De jongen keek om en vroeg: "Wat moet je?"

"Toen ik gisteren met grootvader bij die speelgoedkraam stond, riep

je met je drieën: 'baviaan'! Waar was die dan, zeg?"

"Zoo, was dat jouw grootvader?" antwoordde Douwes. "Wel, dat riepen

we tegen hem."

"Maar grootvader is toch geen aap?" riep Leentje verwonderd uit.

"Neen, maar hij lijkt er toch veel op. Of is hij niet leelijk

genoeg?" riep Douwes en ging weer verder.

--"Grootvader net een baviaan, omdat hij zoo leelijk is! Wel, dat heb

ik nog nooit gezien! Ik vind hem zelfs wel mooi, en.... hij is toch

zoo goed, o, zoo goed," sprak het kind in zichzelf. Ze begreep er

niets van, en het is geen wonder, dat ze bij grootvader terugkomend,

hem, heel onschuldig, dadelijk alles vroeg.

"Och ja, lieverdje," sprak de oude man, "ik ben leelijk, heel

leelijk, mijn hartje! Ik ben zoo geworden toen ik een buurvrouw uit

een brandend huis gehaald heb. Geheel mijn gezicht was verbrand en

ik werd doodziek. Toen ik beter was en in den spiegel keek, kende

ik mijzelf niet, zoo leelijk was ik geworden. En daarom riepen die

jongens, toen ze me zagen, 'baviaan'! Begrepen?"

"Ja, grootvader, maar dat is toch heel leelijk van die jongens, niet?"

"Zeker, beste meid; maar ik hoop, dat ze later wel zullen leeren

begrijpen, dat een leelijk mensch toch ook een mensch is, en even

goed en braaf kan zijn, als de mooiste man of vrouw!"

Leentje keek haar grootvader nog eens aan en zei toen:

"Maar, stellig, grootvadertje, u is heusch niet leelijk! Dat zeg ik"

"Ja, kind, ik ben het wel; maar dat kan _jij_ niet zien!"

"En waarom niet, hé?"

"Omdat je zooveel van me houdt, engel!" antwoordde de man en gaf

toen de zoenen, die hij den vorigen dag van haar gekregen had, wel

driedubbel terug.

De kramen zijn afgebroken en nergens meer te zien!

In heel de stad is het weer alles, zooals vóór de kermis.

De scholen zijn ook weer begonnen, doch Douwes, George en Huibert,

die het leeren nog hard noodig hebben, vinden het straatloopen

pleizieriger, en zijn dus maar stilletjes uit school gebleven.

"Zeg, Douwes, wat zullen we gaan doen?" vraagt Huibert op zekeren dag.

"Op de wallen spelen!" antwoordt George.

"Ben je wel dwaas?" roept Douwes, "op den wal spelen, waar iedereen

loopt en ons zien kan! Neen, ik ga buiten in den Vliet bij de

sluisdeuren vischjes vangen. Daar ziet geen mensch ons, en toch kunnen

wij de klok hooren slaan; want, we moeten op ons uurtje passen, weet

je! Als we kwartier voor twaalven naar huis gaan, dan weten vader en

moeder niemendal."

"En waarmee wil je visschen?" vroeg George.

"Wel, we binden onzen zakdoek aan een stok, dan hebben wij een

schepnetje. Eergisteren heb ik wel dertig stekelbaarsjes gevangen. Twee

leven er nog, die zwemmen thuis in de waschtobbe."

Zoo iets stond den twee jongens aan en het was geen kwartier later,

of ze waren alle drie bij de sluisdeuren.

Die sluis was in 1784 gemetseld, en hoewel de deuren in dien langen

tijd vast wel vernieuwd zullen zijn, toch waren ze niet te best

meer. Aan den eenen kant was het water veel lager dan aan den anderen

kant in den Vliet; het water sijpelde evenwel door de deuren heen,

en kwam in de ondiepe vaart. Hier was geen visch. Neen, maar aan

de andere zijde, in den Vliet! Voornamelijk in de hoeken en op het

plekje waar een lek was, daar wemelde het van stekelbaarsjes. Dat

zou een goede vangst geven!

Hé, wat zoog dat water! De zakdoeken werden heelemaal tegen de deuren

gedrukt. Hierdoor vingen ze al bijzonder weinig.

