"Meneer, meneer, vanmorgen is er een jongen van het dorp naar de
gevangenis gebracht, omdat hij gestolen heeft!" zoo riep op zekeren
Zaterdagmorgen het zoontje van den dokter, toen hij bij den ouden heer
Van Laeken achter in den tuin kwam, waar reeds het geheele gezelschap
vergaderd was.
"Wie, Herman? Wie?" vroegen terstond eenige meisjes en jongens.
"Wel, Govert de Plinte!"
"O die!" riepen eenigen, alsof ze zeggen wilden: "is het anders niet?"
"En wie is die Govert de Plinte, Herman?" vroeg mijnheer Van Laeken.
"Dat is...." riepen dadelijk eenigen, doch eer ze verder konden gaan,
legde de oude heer met een: "Ssst, we kunnen wel samen zingen, maar
niet samen praten,--ik vraag het aan Herman," dien driftigen mondjes
het zwijgen op.
"Govert de Plinte is de zoon van Wout, den poldergast, die wel
een half uur van hier midden in het land woont. Op school was hij
zulk een deugniet, en hij bleef zóó dikwijls stilletjes thuis,
dat meester hem op het laatst niet meer op school hebben wilde. O,
meneer, die Govert zei altijd zulke leelijke woorden en hij vloekte
zoo! En eens heeft hij van mij een doosje met kleurkrijt gestolen,
dat ik meegebracht had om een kaartje te teekenen. Ik had het in den
lessenaar gezet en het vergeten mede te nemen toen ik naar huis ging!"
"Ja, en mijn pet heeft hij bij den smid in de sloot gegooid," riep
Jan van den timmerman.
"En bij meester heeft hij al de aardbeien afgeplukt toen hij school
moest blijven. Hij is toen door het raam geklommen!" zei een ander
en een derde voegde er bij: "Ja, en van mijn zusje heeft hij een mooi
Faber-potlood gekaapt!"
Misschien zouden de kinderen nog veel meer van Govert verteld hebben
als mijnheer Van Laeken niet gezegd had: "Stop maar, ik weet genoeg
van dien knaap, en nu ik dat alles weet, verwonder ik er mij ook niet
meer over, dat hij vanmorgen naar de gevangenis gebracht is. Van zulk
een jongen kan men niets anders verwachten. Ik weet ook wat van een
paar deugnieten te vertellen, waarmee het niet veel beter afgeloopen
is, ja, misschien wel erger! Ik zal je dat eens vertellen.
Mijn goede vader had nog een flink bestaan en droomde er niet van, dat
hij eens gebrek zou moeten lijden. Daarom had hij voor mij een school
gezocht, waar de kinderen heel veel leeren konden, en al kostte dat
ook veel geld, dat had vader er wel voor over; want hij zei altijd:
"een kop met verstand is veel gemakkelijker mee te dragen dan een zak
met geld. Geld kunnen ze een mensch ontnemen, maar wat in het hoofd
zit, daar moeten ze afblijven!"
Op die school gingen ook twee zoontjes van een schrijnwerker, die
wel met twaalf knechts werkte en dus veel geld verdiende. Nu spreekt
het vanzelf, dat die man het heel druk had en zich daarom niet altijd
zooveel met zijn kinderen bemoeide, als dat wel moest. Geheele dagen
was hij soms van huis en daar hij veel van zijn kinderen hield, gaf hij
om hun maar pleizier te doen, hun in alles den zin, als hij eens thuis
was. En Henri en Jacques,--zoo heetten de jongens,--waren slim. Ze
wisten precies waar ze moesten gaan staan om vader te bedriegen. Ja,
ze wisten zich zóó mooi voor te doen, dat van al het kwaad, dat
ze zelf deden, een ander de schuld kreeg. Er kwamen heel dikwijls
klachten over de beide jongens en, als hij er dan wàt van geloofde,
dan wisten de schelmen zóó te praten, dat vader op het laatst zei:
"Ze schijnen het dan ook altijd op jelui beiden voorzien te hebben. Het
is schande! Maar, als ze weer komen klagen, dan zal ik die lui wel
eens terechtzetten."
Dat was koren op den molen van de deugnieten, en ze maakten elkander
wijs, dat er geen beter vader op heel de wereld was.
Hoe ze zich bedrogen!
