DE VLUCHT.

Jozef draaide de lantaren uit.

De morgen kwam aan. Het licht zeefde koppig door den ijskouden mist,

die als een zee zonder water over de wereld stond en alle gezicht en

alle geluid verborgen en verdronken hield.

En ze waren nog altijd in het bosch.

Gisterenavond waren zij het ingegaan. Bij het arme licht van de

hoornen lantaren hadden zij er hunnen weg in gemaakt, en nu de

morgen opnieuw over d'aarde schoof, was het nog maar altijd bosch

en boomen. Er kwam geen einde aan. Altijd boomen en nog eens boomen,

die telkens doodstil uit de loggen mist te voorschijn spookten en er

weer seffens in verdwenen.

Jozef wreef den ijzel uit den baard en sprak tot Maria, die op den

goeden ezel zittende, het wezen van haar slapend kind beasemde:

"'t Wordt een nieuwe dag.... Waar zouden wij ons vandaag verschuilen?"

"'k Weet niet," zuchtte Maria, "laat ons maar voortgaan tot wij het

bosch verlaten hebben."

Ze gingen voort en zwegen.

Doch stillekesaan verdunde en verijlde de mist, en ineens, onverwacht,

waar de smoorbank ophield, stonden ze in het plotselinge licht van de

vroege zon. En Jozef en Maria zagen verwonderd rond om de schoonheid

die hen overwelfde en omringde.

De vorst had de dampen bevrozen. De rijm had zijn maagdelijke blankheid

om alle ding geweven.

De zwarte, natte boomen, ze waren van kop tot teen in 't wit getooverd;

elk takje, elk twijgje, het gras en het mos, de klimop en het riet,

't was eender wat, alles stond van onder en van boven hagelwit behaard,

kristalbesterd, glinsterend bepriemd en zilver bepluimd.

Over heel die heilige, witte weelde zong de verre zon een magere

gulden klaarte die een voorzichtige, perelmoeren schaduw gaf.

In die ijle, goudomgonsde, witte woudstilte gingen Jozef en Maria

met haar kind, en de ezel.

Het ernstig blauw hunner mantels was verweekt door 't pluksel van

den rijm, en de kop van den ezel was plezierig zilverbetinteld.

Het licht en al dit teeder-kleurig wit verhelderde een stond hun

angstig hart, en de sombere, moeilijke woudnacht lag al weer vergeten.

"Wij zijn het bosch te einde!" juichte Jozef. Hij wees naar 't

bleekberijmde veld dat zich achter de laatste boomen, helderwijd

openlei onder een weekblauwe lucht met vaagrozigen horizon.

En opgewekt stapten zij in de richting van het beijzeld dak eener

eenzame, lange, platte hoeve, die half achter een wolk van witte

boomen verscholen zat....

Eene lange, oude vrouw, smal van schouders en breed van heupen, en

het haar zedig weggekamd, kwam, de knokelige handen boven den buik

gevouwen, in het lage deurgat staan, als zij hen op den smallen wegel

naderen zag. En naarmate zij dichter kwamen verging de aarzelende

blijdschap van heur beenderig gelaat.

Terwijl Maria op den ezel gezeten bleef, vertelde Jozef met den hoed

in de handen, dat Herodes hen opzocht om hun kind te dooden. 't Was

daarom dat zij als schelm en dief zich slechts des nachts op de baan

dierven wagen en bij dage bleven zij ievers verstoken achter hoek of

kant, of bij gastvrije menschen, als 't God beliefde.

Zoo waren zij nu dagen over vlekken en dorpen gegaan, vol vrees en

angsten, en thans kwamen zij vragen of er in de schuur geen plaatsken

was, een voorschoot groot maar, waar zij zouden mogen blijven tot

het avond wierd, om dan weer voort te tiegen naar de zee die hen naar

veiliger oorden brengen zou. Zoo sprak Jozef.

