"Jawel, meneer, maar mag ik dan een boek hebben?"
"Een boek, jongen, ben je mal? En welk boek zou je dan wel willen
hebben?"
"Dat dikke, meneer!"
Dat dikke boek was juist datgene, waaruit hij meneer zoo dikwijls
had zien spelen, en als hij dat deed, moest Frans altijd de bladen
omkeeren, maar omdat de oude muzikant meende, dat Frans er niets van
wist, had hij altijd bij het einde van ieder blad gezegd: "Keer om!"
Weldra zat Frans voor de piano, en daar begon hij. En achter zijn
stoel stond mijnheer Moerdijk met oogen vol verwondering. Op het
laatst werd hij echter zóó aangedaan, dat hij Frans van het stoeltje
rukte en uitriep: "Van wien heb je dat zoo geleerd, jongen?"
"Ik heb het van u afgekeken, meneer, en zoo mijzelven geleerd. Als
de meester op de school ons van de noten wat leerde, heb ik alles
onthouden en...."
"Frans, je zult muzikant worden, hoor je! Jongen, jongen! Het is
onbegrijpelijk!" En hierop liep hij de kamer eenige malen rond,
telkens uitroepende: "Onbegrijpelijk! Onbegrijpelijk!"
Intusschen stond Frans midden op den vloer en wist niet wat hij
zeggen zou.
"Weet je wat, jongen, wacht hier even!" zei mijnheer en verdween in
een zijkamer.
Een half uurtje later kwam hij weer terug, maar nu netjes
aangekleed. Hij had een dikken wandelstok in de hand en zei: "Ga mee,
Frans!" en deze volgde gewillig.
Weldra waren ze op straat, doch geen woord werd gesproken, tot ze op
een pleintje voor een groot gebouw stilstonden.
"Wat staat daar boven de deur?" vroeg mijnheer Moerdijk en wees met
zijn stok naar het gebouw.
"Muziekschool, meneer!" was het antwoord.
"Precies! Nu, hier moeten we zijn!" hervatte de oude heer en schelde
aan.
Een bediende deed de deur open en liet de bezoekers in een zijkamertje,
waar, na eenige oogenblikken, een lange man met blonden baard en
knevel binnentrad en beleefd vroeg wat mijnheer wilde.
Mijnheer Moerdijk antwoordde hem in het Fransch en toen ontstond er
tusschen die twee heeren een gesprek in die taal, dat wel een half
uur duurde.
Frans verstond er niets van, doch hij begreep toch wel waarover het
zijn zou, en toen het gesprek geëindigd was, zei de blonde meneer:
"Kereltje, deze meneer wil een muzikant van je maken en dat vind
ik goed! Maar.... krukken komen niet meer door de wereld. Zoodra ik
merk, dat er toch niets meer dan een kermismuzikant uit je groeit,
kan ik je niet gebruiken. Leeren is dus de boodschap, begrepen? En nu,
morgenochtend om half twaalf wacht ik je hier in school. Het poortje
hiernaast zal openstaan, en je zult er wel meer jongens binnen zien
gaan, die volg je maar! Nu, tot morgen!"
Hierop gaven de heeren elkander de hand en.... de deur viel achter
beiden dicht.
Nu zou ik jelui kunnen vertellen, wat er zoo al dag aan dag met Frans
voorviel, maar dat doe ik liever nu niet. Ik wil je alleen zeggen,
dat de blonde heer Frans niet behoefde weg te zenden. De arme knaap
werd.... maar stil, ik heb toch nog wat te zeggen.
Toen Frans zoo in die wachtkamer zat en de beide heeren een taal
hoorde spreken, waarvan hij geen woord verstond, hinderde hem dat
erg. Niet dat hij zoo nieuwsgierig was en van stukje tot beetje
verlangde te weten, wat de heeren met elkander bespraken, neen, dat
niet. Het hinderde hem maar, dat hij nog niet alles wist wat meest
alle fatsoenlijke menschen weten, en daarom nam hij het besluit,
ook Fransch te leeren, het mocht kosten wat het wilde.
Maar hoe dat aan te leggen? Mijnheer Moerdijk vragen of hij het leeren
mocht, dat durfde hij niet; want hij begreep wel, dat deze toch al
zooveel voor hem betaalde. Dagen achtereen liep hij hierover na te
denken en nog wist hij niet, hoe hij het aanleggen zou, toen hij op
zekeren morgen op weg naar de muziekschool, den Franschen pianomaker
tegenkwam, die hem vroeg: "Garçon, jij mij kan zek, waar woont die
monsieur Vluuktenbourg? Ik niet wete!"