Hadden ze nu maar een moeder gehad, die vader eens alles vertelde,
zooals het was, maar ach, de arme jongens, hun moeder was in een
krankzinnigen-gesticht en de dokters hadden gezegd, dat ze nooit meer
beter zou worden.
Een oude tante van vader deed het huishouden, en daar deze arm was,
en door haar neef al eens bedreigd was, dat ze het huis uit zou
moeten, als ze weer over zijn "arme, lieve kinderen" klagen kwam,
had ze besloten te zwijgen, er mocht gebeuren wat er wilde.
Dat was nu wel niet mooi van die vrouw; maar oud en arm zijn en niet
weten waarheen, dat zegt veel en daarom moeten we het die oude vrouw
niet zoo ten kwade duiden, dat ze zweeg, en.... alles van de kwajongens
verdroeg om, zooals ze zei, een gerusten en goeden ouden dag te hebben.
En goed had zij het. Ze kon eten en drinken zooveel en wat ze
wilde. Maar het is met eten en drinken alleen niet te halen. Gelukkig
was ze niet; want de neefjes maakten haar het leven zoo bitter, dat
ze dikwijls heele nachten lag te huilen, in plaats van te slapen. En
dat moet niet. Als een mensch gezond, sterk en vroolijk wil blijven,
dan moet hij 's nachts slapen en geen andere dingen doen.
Onder degenen, die het meest kwamen klagen, behoorde monsieur Levin,
die ongehuwd was en een goede school had.
"Weet je wat," zei monsieur Levin op zekeren dag tegen baas Daelhouten,
den schrijnwerker, die hem brutale woorden gaf, omdat hij over de
broers klagen kwam, "weet je wat, baas Daelhouten, ik heb een goede
school! De voornaamste burgers van Antwerpen zenden er hun kinderen
heen, en ik weet zeker, dat ik meer dan twee andere kinderen van mijn
school verliezen zou, als ik je zoontjes hield, wanneer ze zich niet
beterden. Daarom vraag ik je op den man af: Wil je je jongens nu
straffen voor het gemeene kwaad, dat ze gedaan hebben, ja of neen?"
"Neen," sprak baas Daelhouten kortaf, "neen, ik straf mijn kinderen
niet. Ik weet dat iedereen aan mijn arme kinderen van al wat er
leelijks gebeurt de schuld geeft."
"Zooals je wilt!" antwoordde monsieur Levin, "zooals je wilt; maar
dan heb ik je ook wat te zeggen!"
"En dat is?" vroeg baas Daelhouten.
"Dat je je jongens niet meer naar mijn school behoeft te sturen,
want ik neem ze er niet meer op! Gegroet!"
Hierop ging monsieur Levin weg, maar baas Daelhouten dacht: "Och wat,
dat mag hij gezegd hebben; maar hij meent het niet! Als hij zoo met
alle kinderen doet, dan zou ik wel eens willen weten waarvan hij
leven moet! Morgen stuur ik ze toch!"
Zoo dacht de man; maar hij bedroog zich deerlijk. Vooreerst waren lang
niet alle kinderen zoo als de zijne, en dan, monsieur Levin had liever
armoe willen lijden dan kwajongens den zin geven. Toen den anderen
morgen Henri en Jacques stilletjes naar hun plaats gegaan waren,
riep monsieur hen voor de klasse en zei: "Hoor eens, jongeheertjes,
je vader schijnt niet begrepen te hebben, wat ik hem gezegd heb. Ik
wil geen straatjongens in mijn school hebben. Vooruit maar, marsch!"
In dien tijd moesten meest alle onderwijzers van het schoolgeld leven,
dat de kinderen meebrachten en ongelukkig de man, die een groot
huisgezin had en geen cent van dat schoolgeld missen kon. Zulk een
man was soms wel genoodzaakt toe te geven, en toen Henri en Jacques
thuis kwamen met de boodschap, die monsieur Levin hun meegegeven had,
lachte de vader en zei: "Gelukkig, dat er meer scholen zijn en ook
nog schoolmeesters, die meer van de kinderen verdragen kunnen, dan
die verwaande Levin. Wacht maar, jongens, ik zal je zoo wegbrengen!"
Ik ging school bij monsieur Gozewinus, een oud, braaf man. Wij hielden
veel van hem, want hij was goed. Zijn eenig gebrek was, dat hij doof
was. Als wij zijn vragen beantwoordden en hij verstond ons niet,
dan dacht hij, dat we met opzet zoo zacht spraken en dan gaf hij ons
wel eens straf, als wij het niet verdiend hadden.
