De eene week na de andere ging voorbij. Dat gaat altijd zoo. Of men
boos of goed, vroolijk of bedroefd is, daaraan stoort zich de tijd
niet: die loopt maar door. Het was dan ook al heel spoedig najaar
en daar de zomer niet zeer voorspoedig geweest was, liep het meeste
werkvolk nu al zonder werk.
Onze opperman had al lang gedaan gekregen, en Willem ook, zoodat die
twee nu met pakjesdragen en wegwijzen zoo wat den kost verdienden.
Zoo liep Willem weer eens op een donkeren en regenachtigen Octoberdag
door de straten en ook voorbij de stads-apotheek.
Daar werd tegen de ruiten getikt en toen de knaap opkeek, wenkte de
apotheker hem, dat hij eens binnen moest komen.
Het was dezelfde man, die eens zoo onverdiend op hem gegromd had,
en die hem zoo lang liet wachten. Willem was die geschiedenis nog
wel niet vergeten; maar hij kon toch niet altijd boos blijven ook,
zoodat hij zonder dralen de apotheek binnenstapte.
"Moet je naar je winkel, jongen?" vroeg de apotheker.
"Ik heb geen winkel, meneer!" antwoordde Willem.
"Zoo! Wil je een boodschap voor me doen?"
"Jawel, meneer!"
"Mooi! Breng dit pakje kruiden dan eens bij mijnheer Balsem, den
veearts, die dicht bij den tol woont!"
De apotheker wilde hem nu beduiden hoe hij loopen moest om er te
komen, doch Willem zei, dat hij het best wist; want dat hij er vroeger
dikwijls geweest was.
"Zooveel te beter," zei de apotheker. "Hij zal je antwoord geven,
waarop je wachten moet. Komaan, laat eens zien, of je goed boodschappen
doen kunt!"
"Als ik geld verdienen kan, dan geeft vader er niet om waar ik loop,"
dacht Willem en stapte den weg op naar den tol.
Toch had hij er niet veel lust in; want na dien Zondag had hij
mijnheer Balsem maar tweemaal gezien en ongelukkig beide keeren,
dat hij bezig was met kwaaddoen.
Maar kom, wat gaf hij er om, als hij maar een dubbeltje kon
verdienen! Het kon immers ook best gebeuren, dat hij niet thuis
was! Zijn vrouw wist er toch niets van.
Mijnheer Balsem was echter wel thuis, doch zei niet veel. Hij maakte
het pakje open; bekeek de kruiden, die er in waren, las het briefje,
dat er bovenop lag en zei toen:
"Wacht even, Willem, ik zal je antwoord meegeven!"
Hé, wat duurde dat lang! Wel een half uur. Maar eindelijk was hij
klaar. Willem kreeg den brief met de boodschap, om dien aan den
apotheker te geven, en toen hij de deur uitging, vroeg de oude man
enkel: "En heb je me soms niets meer te zeggen, Willem?"
"Neen, meneer!" antwoordde deze.
"Goed! Dag, Willem!" klonk het en de deur viel toe.
Toen de apotheker den langen brief gelezen had, zei deze: "Hier is
een kwartje voor je moeite en vraag aan je vader of je van den winter
hier mag komen om boodschappen te doen, zal je?"
"Jawel, meneer," riep de knaap en spoedde zich heen om moeder te
vertellen, dat hij een goeden dag had gehad.
De vader had er ditmaal niets tegen. Hij gaf er niet om wat Willem
deed, als hij maar kwartjes thuis bracht.
In dien brief, dien Willem had meegebracht, had de oude heer Balsem
aan zijn vriend, den apotheker, een en ander van dien jongen verteld,
en hem verzocht of hij ook een oogje op hem wilde houden. Nu weet ik
zeker, dat de meesten van mijn lezertjes meenen, dat ze eens recht
boos op dien kwaden apotheker mogen zijn; maar ik geloof, dat ze het
wel eens glad mis konden hebben.
Op dien morgen toen hij Willem zoo erg toesnauwde, deed hij leelijk,
heel leelijk zelfs, dat is zoo. Maar een mensch kan wel eens boos zijn,
en iets verkeerds doen zonder dat hij daarom slecht is.
Jelui bent immers ook wel eens boos geweest, wed ik, ja, wellicht
ook wel eens op je ouders, is het niet?
Nu, weest maar eerlijk en zegt gerust, dat het waar is; want daarom ben
jelui nog niet _slecht_. En wil ik eens zeggen, waarom niet? Wel, omdat
je er naderhand berouw van hadt, en.... omdat je het nooit meer deedt.
Ben jelui nu nog boos op dien apotheker?
Ja, nog wel wat.
Nu, wel wát, dat is nogal zooveel niet.
Den anderen dag stond Willem achter in het pakhuis fleschjes te
spoelen, en toen hij hiermee klaar was, moest hij in een grooten
ijzeren vijzel rabarber-wortel stampen. Iederen dag was er werk
voor hem.
Maar, nu eens was er veel, dan weer weinig te doen. Dat wist de
apotheker ook wel en daarom had hij gezegd: "Lees je graag, ventje?"
"Ja, meneer!"
"Zoo! En waarvan het liefst?"
"Van bloemen, meneer!"
