"Neen maar, dat is dan toch eens heel verstandig van je, hoor! Nu
moet je net eens thuis blijven en niet school komen, dan doe je den
meester schade en je zelf voordeel; want er is voor jongens geen betere
plaats op de wereld dan de straat. Ze leeren er liegen, luieren,
vloeken, bedriegen, kwaaddoen en ik weet niet wat al meer! Nu, nu,
waar moet je nu weer heen?"
Onderwijl die oude man zoo sprak was Willem opgestaan en wilde
wegloopen.
"Nu zeg, waar moet je heen?"
"Naar school, meneer! Och toe, laat me maar gaan, als ik hard loop,
dan kom ik nog niet te laat!"
"Zoo? Nu, je bent verstandiger dan ik dacht! Maar zeg, heb je
Zaterdagmiddag ook school?"
"Neen, meneer!"
"Moet je dan ook boodschappen doen?"
"Neen, meneer! Ik mag altijd den heelen Zaterdagmiddag spelen!"
"Best. Ik woon een half uurtje hier vandaan aan den straatweg. Het
eerste huis aan je linkerhand, als je den tol voorbij bent. Kom je
me Zaterdagmiddag dan eens opzoeken om eens wat met me te praten?"
"Ja, meneer, graag, heel graag," riep Willem, en als een pijl uit
den boog snelde hij heen.
Hij kwam juist nog bijtijds op school en weinig middagen waren er
geweest, dat hij zóóveel geleerd had.
Wat hunkerde hij naar dien Zaterdag! En toen die dag er was, wat was
hij toen blij!
Alsof hij dicht bij het tolhek den Brijberg uit Luilekkerland zou
vinden, zoo vroolijk ging hij er heen, en toen hij nog geen kwartier
geloopen had, kwam hij den ouden man al tegen.
"Ik dacht: ik zal mijn vriendje maar tegemoet gaan; hij moest anders
eens verdwalen," zei hij en begon toen over allerlei dingen te praten.
Eindelijk kwamen ze bij een aardig huisje.
"Ziezoo," zei de oude, "hier woon ik! Kijk nu maar eens op de deur,
dan weet je hoe ik heet en wat ik ben!"
Willem keek op, en las van een koperen plaatje, dat op de deur
geschroefd was: G. _Balsem_, _Veearts_.
Het aardige huisje zag er van binnen nog netter uit dan van buiten,
en het tuintje, dat er achter lag, was een lust om te zien, zoo netjes
als het er uitzag. Mooier bloemen waren er zelfs op de bloemmarkt
niet te vinden.
En terwijl ze daar samen in den tuin zaten, vertelde mijnheer Balsem,
dat hij in zijn jeugd een heel arme jongen was geweest, die niet al
te best wilde oppassen. In plaats van naar school te gaan, bleef hij
heel dikwijls stilletjes op straat loopen, en daar leerde hij zooveel,
dat hij, toen hij negentien jaar oud was, als koloniaal naar de West
kon gaan. Hij werd oppasser bij een kapitein, en dat was gelukkig een
bovenstbeste man, die den jongen Balsem op het goede pad terugbracht
en hem zelfs heel goed leerde lezen, schrijven en rekenen. Eens in een
ledige kamer, die zoowat tot pakhuis gebruikt werd, snuffelend, vond
hij een boek, waarboven stond: _De verstandige veehouder_. In zijn
ledige uren las hij er in, en eens toen het paard van een luitenant
niet wel was, had hij het geluk het dier te genezen. Van dien tijd
af was er geen paard of koe in den omtrek ongesteld, of Balsem werd
er bij gehaald, en dikwijls wist hij met eenvoudige middelen de
dieren beter te maken. Toen zijn tijd om was en hij weer naar huis
kon gaan, had hij een aardig sommetje bespaard. Zijn ouders waren in
dien tijd gestorven, en daar niemand in zijn geboorteplaats veel met
hem ophad, ging hij hier wonen, schroefde het koperen plaatje, dat
er nóg op was, aan zijn deur, en begon in het vaderland als veearts
van meet af aan. In zijn ledige uren, die hij in het begin veel had,
las hij allerlei boeken over de ziekten van het vee, en eer er twee
jaren verliepen, noemden al de boeren in den omtrek hem: _den knappen
veearts_. En, dat bracht hem voordeel aan ook. Hij kreeg het verbazend
druk en verdiende veel geld. Later trouwde hij en kreeg twee zoons, die
nu zelf al getrouwd waren. "Kijk," dus eindigde hij zijn vertelling,
"daar ginder in dat boerenhuis met dat roode pannendak, daar woont
mijn oudste zoon Jan. Hij is boer en het gaat hem goed. Mijn jongste
zoon is paardenarts bij de dragonders en hem gaat het ook goed."
Nog altijd zat Willem te luisteren of de oude man nog meer zou
vertellen.
Deze deed het echter niet, maar vroeg eensklaps: "En wat zal jij
worden, kameraad?"
"Ik weet het niet," antwoordde Willem, "maar ik zou wel bloemist
willen worden; want ik houd veel van bloemen!"
