Hij voelde wat Kops ging zeggen, hij sloeg zijne handen in zijn haar
en riep: "Leeft het nog?"
"Door de schuld van Graathals zit het veilig in Holland," zei Donaat
Kops met gesloten oogen.
Een rauwe kreet, 't breken van kristal en 't rinkelen van hol zilver,
Herodes maakte eenige molekens en kletste voorover met het gezicht
op den grond.
Er was geloop van pagen, knechten, edellieden en edelvrouwen.
Men hoopte dat hij uit pure gewoonte seffens de oogen zou openen,
maar het doktoorken trok groote oogen achter zijn hoornen bril,
bracht de onderste lip beteekenisvol boven de bovenste en schudde
zijn bevende hand.
Het was gemeend. Het doktoorken noemde het in 't latijn: Epilepsia.
Men droeg Herodes voorzichtig te bed en zijne amandeloogige vrouw
weende op zijn verlamde hand die boven de met goud-bestikte lakens lag.
Ge kunt peinzen hoe Donaat Kops zwom in een oceaan van
heerlijkheden! En hij wandelde met den archivaris, den schatbewaarder
en de andere hooge mannen fluisterend in de gangen.
Een ieder wist dat Graathals nu gedaan had en Kops zijn plaats zou
innemen. En diegenen die Kops steeds opzij lieten staan, begosten
reeds platte broodjes te bakken.
De koning in ijlkoorts stamelde gedurig van: "Graathals, Halsgraat,
graat, graat," enz. De koningin deed hem ontbieden.
Na lang zoeken vond de bode hem in de geheime boekerij waar hij
foltermachienen aan 't bestudeeren was.
De bode vertelde hem het nieuws van naald tot draad.
"Ik koom dadelijk," lispelde Graathals in een zucht. Hij wist dat
hij nu zijn doodkist kon bestellen....
Een ieder verwonderde zich over zijn lang wegblijven.
Toen de bode hem ten tweeden male ging dagen vond hij hem dood.
Zijn zwart kleed was open en toonde zijn geel, pezig, aan palmhout
gelijkend vleesch; een dolk stak tot aan den hecht in zijn smalle
borst. Er kwam geen bloed uit....
Daar de koning er leelijk neven sloeg en half verlamd te bed moest
blijven, ging de macht in handen van Donaat Kops.
Hij kost er in 't begin niet van eten van vreugde. Maar den derden
dag waren de staatszaken zoo in de war, en liep alles zoo averechts
en verkeerd dat er niemand nog iets te zeggen had.
De booze geest van Graathals hong over het paleis en pelde en
brokkelde.
Donaat had geen macht, geen karakter, geen doortastendheid. Geboden,
straffen en wetten bleven onuitgevoerd; de edellieden en officieren
wilden van hem niet weten, en de onderdanen en huurlingen gingen op hun
zeven gemakken in de herbergen van den lekkeren Oudenaerdsch genieten.
Donaat was razend, vloekte en tierde. 't Kortte niets, men haalde
eens minachtend de schouders op. En overal op de muren vond hij
dikke mannekens geteekend waaronder scherpe schampen als: Vetzak,
Wandelende ton en Paaschos. Het volk stond op. Het krapuul plunderde
de winkels en de burgers en kruideniers dienden bergen petities in.
Het groeide boven Donaat zijn hoofd. Zijn zon ging onder.
En, na uit de staatskas alles genomen te hebben wat hij dragen kon,
gaf hij verbolgen zijn ontslag en trok zich met zijne familie terug
op een heerlijkheid in het vette Brabant gelegen. Maar hij kon de
schande en den smaad niet opkroppen. Op een maand tijd hong hem het
vel lijk een zak over de beenderen en hij stierf van de suikerziekte...
Intusschentijd beterde Herodes niet. Integendeel zijn geest verdraaide
lijk een omgekeerde handschoen. Heel zijn gelaat was één zweer aaneen,
en tot overmaat van ongeluk kreeg hij in den nek een negenoog waarvan
hij na twee weken gehuil zijnen pak maakte.
Toen wentelde er een steen van Vlaanderens hart en schoone dagen
zaten in 't verschiet.
En in die dagen, als Jozef en Maria de blijde mare vernamen dat de
booze koning Herodes gestorven was, verlieten zij met der haast het
nette dorpken van Zeeland bij de Schelde, waar ze stil, vredig en
ongekend hadden gewoond, en zij kwamen langs de Kempen terug om in
de vlek Nazareth, gelegen aan de lieve Nethe hun tenten op te slaan...
Zij sliepen met drieën in de broeiwarme schaduw der stille
mastebosschen.
Jozef lag platuit, en Maria met het hoofd tegen een boom en het kind
in haar schoot. Wat verder had het ezeltje zich neêrgelegd.