Frans keek eens op de torenklok en zag, dat hij nog wel een kwartier
tijd had, en daarom zei hij: "Ga maar mee, meneer, ik zal u er
brengen!"
Nu begonnen Frans en de pianomaker zoo goed en kwaad dit ging een
gesprek te voeren, en de laatste beklaagde zich, dat hij niet meer
van het Nederlandsch wist, en dat dit zoo moeielijk was, omdat zijn
knechts hem de helft van den tijd niet verstonden. Frans vond dat
ook en.... daar schoot hem iets te binnen. Ais hij dien meneer eens
vroeg, of hij hem Fransch wilde leeren, dan zou hij ... ja, als dat
eens kon ... dan ...
Maar het hooge woord kwam er niet uit. Telkens als hij er over
beginnen wilde, dan was het of er iets in zijn keel schoot. Reeds had
de Franschman hem bedankt en stond gereed bij den heer Vluchtenburg
aan te schellen toen Frans zich omkeerde en zei: "Meneer!"
"Eh, watte?"
Ja, nu moest het hooge woord er uit, en hoe meer Frans sprak, des te
vrijer werd hij. De man lachte eens en verzocht Frans 's avonds bij
hem te komen, dan konden ze er samen eens over praten. Dien avond
werd er tusschen die twee bepaald, dat ze elkander leeren zouden.
Ik zeg nog eenmaal, wie vooruit wil in de wereld, wie graag leeren
wil en den wil heeft, die komt er wel.
Frans en de Franschman kwamen er ook, en, al was het Nederlandsch nu
ook al niet zoo goed, als dat van een onderwijzer, en al haperde er
hier en daar wel eens wat aan het Fransch, met geduld en goeden wil
kan men bergen verzetten. Dat ondervonden deze twee ook.
Den 13den Maart was Frans jarig. Hij zou dan veertien jaren oud
worden. En weet je wat hij op dien dag van mijnheer Moerdijk kreeg? Ik
zal het je zeggen: hij kreeg vergunning om Fransch, Engelsch en Duitsch
te gaan leeren. Maar wat zag de goede man vreemd op, toen Frans hem
zei wat hij gedaan had en om te bewijzen dat het geen bluffen was,
met hem Fransch begon te spreken! De tranen kwamen hem in de oogen
en de goedige oude legde zijn hand op Frans' hoofd en zei: "Je bent
een flinke jongen! Je moeder kan plezier aan je beleven!"
En werd dit woord bewaarheid?
Tien jaar later zat er op den hoek van een straat in Londen een blinde
man erbarmelijk op een viool te spelen. Zijn pet, die op de straat
voor zijn voeten lag, en waarin eenige koperen geldstukjes waren,
liet duidelijk zien, wat hij aan de menschen vroeg.
Maar de meesten gingen voorbij zonder den blinden man maar even aan
te kijken, zoodat de ongelukkige niet veel kans had, iets meer te
verdienen dan een stukje droog brood.
Onderwijl de man zoo voortspeelde, kwam er een rijkgekleed heer met
een dame voorbij.
"Och," zei de dame, "kijk dien stumperd daar eens zitten! Och toe,
geef hem wat!"
De heer keek eens in de pet en zag niets anders dan eenig kopergeld.
"Wordt je niet moe, oude man, met zoo den heelen dag te spelen? Wil
ik je eens aflossen, dan kun je wat uitrusten!" zei de heer.
"O, als u ook spelen kunt, graag!" was het antwoord en de viool
ging uit de handen van den blinden bedelaar in die van den rijken
heer over. Hij stemde de snaren, bestreek den strijkstok met hars,
en begon zóó prachtig te spelen, dat niemand meer voorbijging zonder
te blijven staan luisteren.
Bijna iedereen kende den ouden, blinden muzikant, maar dezen heer
kende niemand, doch iedereen begreep, waarom die voorname heer daar
zoo stond te spelen.
Dat moest een eerste meester op de viool zijn! Zóó hadden ze het
nog nooit gehoord en.... klink-klank,--klink-klank--het goud- en
zilvergeld rolde in de pet van den arme, die zat te beven van geluk
en te schreien van blijdschap.
Eindelijk legde de heer de viool in de armen van den ouden man en
zeide: "Neem je pet nu op. Hier is een rijtuig, laat je nu maar thuis
brengen, vriend!"
"O, God zegene u, God zegene u! U kunt niemand anders zijn dan die
groote kunstenaar, die door heel Europa trekt. U bent...."