"Wacht," riep Douwes, "ik ga midden over de sluisdeuren hangen,

dan vang ik zeker. Maar dàn doe ik het aan den anderen kant."

"Pas op, dat je er niet invalt!" waarschuwde George.

"Och loop! Denk je dan, dat ik mij niet kan vasthouden? En bovendien,

ik kan heel goed zwemmen," riep Douwes en kroop langs een der

sluisdeuren naar het midden.

Onderwijl hij daar zoo lag, hoorden de beide andere jongens het geluid

van roeiriemen in het water.

"Ga eens kijken wie daar komt!" zei George.

Huibert klauterde naar boven en gluurde door het lange gras heen naar

den Vliet.

"O jongens," riep hij, "het is de Baviaan! Gauw, Douwes, gauw,

kom hier!"

En Douwes kwam, maar toen hij bijna aan het kantje was, gleed hij

uit en plofte in het water.

O, hij kon zwemmen, zie je, dat was minder! Als hij maar aan den kant

was eer de Baviaan kwam!

Maar Douwes had gepocht toen hij zei, dat hij zwemmen kon. Er was

niemendal van aan en hij plompte in het water van belang.

Pels hoorde het; roeide er heen en nam Douwes in zijn schuitje.

George en Huibert liepen hard weg, en zagen uit de verte toe wat de

Baviaan Douwes toch wel doen zou.

Maar hij deed hem niets. Hij roeide eenvoudig naar den wal, zette

Douwes op den kant en zei alleen: "Wees voortaan voorzichtiger,

manneke, als je bij de sluisdeuren gaat visschen, in plaats van naar

school te gaan, zooals je moet!"

Druipnat en met beschaamde wangen stond Douwes aan den oever, en wist

niet wat hij doen moest.

De Baviaan roeide verder en toen hij uit het gezicht was, kwamen

George en Huibert aanloopen om te vernemen, wat de leelijke vent hem

gedaan of gezegd had.

Douwes vertelde het hun; maar voegde er dadelijk bij: "Wat moet ik

nu doen? Ik kan toch zoo maar niet naar huis gaan!"

"Wel neen, dat hoeft ook niet! Het is nog maar half tien. Je trekt

je kleeren uit en laat ze drogen. Anders zit er niet op!" zei George.

Douwes begreep, dat dit nog het beste was, en zijn kleederen

uittrekkend, wrong hij die eerst uit en legde ze toen te drogen.

Gelukkig was het zomer, en toen hij ze kwartier voor twaalven weer

aantrok, kon men er bijna niets meer van zien.

Daar kwam hij dan nog eens goed af! Dat had hij nu in het geheel

niet gedacht, hoor! Hij had al vast op een pak slaag van den Baviaan

gerekend, en nu hij dàt misgeloopen was, meende hij dat alles wel

goed zou gaan!

Ja, dat meende hij. Maar het kon toch wel eens anders wezen, nietwaar?

Precies op klokslag van twaalven kwam Douwes thuis.

Het was etenstijd en Douwes ging op zijn gewone plaats naast moeder

zitten.

"Wat is er toch een rare lucht in huis!" zei ze en keek overal rond

of ze ook wat zag.

"Ik ruik niemendal!" antwoordde vader.

"En ik ook niet!" zei Douwes.

"Net modder! Heb je soms op straat in de modder getrapt?" vroeg moeder

weer en zag haar zoon aan.

"Neen, moeder, ik ben naar school geweest!" gaf de jongen ten antwoord.

"Maar daarom kan je toch wel in de modder trappen! Nu zou ik haast

gelooven, dat je er stilletjes uitgebleven bent," hernam zij.

"Neen, ik ben naar school geweest, hoor! Vraag het maar aan George

en Huibert!"

"Ja, dat zijn ook lieve jongens! Maar kijk eens, vader, Douwes heeft

kroos in zijn haar zitten en aan een knoop van zijn jas ook!" hervatte

moeder.

Douwes wilde een nieuwe leugen verzinnen; maar eer hij daartoe kwam,

zei vader: "Waarom zit je zoo te jokken, kwajongen? Je hebt in de

sloot gelegen! Kijk maar, het eendenkroos zit nog in je haar. Spreek

op, hoe komt dat?"