De stilte gonsde in de lucht, de hitte middag werkte over de wereld,
en daarbuiten dit huis van lommer en harsgeuren ziedde de machtige
zon over heiden en velden, en gloeide den hemelschedel pleisterwit.
De uren sleepten zich lui en rustvol door den dag die duren bleef. De
hitte danste en bibberde, de boomen bakten, de grond scheurde.
't Was de baldadige joel van de zon, het wilde geweld van het licht.
Een vlieg die over Jozefs oor kroop kittelde hem wakker. Hij luisterde;
er was nu gaar niets te hooren, niets, niets. 't Was hitte en stilte
over heel de wereld ver. Hij beluisterde ze, voelde zich daar in
opgaan, zijn ziel hong vol-gelukkig in hem als een rijpe peer, en
weer vielen zijn oogen toe en zijn hoofd op de borst.
Wat later wierd Maria wakker. Maria's oogen waren groot van 't slapen
en keken jong en gelukkig rond zich. Met het handeken op de borst
voelde zij haar hart kloppen.
Hier lag haar kind, ginder Jozef.
Zij kon het bijna niet gelooven. 't Was toch allemaal weer zoo schoon
en goed en vertrouwelijk rond haar, de hemel en de bloemen, de menschen
en de dieren. 't Waren weer hare vrienden. De booze machten lagen
dood en vernietigd. Een frissche wind had de duisternissen uit haar
ziel opgejaagd. Het was daar nu weer Mei en zon, klaarte en licht.
Het geluk rees, en zij voelde dat in Nazareth, nog ver achter de
bosschen aan de koelte van de Nethe gelegen, dit geluk als een goede
vriend met haar hand in hand zou wandelen. Zij herinnerde zich nog
zoo helder den innigen zielevrede dien zij daar vroeger genoten had,
en die een roes van goddelijke extaze wierd sedert de engel haar de
hemelsche vrucht haars lichaams kwam boodschappen. Dat was een leven
zoo geweldig en hoog, zoo diepgaand in de ziel, dat het waarlijk om te
smilten was, zooals het met die heilige gebeurde van wie oude boeken
gewagen--die van te groote caritate verging in olie waarvan men ten
huidigen dage nog lampen brandt in kloosters en kapellen.
En het kind wierd geboren; die stonde zette haar ziel nog eens in
laaie vlam, maar toen ontwaakte seffens het menschelijk moederhart,
en de daaraan verwante scheuten van angst en verdriet tierden haastig
over haar geluk, en stegen almachtig als het water van de zee. Toen
kwam de groote nacht, waarin toch stralen bleef de groote liefde voor
haar kind; dat hield haar recht, en 't was de zilveren lijn waarmede
hare ziel met den hemel verbonden bleef.
Maar de zon barstte en pijlde door donkerte en verdriet en omzette
alle dingen met licht en vriendelijkheid, en nu, nu stond Nazareth
als een horen van vrede haar te wachten. De geheime roerselen harer
ziel begosten weerom te asemen en te leven. Zij wandelde in den geur
van God, en er hong een gouden draad van licht rond Maria's gedaante.
Jozef had in groote vreugde die schoone kalmte weer over haar zien
komen. Het gaf hem hoogen moed en jeugd, en lust tot veel en lang
te werken...
Maria zag Jozef slapen en denkende dat het misschien tijd kon worden
om voort te gaan, en daarbij de zucht om in Nazareth te zijn, maakte
zij hem wakker.
"Willen we maar voortgaan Jozef?"
Jozef ried het haar af: "De zon steekt te geweldig en buiten het
bosch is het toch zoo'n scherp licht dat g'er slechte oogen zult
van krijgen."
"'k Zal mijn hoofddoek dieper over mijn oogen trekken," wedervoer
Maria.
"Ge zijt er scheutig op om t'huis te zijn hè?" lachte Jozef. "Kom
dan maar!"
Maria zette zich op het ezeltje en lei over haar kind, dat rustig
slapen bleef, een witten doek terwille van de zon.
Zij gingen door het klaterende licht en het ovenheete zand. Jozef liep
nevens den ezel, hij kraakte en peuzelde hazen- en lombaerdsche noten
die hij aan een boschhoek geplukt had en gaf aan Maria een schoonen
appel dien een herbergbazin hem met pruimen en peren had gegeven. Zij
waren daar een pintje koel melk gaan drinken om den dorst te verslaan.
En al etende vertelde Jozef over het mastentoppen rapen, hoe menigmaal
hij dat in zijne jeugd gedaan had om aan brood te komen.
De zon blonk over de gladheid van zijn kalen schedel, hij was
barvoets en had zijn schoenen, met de nestels aaneengebonden, over
zijn schouders hangen.
