I.

De torenklok had al een poosje geleden negen uur in den morgen

geslagen.

De straten waren veel lediger dan voor een half uurtje; want toen

wemelde en krioelde het op plein of gracht, in straat en steeg, op

stoep en trottoir van het jonge volkje, waarvan men gerust zeggen kon:

"En aan hun oogjes zie je 't aan,

Dat zij wat graag naar school toe gaan!"--

Nu en dan slechts zag men er nog een, die misschien vóór schooltijd

voor moeder nog een boodschap gedaan had, of die door de zon van acht

uur uit het bed gejaagd was, zoo hard hij kon naar school draven,

om dan toch niet àl te laat te komen.

Niet ver van den toren, en dicht bij de bloemmarkt, was de

stads-apotheek en, als er geen bijzondere ziekten in de stad

heerschten, dan ging de deur van dat gebouw eerst te negen uren open.

Ondertusschen was het er nu al kwartier over. De menigte voor de deur

werd al grooter en grooter, en toch hoorde men daarbinnen nog volstrekt

geen beweging. Het spreekt vanzelf, dat er onder die wachtende menschen

al heel spoedig gemor ontstond, en eindelijk verstoutte er zich één

eens ferm aan de schel te trekken.

Hij, die dat deed, was een opgeschoten jongen van een jaar of tien,

die, toen de klok nog geen negen geslagen had, al voor de deur

stond. Met angstig en ongeduldig gebaar had hij al verscheidene

keeren naar het wijzerbord van den toren gezien, en telkens zag hij

dat de minuutwijzer, hoe langzaam dan ook, voortging. Eerst stond hij

op één, toen, op twee, wat later op drie en het speelde daar boven

"kwartier-over";--nu stond hij al bijna op vier!

Men kon het hem zoo aanzien, dat hij er lang niet plezierig onder was.

Geen wonder, hij behoorde ook tot de kinderen, die daar straks

stoeiend en spelend naar school waren gegaan. Ook _zijn_ plaats was in

de school! Wat zou de meester nu wel zeggen? Hij was nooit "zoo maar"

om het een of ander thuis gebleven; ja, hij was zelfs nog nooit te

laat gekomen. En nu al haast tien minuten voor halftien!

Neen, hij kon niet langer wachten, het was hem onmogelijk: hij zou

maar eens schellen.

Nu was er aan die apotheek een bijzonder soort van schelknop, een

nieuwe, zooals er toen nog geen tweede in de stad was. Men moest er

niet aan trekken, maar op drukken.

Dat wist onze knaap niet, en tot zijn grooten schrik ging de schel

hard over, toen hij, nogal driftig, de hand op den knop legde.

"Nu, als ze dat daarbinnen niet hooren, dan slapen ze zoo vast als

marmotten in den winter," zei een der mannen.

"Het heeft geholpen ook. Hoor maar, daar komen ze al," sprak een ander.

En ja, ze kwamen dan toch eindelijk.

Driftig werden de luiken geopend, en nog driftiger werd de deur

opengesmeten.

"Wie, voor den drommel, maakt hier zoo'n vreeselijk leven? Het lijkt

of er brand is! Kan jelui dan niet wachten tot een fatsoenlijk mensch

zichzelven aangekleed heeft? Wie heeft er gescheld?"

Dit alles riep in één adem een dik en groot heer met vreeselijken baard

en knevel, en hij keek zoo grimmig en leelijk, alsof hij grooten trek

had al die menschen zoo maar ineens op te eten.

Niemand sprak echter en daarom schreeuwde hij nog eens: "Ik wil

weten wie er daar zooeven de brandklok geluid heeft! Heb je het

niet gehoord?"

"Ik heb het gedaan, meneer! Ik moest om negen uren op school zijn en

het speelt daar al voorslag van half tien!" zei de knaap en zag den

heer vrijmoedig aan.