"Ik heb in het gras gerold en het is gras," bromde Douwes, doch

vader verstond geen gekscheren en ging na afloop van het eten naar

school. Juist toen ze den hoek van de Vinkestraat, waarin de school

stond, insloegen, liepen ze bijna den Baviaan tegen het lijf.

"Hei, hei, Vlinder, je loopt me haast omver! Man, wat heb je een

haast!" zei Pels, die Vlinder goed kende.

O, wat werd Douwes benauwd! Het zweet brak hem van angst naar alle

kanten uit. Als de oude nu maar niet vertelde, dat hij en zijn twee

kameraads hem altijd uitscholden, dan was het nog minder. Dat hij

stil uit school gebleven en in het water gevallen was, wist vader nu

toch al!

"Ja, Pels, ik moet mijn jongen naar school brengen. Hij is vanmorgen

stilletjes thuis gebleven en op den koop toe in het water gevallen."

"Zoo, is dat je jongen?" vroeg Pels.

"Ja! Ken je hem?" was het antwoord.

"Ik heb hem wel eens meer gezien; maar ik wist niet, dat het je zoon

was. Hoe heet hij?"

"Douwes!"

"Zoo, zeker naar zijn grootvader?"

"Ja!"

"Nu, als hij dan maar half zoo braaf wordt, als die oude man was,

dan zal het best met hem schikken."

"Ja, vader was een braaf mensch," zuchtte Vlinder; maar naar den

toren ziende, bemerkte hij, dat het al laat geworden was en zei daarom:

"Nu, Pels, ik moet weg. Maar zeg, wanneer kom je me toch eens

opzoeken?"

"Als ik maar weet waar je woont!" antwoordde Pels.

"Hoe is het, weet je dat niet meer? Ik woon in het Kaneel-slop, Nº. 8!"

"O zoo, woon je daar? Nu, ben je vanavond zoo omstreeks acht uur thuis,

dan kom ik een uurtje praten!"

"Dat is goed, ik zal je wachten!" zei Vlinder en ging met Douwes

naar school.

Maar meester had geen lust om den jongen, zooals hij er uitzag,

tusschen de andere kinderen te zetten, en daarom vroeg hij of Vlinder

het goedvond, dat hij hem maar heel den middag bij den spekslager

naast het varkenshok zette.

Vader had er niets tegen, en zie, den ganschen middag stond Douwes

bij het varkenshok met de lei in de handen; want ledig staan mocht

hij niet. Honderdmaal moest hij keurig netjes op de lei schrijven:

_Soort zoekt soort_!

Douwes had er in het eerst niet veel lust in; hij legde zijn lei op

den grond en begon de varkens te bekijken.

"Ben ik dan een varken?" bromde hij. "Waarom laat meester me schrijven:

_soort zoekt soort_? Hij scheldt me niet uit, neen, dat doet hij niet;

maar het is toch langs het kantje af!"

En zoo redeneerde hij al voort, tot hij ten laatste aan den Baviaan

dacht.

"Dien leelijken vent heb ik uitgescholden, dat is waar, maar hij

geleek toch meer op een baviaan dan ik op een varken gelijk!"

Wacht, daar stond een emmer met schoon water. Net een spiegel! Als

hij er eens in keek, dan zou hij toch eens goed kunnen zien, dat hij

geen varken was.

Juist was hij bezig met kijken, toen een kweekeling kwam om zijn

strafregels te zien.

Hij had er nog niet één.

"Nu, Douwes, dan komen er vijfentwintig bij, heeft de bovenmeester

gezegd!" zei de kweekeling en ging heen.

Nog een poosje bleef Douwes staan, doch hij begon te bedenken, dat

hij er nog wel eens vijfentwintig bij kon krijgen, en daarom besloot

hij maar bedaard aan het werk te gaan.

"_Soort zoekt soort_," het stond er honderd vijfentwintig maal toen

de klok vier uur geslagen had en meester op de plaats kwam.

Douwes moest nu in de school. Al de kinderen waren weg.

Wat zou er gebeuren?

"Hij moet niet probeeren me te slaan," dacht de brutale knaap,

"want dan zal ik het den Burgemeester gaan vertellen, en dan zal hij

leelijk tegen de lamp loopen!"

Maar meester sloeg niet. Hij legde een pen voor Douwes neer en zei:

"Komaan, manneke, nu zullen we al het werk, dat we vanmorgen hier

onder schooltijd gedaan hebben, met ons beitjes eens na schooltijd

doen. Vindt je het goed?"