De oude vrouw kwam het verdriet naar de fijne lippen. Ze had groot

medelijden met die dolende lieden, doch ze weifelde, dacht even aan

den wraaklustigen Herodes die haar ook zeker treffen zou, als hij

te weten kwam, dat zij die lieden herbergde. Maar als ze Maria zag,

zoo bleekskes en zoo moe, en toch zoo verduldig, reeds moeder en

bijna nog een kind, toen dacht ze aan hare eenige dochter, die al

vroeg bedrogen was, en van schaamte en vrees met den knecht was gaan

vluchten, en sedert dien van zich niets meer had laten hooren. Ze

wist wat ze doen moest. "Kom binnen en drink koffie."

't Werd al laat in den morgen. Nog zat Maria met het hoofd achterover

en het kind in den schoot, op een stoelken te slapen aan de warmte

van den haard.

Haar hoofd bloemde bleek op uit de haard-donkerte, de gespannen keel

was nog bleeker van de vele teederblauwe aders.

Jozef sliep met het hoofd op den hoek van de tafel.

De vrouw, recht in haar dik olijfgroen lakenkleed, zat bij het venster

een radijsroze kous af te breien. Ze had een bril opgezet om de steken

te tellen, maar ze zag er over heen en sloeg geen oog van Maria af.

Het was rustig, stil in de lage kamer die een bleeken terugslag van

het witte landschap droeg. Rond de groote tafel krinselde op de roode

propere steenen een keperken wit zand; het koper was zoet tegen de

blauwendige muren, en achter het ronde ruitje van de horlogiekast

tiktakte de zware slinger traagzaam over en weer.

En de oude vrouw lei de priemen neer, ze dacht aan de jonge moeder

die zooveel leed voor haar kind, en ze dacht aan haar eigen dochter

die in den vreemde dwaalde met haar nichtje.

Die dochter was 't verdriet van haar oude dagen, niet omdat z' in

schande was gevallen, dit had ze reeds allang vergeten en vergeven,

maar omdat zij hier niet was en niet terug kwam in dit huis waar

alles haar verbeidde.

Alle dagen zat de oude vrouw in de ijl-hopende verwachting haar ginder

op den wegel zien aan te komen, zooals zij Maria zien aankomen had.

Alle uren prevelden haar lippen nieuwe gebeden, en in de stilte,

als ze zich alleen wist, breide ze wollen kousekens voor het kind

waarover ze grootmoeder was. Het bed der dochter bleef gereed voor

haar opgemaakt, en alle Maandagen, zooals oude gewoonte, borstelde

zij hare Zondagskleeren uit. Maar ze kwam niet.

En nu dezen morgen was hare ziel opgesprongen van vreugde, toen ze

eene jonge vrouw op een ezeltje, door een oud man voorgegaan haar

huis naderen zag.

Maar 't waren helaas vreemde lieden die als honden wierden nagejaagd.

Wanneer, o, wanneer zou zij voor hare dochter en het kind ook eens

korenboterhammen mogen snijden, zooals zij voor die schamel-arme

menschen dezen morgen had gedaan?...

Toen Maria wakker werd zat de oude vrouw in hare magere handen te

weenen. Maria was er door bedremmeld, ze ging haastig tot de vrouw,

lichtte vertrouwelijk de handen van de weenende oogen weg en vroeg:

"Is het mijne schuld dat ge weent?"

"Och," zuchtte het oude mensch, Maria meewarig aankijkend door de

dikke tranen: "'t Is niets, 't is een oud verdriet dat weer opkomt

met u te zien."

Maria zweeg eerbiedig. De vrouw schudde hopeloos het hoofd, beet

op de lippen en wilde weer de priemen opnemen, maar als ze zag hoe

ingenomen en vol medelijden Maria haar aanstaarde, stond ze recht,

greep Maria's handeken en al haar opgekropt verdriet en liefde ronkte

los en welde naar omhoog in snikkende woorden. "Och, men durft en men

mag er nooit over spreken, en aan de steenen zou men het vertellen! Ik

heb een eenig kind, ze ziet er uit als gij, maar met donker haar en

zwarte oogen. Ze zal nu achttien jaar zijn en..." op dit oogenblik

zag ze op den regelrechten wegel een lange boer wijdbeenend komen

aangestapt. "Daar is mijn man!" zei ze haastig, "die wil niet dat ik

er over spreke!"