Onderwijl we nu op zekeren morgen bezig waren met rekenen ging de
schooldeur open, en baas Daelhouten trad met zijn twee zoons binnen.
"Goeden morgen, monsieur Gozewinus," zei hij met een beweging of keizer
Napoleon zijn adjudant was, "goeden morgen, monsieur Gozewinus! Hier
heb ik twee leerlingen voor u. Ze hebben school gegaan bij Levin,
maar die man had me te veel noten op zijn zang en hij had het altijd
op deze jongens voorzien, die van alles de schuld kregen. Ik twijfel
niet, of u zult er anders over oordeelen en bemerken, dat mijn zoons
brave en vlugge jongens zijn!"
Wij zaten met open monden te luisteren en toen we die twee zoo hoorden
prijzen, keken we hen natuurlijk aan, maar we schoten in den lach,
toen de jongste, die Jacques heette, zijn tong naar ons uitstak en
Henri, de oudste, hem aan zijn haar trok, waarvoor Henri alweer een
schop van zijn broer kreeg.
Als er nieuwe jongens op school komen, wil ieder kind hen graag naast
zich hebben, en toen monsieur rondkeek bij wien hij hen zou zetten,
viel zijn oog op mij. Ik kreeg den jongste bij me. Al dadelijk gaf
ik hem de grootste plaats en zei, dat, als hij geen grift of pen had,
hij alles van mij kon krijgen, dat mijn vader magazijnmeester was en
dat ik koopman wilde worden. Ik vroeg hem of hij 's middags tusschen
schooltijd met me naar huis wilde gaan en of hij 's avonds bij me
kwam spelen. Op alles kreeg ik een voldoend antwoord en toen hij me
vertelde, dat ik 's avonds bij hem mocht komen spelen, dat de oude
tante dan allerlei dingen geven zou; en dat zijn vader een groote
houtloods had waarin ze soms halve dagen wegkropen, jongens, wat was
ik toen grootsch met mijn nieuwen kameraad. Toen ik 's avonds thuis
kwam, stond mijn mond niet stil over Jacques Daelhouten en 's nachts
droomde ik, dat ik boven in het pakhuis van zijn vader uit een stuk
mahoniehout met mijn pennemes een boekenplank zat te snijden.
Vader lachte eens even toen ik hem dat den volgenden morgen vertelde,
maar had hij geweten, waarmede monsieur Levin, de oude tante en nog zoo
vele anderen wel bekend waren, ik weet niet, of hij wel zoo vroolijk
gelachen zou hebben.
Den anderen morgen hadden we aardrijkskunde.
"Ik geloof dat die mooie meneer met dien bril op zijn vlasschuit doof
is," zei Jacques stilletjes tegen me.--Met die vlasschuit bedoelde
hij den neus van monsieur Gozewinus, die toevallig wat grooter dan
een gewone menschenneus uitgevallen was.
Ik knikte van ja.
"Dan zullen we een grap hebben," zei hij.
"Zeg eens, jongeheer Daelhouten," riep monsieur, "noem de eilanden
eens op, die boven Duitschland en Nederland liggen."
En daar begon hij: "Snork-niet, Rotte, Bokking, Schiet den monnik dood,
Naamval, Drie schellingen, Biertand, Deksel!"
Zulke grappen waren wij nog niet gewoon en daarom schoten wij allen
in den lach. Monsieur Gozewinus deed nu, alsof hij wel gehoord had,
dat hij ze niet goed had opgenoemd en zei: "Als ik je wel verstaan
heb, dan heb jij de eilanden in de Stille Zuidzee opgenoemd. Ik heb
je gevraagd naar de eilanden boven Duitschland en Nederland, waarvan
de meeste boven de Zuiderzee liggen."
"O, meent u die!" riep Jacques met het brutaalste gezicht van de
wereld, "jawel, monsieur, ik zal ze nu anders opnoemen. Norderney,
Rottum, Borkum, Schiermonnikoog, Ameland, Terschelling, Vlieland,
Texel!"
"Best, jongen, best! Dat gaat goed!" zei monsieur en vervolgde:
"En zeg de eilanden van Zuid-Holland eens op, George van Laeken!"
"Tulpenburg, Voorn in de Putten, Kriekenland," fluisterde Jacques,
terwijl hij voor zich keek, maar zoo hard dat ik en de jongen, die
aan den anderen kant zat, het best hooren konden.
