In vliegende vaart droeg de hooge, zwarte schimmel den vetten Donaat
Kops naar 's Konings kasteel.
De kiekens liepen schreeuwend weg, de spelende kinderen stoven uiteen,
en de moeders aan den afwasch bezig, kwamen verbaasd over 't halve
deurken den snellen ruiter nakijken, dien zij daar straks nog zoo
kalm hadden zien voorbij rijden.
Het zomerzweet lekte van zijn kaken, zijn darmen wierden in den
buik overhoop geschud, zijn kin en zijn kaken waggelden als geleien,
maar hij lachte uitgelaten, en spoorde en zweepte nog om rapper.
Zijn rijkbepluimde hoed viel af, hij liet hem liggen, rende voort en
hij lachte.
Hij lachte en ziehier waarom.
Hij was naar buiten gereden, naar zijn dunnen, bleeken vriend
Arnoldfienus die als een uitgelezen jager wierd geprezen, en
die vandaag Kops had genoodigd om sneppen te vangen. Kops had
natuurlijk aanvaard, daar hij wel wist dat achter de jacht die de
maag uithongert, er altijd een kloek, gezond maal met veel groote
wijnen wierd opgedischt.
Hij reed er dan naartoe over de schoone Julivelden die lui in de
zon lagen, en hij was vredig van harte, al bleef er helaas steeds
een klein leksken azijn van afgunst tegenover Graathals, het klare
water van zijn gemoed verzuren.
Hij was in den gewonen zin des woords tevreden.
En aan 't gele veerhuis, aan de Leie, waar blauwe lommer was en koelte
van water, steeg hij af en liet zich een potteken Oudenaerdsch brengen,
door een glimlachend meisje, waarvan hij bezonder den witten, slanken
hals bewonderde.
Gezeten achter het glanzige bier waar zon in keek, en bereid een
liefdesavontuurtje te beginnen met het meisje rijk aan geniepige
glimlachjes, hoorde Kops achter den hoek mannenstemmen aankomen,
die van den koning spraken. Seffens scherpte hij zijn ooren en trok
zijn puidenoogen luisterend open. En hij hoorde duidelijk: "Ja, ja
Gommaar, het kind dat de koning wilde hebben zit in Holland en leeft
gerust lijk God in Frankrijk."
"'t Is bijna niet te gelooven. Ja! moesten ze daar dan zooveel onnoozel
bloed voor vergieten? 't Is effenaf schandalig!"
Donaat stond recht en beefde. Er kwam een zalige blijdschap in zijn
oogen, en als de boeren, elk met een zeis en de frak op den rug den
hoek omkwamen om een pint te drinken, hielden ze ineens hunnen stap
en hunne woorden in. Zij verschoten en verbleekten van gezicht,
daar zij in Kops iemand erkenden die leefde aan het hof.
"Mannen," zei Kops gejaagd. "Is het waar wat gij daar komt te zeggen?"
De boeren bezagen malkander vol schrik en tevens verbaasd daar er
over Donaat een zoete glimlach hong.
"Gij spreekt toch van het kind van Bethlehem?" lachte Kops.
De grootste boer, een vent met één oog bekwam van zijn alteratie en
zei: "Ja."
"Vertelt! Vertelt!" juichte Kops. "Twee gouden dukaten als 't waar
is! Komt, zit neer, vertelt!... Juffrouw, geef ze ieder een stoop
trippele."
Franker en vrijer nu en gulzig naar de gouden belofte vertelde
de eenoog, met zijn klak draaiend, wat hem een marskramer met
name Kruisduit had uiteengedaan. Namentlijk: Toen de soldaten in
Bethlehem vielen was het kind reeds van in den nacht met zijne ouders
gevlucht. Hij zelf, Kruisduit, had voor het kind gevreesd, daar het
bezoek der drie koningen een doren was in Herodes' oogen; hij was zelfs
van zin de ouders van het kind aan te raden pak en zak te maken en over
de grens te trekken, "want die Kruisduit is een echten filosoof." Maar
zij waren reeds den bollewinkel in met den wind van achter. Als dus
bij 't vallen van den avond de soldaten in Betlehem kwamen...
"Goed, goed!" riep Kops dronken van overdadige blijdschap. Hij gaf
hun ieder een half franksken, vergat het schoonhalzige meideken te
betalen en rende er lijk een pijl uit den boog van onder, om het
Herodes te gaan vertellen.
Hij glorifieerde, hij jubelde, zong, lachte, sloeg op zijn billen. 't
Geluk ontplofte in hem en vulde al de vezelen van zijn vet lijf.
