"Frans, Frans!"
"Ja, moeder, ik kom!"
Frans, die op een heel klein zolderkamertje op een oude viool zat te
krassen, kwam langs een oude, vermolmde trap naar beneden.
Als ik nu zei, dat het er in de kamer beneden plezierig uitzag, dan
zou ik onwaarheid spreken. Een kamer was het eigenlijk niet. Het was
een groot vierkant vertrek met witte muren en een steenen vloer. Het
was zeer laag van verdieping en in een hoek stonden stoelen en tafels,
stoven, doofpot, tang, kolenbak en nog veel meer, erg verward door
elkander. De roode steenen vloer geleek veel op een modderzee, te
midden waarvan moeder stond met een bezem in de eene, een dweil in
de andere hand en een emmer water aan de voeten.
Het was Zaterdag, weet je, en de weduwe Jacobsen moest zorgen, dat
tegen den Zondag haar huisje schoon was.
Vrouw Jacobsen zag er in haar werkpakje niet al te helder en schoon
uit, en haar zoontje Frans, die aan het Zaterdag houden niet meedeed,
maar de natte wereld op den zolder ontvlucht was, droeg ook al geen
prachtige kleeren. Maar toch, die kleeren mochten lap op lap staan,
zindelijk waren ze, en dat moeder er nog een handdoek en een kam op
nahield, dat kon men Frans best aanzien; want zijn haren zaten netjes
en zijn rond gelaat zag er zoo frisch en schoon uit, dat men er met
plezier naar keek.
Toen Frans beneden kwam, bleef hij op den dorpel staan en zei:
"Wat is het, moeder?"
"Buurman is zooeven aan de deur geweest!"
"Die nieuwe, moeder, met dien grooten bril op zijn nog veel grooteren
neus?"
"Ja, Frans!"
"En wat moest die hebben, moeder?"
"Hij vroeg of je niet eens even wou komen om een boodschap te doen!"
"Hè, moeder, ik heb er niet veel lust in."
"Kom, kom, jongen, het is of je bang voor den nieuwen buurman bent! Dat
is toch niet zoo?"
"Bang niet, moeder; maar Jan van Dulven heeft ook naast hem gewoond
en die heeft me gezegd, dat hij zoo'n akelige vent is, die altijd
maar gromt en knort. Weet u hoe ze hem noemden?"
"Ja, de straatjongens geven iedereen een bijnaam en vooral zal dat
die Jan van Dulven doen; want dat is me een hachje! Als je me plezier
wilt doen, dan moet je dien jongen links laten liggen. Je leert toch
maar leelijke dingen van hem!"
"Neen, moeder, die Jan van Dulven is heusch niet gemeen, en de jongens
alleen scholden onzen nieuwen buurman niet uit. De heele buurt noemde
hem "den Beer."
"Dan deden al die menschen verkeerd, Frans! En ik wil hebben, dat je
buurman niet anders noemt dan "meneer Moerdijk", begrepen?"
"Ja, moeder!"
"Best, en ga jij nu naar meneer Moerdijk en vraag beleefd, wat meneer
wil dat je doet! Maar beleefd en vriendelijk, hoor!"
Frans beloofde dit en ging.
Eenigszins angstig trok hij aan de schel en hoorde slof-slof, iemand
door de gang aankomen. De deur ging open en een oude vrouw met een
vriendelijk uitzicht vroeg, wat hij wilde.
"Meneer heeft gevraagd of ik niet eens een boodschap voor hem wilde
doen, juffrouw!"
"O zoo, ben jij het zoontje van de vrouw hiernaast!"
"Ja, juffrouw!"
"Goed, kom dan maar eens even in de gang, dan zal ik meneer zeggen,
dat je er bent! Voeten vegen, hoor!"
Slof-slof, ging de oude vrouw de lange gang door naar de achterkamer,
en onderwijl ze dat deed, had Frans gelegenheid om te zien hoe
kraakzindelijk er die gang al uitzag, en het verwonderde hem niemendal,
dat het vrouwtje gezegd had: "Voeten vegen, hoor!" Maar lang tijd had
Frans niet om hierover na te denken; want de vrouw deed de deur open
en zei: "Meneer, hier is het jongetje van hiernaast!"