"Mooi, brandklokluider, dan zal ik jou ditmaal eens allerlaatst

helpen, verstaan? Dat maakt een kabaal, alsof ze hun drankje met goud

betalen! Je weet toch wel, dat je het hier voor niemendal krijgt,

en dat je dan zooveel praats niet hebben mag! Zeg, kwajongen?"

"Maar, meneer, ik moet naar school! Ik...."

"Houd je mond, straatbengel!" riep de booze apotheker en nam het

recept aan van een vrouw, die dichtbij stond.

Sapperloot, wat maakte hij een geweld met dien ijzeren stamper in

dien koperen vijzel! Wat werd de knecht toegesnauwd, als hij niet gauw

genoeg de poeders in papiertjes vouwde, doosjes aangaf, kurkjes op de

fleschjes deed of pillen draaide. De man speelde: haast-je, rep-je,

en toch was het niet goed.

Nummer één was geholpen, nummer twee ook, eindelijk zelfs nummer negen,

en nog altijd stond de arme jongen met het recept in de handen te

wachten. Reeds lang had de klok tien geslagen, en met het slaan van

tien, kwamen er misschien wel evenveel, misschien ook nog meer tranen

uit zijn oogen rollen.

Af en toe kwamen er menschen bij en gingen er af.

Het was half elf.

De wreede apotheker hield vol met hen, die het laatst gekomen waren,

het eerst te helpen.

"Wat scheelt er aan, manneke?" vroeg opeens een vriendelijke stem,

dicht bij den knaap.

De jongen keek op en zag een zonderling gekleed man voor zich

staan. Lange, grijze haren golfden van onder een blauwe slaapmuts op

den rug, die voor een gedeelte met een rooden zakdoek bedekt was. Een

reistaschje hing over de jas. In de rechterhand hield hij een dikken

en knoestigen doornstok en de voeten staken in groote geverfde klompen.

"Wat scheelt er aan, manneke?" vroeg hij nog eens en zoo mogelijk

nog vriendelijker dan daar straks.

Snikkend en fluisterend vertelde de knaap alles wat er gebeurd was.

"Is het anders niet?" hervatte de oude. "Wacht, ik zal eens maken,

dat je geholpen wordt. Geef je receptje maar eens hier!"

Het jongetje gaf het over, en nu drong de man door de vóór hem staande

menschen, stak de hand, met het recept er in, door het loket, en geen

vijf minuten later kwam hij terug en gaf het drankje over.

"Zie je wel, vent, wie arm is, moet slim zijn," zei de man en tegelijk

stopte hij met het drankje, den knaap een dubbeltje in de hand.

"Toe, toe, maak maar voort! Dat dubbeltje is voor je lang

wachten!" hervatte de oude toen het jongetje hem vreemd aankeek.

Die vriendelijke, oude man en dat dubbeltje verzoetten voor hem

eenigszins de nare gedachte, dat hij nu, buiten zijn schuld, niet

naar school kon.

Zonder te kijken naar een paar honden, die om een weggeworpen been

vochten, snelde hij den hoek om langs de bloemmarkt....

Hé, wat stonden daar mooie bloemen!

Geraniums, fuchsia's, rozen, petunia's, aäronskelken, reseda's....

En moeder zag zoo graag een reseda! Ze hield er zoo van, en nu ze

ziek was en niet naar de markt kon om een potje te koopen, was er

nog niets van gekomen.

Hij liep wat minder snel en bekeek de lange rijen met bloemen.

Het dubbeltje danste in zijn zak.

Neen, de verzoeking was te groot; hij kon niet voort; hij moest even

blijven staan en kijken.

"Wat noodig, manneke?" vroeg een vrouw.

"Hoe duur is de reseda?" bracht de knaap er met moeite uit.

"De mooiste kosten vijftien centen; de andere een

dubbeltje!" antwoordde de vrouw.

"Geef er mij dan een van een dubbeltje," zei de jongen, die nog nooit

scheen gehoord te hebben van overvragen of afdingen.

Of deze vrouw nu overvraagd had, en of ze ook liet afdingen, kijk,

dat weet ik zoo precies niet; maar de leelijkste gaf ze hem toch niet,

dat weet ik wel.