Wij begonnen te lachen, en monsieur meende, dat wij hem voor den gek
hielden. Wij kregen ieder eene slechte aanteekening en mochten geen
beurt meer hebben.
Toen het uur om was zei ik tegen Jacques: "Dat is jouw schuld, dat
wij een slechte aanteekening gekregen hebben. Als je dat nog eens
doet zal ik de waarheid zeggen en...."
"Dan krijg je van Henri een pak rammel, reken er op!" zei Jacques. "Ik
bedank voor zoo'n vriendschap!"
Een half uur later was ik echter weer heel anders jegens Jacques
gestemd. Het hinderde me, dat hij boos was en daarom begon ik zulke
zoete broodjes te bakken, dat hij toen het vier uur was, zei: "Zeg,
kom je straks bij ons spelen?"
Ik nam dit aanbod met graagte aan en vroeg hem wat we spelen zouden.
"Wij gaan in de groote achterkamer wat met dobbelsteenen spelen. Henri
brengt Pierre de Rooze mee. Tante Kee zal ons chocolade geven!"
"Dat zal prettig zijn," zei ik.
"Nou! Maar zeg, je moet geld meebrengen, hoor!"
"Geld? Ik heb geen geld!"
"Heb je dan geen spaarpot? Als je komt moet je geld meebrengen,
anders kan je wel wegblijven!" Nadat hij dit gezegd had ging hij heen.
Ik keek hem na. Wat zou ik doen? Ik had wel een spaarpot en ik zelf
was er baas over. Iedere week kreeg ik er van vader een schelling
in. Maar vader wist hoeveel er in was en ik spaarde voor een Fransch
woordenboek. Toen ik thuis kwam was ik niet erg op mijn gemak. Ik
was mijzelf overal in den weg en hoewel ik anders onbeschroomd naar
boven ging, waar mijn boeken en mijn spaarpot stonden, nu durfde ik
het niet wagen uit vrees, dat moeder vragen zou wat ik boven moest
gaan doen. Ik wachtte daarom tot moeder uit de kamer ging en vloog
toen naar boven, maakte mijn spaarpot leeg, gooide hem uit het raam
en klom weer naar beneden, maar met een kloppend hart.
Een uur later ging ik de straat op. Ik was erg ongerust. Ik had een
gevoel, alsof iedereen aan mijn gezicht zou kunnen zien, dat ik iets
gedaan had dat niet goed was.
"Wat ben je toch een domme jongen, George," zei ik tot mijzelf. "Als
vader vraagt: 'Waar is de spaarpot?' dan ga ik hem zoogenaamd halen;
ik zal zoeken en eindelijk naar beneden gaan en zeggen, dat hij
gestolen moet zijn. Daarom heb ik hem weggegooid!"
Zoo beproefde ik mijzelf gerust te stellen en eindelijk kwam ik voor
het huis van den schrijnwerker. Jacques stond me al op te wachten
en het eerste wat hij vroeg, was: "Wel, heb je geld?"
Ik zei van ja en een kwartiertje later zaten we te dobbelen. Ik was
bijzonder gelukkig. In plaats van te verliezen won ik twee schellingen
en toen ik naar huis ging vond ik mijzelf dwaas, dat ik mijn spaarpot
weggegooid had. Als ik hem nu nog gehad had, had ik er weer alles
in kunnen doen. De twee schellingen, die ik gewonnen had, zouden dan
kunnen dienen om nog eens te gaan dobbelen,--ja, wat nu?
Maar wat wilde het toeval? Ik kwam voorbij een winkel en daar lagen
juist zulke spaarpotten als ik er een weggegooid had. Er was geen
haartje verschil in. Juist zoo groot, dezelfde kleur van hout, alles
hetzelfde behalve dat er geen groote G op stond.
Vader kon met een pennemes mooie letters in hout snijden en voor
mijn zusters en mij had hij op onze spaarpotten de eerste letters
van onzen voornaam gesneden.
Goede raad was duur; wat zou ik doen?
Eindelijk besloot ik den winkel in te gaan en zulk een spaarpot
te koopen.
Zonder te vragen: "Hoeveel kost die spaarpot?" zei ik: "Och, geef
mij dien spaarpot eens!"
"Asjeblief," zei de winkelier, zette er een op de toonbank en
vervolgde: "veertien stuivers!"