"Goed," klonk het, "laat den slungel maar achter komen!"
"Zie je," dacht Frans, "dat die vent wel verdient Beer genoemd te
worden. Hij kent me niet eens, en noemt me toch slungel. Als hijzelf
maar geen slungel is!"
Schoorvoetend ging Frans naar achter en klopte met zekeren angst aan
de deur.
"Binnen!" riep een barre stem.
Frans deed de deur open en stond in de tuinkamer waar het ruim en
luchtig was. Wat er zoo al in de kamer te zien was, zag Frans niet. Hij
zag alleen mijnheer Moerdijk, zooals hij daar in zijn stoel zat.
Op de grijze haren stond een zwart fluweelen kalotje en de bril was
in de hoogte geschoven, en rustte nu op het hooge voorhoofd boven
een paar groote, zwarte wenkbrauwen. De lange, grijze ochtendjapon,
van een bontgekleurde stof, sloot hem als een wijde zak om de magere
leden, en de voeten staken in een paar roode, vilten pantoffels.
"Zoo, eeuwige vedelaar, ben je daar?" zei hij en sloeg zijn
donkerzwarte oogen op Frans.
"Ja, meneer! Wat is er van uw dienst?" vroeg deze.
"Wat er van mijn dienst is? Veel! Maar, daar staat een stoel, schuif
dien bij de tafel, ga er op zitten en antwoord me dan eens netjes op
alles, wat ik je vraag!"
Frans voldeed aan dit bevel en zat weldra bij den ouden heer aan tafel,
en toen had het volgende gesprek plaats.
"Hoe heet je, jongen?"
"Ik heet Frans Jacobsen, meneer!"
"Zoo, en wat is je vader?"
"Mijn vader was muzikant op den toren, meneer!"
"Muzikant op den toren? Wat is dàt voor een beroep?"
"Ja, meneer, hij moest 's nachts op den toren zijn, en als het
heel uur sloeg, dan ging hij op alle vier de hoeken op een klarinet
'Wilhelmus' blazen!"
De oude heer glimlachte en zei: "O zoo, hij was dus torenwachter? En
wat is hij nu?"
"Hij is al vier jaar dood, meneer!"
"Zoo, dat is ongelukkig, jongen! En wat doe jij nu?"
"Ik doe boodschappen, meneer, en moeder gaat uit werken!"
"Maar dan toch altijd boodschappen na schooltijd, niet? Bij wien ga
je school?"
"Ik ga niet school, meneer!"
"Ei, ei, al volleerd? Zoo, zoo, dat is vroeg genoeg! En kun je dan
al goed lezen, rekenen en schrijven?"
"Ik heb nooit school gegaan, meneer!"
"Wat? Nooit school gegaan? Wat moet je dan toch worden?"
"Pakjesdrager en wegwijzer bij het spoor, meneer!"
"Gekheid, gekheid! Jij moet naar school!"
"Jawel, meneer, maar...."
"Geen gemaar! Helpt geen lieve vaderen of lieve moederen aan! Jij
moet naar school. En wat ik vragen wil, waar zat je daar straks toch
zoo op te zagen?"
"Ik, meneer?"
"Ja, jij! Toen je daar straks op zolder zat, lag ik door het raam te
kijken, en toen hoorde ik je zagen en krassen! En dat was zóó mooi,
dat mijn oude kat, die op het dak liep te kuieren, hard mee begon
te mauwen!"
"O, dan weet ik het al, meneer! Ik speelde wat op een oude viool
van grootvader!"
"Zoo, was je grootvader ook muzikant op den toren?"
"Neen, meneer, die was muziekmeester en gaf les aan de kinderen!"
"Dat is wat anders! En hoor je graag muziek?"
"Jawel, meneer!"