Ze veegde met haar vingeren de tranen uit de oogen. "Ziet ge dat ik

heb geweend?" vroeg ze angstig, en zij liep naar den haard waar ze

zenuwachtig in het vuur begon te koteren.

En angstig wordend bleef Maria staan.

Met een "brr" kwam de hoekige boer binnengestapt. Van onder gefronst

voorhoofd bezag hij Maria, en Jozef, die juist zijn rood-geslapen

hoofd ophief.

De oude vrouw die naar hem gekeerd stond voelde het in haren rug dat

hij haar vragend aankeek.

Schuchter als een kind, zonder hem te durven bezien, zei ze hem wat

Jozef had verteld.

De boer klopte swenst met zijn harde vingertoppen op de tafel,

en verwondering en achterdocht trok de langharige wimpers over de

oogholten en plooide zijn breeden mond tot een tootje.

"Menschen," zei hij daarna tot Jozef en Maria, "als 't waar is dat

ge van Bethlehem komt, dan moogt ge God bedanken! Want Herodes heeft

daar al de kinderen laten vermoorden!"

Maria sloot de oogen van ontzetting, de oude vrouw sloeg de handen

ineen van schrik, en Jozef stond recht, bevend over heel zijn lichaam.

Maar alvorens zij hunne verbazing konden uiten, zei de boer koel

en misprijzend:

"Maar nu moet ge van hier weg. 'k Zou niet geren voor U mijn pachthof

laten in brand steken!" Dat kwam er uit lijk een mes.

De oude vrouw zag hem smeekend en tevens om vergiffenis vragend aan.

Rauwe snikken klopten in Maria's keel, zij kon niet weenen.

De stilte neep, maar de boer trok onverschillig zijn schoenen uit.

"Kom," zei Jozef gelaten, "Maria kom."

Zij hebben niet gewacht tot de lamp werd aangestoken, en ze zijn

aanstonds voortgegaan; Maria met het kind op den ezel en Jozef vooraan

leunend op den mispelaar....

Toen ze al diep in 't witbeijzeld land waren zag Maria nog eens om

naar de eenzame hoeve, en toen ze in het deurgat nog de oude vrouw

ontwaarde, die hen achterna te staren stond met de handen gevouwen

boven den buik, toen brak haar gemoed en de tranen vloeiden weelderig

over de bleekheid harer wangen. Die oude vrouw, die haar verdriet moest

opkroppen, het geluk dat haar kind ontsnapt was aan die gruwelijke

moorderij en dan de dood van al die kinderen waarvan zij er zooveel

op den arm of aan de melkborst van hun moeder had gezien!

Het overweldigde en het brak haar: "O, Jozef," snikte ze op

zijn schouders, "waarom moeten ook andere menschen lijden om ons

kind?... Waarom mag ik alleen, die toch de moeder ben, alle leed voor

hem niet dragen?"

"Later, later," zei Jozef.

Den anderen dag was het Zondag.

Zij zaten verdoken uit te rusten in een hollen weg.

Maria gaf haar kind de borst en Jozef zat op zijn hukken over een

smeulend aschhoopken waarop patatkazakken lagen gaar te worden.

't Was de wind van de zee die over d' aarde liep!

Soms snorde hij in de stijve takken van den krommen knotwilg boven

op den weg, of sloeg zijn asem in de assche die dan rood opbloosde.

Zoo geraakten de patatten klaar en met een sneedje spek en een

snuifken zout genoten zij er van. Jozef zag dat Maria het eten bijna

niet aanroerde.