Daar stond ik gekke jongen nu. Afdingen durfde ik niet en den
winkel uitgaan zonder koopen durfde ik ook niet. Ik haalde dus drie
schellingen voor den dag, legde ze op de toonbank en.... kreeg twee
en dertig duiten terug. Dat was eene leelijke geschiedenis. Ik meende
voortaan van mijn winst te zullen kunnen spelen en nu moest ik toch
mijn toevlucht tot mijn spaargeld nemen. Ja, ik had daarenboven nog
twee stuivers minder dan toen ik heenging.
Zoodra ik thuis gekomen was bracht ik mijn boeken boven, zette den
nieuwen spaarpot naast dien van mijn zusters en, ja, precies eender
van kleur en gedaante, maar wat korter in de lengte en breedte en
wat langer in de hoogte. Ze waren alle drie even groot geweest.
Maar dat zou vader zoo gauw niet zien, en moeder keek er nooit naar.
Als ik er nu maar die G op krijgen kon.
Een scherp mes had ik niet. Vaders pennemes lag beneden in een
lade. Als moeder maar eens wegging!
Klingeling---klingeling!
Ha, tweemaal gescheld! Dat was de melkboer.
Ze ging heen en nog was ze niet aan de buitendeur of ik was met vaders
pennemes naar boven.
Nu aan het snijden.
Eerst teekende ik met pootlood een G. Flink maar! Hè, het zweet liep
me langs het voorhoofd.
Eindelijk was de letter klaar, wel niet zoo mooi, als die van vader,
maar.... wacht, als ik die van mijn zuster er naast hield, dan kon
ik toch zien, of ze veel verschilden met die van mij. Ik greep den
spaarpot van Mina en daar stond een M op.
Zou ik mij vergist hebben, dacht ik en greep naar dien van Kato. Al
zijn leven! Daarop stond een K.
Wat was ik dom geweest! In plaats van een schrijfletter had ik een
drukletter gesneden. Ik had een G gezet en het moest een G zijn.
Ja, er viel niets aan te doen dan van de G een G te maken. Had ik die G
maar niet heelemaal afgewerkt, dan kon er uit het bovenstuk precies een
_G_ en nu zat ik met dien leelijken, langen staart. In vrede, dan maar
een héél groote G. Vader zou niet kunnen zien, dat ik het gedaan had;
want.... Knak.... juist bij het dikke, onderste streepje brak mijn mes.
Kon er iemand ongelukkiger zijn dan ik?
"Wat voer je toch daar boven uit, George?" vroeg moeder.
"Ik leer mijn les, moeder," riep ik, maar ik voelde, dat ik bij die
leugen tot achter de ooren rood werd.
"Die kun je straks wel leeren. Kom nu even naar beneden en ga eens
naar den kruidenier om rijst, gauw!"
Alle ongelukken opeens!
In mijn angst wist ik niet wat ik deed. Ik raapte de houtsnippers op,
zette den half versneden spaarpot weg, stak het gebroken pennemes in
den zak en ging naar beneden.
"Een pond," zei moeder, die me stond op te wachten, en toen ik bleef
staan, zei ze: "Nu, waar wacht je op?"
"Op een flesch, moeder!"
"Op een flesch, dwaze jongen? Wanneer heb je een pond rijst in een
flesch gehaald?"
"O ja," zei ik, "het is waar, ik moet om rijst bij Wierhoeve op het
hoekje, hé?"
Wierhoeve was een smid, moet je weten.
"Maar jongen, wat scheelt er toch aan? Rijst in een flesch bij den
smid halen!--Zeg eens, George, heb je daar boven ook kwaad gedaan?"
Mijn gelaat werd als vuur zoo rood; maar toch zei ik driestweg:
"Neen, moeder, ik heb mijn les geleerd!"
"Goed, ga dan maar heen!" zei ze.
Ik ging, maar met den grootsten angst van de wereld en toen ik weer
thuis kwam was ik al in mijn schik, dat ze weer niet begon te vragen.
Intusschen was het donker geworden, het licht werd opgestoken en ik
begon mijn les te leeren. Maar daar kwam niemendal van in. De letters
dansten op het papier en toen vader thuis kwam begon mijn hart zoo
fel te kloppen, dat ik er raar van werd.
Als hij zijn pennemes maar niet noodig had.
"Vader," zei moeder, toen ze in de kamer kwam, "ik moet je eens wat
zeggen. Kom eens even hier!"
