Het was misschien een maand later en op een mooien Donderdagmiddag,
dat er aan het spoorwegstation heel wat drukte en beweging was. Wel
honderdtwintig kinderen waren onder geleide van twaalf onderwijzers
in den trein gestapt om te R. den dierentuin te gaan bezichtigen.
En waar kwamen die honderdtwintig kinderen vandaan?
Ik zal het je zeggen.
In de stad waarin Willem woonde, waren eenige heeren op de armenscholen
gekomen en hadden gezegd:
"Meneer, al de kinderen die gedurende een geheel jaar geen enkelen keer
voor willekeurig schoolverzuim zijn aangeteekend, moet u eens opgeven!"
"Dat wil ik wel doen, heeren," antwoordde Willems onderwijzer. "Maar
welk plan heeft u daarmee?"
"Wel," zei toen een, "om de kinderen voor dat trouwe schoolbezoek te
beloonen, zullen wij ze den dierentuin te R. eens laten zien!"
Dat vonden al de onderwijzers goed en de kinderen natuurlijk ook.
Willem ging op school D. en toen de hoofdonderwijzer vertelde wat
er gebeuren zou, noemde hij veertien namen op van kinderen, die het
geheele jaar lang geen enkelen keer "zoo maar" waren thuis gebleven.
De veertien namen waren genoemd,--meester noemde ze nog eens, het
papier werd gevouwen.... Ach, Willem was er niet bij!
Hij stond op de lijst voor één keer willekeurig schoolverzuim, dat
wist hij.
Maar kon hij dat helpen?
Was dat zijn schuld?
Neen, die poets had die man uit de stadsapotheek hem gebakken, en
toen hij de school uitging kon hij niet nalaten, eens even naar de
apotheek te gaan.
Om dien boozen man kwaad te doen?
Neen, dát niet; maar als hij hem zag dan zou hij zijn tong toch wel
eens tegen hem uitsteken, weet je!
Zoo'n leelijke vent!
De man was niet in de apotheek, en met een boos hoofd ging Willem nu
maar naar huis.
Vader kwam dien middag niet thuis eten. Hij was buiten de stad op een
karwei en Mietje moest hem zijn potje maar brengen. Ze zou op verzoek
van moeder, die nu weer beter was, van dat pleizierreisje van sommige
kinderen maar geen woord spreken; want hij zou er misschien aanleiding
in vinden om Willem maar van school te nemen.
Het middagmaal was afgeloopen en baloorig ging Willem de straat
op. Zou hij naar school gaan?
"Neen," bromde hij, "nu blijf ik vanmiddag eens stilletjes
thuis! Hebben die andere jongens en meisjes pret, ik wil het ook
hebben!"
Zoo in zichzelven pratend, liep hij maar verder en verder tot dicht
bij het station.
Lieve schepsel, hoor eens wat een gejuich! Wat een gejoel!
Jawel, daar zingen ze al:
"Wilhelmus van Nassauen!"
De tranen kwamen onzen knaap in de oogen toen hij dat hoorde, en
schreiend zette hij zich op een bank.
"Daar heb je warempel dien huilebalk alweer!" riep plotseling een stem
dicht bij hem, en opkijkend, ontdekte Willem denzelfden ouden man,
die een maand geleden zoo vriendelijk voor hem geweest was.
Hij droeg nog precies dezelfde kleeren en was nog niemendal veranderd.
"En wat scheelt er nu weer aan?" vroeg de oude.
"Niets! Niemendal! Neen, niets!" antwoordde Willem, keerde zich om
en draaide hem zijn rug toe.
"Wel, wat een vriendelijke jongen is dat geworden," zei de oude. "Kom,
ik ga een beetje naast hem zitten!"
Hij deed het, doch zette zijn dikken doornstok dwars over Willems
beenen heen, zoodat deze, die eerst hard wilde wegloopen, er nu op
bleef kijken, als een haan op een krijtstreep.
"Hoor eens, maatje, ik wed, dat ik weet wat er aan hapert! Wil ik er
eens naar raden, zeg?"
"Neen! neen!"
"Wel, hoor me nu zoo'n stijfkop eens aan! Dat is zoo kortaf als
een gebroken pijpesteeltje. Ja, ja, vanmiddag zeker spinnekoppen of
oorwurmen gevangen, is het niet?"
"Neen! Houd op met plagen!"
"Of zure karnemelk gegeten?" hervatte de oude.
Of Willem nu wilde of niet, daar hielp niets aan; hij moest schreien
en lachen te gelijk.
"Aha," zei de man, "het zonnetje schijnt en het regent! Nu ga ik
raden! Huil je ook omdat je niet met dat troepje jongens en meisjes
mee mag? Zeg?"
Het ijs was gebroken. Willem begon opnieuw te schreien, zei eindelijk:
"ja!" en toen de vriendelijke man hem vroeg hoe dat gekomen was,
vertelde Willem weer de heele geschiedenis.
"Zoo, zoo!" hervatte de oude man, "zit de vork zóó in den steel? En
nu heb je vanmiddag zeker vacantie?"
Willem durfde niet liegen en eindelijk kwam het er uit, dat hij
stilletjes uit school wilde blijven.
"Dat is goed! Daar doe je wijs aan!" zei de man.