In Zweden is men nog niet zoover als in Finland. Wel is waar bezitten
daar de vrouwen sedert 1862 het kiesrecht voor de Gemeenteraden,
doch zij waren tot 1910 zelf niet verkiesbaar. Ook was dit recht
alleen gegund aan ongehuwden en weduwen en zat dan nog aan een
vrij hoogen census vast. Eerst in 1902 konden de voorstanders van
vrouwenkiesrecht erin slagen een organisatie, met het uitsluitend doel,
"gelijke politieke rechten voor mannen en vrouwen te verkrijgen",
tot stand te brengen.
Toen in 1884 mr. Borg, een lid van het parlement, een wetsvoorstel
indiende om den vrouwen kiesrecht te geven en ze verkiesbaar te
stellen voor alle wetgevende en wetsuitvoerende lichamen, stond hij
vrijwel alleen en werd in de Kamer met een schaterlach ontvangen en
door de pers gerediculiseerd.
Mr. Lindhagen, de tegenwoordige burgemeester van Stockholm, kwam in
1892 op nieuw met een dergelijk voorstel, en ofschoon het met een
verpletterende meerderheid viel, werd er toch eenige oogenblikken
aandacht aan geschonken en ook de nieuwsbladen spraken er zakelijk
over. Toch duurde het nog tien jaren vóór dat de vrouwen inzagen dat
zij zelf aan het werk moesten tijgen en dat zij zich moesten vereenigen
met het uitsluitende doel "politieke gelijkstelling van man en vrouw."
Het was juist in den tijd dat mr. Lindhagen voor den tweeden keer een
voorstel tot invoering van vrouwenkiesrecht bij het Zweedsche parlement
indiende, in April 1902, dat de vrouwen van Stockholm en Göteborg
gereed kwamen en de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht stichtten.
De eerste daad dezer Vereeniging was een door 5641 vrouwen onderteekend
adres bij de Regeering in te dienen om het voorstel Lindhagen te
steunen. Het voorstel viel met 111 tegen 64 st. Ook in 1904 diende
Lindhagen weer een zelfde voorstel in, dat toen 93 stemmen verwierf. In
1905 waagde hij het nog eens doch weder zonder succes.
Ondertusschen was de Vereeniging voor vrouwenkiesrecht onverdroten
aan den arbeid geweest om de vrouwen door het geheele land wakker
te schudden. Het aantal leden en afdeelingen groeide met den
dag. In 1906, toen een krachtige liberale Regeering de teugels
van het bewind in handen kreeg en een voorstel tot uitbreiding van
mannenkiesrecht aan de orde stelde, hoopten ook de vrouwen succes
te hebben. Vergaderingen werden in allerijl belegd, overal moties
aangenomen en in minder dan een week waren er 30 verzoekschriften
voor invoering van Vrouwenkiesrecht bij de regeering ingediend. Van
vier partijen ontvingen de vrouwen steun, die elk een amendement,
vrouwenkiesrecht beoogende, op de regeeringsvoorstellen indienden.
Het geheele regeeringsvoorstel viel en alleen werd aangenomen, met 127
tegen 100 stemmen, dat er een commissie zou worden benoemd, die een
enquête zou instellen, in hoever vrouwenkiesrecht voor Zweden noodig
en nuttig was. Door dit echec moest de liberale regeering heengaan.
Het opvolgend conservatieve Kabinet werd onmiddellijk door een
deputatie uit de vrouwenkiesrecht-vereeniging met de eischen der
vrouwen op de hoogte gesteld. Evenzoo de oude Koning Oscar. Echter
zonder direct gevolg. Toen werd in Febr. 1907 een monsteradres,
geteekend door 142000 vrouwen, bij de Tweede Kamer ingediend. Ook deze
poging faalde, doch had ten gevolge dat een der leden van de liberale
partij inlichtingen vroeg omtrent de resultaten van het onderzoek,
verkregen door de ingestelde commissie. Uit het korte antwoord kwam
toch duidelijk uit, dat de resultaten voor de vrouwen gunstig waren.
