je

af te komen. Heb je met je aap wel ooit zooveel verdiend, dat je goed

eten kon krijgen en een bed om op te slapen?"

Luigi moest hierop zwijgen; want het was waar, en daarom vervolgde

zijn vriendelijke baas: "Zonder werken, mijn jongen, kan je geen

rooden penning overhouden! Je moet tegenwoordig in de wereld zoo

wat van alles kunnen doen, en dan is het nog een geluk, als je volop

je brood verdient. Maar, dat wil ik je wel zeggen, als je het werk,

dat je hier doen moet, altijd zoo goed afmaakt als in de afgeloopen

week, dan zal je bij mij ook geld verdienen en nog goede kleeren

bovendien. Zeg, heb je er lust in?"

Luigi bedacht zich geen oogenblik, maar zei dadelijk met een vroolijk

gelaat: "Jawel meneer! Dat doe ik heel graag!"

Acht jaren zijn sinds verloopen en Luigi is nu een knaap van zeventien

jaren. Nog heeft hij zijn zakken niet vol met geld, maar toch al

een aardig spaarpotje. En dan heeft hij nog iets, dat eigenlijk meer

waard is dan zakken vol met geld. Hij heeft in al dien tijd heel wat

aangeleerd. Hij kan nu bidden en werken en, als de winterdagen kort en

de avonden lang waren, leerde de houtvester hem ook lezen, schrijven

en rekenen. Hij heeft nuttige kennis opgedaan, en.... kennis is macht.

Zoons heeft de houtvester niet, en daarom hebben ze al eens verteld,

dat de vreemde knaap veel kans heeft, om, als zijn pleegvader oud

geworden is, houtvester in zijn plaats te worden. Wanneer men dat den

goeden man zoo eens vertelt, dat begint hij te lachen en gewoonlijk

zegt hij dan: "De jongen zou het verdienen ook!"

Maar zijn ouders, hoor ik je vragen?

Ja, kinderen, ik heb gehoord, dat in dienzelfden boevenwagen, waarin

Luigi eens van Verona naar Trient reed, zijn ouders ook gezeten

hebben. Maar niet om er weer uitgelaten te worden evenals hun zoon,

doch om van het station af naar de gevangenis gebracht te worden. Men

vertelde heel leelijke en vreeselijke dingen van die lieden.

Nu, dat is niet te verwonderen ook. Van ouders, die zoo leelijk met

hun kinderen handelen, verwacht ik nooit veel goeds.

Luigi weet evenwel niet beter, of ze zijn beiden gestorven, en dit

is maar goed ook; want het moet voor een kind al heel treurig zijn,

als hij zijn ouders niet thuis, maar in de gevangenis heeft wonen.

En hier aan het slot dezer vertelling heb ik een wensch voor jelui

en die is deze:

Ik hoop, dat de Lieve Heer jelui allen eenmaal op dezelfde eerlijke

wijze het dagelijksch brood doe vinden, en dat je van jullie kant

niet alleen zult zeggen: "werken is beter dan bedelen," maar ook:

"het geluk zit niet in zakken vol goud."

In het Schemeruur · 第 18 / 30 题