De landschappen en de wegen verwisselden weinig van aangezicht. 't
Was steeds een eentonige verscheidenheid van gulden geneverstruiken,
verre vlakten heidepurper, verrassingen van blonde duinen en overal
de donkerheid der mastebosschen, met soms aan den laaiheeten weg een
armzalig hutteken met open staldeur, waarin 't beslijkt achterste
van een mager, steertslagend koeitje.
't Was alsof het licht gonsde, maar 't waren de miljoenen bieën.
Het zweet leekte van Jozefs hals en op de schouderbladeren kwamen
door zijn frak twee natte plakken. Doch hij liet het maar gaan;
hij hield van de volle zon en al dit zweet was een ziekte gespaard.
Met opgewekt gemoed zagen ze tusschen de zonnige donkerheid van een
dennenbosch, de frischheid van een afgemaaiden beemd en de dijken
van de Nethe, en daarachter het land van Rijen met een einder van
gulden terwevelden!
Zij waren als kinderen. De Nethe was de draad waar Nazareth aanhong.
"Willen we langs de Nethe naar huis gaan!" riep Maria.
Het was haar een genot de Nethe, het water waar hare jeugd zich in
weêrspiegeld had, te mogen wederzien en er nevens te loopen, lijk
een hovenier rond den hof dien hij zelf aangelegd heeft en verzorgd.
"Maar 't is een lange weg," zei Jozef, "we zullen toch eens gaan zien."
Doch als ze aan de Nethe kwamen juichte hij omdat het water geen drie
vingeren hoog stond.
"Zie," riep Jozef, "nu hebben we hier maar over te gaan, we steken
ginder den steenweg over, dan door 't koren en wij winnen zekers twee
uren! Is dat niet goed?"
De jacht om gauw in Nazareth te zijn deed Maria van gedacht veranderen.
De ezel bracht Maria over, en 't was voor Jozef waarlijk een deugd
zijn doorgloeide voeten te kunnen verkoelen in het rappe Nethewater.
Met een peerdebloem in den mond ging Jozef nu voorop.
Zij gingen tusschen de wijde terwevelden. Het was terwe en nog eens
terwe, zwaar, geelgoudig, braaiend in de zon, droog en krakend van
hitte, lui van 't staan en vol beloften van goed brood.
De vooroverhangende aren kletsten tegen Jozefs rood gezicht en Maria
die op den ezel zat zag wijd over de velden heen.
De hitte blaakte er over, een gloeiasem steeg er uit op.
Terwe, hitte en stilte, en daarboven de zotte zon.
Maar een schouwpijp smoorde, er wierd op een blekken horen getoeterd,
of geroepen met de hand aan den mond, waarop het gerekt "ja" van
kinderstemmen antwoordde.
't Was het uur van koffie te drinken.
Aan het lage rietrijke water van een beek waarin zich een rood steenen
bruggesken spiegelde, gingen zij ook hun boterham genieten.
Er was daar een klein weideken met hoog gras en vele bloemen, en er
stond een eeuwenoude gespleten eik die aan de ouders en het kind een
goede schaduw gaf.
Zij aten hun brood en dronken het water uit de beek.
Jezusken was wakker en ontving gretig de habbekens die Maria voor
hem in haren mond bereidde.
't Was een kloeke jongen, een wolk van een kind, goed en vast
gevormd, met puttekens in zijn ellebogen en in zijn pollekens;
gezondheidsbloemekens helderden roze door zijn melkwit vleesch, en
onder een zilverzonnig krollenbolleken klaarden zijn groote, zeeblauwe
oogen. Het voelde zich los en vrij in zijn kort, locht hemdeken, en als
't gegeten had kroop het rond in 't gras en 't kraaide en 't kreet naar
zijne moeder, die voor hem een vollen arm bloemen aan 't plukken was.
Maria had den hoofddoek afgedaan en nu hong haar hel-gouden haar
als een breede sluier tot laag over haren rug. De zon viel gulzig
in die zachte, golvende weelde en omhulde haar als met een gulden,
glanzende wolk, waar men de oogen moest voor toeknijpen.
In den eik zat er een vogel te kwinkleeren en Jozef was voor 't kind,
in 't koele water van de beek vischkens aan 't vangen in een blikken
doozeken.
Daar kwamen kinderen uit de school. Zeven blonde meisjes op hun
bloote voeten, en elk een vergrijsden, blauwen voorschoot aan. Zij
zongen een ouderwetsch liedeken, en de stemmekens vielen stil als
zij Jezusken en zijn ouders zagen. Zij hielden elkander bij de hand
en bleven tegeneengedrumd, beschaamd-nieuwsgierig naar het lieve
kindeken zien en naar de moeder die zoo'n schoon en lang haar had,
en zij hadden daarvoor stil-fluisterende woorden van bewondering.