En hierop vertelde hij, hoe hij voor dat dubbeltje een reseda-plantje
voor zijn moeder gekocht had, en hoe mooi dat bloeide.
"Nu maar, dat is allemaal niemendal," zei Balsem. "Schoolgaan is in
de eerste jaren nog maar de boodschap; want het gaat tegenwoordig
niet meer, manneke, om met weinig te weten in de wereld vooruit te
komen. Toen _ik_ jong was, kon dat nog, dat zie je; want o, ik weet
zoo bitter weinig, en toch ben ik rijk geworden. Maar, als ik nu nog
eens van meet af aan moest beginnen, en ik wist niet meer dan ik nu
weet, dan werd ik misschien ook nog opperman, net als je vader!"
Toen Balsem zoo een en ander verteld had, ging hij met Willem wat
in den tuin wandelen en leerde hem nog heel wat van sommige bloemen,
waarvan de knaap nog nooit gehoord had, en toen hij naar huis ging,
gaf hij hem een boek mee om er wat in te lezen. Iederen Zaterdag
mocht hij bij hem komen, en als hij niet thuis was, zou de oude
vrouw er toch zijn, dan kon hij die vertellen wat hij gelezen had,
en zij zou hem dan wel een ander boek geven.
Zoo gingen de zomer, de herfst en de winter voorbij;--zoo werd
het Maart.
"Wat scheelt er nu weer aan, jongen?" vroeg Balsem, toen Willem met
roodgeweende oogen op een Zaterdagmiddag bij hem kwam.
"Och, meneer, ik moet van school af!"
"Van school af, jij? En hoe oud ben je?"
"Twaalf jaar, meneer!"
"En wat moet je dan gaan doen?"
"Vader heeft me bij zijn baas gedaan, en overmorgen moet ik al beginnen
met steenenbikken."
"Maar dat wil ik niet hebben. Is je vader thuis?"
"Neen, meneer; maar morgenochtend wel!"
"Best, dan kom ik zelf morgen eens met je vader praten, hoor! Ik heb
nu geen tijd; want ik moet naar mijn zoon; want die heeft twee zieke
koeien. Hier, dit boek heb ik voor je gereedgelegd, lees er maar veel
in. Dag, Willem!"
"Dag, meneer!" antwoordde de kleine steenenbikker, en ging naar huis.
Den anderen dag kwam Balsem bij Willems vader, doch hoe mooi de
brave en verstandige veearts ook sprak, de opperman wilde niet
toegeven. Willem moest van de school af en Maandag aan het werk. Hij
was het nu al lang zat om voor zulk een grooten jongen nog langer te
werken. Hij kon den kost best zelf verdienen, ja, dat kon hij.
Toen mijnheer Balsem thuis kwam, was de eerste vraag, die hij zijn
vrouw deed: "Zeg eens, Bet, zou je er veel tegen hebben, als ik een
loopjongen in huis nam?"
"Maar, wat haal je nu toch in je hoofd? Ben je dan van plan zoo iets
te doen, Gerard?"
"Van plan, van plan,--als je er erg tegen opziet, dan doe ik het niet,
dat is eenvoudig."
"Maar waartoe heb je dan een loopjongen noodig? Heb je het nu zooveel
drukker dan vroeger, en komen de boeren zelf de medicijnen niet
meer halen?"
"Och ja, vrouw, maar.... wacht, ga zitten, dan zal ik je eens alles
van a tot z vertellen," hernam Balsem en begon zijn vrouw nu mede
te deelen wat er met den armen Willem stond te gebeuren. Toen hij
geëindigd had, besloot hij met te vragen:
"Nu, wat zeg je ervan?"
"Laat den jongen komen, Gerard! Ik wil hem ook helpen," was het
antwoord.
Na het eten ging de veearts weer naar Willems ouders, om, zooals
hij dacht, niet alleen de laatsten, maar bovenal Willem gelukkig te
maken. Doch toen hij op het zolderkamertje kwam, vond hij den opperman
in geen al te best humeur.
Voor den middag was hij ergens geweest, waar hij, door van iets
veel te drinken, een warm hoofd gekregen had, en toen hij naar huis
ging, meende hij, dat de huizen dansten of, erger nog, op zijn hoofd
wilden vallen. Hij had erg op zijn vrouw en kinderen gegromd. Het
eten was weer niet gaar, had hij gezegd en toen de tafel afgenomen
werd, gaf hij Mietje een slag, omdat ze zoo'n leven met de borden
maakte. Hij knorde op de duiven van zijn buurman, omdat die onder
het vliegen zoo met de vleugels klapperden. Hij gromde op de honden,
die langs de straat liepen te blaffen. Hij schopte een stoel omver,
omdat hij er tegen aanliep, ja, hij was zelfs boos op de zon, omdat
die zoo warm scheen, en al zulke gekke dingen meer.
"En wat heb je me nu weer te vertellen?" vroeg hij aan Balsem toen
deze boven kwam.
De veearts zei het hem.