"Maria," praamde hij haar, "gij eet nog minder dan een vogeltje, ge

zult u ziek maken. Ge moet immers niet meer ongerust zijn; Herodes

is in 't goed gedacht...."

"Och Jozef," zei ze twijfelend "maar hij moest het eens te weten

komen!"

"Wat zou hij!" lachte Jozef, gerust als een visch. "Hij zal ons

hier niet komen zoeken! en als 't God belieft zijn we vandaag nog

aan de zee. Kom, kom!" en hij bood haar een gepelde aardappel in

't zout gesopt.

"Nu niet Jozef, waarlijk ik zou niet kunnen. Straks als dit pak

van mijn hart is. Laat ons maar voortgaan, als uw voeten u niet te

zeer doen."

Hij schudde compassielijk het hoofd.

"'t Is toch nog 't beste, we zullen maar voortgaan," zei hij

bereidwillig toegevend. Hij stopte het eten in een toegeknoopten

handdoek, wond nieuwe doekskes rond zijn felbeblaarde voeten, trok zijn

laarzen terug aan en haalde den ezel uit het riet eener gracht. Als

Maria op den ezel gezeten was, met het kind onder haar kapmantel,

togen zij verder het land in.

't Was de wind van de zee die over d' aarde liep.

't Was de wind van de zee, want de hemel stond stil, volgevuld met

lange, trage donkerblauwe wolken die eentonige avondkleuren aan het

landschap gaven en niet regenen konden.

Maar 't was een blijdschap voor 't gezicht als er soms door een gierig,

bleekblauw wolkenspleetje een zonnearm verre huizekens bestreelde of

zwarte boomen verbleekte.

"Ja, wij komen straks nog aan de zee!" zei Jozef verheugd. "Zie! het

land is hier heel anders!"

Hij wierd de zee gewaar aan de opene lucht, aan de naar het Oosten

zotgekromde boomenrijen; hij zag het aan de effenheid en de wijdte

en de platheid van het land. Hij voelde daarachter de ruimte, en

onbegrensde verten.

Een breede, slijkerige weg met hier en daar een rillend waterplasken,

liep plat, zachtdraaiend voor hen uit. Er waren weinig menschen die

heel ver waren en heel klein.

De boomen mineerden, 't waren nog maar alleen wat schaarsche

knotwilligen of een krom appelaarken. Vlakker en vlakker wierd het

land; de weinige witgegevelde huizekens stonden bijna ten voeten uit

tegen de duisterblauwe lucht afgeteekend.

Jozef pierde gespannen de verte in, om het eindelijke doel van hunnen

tocht te ontdekken.

Ginder, heel ver hong een zonneklad over het eentoonkleurige land,

ze verlichtte even de kruine van een stompen dorpstoren, te voren

niet vermoed, wandelde traagzaam verder, wekte een frissche groene

plek op waarin koeitjes waren en bleef lui liggen op een goudblonde

kenteling van hooge duinen.

"Zie ginder de duinen al! de duinen al!" riep Jozef uitermate

verheugd. "We zijn er Maria! We zijn er! Kom nu een stapken rapper!"

Er Jozef deed den ezel loopen en liep zelf trekkend vooraan, vergetend

de pijn die hem manken deed.

Van 't geschok schoot het kind wakker en begon te schreeuwen en

te enteren.

"Kom maar, kom maar!" riep Jozef kinderlijk uitgelaten, "'t zal

seffens overgaan!"

Maria loosde een luiden zucht van verlichting en drukte

hartstochtelijke kussen op het betraand kindergezichtje van vreugde

en angstontlasting.

De weg liep nevens een groot stuk weide, waarin een paard met een

veuleken grazend was. Paard en veulen zagen op naar den ezel en

beiden holden dat de aardklonten in de lucht vlogen hen tegemoet,

en aan den afsluitingsdraad gekomen bleven zij meeloopen in dezelfde

richting die de ezel liep. Jozef had er vreugde in. Het merriepaard

hinnikte, het veuleken sloeg zijn achterste pooten omhoog, en waar

de weide eindigde bleven zij pal staan en zagen als met spijt, omdat

het spelen zoo gauw gedaan was, de vluchtende familie achterna.