"Goed, daar houd ik ook veel van! Dan moet je straks maar eens met
me meegaan naar mijn boekenkast, dan kun je zeggen wat je hebben
wilt!" zei de apotheker, en hij deed het ook. Ongemerkt gaf hij hem
langzamerhand minder werk en toen het midden in den winter was, en
er heel weinig zieken waren, nam hij Willem op zekeren dag eens naar
een bloemist mede. Jongens, dat was mooi!
Daar buiten lag alles onder de sneeuw; over het water lag een dikke
ijskorst; al de boomen stonden kaal en geen bloempje, ja, zelfs geen
groen grassprietje was ergens te zien. En hier in die bloemenkas! Het
was er heerlijk warm, evenals in Mei. De bloemen stonden te bloeien,
en boven in de kas hingen zelfs tusschen de donkere wijngaardbladeren,
kleine trosjes druiven in den bloei. Willems oogen schitterden van
vergenoegen, en toen de apotheker hem vroeg of hij wel bloemist zou
willen worden, zei hij: "O, graag, heel graag, meneer!"
"Nu, vraag dan maar hier aan dezen heer of je tuinjongen bij hem
worden mag," zei de apotheker.
"Och," sprak thans de bloemist, "eigenlijk heb ik geen jongen
noodig. Ik kan het best met mijn werkvolk af. Maar, als hij er nu
zoo bijzonder veel lust in heeft, dan wil ik het wel eens met hem
probeeren. Verleden jaar had ik ook een jongen; maar dien heb ik
weggejaagd, omdat hij lui was en streken uithaalde. Als hij dat nu
ook maar niet doet, dan zal het wel gaan. Maar werken, manneke,
werken is nummer één, en uit de boeken lezen hoe je werken moet,
en waaróm je zoo doet, dat is nummer twee. Het een gaat niet zonder
het ander. Nu, zeg op! Wat denk je ervan?"
Willem dacht er natuurlijk goed over en hij beloofde zijn best te
zullen doen.
"Goed, als deze meneer,"--hij wees op den apotheker,--"die een
goed vriend van me is, je missen kan, dan moet je morgen maar
komen. Gegroet!" zei de bloemist en ging heen.
In het naar huis gaan begon Willem zich te bedenken, dat hij misschien
wel wat gauw "ja" had gezegd en dat zijn vader het mogelijk wel
niet zou willen hebben; maar de apotheker stelde hem gerust en zei,
dat hij wel niet zooveel bij den bloemist zou verdienen als bij hem;
maar als Willem 's avonds klaar was, moest hij maar bij hem komen,
dan kon hij hem ook nog wat laten doen, en dan zou hij in de week
wel evenveel thuis brengen als anders.
De opperman had er weer niets tegen, zoodat Willem eindelijk het vak
mocht leeren waarin hij altijd zooveel lust had gehad.
En jongens, wat werkte hij! Zoo koud kon het niet wezen, dat hij er
last van had. Hij werd, wat men wel eens zegt, een rechte werkezel,
en als hij 's avonds thuis kwam, had hij altijd nog wat te doen; want
het kleine kamertje waarin het eten gekookt werd,--het was eigenlijk
maar een hok,--stond vol met potten waarin hij stekjes gestoken had.
Zonder het erg te laten uitkomen, begon zijn vader er zelf pret in
te krijgen, en eens op een avond toen Willem thuis kwam, vond hij
zijn bloemen al begoten en uitmuntend verzorgd.
"Dat heeft vader gedaan," zei Mietje toen haar broer er haar naar
vroeg.
Eens op een Zondag, dat het erg vuil weer was, had vader geen lust
om uit te gaan en dan weer zoo raar thuis te komen.
"Als je me wat voorleest, Willem, blijf ik bij de kachel zitten,"
zei vader.
Willem keek vreemd op.
Vader wilde hebben, dat hem wat werd vóórgelezen! Hoe was dàt mogelijk?
Moeder zei niets; maar de goede ziel had groote tranen in haar oogen.
Ik heb wel eens hooren vertellen, dat tranen óók wat zeggen,
jullie ook?
Zou je me dan ook kunnen uitleggen wat die tranen in moeders oogen
vertelden?
Bedenk je eens!
Het boek, dat Willem voor zichzelf las, was een tuinboek en daaraan
zou zijn vader weinig gehad hebben. Daarom nam hij wat anders, en wel
het leven van Michiel Adriaensz. de Ruyter. Wel vijf Zondagmiddagen had
Willem noodig om het uit te lezen, doch toen hij klaar was, zei vader:
"Hm, hm, die Michiel heeft het met goed op te passen en veel te leeren
dan heel ver gebracht!"
"Ja, dat heeft hij wél, vader!"
"Nu, jongen, pas jij dan ook maar goed op, wie weet wat je dan nog
wordt!" hernam de opperman en kleedde zich aan om naar de avondkerk
te gaan.
Zijn vrouw stond vreemd te kijken. Zelf ging zij er iederen Zondag
heen, doch haar man was in de laatste vier of vijf jaar niet meer in
de kerk geweest. Ze zei evenwel niemendal; maar dacht zooveel te meer.
De klok begon te luiden.
"Ik ga naar de kerk, man!" zei ze.