Vader stond op en ging met moeder in de gang.
Ik voelde dat ze het daar achter de deur over mij hadden en ik begon
nog akeliger te worden.
Eindelijk kwamen ze binnen. Geen woord werd gesproken en een oogenblik
later begon moeder de boterhammen te snijden. Hoe ik die boterhammen
binnen gekregen heb, weet ik nog niet. Het was maar, alsof er groote
brokken in mijn keel bleven zitten.
Ondertusschen was het maal afgeloopen en ik wilde naar bed gaan.
"Je moet eens even blijven zitten, George!" zei vader.
Moeder en mijn zusters gingen heen en ik.... ik begon hardop te
schreien.
"Beter berouw te hebben dan nog meer kwaad te doen, George! Vertel
eens eerlijk, wat is er gebeurd?" vroeg vader en zette den spaarpot
op de tafel.
Moeder had hem gehaald toen ik naar den winkel was.
Ik keek vader even aan en toen ik ook tranen in zijn oogen zag, neen,
toen kon ik mij niet langer inhouden. Ik begon krampachtig te snikken
en greep vaders hand.
"Je zult je ziek maken, George," sprak vader. "Vertel maar eerlijk
wat je met je spaarpot gedaan hebt, hoe je aan dezen komt en waar de
twaalf schellingen gebleven zijn! Je ziet, ik weet al veel!"
Ja, vader wist veel en daarom--neen, liegen kon ik niet, ik vertelde
hem alles, en legde ten slotte elf schellingen en twee en dertig
duiten op de tafel.
"Je bent nog niet slim genoeg om kwaad te doen, George! Je moet het
eerst nog wat leeren, en daar je dat niet hier in huis of bij monsieur
Gozewinus leeren kunt, raad ik je aan, les te gaan nemen bij je vriend
Jacques! Die jongen zal een kerel van je maken! Nacht, George!"
Vader stak de hand uit en ik drukte ze vurig.
Ik ging naar bed en.... o, ik heb nooit onzen Lieven Heer zoo gebeden,
als toen! Ik heb Hem nooit zoo voor zulk een goeden vader gedankt,
als op dien avond.
Den volgenden dag bekeek ik mijn nieuwen vriend Jacques met een paar
andere oogen dan vóór dien tijd, en toen ik hem zei, dat ik niemendal
met hem meer te doen wilde hebben, gaf hij mij een harden stomp voor
den neus, zoodat deze begon te bloeden.
Dat zag monsieur Gozewinus en ik werd bij hem geroepen om te vertellen
wat er gebeurd was. Ik aarzelde, maar toen ik zag, dat ik daardoor op
het punt stond voor een ander straf te krijgen, vertelde ik hem alles.
"Kom eens hier, Jacques!" beval monsieur.
"Blijven zitten, Jacques!" riep Henri uit de andere klasse zijn broer
toe en deze verroerde zich niet.
"Kom eens hier, Jacques!" beval monsieur nogmaals.
"Niet doen, hoor!" riep Henri weer en Jacques deed het ook niet.
Toen werd monsieur driftig en ging op Jacques af, maar Henri sprong
uit de bank en liep met een groote lei naar zijn broer, en monsieur
brutaal aanziende, schreeuwde hij: "Blijf af!"
Wij zaten op onze plaatsen van angst te rillen en te beven.
Zoo iets was er nog nooit op school gebeurd, en, al fopten we den
ouden man ook wel eens, toch hielden we veel van hem en, zoo waar,
de heele klasse stond gereed partij voor monsieur te trekken. Maar
het was gelukkig niet noodig. Met een kracht, waarover we verbaasd
stonden, pakte hij den flink opgegroeiden Henri bij den kraag en
Jacques bij den arm en bracht beiden, als twee kleine ondeugende
kinderen, in een hoekje bij den schoorsteen.
"Vanmiddag blijven zitten, kwajongens," zei hij en begon toen weer
aan het werk, alsof er niets gebeurd was.
Ik kan je niet zeggen welk een indruk dat op ons maakte. Nog nooit
hadden we geweten, dat die oude man nog zooveel kracht had. Van dien
dag af had hij ons geheel in zijn macht. We waren bang voor hem,
als we kwaad gedaan hadden, en we hadden hem nog even lief als vroeger.
Zoodra we uit school waren sloot monsieur de deur en liet de jongens
staan zonder iets anders te zeggen dan: "Over een half uur kom ik terug
en dan zal ik eens zien of het harde kopje wat zachter geworden is!"