Neen, Douwes vond het niet goed. Hij vond het zelfs gemeen en slecht;

maar tegenpruttelen durfde hij niet.

Om zeven uur ging Douwes naar huis met de boodschap, dat hij

morgenmiddag van hetzelfde laken een pak zou hebben, als hij weer

niet school kwam en vischjes ging vangen.

Toen hij thuis kwam, vond hij zoowaar den Baviaan al op vader zitten

wachten.

Dat was evenwel zoo afgesproken; want toen Vlinder naar zijn werk

ging, stond Pels hem op te wachten en vroeg hem, of hij het goedvond,

dat hij vanavond een beetje vroeger kwam om wat met Douwes te praten.

Vader had dit uitmuntend gevonden.

"Zoo, Douwes, kom je nu pas uit school?" begon hij. "Ik heb gehoord,

dat je moeder je schoon goed wil laten aantrekken, en daar je vader

toch eerst te acht uur thuis komt, heb ik er wat op verzonnen. We

zullen samen naar de badinrichting gaan, en daar eens een bad

nemen. Dat zal je heelemaal opknappen. Ga je mee?"

Douwes had er maar half lust in; maar moeder stopte hem zijn schoon

goed, in een doek geknoopt, in de handen, en de twee gingen heen.

Toen ze klaar waren, kende Douwes zichzelven niet. Het was, alsof

hij een andere jongen geworden was, zoo vreemd gevoelde hij zich.

Dat kwam vooreerst door het frissche bad en dan, neen maar, als hij

dien ouden Pels zoo eens aankeek, dan was die man toch zoo leelijk

niet!

En wat praatte hij aardig! Hij sprak over geen schelden, of over geen

stil-uit-school-blijven, niets van dat! Hij had het over heel andere

zaken, en toen hij thuis kwam had hij spijt, dat vader nu met Pels

praten ging.

Eindelijk ging de oude zeeman heen, doch toen hij de kruk van de deur

al vast had, zei hij: "Wat ik zeggen wil, Douwes, ik ga morgenmiddag

om vijf uur in de plassen buiten de stad visschen. Als je mee wilt,

en je mag van je ouders, dan moet je maken, dat je op dat uur bij de

sluis bent! En als je kameraads ook mee willen, en hun ouders hebben

er niets tegen, dan breng je ze maar mee, hoor! Gegroet!"

In den vroegen morgen van den volgenden dag zocht Douwes zijn twee

kameraads op. Hij vertelde hun alles wat er gebeurd was en ook dat

ze vanavond mee mochten gaan visschen, als vader of moeder er niets

tegen hadden.

Wel stonden Huibert en George gek te kijken; maar Douwes wist zooveel

van den ouden Pels te vertellen, dat ze besloten verlof te vragen om

mee te gaan.

Natuurlijk moesten ze dan ook naar school; want anders liep het

heelemaal mis.

Meester zei niets en keek de drie luitjes zoo nu en dan maar eens

even aan.

Hé, ze hadden nog nooit zoo veel gewerkt en, om de waarheid te zeggen,

ze vonden het toch wel prettig.

Doch toen 's middags om vier uur de school uitging en meester kortaf

beval, dat ze alle drie zouden blijven zitten, zie, toen keken ze

toch niet heel vriendelijk en ze meenden, dat ze heel onrechtvaardig

behandeld werden.

Doch meester had volstrekt geen plan om de jongens te straffen;

hij wilde hen eens ernstig over dat stil uit school blijven

onderhouden. Hoe hij het aanlegde heb ik nimmer vernomen, maar een

buurvrouw, die voor het raam stond, dat op het schoolplein uitzag,

had de knapen alle drie zien schreien, toen ze een kwartiertje later

dan de andere kinderen uit school kwamen.

"Heb je slaag gehad, jongens?" vroeg ze.

"Neen!" was het korte antwoord.

"Wat scheelt er dan aan?" hernam ze weer; want ze was wat nieuwsgierig

uitgevallen.

De jongens gaven haar echter geen antwoord en gingen bedaard verder.

Te vijf uur waren ze bij de sluis. Ze behoefden niet lang te wachten;

want spoedig was Pels er ook.

Hij kwam met zijn roeibootje naar den wal en zei: "Stap maar in,

jongens!"