"Ssst!" zei de heer en verwijderde zich snel met de dame.
En weet je wat de dame zei?
Ze drukte de hand van haar man en sprak met bevende stem:
"Frans, Frans, wat heb je dien man gelukkig gemaakt! O, ik dank je
ook! En.... ja, die arme blinde heeft waarheid gesproken: God zal
je zegenen!"
"Zeg, man, wie was die vioolspeler?" vroeg een heer, die in een mooie
koets zat en ook stil had laten houden.
"Dat was de beroemde vioolspeler Frans Jacobsen, mylord!" antwoordde
de blinde.
"Die viool moet ik voor een gedachtenis hebben. Ik geef er vijftig
pond voor!" liet de lord zeggen en je begrijpt wel, dat de blinde
voor vijftig pond, dat is zes honderd gulden, zijn oud instrument
gaarne afstond.
Reeds denzelfden avond waren de couranten vol van hetgeen gebeurd was,
en waren vijf menschen overgelukkig.
De blinde, omdat hij nu niet meer behoefde te gaan spelen en zich in
een gesticht koopen kon, was de eerste gelukkige.
En de andere vier, wie waren die?
In een voornaam hotel op een der grootste marktplaatsen van Londen
zit een stokoud, maar nog krachtig man in een grooten stoel.
Dicht bij hem aan een tafel zit een bejaarde dame. Ze is bezig de
Haarlemsche courant te spellen.
Spellen?! Ja, spellen; want de vrouw kon zeer slecht lezen. Nu leefde
ze uit de korf zonder zorg, maar....
Eens was ze een arme weduwe, die dag aan dag bij anderen uit werken
moest gaan en dan nog niet eens zooveel verdienen kon, dat ze haar
jongen kon laten schoolgaan!
Maar, ze had een besten zoon in haar eenig kind! Die jongen was
braaf voor drie en vlijtig voor vier. Hij had een wil en een moed,
die zeeën konden leegmalen!
En dan, ja, behalve dien goeden zoon en een milden buurman, had ze nog
iemand, die haar en haar kind nooit vergeten had, en nooit vergeten
zou! En dat was de lieve Hemelvader, die geen zijner schepselen
vergeet: die de bloemen des velds kleedt, die het eenvoudige muschje
voedt en die een Man der weduwen en een Vader der weezen wil zijn.
Nu was ze bij dien ouden heer, die daar in den stoel zit, huishoudster
geworden, en als deze op reis ging, dan moest zij altijd mee. En
overal waar hij eenige dagen bleef, liet hij de Haarlemsche courant
voor de oude vrouw per post komen, omdat ze er zich den geheelen dag
mee bezig kon houden.
"The Times, sir!" zei een knecht, die binnentrad.
De oude heer knikte, de knecht ging weg en de oude vrouw bracht die
vreeselijk groote courant bij den heer, die haar aanpakte en begon
te lezen.
Ook vrouw Jacobsen begon weer te spellen, maar eensklaps sprong de
oude heer van zijn stoel op, liet van verwondering zijn sigaar vallen,
en op de ontstelde vrouw toevliegend, schreeuwde hij: "Vrouw Jacobsen,
dat is een bericht! Lieve Vader in den Hemel, dat is een bericht, dat
me meer dan duizend gulden waard is! Jij hebt nog eens een zoon, hoor!"
"Maar wat, wat is er dan toch?" vroeg de vrouw bevende.
"Luister! Ik zal in het Nederlandsch voorlezen, wat hier in het
Engelsch staat.
"Heden had op den hoek van de S....straat een vreemd voorval
plaats. Iedereen kent den blinden vioolspeler John, die daar dag aan
dag op zijn oude viool zit te krassen. Niemand is er, die geloofde,
dat men op die oude kast nog wat anders kon doen dan zagen. Doch zie,
vanmiddag stonden daar honderden stil om te luisteren naar het spel
van een vreemden heer, die op dezelfde viool zoo heerlijk speelde,
dat ieder verrukt was en niet anders kon doen, dan een stuk geld in
de pet van den blinde werpen. Toen de oude zijn pet bijna vol goud en
zilver had, legde de musicus de viool neer en verdween met zijn vrouw
tusschen de menigte. De blinde herkende hem echter aan het meesterlijk
spel en zei: 'God zegene den grooten meester Frans Jacobsen!'"
"Wie, wie, wat, wat zeg je?" schreeuwde de oude vrouw. "Mijn, mijn
Frans, mijn eigen Frans?"
"Ja, vrouw Jacobsen, jouw zoon, die...."
Andermaal ging de deur open en....