De duinen rezen hooger en hooger.

De goede Jozef wierd opgewekt van harte nu hunne reis bijna ten

einde was.

Als hij met zijn tong over zijn lippen wreef smaakte hij zout.

"Ik proef de zee!" riep hij.

"Hebt ge ooit de zee gezien?" vroeg hij aan Maria.

Op haar neen-schudden zei hij kinderlijk: "Daar zult ge van

verschieten! Groot, groot! Grooter als heel de wereld, en niets dan

water, altijd maar water!"

"En is dat niet gevaarlijk Jozef?"

"Als 't weder zoet is niet."

Zij klommen de duinen op. Jozef trok den ezel voor, die 't moeilijk

had in dit mulle, doorgevende zand en stekelige kruiden.

"Ik hoor de zee!" riep Jozef. "Zie, zie! daar is ze!" Meteen moest

hij zijn hoed dieper op het hoofd drukken of hij ware weggevlogen.

Ze waren boven. Een felle wind kletterde in hunne kleederen, en dààr

lag ze de groote, oneindige zee; effen donkerblauw als een avondhemel,

met scherp afgeteekenden einder tegen witte bloemkolenwolken, en op

het platte strand lei ze een ruischende kam van sneeuwwit schuim.

Zoo was de zee.

De Zondag maakte haar eenzaam.

Eene zonnevlek zweefde geelgroen over het donkere water, liep over

een grooten witten driemaster, die daarna weer donker en nietig was

tegen de witte horizontwolken.

Er vlogen veel meeuwen, als lodders waar de wind mee speelde.

De eenzaamheid der zee verblufte hen. 't Verwonderde Jozef dat er

geen schepen gereed lagen.

"En moeten wij daarover?" vroeg Maria angstig.

"O, neen! wij moeten over de Schelde; dat is ginder ver, 't Noorden

in." Hij wees in de richting van de in 't verschiet verdwijnende

duinenketting. "Daar is het zoo breed niet, daar ziet men bij klaar

weer den overkant."

"En is dat nog ver? zouden wij daar vandaag nog geraken?"

"Ja 't!" beweerde Jozef. "Maar 't zal niet noodig zijn zoover te gaan,

we zullen eerder wel een schipper vinden die ons zal opnemen."

Ze zagen eerst nog eens om naar Vlaanderen. Het lag daar onder hen,

wijd en grootsch onder de blauwe somberheid van den toeën hemel; maar

hier en ginder, uren en uren ver, pijlde de zon wat frischheid neer,

en ze zagen groote velden, vele windmolens, schaterhelle huizekens

en nietige dorpen, en heel in de verte als in koperen licht de torens

en daken van Brugge.

"Schoon Vlaanderen!" zei Jozef ontroerd.

Daar ginder, dagen en nachten achter die verten en bosschen hadden ze

zoo heel gelukkig en eenvoudig kunnen leven, ieder aan zijn nederig

werk en verblijd in de aanwezigheid van hun kind. Men hadde er onder

een dak gezeten, de aangenaamheid van de avondlamp gekend en het

uitrusten onder den eenen aan het open deurken.

Ze vroegen toch zoo weinig en nog wierd het hun geweigerd.

O 't had zoo geheel anders kunnen gaan!

En nu moesten ze voort, opgejaagd naar vreemde steden. Ze waren zoo

alleen, zoo nietig en verlaten en de wereld was zoo groot en het

leven zoo hard!

Met een krop in de keel zei Jozef: "Daar is toch niets aan te doen,

kom!"

Ze daalden naar het water en zij gingen op het met roze en grijze

schelpen bestrooide zand, tusschen de hooge duinen en de doodsblauwe

zee die hare witschuimende golven eeuwig heen en weder trok.