Toen Frans dat gezegd had, ging mijnheer Moerdijk naar een hoek van
de kamer, waar een kast stond. Frans dacht ten minste, dat het een
kast was, maar bij nader inzien bleek het, dat het een piano was. Hij
nam toen een stoeltje en sloeg zes toetsen te gelijk aan.
Frans antwoordde niets. Hij vond het leelijk; want mijnheer Moerdijk
had zoo maar zes toetsen genomen. Hij durfde het evenwel niet zeggen
en zweeg dus.
"Nu, ben je stom? Zeg maar gerust of het leelijk is of mooi!"
"Het is leelijk, meneer!" antwoordde Frans.
De oude heer glimlachte en sloeg toen weer zes toetsen aan, maar
toen hij nu weer vroeg: "Is dat mooi of leelijk?" riep Frans: "Dat
is mooi, meneer!"
Toen mijnheer Moerdijk dit gehoord had, begon hij langzamerhand te
spelen, en eindigde met zulk een treurig liedje, dat Frans de tranen
in de oogen sprongen.
"Wel?" vroeg hij toen. Doch zich omkeerende, zag hij den knaap
stilletjes de tranen, die hem langs de wangen liepen, wegmoffelen.
"Meneer, dat was mooi, o, dat was mooi!" riep Frans.
Mijnheer Moerdijk stond een poosje in gedachten en zei toen: "Mooi,
zoo, is het mooi geweest? Ja, dat zie ik; want je hebt gehuild. Goed,
goed, maar jij moet naar school, hoor! Ik zal er wel eens met je
moeder over praten. Maar nu moet je een boodschap voor me doen in
de Zilverstraat!"
Hierop stuurde de oude heer hem naar een boekwinkel en onderwijl hij
weg was, mompelde mijnheer Moerdijk: "Als hij een goed gehoor heeft,
dan wil ik dat wel eens doen! Ja, ja, ik heb toch geen kinderen of
geen familie op de wereld. Dat wil ik doen!"
En wat wilde hij nu doen?
Dat zullen we zien.
De volgende week reeds kwam de weduwe Jacobsen elken dag bij mijnheer
Moerdijk een paar uren werken; want "Aaltje, de meid wordt wat oud,"
had hij gezegd. Frans ging school. Wel hinderde het hem, dat hij
al elf jaar oud was en nog bij kinderen van vijf jaar moest zitten
om de letters te leeren, maar hij beet door den zuren appel heen,
en hij beet er zóó goed doorheen, dat hij twee jaar later al in de
hoogste klasse zat. Geen oogenblik liet hij verloren gaan en, als
hij thuis was, hielp mijnheer Moerdijk hem altijd aan zijn lessen,
zoodat hij weldra de knapste leerling van de geheele school was.
Ja, ja, als men maar wil, kan men het ver brengen.
Eens op zekeren dag zei mijnheer Moerdijk: "Hoor eens, Frans, ik
hoor je tegenwoordig niet meer op de viool krassen, doe je daar niet
meer aan?"
"Ik heb geen tijd, meneer," antwoordde Frans.
"Ja, jongen, dat is waar! Maar zeg, heb je er nu al eens over gedacht,
wat je worden moet?"
"Neen, meneer!"
"Niet? Maar dan dien je daaraan toch haast te denken; want morgen
wordt je dertien jaar! Zou je muzikant willen worden?"
Frans' oogen schitterden, en zijn "ja, meneer!" kwam er zóó blij uit,
dat mijnheer Moerdijk niet behoefde te vragen, of hij wel meende,
wat hij zei.
"Zoo, wil je muzikant worden? Ei, ei! Maar dan dien je te beginnen
met de noten te leeren!"
"O, meneer, die ken ik al! Ik heb ze op school geleerd! En.... maar
zal u niet boos worden, als ik u nog wat zeg?"
"Dat komt er op aan wat het is, manneke!"
"Nu, meneer, ik kan piano spelen ook! Dat heb ik op uw piano geleerd,
als u niet thuis was!"
"Ja, dat piano spelen zal wat moois zijn, als het voor de heeren
komt! Kom, ga eens mee, en laat me dan eens hooren!"