Hij sloeg twee vliegen in eenen slag! Nu zou zijn grooten droom
verwezenlijkt worden! De ministerzetel van Graathals hoorde hij
reeds krakend ineenstorten en Herodes zou voor 't aanschijn van heel
Vlaanderen moeten bekennen dat hij een aap was en de gulden staf van
eersten minister aan Kops moeten overgeven.
Hoe heerlijk voor Donaat! De horen van overvloed stortte al zijn
zwaarwegende weelde over hem.
Herodes zat in den hof schaak te spelen met den drogen
Schout-bij-nacht.
Zij zaten in den lommer van den enorm-hoogen, steilen muur, die
klimopbegroeid boven hun hoofd in de lucht hong. Er lagen bonte
oostersche tapijten over hunne koperen stoelen, en de ivoren
schaakstukken hadden blauwe en groene juweelen.
Een zwijgzame schenker schonk uit zilveren kan koelen appelwijn in
kristallen bekers, die regenboogkleuren toonden, en om den aangenamen
smaak en den frisschen geur te verhoogen, strooide hij in de bekers
een snuif ken versche rozenblaadjes.
Voor hen lag binnen de muren van 't kasteel de zonbeschenen hof,
de wegen waren proper, er helderden pioenen en het was heel, heel
stil dien middag. Er tjilpte een musch en boven in een kanteel zat
er iemand traagzame toontjes uit een mandolien te knippen.
Een edelman, met zilveren kruisdegen leidde een blauwe hofdame naar
den ronden vijver waar twee zwanen blankten.
O! had Herodes maar die zweren niet, die duivelsche zweren, hoe
zou hij dan van dit zoete zomerweer mogen genieten en van zijn tot
rustgekomen koningschap! Hij leefde in de zekerheid dat alle gevaar
was doodgeknepen, en er door den radikalen kindermoord niemand nog
zijn koppeken boven water zou durven steken.
Maar die zweren! Hij smaakte den schoonen zomer niet door die smerige,
pijnlijke zweren.
Zijn koeiengezicht was er vreeselijk door aangedaan. De rijpgeworden
zweren die stinkenden etter uitgistten schoten maar aanhoudend
afzettels; die jeukten en kittelden om er zot van te worden en hij
mocht er geen vinger aantitsen of hij brulde van de pijn.
Hooger klommen de zweren in zijn gezicht; de mond wierd reeds
leelijk omlaag getrokken door een helroode blinkende puist, en aan
den linkerneusvleugel hong een hard beurzeken met versch zwerenzaad.
Alle pappekens van chirurgijnen en monniken, alle bezweringen
van alchimisten en toovenaars, ja zelfs beewegen naar geroemde
Heiligenoorden waaraan hij niet geloofde, 't was boter aan den galg
en woorden in den wind.
Hadde hij geen koning geweest hij zou zich reeds lang de keel
afgesneden hebben. Maar 't was zoo plezant koning te zijn!
Herodes was een hartstochtelijk, ja zelfs vernuftige schaakspeler
en 't was die passie die hem soms zijn zweren deed vergeten. Nu
bezonder nu hij aan 't winnen was tegen den Schout-bij-nacht, die om
't schaakspel aan alle hoven was befaamd.
Een page kwam Donaat Kops met een haastige mededeeling aanmelden.
De koning, schrikachtig van aard, stemde aanstonds toe.
De Schout-bij-nacht wilde heengaan, maar met genereus gebaar liet de
koning toe dat hij bleef.
Daar verscheen de blinkende Kops.
't Was een schoon oogenblik voor Donaat. Zijn hart sloeg lijk een
voorhamer van geluk, maar zijn gezicht was ernstig als een elfurenlijk.
Hij groette buigend, en hij sprak als deed het hem pijn: "Excellentie,
ik groet U... Met groot leedwezen neem ik op mij den droeven plicht
u te komen zeggen, dat gij het slachtoffer zijt geworden van dwazen
raad. Raad die u gansch den haat van Vlaanderen op het lijf heeft
gejaagd en uw onheil heeft vergroot.
Het is hier kwestie over den kindermoord van Betlehem...
Ik herinner mij nog dat ik u aanried het kind alleen te dooden. Ik zelf
zou er mij mede gelast hebben. Gij kniktet reeds ja, maar de achtbare
Heer Graathals, uit haat dien ik hem vergeef, sprak het onbesuisde
gedacht uit van alle kinderen onder de twee jaar te dooden.... En
zie nu den omvang, de zeeoneindigheid van uw onheil. Het hangt met
een draad boven uw hoofd lijk het zwaard van een Grieksch geleerde
wiens naam ik vergeten ben....
Ik beklaag u... Er is nog een middel, niet om uw onheil af te keeren,
maar om uwe eer te redden. Werp de verantwoordelijkheid van u af."