In een ommezien was nu de knaap met zijn drankje en reseda-plantje

thuis.

"Willem, Willem, wat ben je lang weggebleven! Hoe komt dat?" klonk

een zachte stem uit de bedstede hem tegen toen hij thuis kwam.

De knaap, die, zooals we hooren, Willem heette, vertelde haarfijn

alles wat er met hem in die twee uren gebeurd was, en liet haar ook

het potje met reseda zien.

"Kan ik nu nog naar school, moeder?" vroeg hij.

"Ja, kind, het is wel jammer; maar ik zou het niet doen. Het is al elf

uur en om half twaalf gaat de school uit! Het is de moeite niet meer!"

"Ja maar, moeder, wat zal ik dan vanmiddag wel tegen den meester

zeggen?"

"De waarheid, Willem!"

"En als meester me dan eens niet gelooven wil?"

"Heb je dan wel eens gelogen, mijn kind?" vroeg de moeder nu.

"Neen, moeder, maar...."

"Stil maar, jongen, stil maar! Je gaat vanmiddag naar school en je

vertelt net alles wat er gebeurd is. Je doet er niets af en niets

bij. Neem nu het prentenboek, dat je bij het laatste school-examen

gekregen hebt, en lees er dan maar wat in, dan doe je toch wat,"

zei moeder, die een lepelvol van het drankje innam en weer ging liggen.

Mietje, de eenige zuster, die Willem had, was een meisje van veertien

jaren, die nu gedurende de ziekte van haar moeder, zoo goed en zoo

kwaad het ging, het huishouden waarnam. Had ze geweten, dat haar

broertje zoo lang zou moeten wachten, dan zou ze zelf wel naar de

apotheek gegaan zijn; want haar moeder was nu zóó ziek niet, of ze kon

wel een oogenblik alleen zijn. Want, zie je, _zij_ zou niet gescheld,

of het althans zoo hard niet gedaan hebben. Ze kende dien knop wel;

ze zou ook zoo vroeg niet gegaan zijn, en zoo voort. Maar aardig

en vriendelijk vond ze het toch van dien vreemden, ouden man! En

voor de reseda zou ze zorgen, dat was vast. Zoo ging het mondje van

Mietje, terwijl ze in het zijkamertje bezig was met den middagpot

gereed te maken, zoodat er van Willems lezen ook al niet zoo heel

veel terechtkwam.

Even na het slaan van twaalven kwam de vader, een breed geschouderde

opperman, thuis. Deze hoorde ook wat er gebeurd was, doch daar hij

zelf niet lezen of schrijven kon, begreep hij niet, dat Willem zóó

iets zich zoo aantrekken kon.

"Was het anders niet?--Over een half jaar moest hij toch van

school af. Had hij, als vader, zijn zin gekregen, dan had de

jongen verleden jaar de school al verlaten. Hij kon hem toen bij

een schoenmakersbaasje, als loopjongen, voor een halven gulden in

de week gekregen hebben. Jammer genoeg; want iedere week een halven

gulden meer is toch ook geen kleinigheid! Met nog een kwartje er bij

was het juist de huishuur! En wat beteekende al dat leeren? Hijzelf

kende immers geen _a_ voor een _b_, en hij had toch altijd te eten,

's zomers van hetgeen hij verdiende, en 's winters van de bedeeling!"

"Och, vader, houd toch op met dat geleuter over de school," riep de

moeder. "Doe me het pleizier en zwijg ervan!"

"Nu, ik zal zwijgen!" was het antwoord en kort daarop ging hij,

na een pijpje opgestoken te hebben, de deur uit.

's Middags kwam Willem in de school. Hij vertelde de waarheid,

heelemaal de waarheid! Maar meester was een streng man en maakte met

niemand eenig onderscheid. Hij nam zijn schoollijst en Willem kreeg

één aanteekening van willekeurig schoolverzuim.

In het Schemeruur · 第 13 / 30 题