De zoute wind zoefde rond hen, flapperend, in- en uitrollend als gazene

vanen. Meeuwen hongen in den wind boven hun hoofd, en de driemaster

bleef als stil op de wijde, eentonige watervlakte staan. En altijd

maar duinen en altijd maar zee.

Na heel lang gaan ontwaarden zij in den witwattigen schuimasem die

boven de strandgolven hong een krijtwit kerktorentje.

"Niet ver meer," moedigde Jozef Maria aan, "ginder zullen zeker

visschers wonen."

Maar zij wisten niet hoezeer de afstand aan de zee bedriegt.

Het duurde en 't bleef duren, en als een zeldzame zonnestraal soms

over hen gleed, zagen zij hunne schaduw aan hunnen rechten kant

lang uitschieten.

"'t Zal gauw avond worden," zei Jozef onrustig.

Hij mankte en moest zwaar steunen op den mispelaar. Hij voelde dat

er iets nat in zijn schoenen plakte, hij wist dat het bloed was,

maar hij zei niets.

Zij waren daarstraks zoo blij geweest als ze de zee gewaar

wierden! Doch deze lange, eentonige tocht nevens dit 's Zondagsche,

verlatene water, die eenzaamheid op het strand, die krijtwitte toren

die altijd even ver wegbleef en dan de avond die zich voorbereidde,

't verslapte hun gemoed lijk zeilen waar de wind uitvalt, en zij

zeiden niets meer.

Eindelijk zagen zij op het strand twee visschersschuiten rusten.

Jozef hoopte van er iemand te vinden, doch als zij er bij kwamen, en

hij geroepen had en met zijn mispelaar op de holle door pekelwater

afgevretene karkassen had geklopt, bevond hij dat er geen menschen

op waren.

Zij gingen ontmoedigd verder. Het kerkje was verdwenen, maar waar

de duinen even ophielden om een weg door te laten die 't land

inliep, zagen zij het vlak bij hen uitsteken boven lage propere

visschershutten.

Zij meenden alsdan het dorpken in te trekken om naar een visscher te

zoeken, maar daar boven op de duinen zat een verliefd koppel dat de

eenzaamheid zocht, arm in arm.

Jozef dierf hen eerst niet goed toeroepen, doch hij vermande zich en

vroeg of er in 't dorp niemand was die hen naar Holland kon overzetten.

De jongen riep in zijn West-Vlaamsche taal terug, dat zij daarvoor

verder moesten gaan, tot waar de duinen ophielden, en waar zij aan

zwarte paaltjes een huizeken zouden zien op den dijk; daar woonde

de veerman.

Jozef en Maria dankten hen met eerbiedigen hoofdknik, en met een hart

zoo hol als een uitgezogen ei, sukkelden zij verder nevens de eeuwig

ruischende, oneindige Zondagzee.

De avond stond over de zee en over Vlaanderen. Een bloedroode berst

stond van achter den zwartgroenen watereinder in de inktblauwe lucht;

daar was de zon weggegaan.

Het was zoeler geworden, de meeuwen waren slapen.

De jonge veerman zat in zijn eenigheid in 't donker deurgat zijn

Zondagvrede uit te genieten op eene zoetzagerige harmonica. 't Waren

sleepende straatliekens en de waaiende zeewind ontplooide ze tot heel

ver in 't land.

't Was overal om ter stilste alsof er heel de Zondag naar te luisteren

zat.

De voeten aan zijn lange beenen klopten maathoudend mee, zijn dikke

lippen onderlijnden het lied met fijn gefluit, en zijn voorhoofd

waarop een schoone, natte haarkrul plakte, was van aandacht in drie

rimpels opgetrokken.

Hij zat daar hoog en droog in zijn eenzaam huizeken. Onder hem plaste

het donkere water tegen de zwartere palen, waarachter een dikbuikig

zeilschipken rustig wiegde.