Kort daarna diende de regeering zelf een voorstel in om den vrouwen op
dezelfde voorwaarden als de mannen het kiesrecht voor de gemeenteraden
te geven en hen ook voor alle functiën in die Raden verkiesbaar te
stellen. Dit voorstel werd met groote meerderheid in Eerste en Tweede
Kamer aangenomen en is in 1910 in werking getreden.
Nu begonnen de vrouwen hulp te krijgen van de mannen. Vele Kamerleden
boden aan om met de vrouwen door het land op vergaderingen te
spreken om het vrouwenkiesrecht populair te maken. Evenals de
sociaal-democraten reeds een jaar vroeger hadden gedaan namen nu ook
alle liberale partijgroepen vrouwenkiesrecht als eerste punt in hun
partijprogram op. Als oppositiepartij konden zij nu gemakkelijk een
wetsvoorstel tot invoering van vrouwenkiesrecht indienen en weldra
kwamen dan ook van de sociaal-democraten, de Werkliedenverbonders, de
Lindhagengroep en andere liberalen zulke voorstellen in. Het bestuur
van de Ver. v. vrouwenkiesrecht werd uitgenoodigd de vergaderingen bij
te wonen waar deze Kamergroepen onderling de voorstellen bespraken,
die ingekomen waren. Het kon dikwijls nuttige wenken geven.
Ook door een club uit de Eerste Kamer werd het bestuur uitgenoodigd
tot een samenkomst.
De Ver. voor Vrouwenkiesrecht meende toen goed te doen om in Stockholm
een openbare vergadering te beleggen, waarvoor alle leden van Eerste
en Tweede Kamer een speciale uitnoodiging ontvingen en waar door de
leidsters der vrouwenkiesrechtvereeniging het vraagstuk nogmaals van
alle kanten zou worden toegelicht. Vele Kamerleden maakten van deze
uitnoodiging gebruik en veel van hetgeen zij daar hoorden, werd twee
dagen later bij een debat over vrouwenkiesrecht in de Eerste Kamer
schitterend aangewend.
Desniettegenstaande werden alle ingediende voorstellen 2 Mei 1908
verworpen.
De vrouwenkiesrechtvereeniging was ondertusschen gegroeid tot
142 afdeelingen met 11000 leden en hiermede meende het bestuur
krachtig genoeg te zijn om op de komende algemeene verkiezing grooten
invloed uit te oefenen. Met groote meerderheid was in de vereeniging
uitgemaakt, dat er momenteel geen dringerder nationale belangen in
Zweden bestonden dan de invoering van vrouwenkiesrecht, en dat daarom
de vrouwen dit belang nu nummer één moesten zetten. Men besloot
een schrijven te richten tot alle politieke partijen, waarin werd
meegedeeld, dat de vrouwen, ieder in eigen partij, bij de verkiezing
wilden medewerken, indien die partij alleen candidaten wilde stellen,
die vóór vrouwenkiesrecht waren. Weigerde de partij zich daartoe
te verbinden, dan zou die partij zelfs door eigen vrouwelijke
partijgenooten en door alle vrouwen te zamen worden tegengewerkt.
Verder werd door de vrouwen getracht overal in de besturen van
geestverwante kiesvereenigingen opgenomen te worden. Op alle
kiezersvergaderingen zouden zij tegenwoordig zijn en door vragen de
goedgezinde candidaten dwingen zich openlijk voor de kiezers uit te
spreken en door debat de tegenstanders te bestrijden.
Ook nam men zich voor zeer ostentatief de herkiezing te verhinderen van
uitgesproken tegenstanders, zoodat duidelijk zou uitkomen, dat hun val
een gevolg was van het optreden der vrouwen. Door strooibiljetten zou
men het groote publiek bewerken en waar in een district alle candidaten
voorstanders waren, zou men zich van elke inmenging onthouden.