Dat lieten ze zich geen tweemaal zeggen.--Weldra waren ze nu met hun

vieren in de boot, en de oude Pels trok nog zoo stevig aan de riemen,

dat een voetganger, die nogal goed doorstapte en langs het smalle

jaagpad liep, het bootje niet bij kon houden.

En toen ze op de plassen kwamen, wat hadden ze toen een pret!

Wat wist die oude man aardige geschiedenisjes te vertellen. En wat

werd er veel gevangen!

De avond was om eer ze het wisten, en toen ze tegen het donker weer

bij de sluis aan wal stapten, riep Pels: "Nu, jongens, tot overmorgen,

hoor! Wel te rusten!"

Nauwelijks was Pels met zijn bootje den hoek omgedraaid of Douwes zei:

"Wat zeg je nu van den Baviaan?"

"Ja, dat weet ik niet," antwoordde Huibert, "maar we moeten hem toch

niet meer uitschelden, wel?"

"Neen, want hij is veel te goed, en overmorgen mogen we weer

mee!" sprak George.

Nu, overmorgen kwam, en ze gingen weer op de plassen.

Ze dachten er niet meer aan om hem Baviaan te noemen, en toen ze

later eens bij hem aan huis kwamen, was het ook de oude Pels, die

hun leerde wat ze doen moesten om braaf en gelukkig te worden. Nooit

meer verzuimden ze de school, en meester had altijd pleizier van

deze jongens.

Nu zijn ze alle drie onder dienst geweest en verdienen hun eigen

brood; maar nog altijd is de oude Pels hun beste vriend, en als ze

eens een uurtje vrij hebben, en het weer zóó is, dat ze niet weten

waar ze loopen zullen, dan kan men hen altijd in zeker huisje van de

Maansteeg vinden.

Onlangs kwamen ze er weer uit en toen zei Douwes tot Huibert en George:

"Leelijk is hij, leelijk als de nacht! Hij is waarlijk nog net een

baviaan; maar hij is _goed_, _verstandig_ en _braaf_, dat zegt meer,

zou ik denken!"

"Dat gelooven wij ook!" antwoordden de andere twee.

De oude Pels leefde nog verscheidene jaren en werd zelfs

overgrootvader; want Douwes was met Leentje getrouwd en had drie

kindertjes, die niets liever deden dan met grootvader spelen. Daartoe

had de oude man ook overvloed van tijd; want Douwes, die, door goed

leeren en goed oppassen, meesterknecht in een groote smederij werd

en goed geld verdiende, wilde niet hebben, dat de brave man, die hem

eigenlijk gelukkig gemaakt had, op zijn ouden dag moest werken voor

den kost. Hij leefde dus vergenoegd bij zijn kleinkinderen, en toen

hij eindelijk gestorven was, zeiden de menschen: "Hij was een aap

van buiten, maar een engel van binnen!"

Van P. Louwerse verscheen bij den uitgever van dit boek op hetzelfde

formaat en geheel op dezelfde manier uitgevoerd, voor jongens en

meisjes van 8-12 jaar:

Jan met de Pijp

Ver van Huis

Tante Poes

Hier is wat

Is er nog plaats voor

Vertelavonden

De Kerstwagen

_Alle Fraai Geïllustreerd door Jan Sluijters_.

Prijs in geïllustreerd omslag 50 cents. Gebonden in fraai linnen

stempelband 75 cents. _Bij den Uitgever van dit boek verscheen ook_:

Serie fraaie boeken voor jongens en meisjes van 8-10 jaar:

P. J. en SUZE ANDRIESSEN.

Aan het strand.

Sinterklaasavond.

Het Kransje.

Greta en Meta.

Een dagje bij vrouw Aaltje.

Elsje van den Bezembinder.

Anne's Kanarietje.

Slordig Jansje.

Het verdwaalde kind.

De gebroken vaas.

De Gevolgen der ongehoorzaamheid.

Mina de snoepster.

Een brutaal Meisje.

Op de Kostschool.

De Savoyaard en zijn aapje.

Vijf Kersen aan een steel.

De pleegkinderen van den orgelman.

Vacantiedagen.

Hoe raar een bal soms rollen kan.

De twaalfde verjaardag.

Een Zaterdagmiddag in het bosch.

In het Schemeruur · 第 20 / 30 题