De zee ruischte en herhaalde voor hem haar eeuwig lied dat hij niet

meer hoorde, en het schuim der aanspoelende baren verflauwde in

den avond.

Alle ding wierd zonder kleur, alleen bleef de roode spleet brandend

in het Westen, en het zagerig gezoef der slepende harmonica werd

triestig uitermaten.

De veerman voelde het zelf, hij wierd er wee van, liet zich in zijn

lied opgaan en versmilten, en had reeds het genot in zijn keel van

tranen die rezen. Maar toen zag hij spokigvaag tegen den verduisterden

zandgrond een hinkend man die een ezel voorttrok waarop een vrouw

zat met een kreunend kind.

Hij wierd ineens verlegen, slikte de krop uit zijn keel weg, scheidde

uit van spelen en wachtte.

Hij liet hen naderen.

Met hijgende stem vroeg de moede, oude man: "Zoudt ge ons dezen avond

niet kunnen overzetten?"

De veerman liet een grooten zucht. 't Was hem nu juist zoo zalig, in

den uitgaanden Zondag zich eens mogen uit te leven in 't klankrijk

gezucht van zijn harmonica. Hij krabde eens in zijn haar en zei

goedig-afwerend, nog volop onder den indruk van het weemoedig gezang:

"'t Is al laat op den dag.... en 'k ben alleen tehuis; vrouw en kinders

zijn naar 't dorp..... Zoudt ge niet kunnen wachten tot morgen?"

Jozef beet op zijn lippen, zijn hart was boordevol. Nu hij Maria

telkens en opnieuw verschen moed had ingeprent, nu hij heel zijn oud

lijf had gebroken om haar wensch te volbrengen, nu zou zij weer een

nacht van angst en achterdenken moeten doorbrengen; dat was niet meer

te doen. Hij zag met groote zorg dat Maria door al de groote en kleine

ontgoochelingen, tegenslagen en steeds hernieuwde angstaandoeningen

nog maar het velleken over de beenderen was.

Daarom was hij nu koppig in zijn besluit en wilde zich niet van zijn

stuk laten brengen, en met woorden die nat van tranen waren smeekte

Jozef tot den gewillig-onverschilligen veerman: "Niet ter wille van

mij vraag ik het u, maar om deze jonge vrouw die reeds moeder is en

om dit hulpeloos kindeken. Ik wil u allemaal niet zeggen wat verdriet

ons overdekt, maar wij zijn nu vier dagen en vijf nachten op weg om tot

hier te komen. Geen enkele maal heeft haar arm lichaamken de zachtheid

van een bed gekend, wij hebben om zoo te zeggen rechtstaande geslapen,

en gegeten wat de menschen gaarne kwijt waren.

"'t Is spijtig dat het avond is, maar gij zoudt zien hoe uitgemergeld

zij is van kommer en verdriet. Kom, beste man," Jozef greep de

harde handen van den veerman, "gij zijt goed van harte, ik hoor het

aan uwe stem. Help haar, maak haar gerust, en laat haar geen nacht

meer van haar geluk verwijderd blijven.... Zie, hier zijn de luttele

spaarpenningen die wij hebben kunnen overhouden, gaarne geef ik ze u,

maar breng ons heden over het water!"

Jozefs handen beefden. De oorzaak van hunne vlucht vermeed hij in

zijn woorden daar hij bij ondervinding wist, dat de veerman uit schrik

voor Herodes dan zeker zou geweigerd hebben.

"Neen, neen," zei de veerman, het lichte geldbeursje afwijzend,

"gij moet mij niets meer betalen dan een ander, drie stuivers per

kop. 't Is spijtig dat ge niet wachten kunt tot morgen." De veerman

was er waarlijk van bewogen, hij kon niet neen zeggen, maar hij dacht

toch dat hij met schuldige menschen te doen had, daar zij zoo weinig

uitleg gaven. Hij meende hun het een en ander te vragen, maar "bah"

meende hij in zijn eigen "'t zijn mijn zaken niet", en luidop tot hen:

"Ga maar langs dien weg naar beneden, ik kom seffens."