Nauwelijks was dit besluit door de pers publiek gemaakt of door
sociaal-democraten en liberalen werden de vrouwen uitgenoodigd om
over vrouwenkiesrecht in hunne afgelegen afdeelingen te komen spreken
en werd haar aangeboden vrije reis- en verblijfkosten en zoo noodig
een kleine vergoeding. Den geheelen zomer van 1908 reisden de vrouwen
door het geheele land om op vergaderingen door de politieke partijen
uitgeschreven over vrouwenkiesrecht te spreken. Het gevolg was,
dat in het najaar bij de Rijksdagverkiezing een groote meerderheid
voorstanders voor vrouwenkiesrecht verkozen werd en dat de groote
tegenstanders uit de oude Kamer overal verslagen werden, en reeds
bij eerste stemming vielen.
In Maart 1909 werd eerst door een der liberale partijen en direct
daaropvolgend door de sociaal-democratische Kamerclub een voorstel
ten gunste van vrouwenkiesrecht ingediend, dat in het eind van April
in behandeling werd genomen en direct, zonder een enkel woord van
tegenspraak, met algemeene stemmen werd aangenomen. Ook de Koning had
zich verklaard vóór aanneming. Doch de Eerste Kamer, nog uit de oude
conservatieve leden bestaande, verwierp het.
Op 31 Dec. 1910 telde de Zweedsche Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht
174 afdeelingen, waaraan nog steeds nieuwe worden toegevoegd tengevolge
van de groote uitbreiding der beweging door het kongres van den
Wereldbond te Stockholm, dat in Juni gehouden is.
Op de jaarvergadering 10 Jan. 1910 te Jönköping gehouden, toonde
de juriste Fru Anna Wicksell aan, dat de nieuwe belastingwet in de
praktijk aan alle gehuwde vrouwen het kiesrecht toekende, als zij maar
een eigen jaarlijksch inkomen van 10 Kr. (op sommige plaatsen slechts 1
Kr.) bezitten. De beide Kamers hebben die opvatting der wet bevestigd
en verklaard, dat zij bij het aannemen der wet deze konsequentie ook
bedoeld hadden. Nu de vrouwen dus het aktief en passief kiesrecht voor
de gemeenteraden bezitten, hebben zij ook invloed op de samenstelling
der Eerste Kamer, en dien zullen zij niet ongebruikt laten. Reeds
in 1910 is daar het aantal voorstanders van het Vrouwenkiesrecht
belangrijk toegenomen en als de geheele Eerste Kamer volgens de nieuwe
kieswet (met evenredige vertegenwoordiging) zal zijn samengesteld, zal
daar de taaie tegenstand tegen het burgerrecht der vrouw gebroken zijn.
Verleden jaar (1910) zijn er in 't geheel 37 vrouwen van verschillende
partijen in de gemeenteraden gekozen, die daar haar ambt wel zoodanig
zullen vervullen, dat de perzik naar meer zal smaken.
De belofte van een enquête omtrent het vrouwenkiesrecht in andere
landen waarmede de regeering zich vooreerst van de zaak af hoopte te
maken, moest intusschen vervuld worden, en in Maart 1911 verscheen
een dik boek van prof. Reuterskiöld, dat een verzameling bevat van
regeeringsvoorstellen en debatten vóór- en tegen het vrouwenkiesrecht
in vele landen en een herdruk van de aan de Fransche Kamer door
Buisson verstrekte gegevens, maar geen ander advies dan dit: "als
de vrouwen zich tot een "machtsfaktor" hebben weten te verheffen,
dan moet men haar het kiesrecht geven."
Na deze enquête kwam het Wereldbondkongres te Stockholm en nu is men
midden in de verkiezingen voor de Tweede Kamer. Zooveel is zeker,
dat het in Zweden niet veel jaren meer duren zal, voor de vrouwen er
de zoo nuttige medezeggenschap in het staatsbestuur bezitten.