"Dag moeder, dag meneer Moerdijk!" zeiden de heer en de dame, die
binnentraden.
"Lieve, lieve Frans!" riep de oude vrouw. "O, mijn jongen, wat maak
je me gelukkig!"
"God zegene je, Frans!" sprak nu mijnbeer Moerdijk en tranen sprongen
uit zijn oogen.--zegene je!--Jongen, jongen, wat een gelukkige dag!"
"Hoor eens, moeder, hoor eens, meneer, spreek, als je me een pleizier
wilt doen, niet meer over die kleinigheid, waarover de lui hier, naar
ik hoor, zulk een ophef maken, dat het al in drie of vier couranten
staat. U beiden hebt me gelukkig gemaakt, waarom mag ik anderen nu
ook niet gelukkig maken? En kom vrouw, daar staat een piano, hier is
mijn viool: we zullen samen wat muziek maken. Dat verzet de zinnen!"
De avond vloog om en het was tien uur eer men het wist.
Tien uur was voor de twee oudjes het bedklokje, en alleen als er
eens een concert gegeven werd, kon het een uurtje later worden. En
dat zou den volgenden dag zijn, Frans zou een concert geven.
Hij bracht zijn oude moeder in de loge, die voor haar, zijn vrouw en
mijnheer Moerdijk bestemd was en begaf zich toen naar het orkest. De
zaal was al stampvol, maar niemand kende mijnheer Jacobsen, zoodat het
gegons en gebrom bleef aanhouden en niemand acht sloeg op den heer,
die daar zijn familie in een loge bracht en toen door een deur bij
het orkest verdween. Het zou misschien een andere muzikant zijn;
dien avond speelden er nog meer.
Maar nauwelijks was hij de orkest-deur binnen, of een oude heer
stond op en riep, op zijn Engelsch natuurlijk: "Stilte!" Dadelijk
was alles stil.
"Mee, ouwentje, mee!" zei de heer, die de lord was, die de viool
gekocht had en hij bracht den blinden muzikant op het orkest.
"Dames en heeren," dus begon de lord, "dezen man zult u wel kennen! Hij
is Blinde John en hij is het voor wien gisteren mijnheer Jacobsen
gespeeld heeft!"
Van alle kanten riep men den blinden muzikant een welkom toe.
"En nu heb ik er zóó over gedacht. We moesten dien Hollandschen violist
een klein geschenk geven voor zijn edelmoedige handelwijze. Zie,
ik heb deze vioolkist gekocht en daarop in een gouden plaat laten
graveer en: 'Liefde om liefde. Londen aan Frans Jacobsen.' Blinde
John mag hem die kist geven, en ieder, die er wat aan bijdragen wil,
kan dat straks bij het verlaten der zaal in een bus doen. Al wat
er meer is dan de helft van hetgeen die kist gekost heeft, is voor
Blinden John! Dat had ik te zeggen! Stil, stil, daar komt de meester!"
Frans kwam zonder dat hij ergens van wist op het orkest en opeens
stonden al, al de menschen op en begroetten den kunstenaar met de
grootste hartelijkheid, en toen Blinde John hem met een paar gebrekkige
woorden de prachtige vioolkist overreikte, scheen het huis te moeten
instorten, zulk een handgeklap, voetgetrappel en geroep werd er
gehoord. Wat de bewogen, de diep bewogen Frans zei, verstond niemand,
maar Frans greep terstond zijn viool en heel zijn dankbaar hart liet
hij spreken in een muziekstuk, dat nergens geschreven of gedrukt was,
maar dat zoo al voortspelende gemaakt werd in het dankbare hart.
Eindelijk legde hij de viool neer en--zonder de goedkeuring van
het publiek af te wachten, verwijderde hij zich even van het orkest
om--zijn oogen af te drogen en heel in stilte Hem in een paar woorden
te danken, die den armen torenwachterszoon zoo over- en overgelukkig
had gemaakt.
Dat Frans dien avond veel lof inoogstte, zal wel niet gezegd moeten
worden. Dat de bus aan de deur te klein was en dat Mylord zijn hoed
moest ophouden ook, was een meevallertje. Blinde John behoefde nu
zelfs niet meer naar een gesticht te gaan.
Dat er ook dien avond vier Hollanders in Londen gelukkig waren,
zul je vanzelf wel begrijpen.
En hier is mijn vertelling uit, kinderen! Als jelui er nu maar uit
geleerd hebt dat de Liefde en het Geluk de wereld niet uit zijn en
dat God helpt, die zichzelven helpen, dan ben ik tevreden.