Onze opperman was nu nog zóó raar niet, of hij begreep wel, dat Willem
veel beter af zou zijn, als hij bij Balsem kwam, dan als hij bij
den metselaar steenen ging bikken; doch hij had het nu vandaag zich
eens in het hoofd gezet, een dwarsdrijver te zijn en daarom zei hij,
toen Balsem zweeg:
"Zeg eens, sinjeur de paardendokter, ik wilde wel, dat je mij en
mijn geheele familie met rust liet! Ik heb je niet geroepen, en,
kort en goed, ik zeg je, dat Willem metselaar zal en moet worden,
begrepen? Meer heb ik je niet te zeggen!"
Nu de oude man voor al zijn goeddoen nog zoo leelijk behandeld werd,
was hij ook wel wat boos geworden, doch hij was te verstandig om met
den man te gaan kibbelen, en daarom ging hij zonder iets te zeggen weg.
Beneden aan de trap vond hij Willem.
"Pas maar braaf op, mijn jongen, en kom zoo nu en dan, als je tijd
hebt, nog eens bij me aan, zal je?" zei Balsem en gaf den knaap
de hand.
Den anderen dag was Willem aan het steenen bikken, en een enkelen keer
aan het kalk maken. O, wat had hij er een hekel aan, en wat vorderde
het werk slecht!
Maar de week ging om en het werd weer Zondag.
"Waar ga je heen, Willem?" vroeg vader, die weer boos was op de
stoelen, op de duiven, op de honden en op de zon.
"Ik ga naar meneer Balsem!" zei Willem.
"Blijf thuis!" was het korte bevel, dat de jongen kreeg en toen deze er
iets tegen inbrengen wilde, hernam zijn vader: "Nu, en _ik_ zeg, dat je
er niet heen mág. Vandaag niet, morgen niet, en nooit meer! Begrepen?"
"Maar, vader, ik heb meneer beloofd, dat ik komen zou!"
"En ik zeg je, dat je niet gaat, gehoord?" was het nijdige antwoord.
"Maar ik mag toch wel op straat loopen?"
"Daar geef ik niet om, maar naar dien paardendokter mag je niet,"
zei de vader nogmaals, trapte nog gauw een paar stoelen omver, bromde
op de zon, omdat ze zoo fel scheen en ging liggen slapen.
Willem liep de trappen af en ging de straat op.
Ja, maar hij bleef daar niet. Hij sloop langs de huizen tot hij op
de Bloemmarkt was, en liep toen wat hij loopen kon, den straatweg
op naar zijn ouden vriend; maar, och, toen hij dezen vertelde, dat
hij eigenlijk van zijn vader niet mocht, en dat hij maar stilletjes
gekomen was, toen zei de brave veearts: "Het spijt me, Willem, dat ik
je wegsturen moet. Wel zou ik graag weer een uurtje met je praten; maar
dat kan nu niet! Je mag je vader niet ongehoorzaam zijn. Dag, Willem!"
De knaap had er niet veel zin in, doch Balsem duwde hem zachtjes de
deur uit en zei nog: "En als je nu weer zonder vergunning van je vader
hier komt, dan zou ik genoodzaakt zijn het zelf aan je vader te komen
vertellen. Gehoorzaamheid gaat boven alles, Willem! Dag, kerel!"
Willem kon maar niet begrijpen, dat hij hieraan verkeerd gedaan had, en
dacht nu, dat die oude veearts hem ook al afviel, en daarom bromde hij
in zichzelf: "Best, ik zal niet meer bij dien Balsem komen! Pfff! Wat
geef ik er om?"
"Ik heb toch medelijden met den armen jongen, Gerard," had juffrouw
Balsem gezegd toen Willem weg was, "en, als ik in jouw plaats geweest
was, zou ik hem niet weggestuurd hebben!"
"Ik heb ook medelijden met hem, vrouw," was het antwoord, "maar
kinderen moeten niet te lichtvaardig vader of moeder ongehoorzaam
zijn. Als er wat goeds in den jongen zit, dan zal tóch wel alles
terechtkomen."
"Jawel; maar als hij nu eens een kwajongen wordt, als zoovele anderen,
wat dan?"
"Hoor eens, vrouw, daarvoor zal ik trachten te zorgen!" zei Balsem en
ging weer naar zijn kleine apotheek om daar eenige medicijnen klaar
te maken, die zoo op het oogenblik zouden gehaald worden.
En hoe ging het met Willem?
Wel, in zijn booze bui zocht hij nog dienzelfden Zondag eenige jongens
op, die ook zoo wat op een ambacht waren. Hij probeerde met hen mee
te doen aan leelijke dingen; maar hij had te veel gelezen en van den
ouden Balsem te veel goeds geleerd, om er pret in te hebben.
Toen hij nu 's avonds naar bed ging, was hij op zijn manier ook eens
boos, ja, boos op iedereen. Hij gooide ook met stoelen en deuren,
precies zooals zijn vader dat een paar keeren gedaan had. Maar
het meest was hij boos op zichzelf. Waarom? Och, dat wist hij zelf
niet recht; maar het is heusch waar, hoor, hij was op zichzelf heel
erg boos.