Zij daalden naar den steiger waartegen de boot lag en bleven daar

wachten.

Jozef was nu fel opgeruimd, ineens een ander mensch, hij nam Maria's

handeken en zei haar opgewekt: "Seffens zijn w' op het water, dan

houdt ons niemand meer tegen! Ziet ge wel dat wij er gekomen zijn?"

Hij zag in 't wit van haar oogen hoe zij gelukkig was.

De veerman kwam met een lantaren en een zak. Hij hielp hen langs de

smalle, wippende plank in het schipken gaan, wat voor den ezel veel

voorzichtigheid vroeg.

Toen zij op de bank neergezeten waren, Maria met haar zuigend kind,

en Jozef den ezel bestreelend die zich reeds aan zijn voeten had

neêrgelegd, zag de schipper in 't licht van zijn lantaren hunne goede

gezichten, en seffens wierd de vent verteederd, zette haast bij zijn

werk en zei: "We zullen gauw aan den overkant zijn, zij maar gerust

beste menschen!"

Het trok het lantaarntje den mast in, sloeg de zeilen open, waarin

seffens de wind kwam leunen en het vaartuig op zij deed hellen, en stak

van kant. Tegen de lichtdonkere avondlucht ging een vrouw met een kind

op haren arm en een kind aan haar hand naar het veermanshuisje toe.

"Hé!" riep de schipper, "vrouw! 't zijn haastige lieden; maak het

eten maar wat later gereed!"

"Ja'w," riep de vrouw terug.

En het loopend kind met helder stemmeken: "Mag ik opblijven tot ge

terugkomt Va?"

"Ja't!" riep de schipper, die nu aan 't roer ging staan en uit een

kort pijpken begon te rooken.

In het huisken werd de zachte lamp aangestoken.

"Die hebben een huis," zuchtte Maria.

"Ja," zuchtte Jozef terug, "maar we zullen er weldra ook een hebben."

De stilte kwam. Het sop smakte en klotste lui tegen den scheepsromp,

de zachte wind huiverde over het water.

Het gele venster wierd kleiner, 't was nu water en duisternis die

hen omringde.

"Wat is er?" vroeg Jozef tot Maria die hij snikken hoorde. Hij lei

zijn hand over hare schouders.

"Niets, niets," stotterde Maria, "maar 't is om niet te gelooven!" en

welige, dikke tranen lekten op haar kind dat zij wiegde in haren

schoot.

"Ja, ja," zei Jozef, "de schoone dagen zullen nu aanbreken!"

Hij genoot mede rijkelijk van Maria's vreugde. Hij verschoot er

dikwijls van, hoe zij, twee van elkander verschillende menschen soms

één gevoel konden hebben, alsof zij maar één hart bezaten.

Maar nu, zonder het te willen, en niet bij machte het tegen te houden

welde in hem een gevoel van groote verlatenheid, omdat hij Vlaanderen,

zijn schoon en goed Vlaanderen verlaten moest.

God weet voor hoe lang! Misschien voor altijd!

Er barstte iets in hem, hij voelde zich ineens zeer arm worden, het

was alsof zijn hart ginder gebleven was. Hij rilde en kreeg putten

in zijn kaken, maar hij wilde niet weenen, hij kampte er tegen in,

hij vond het ook zoo kinderachtig, en hij beet op de lippen en hield

zijn oogen strak open om het tegen te houden, maar 't wierd hem te

machtig en hij weende zijn handen en zijn aangezicht van tranen nat.

De veerman van aan zijn roer zei, om de stilte weg te doen: "Het zal

dezen avond nog regenen."

Niemand antwoordde, en de stilte bleef over hen....

Zoo verdwenen en versmolten ze in den avond die nu heelemaal land en

zee verborgen hield.

Het Kindeken Jezus in Vlaanderen · 第 13 / 15 题