Ja, monsieur Gozewinus wist wel welk vleesch hij in de kuip had
en daarom sloot hij de deur; maar, dat het zulk vleesch was, neen,
dat had hij niet vermoed.
Nauwelijks toch was monsieur de deur uit of ze klommen het raam
uit. Nu waren ze in monsieurs tuintje. Maar hoe er uit te komen?
"Wacht," zei Henri, "hier achter deze heining maar!"
Beide jongens kropen weg en hielden zich doodstil.
Eindelijk hoorden ze het schelpzand kraken en met den sleutel in de
hand trad monsieur naar de school. De sleutel ging in het sleutelgat
en de twee kwajongens hadden moeite om niet in een hard gelach uit
te barsten. Daar ging de deur open en, snel als de wind liep Henri er
heen, haalde den sleutel er uit, deed de deur op slot en.... monsieur
Gozewinus zat gevangen.
"Wie brutaal is, wint de halve wereld," zei Henri en nam Jacques mee
naar de achterdeur van monsieurs tuin.
"Wat moet jelui?" vroeg de meid.
"Hier heb je den sleutel van de school; monsieur zei, dat we dien
aan jou moesten geven en je moet ons door de voordeur uitlaten!"
De meid begreep er niets van, maar deed de voordeur voor hen open.
We waren op onzen gewonen tijd in school en vonden monsieur erg
afgetrokken.
De plaatsen van Jacques en Henri bleven onbezet.
"Waar zijn Jacques en Henri, monsieur?" vroeg ik.
"Den weg op naar de gevangenis, mannetje," was het antwoord, dat ik
niet begreep.
Als een loopend vuurtje ging het nu door de school, dat ze nu allebei
naar de gevangenis waren, en het zou wel waar zijn, als monsieur zelf
het zei.
"Vraag eens hoe lang ze moeten blijven zitten?" fluisterde een jongen
me in het oor. Ik deed het en nu was het de beurt van monsieur om
vreemd op te zien.
"Hoe kom jelui daaraan, jongens? Wie heeft je gezegd, dat Henri en
Jacques in de gevangenis zijn?"
"Uzelf monsieur!" antwoordde ik.
"Wat? Ik? Ik heb dat niet gezegd, manneke! Ik heb gezegd, dat ze op weg
naar de gevangenis zijn en daarmee bedoel ik: als ze zoo voortgaan,
dan zal er niet veel uit die twee groeien, en het kon best gebeuren,
dat ze nog in de gevangenis kwamen ook!"
Nu begrepen wij het, en we twijfelden ook geen oogenblik of monsieur
sprak waarheid. Ik althans twijfelde er geheel niet aan; ik was nog
niet vergeten wat er den vorigen dag met me geschied was.
Toen ik thuis kwam, vertelde ik vader en moeder wat er dien dag op
school gebeurd was.
"Zoo," zei vader, "dat jongetje zal het ver brengen!"
"Jawel, vader, maar er zijn er twee!"
"Dat weet ik wel, maar ik bedoel nu dien Jacques, je vriend, weet je!"
"Hij is mijn vriend niet meer, vader, dat weet u ook wel!"
"Ik hoop het, jongen, ik hoop het!"
Gelukkig is vaders hoop niet vergeefsch geweest. Ik had aan dat ééne
lesje genoeg.
En wil je weten wat er met die twee gebeurd is? Ze hebben het
leven van hun vader verkort, zijn geld verkwist en hun arme moeder
vergeten. Henri kwam op het schavot, en Jacques is in de gevangenis
gestorven.
De kinderen hadden van het begin tot het einde aandachtig geluisterd
en wilden weer heengaan toen het zoontje van den dokter zei: "Maar,
meneer, u zei zooeven, dat het met die twee kennissen van u niet
veel beter en misschien nog wel erger afgeloopen is dan met Govert
de Plinte!"
"Dat heb ik ook gezegd, Herman! Maar wat zou dat?"
"Wel, met dien Govert is het bij lange na zoo erg niet afgeloopen
als met die twee."
"Dat is zoo! Het is nog zoo erg niet; maar wat niet is, kan worden. En
dat wil ik jelui nog zeggen: een deugnieten-grapje kan er nog mee door,
maar herinner je altijd het versje:
Och, bedenk het, jongensstreken
Worden licht'lijk mansgebreken."