Een der kinderen zag eene eenzame kollebloem rood ophelderen, 't
verstoutte zich ze af te plukken en droeg ze naar kindeke Jezus,
die de bloem over en weer, onder luide kreetjes, in zijn gezichtje
sloeg. Als de andere kinderen zagen dat de moeder er om glimlachte,
wierden ze ineens vertrouwelijk en begosten allemaal haastig bloemen
te plukken, die ze op Jezusken's beentjes legden; en zij spraken tegen
het kind, en zij lachten er mee, maakten er kransen en kroontjes voor
en dansten er omme hand in hand, al zingend:
"Vie van den ronde,
het katteken is gebonden
en a een, en a twee, en a drij!"
En eindelijk had Jozef een van de vlugge stekelbaarsjes weten te
snappen. Reeds op voorhand lachend om de kinderpret, stapte hij uit
de beek en hield het doosje voorzichtig vast. Maar hoe verschoot hij
niet als hij opkeek, en hij ginder Maria in heur lang haar mede in
den ronde dansen zag!...
De zon stond reeds achter de boomen, maar Nazareth was niet ver meer.
Maria verwachtte elk oogenblik het te zien opduiken van achter de
velden. Met de hand boven de oogen zag ze er naar uit, maar vond
het niet. Haar hart klopte. Zij zag hoeven en verre blauwe boomen,
zij zag zelfs het lenige lint van de Nethe, maar Nazareth vond ze niet.
En zie op eene onverwachte plaats, heel aan den anderen kant dan
waar haar oogen zochten, stak het in al zijn eenvoud zijn koperen
torenhaantje in de lucht.
"Jozef, Jozef! zie ginder is Nazareth!"
Nu was er haast in hunne beenen en hun hert.
Maria was van den ezel gestegen en het kind was zuigend aan haar
borst in slaap gevallen.
Zij gingen nog achter eenige hoeven en nevens rijkbeladen boogerds
en toen lag Nazareth vlak vóór hen.
"O Jozef," juichte Maria overgelukkig, "zie! daar zijn de hutten
rond de kerk, en ginder de brug over de Nethe; zie de menschen gaan
hun geiten laten grazen. O nog altijd is ginder ons wit huizeken,
en daar 't berkenlaantje"... en hier zweeg ze en sloot de oogen. 't
Was alsof ze opeens het muziek in de boomen weer hoorde en zij weer
in dien Maartschen Zondagavond stond. Het maakte haar van genoegen
zwaar en ze lei haar hoofd op den schouder van Jozef.
"Een pastoor! Een pastoor!" fluisterde Jozef verlegen. Maria zag op
en herkende den dikken rooden parochiepaap van voorhenen, die biddend
in zijn brevier traagzaam kwam aangewandeld.
En zij bleven wachten tot hij voorbij zou komen.
De goede man wou als gewoonlijk groeten, maar toen herkende hij Maria,
hij lachte eens verbaasd, bezag dan ernstig Jozef en de hangende
beentjes van het zuigend, slapend kind en zei dan: "Hé! Ja, ja. Ik
heb er van gehoord. Is dat uw man?"
"Ja," knikten Maria en Jozef.
En dan weer de pastoor:
"Komt gijlie hier soms wonen?... Hei dat is goed.... Gij zijt getrouwd,
en gij hebt een kind.... Ik zie aan die zaag dat gij schrijnwerker
zijt.... Ik heb juist een kasken waar de voorste pooten af zijn. Gij
zoudt dat eens moeten maken.... Ge zult hier veel werk vinden... want
het zijn echte boerenjaren"... en dan wat beschroomder tot Maria:
"Ja wie had dat gepeinsd. Kolossaal! Het wil lukken dat uw huizeken
nog altijd ledig staat. Er heeft alleen een hovenier ingewoond die
verleden maand in 't gasthuis gestorven is... Ge zult het wel zien,
er staan veel rozen in uw hofken... Ik heb nog altijd den sleutel... en
uw man zal daar veel plaats hebben om te knutselen en te hameren."
"Dank u vriendelijk mijnheer pastoor," zei Jozef eerbiedig.
En Maria knielde neer, Jozef ook, en de paap gaf met twee losse
vingeren, die efkens uit zijne te lange mouwen kwamen, hun den zegen...
Daarna zuchtte hij en zei met moeite: "Welgekomen Maria met uw kind
en uw man..." Hij wist niet meer wat zeggen, en terwijl hij met een
rooden zakdoek het zweet afkuischte ging hij goedig-knikkend achteruit
en zei dan nog: "'t Is een heete zomer... Maar er zal veel koren zijn."
Er schijnen nog geen sterren, maar de zilveren draad van 't jonge
manesikkeltje buigt zich helder op het groene goud van den uitgaanden
dag.
Vrede weegt over de aarde, en de boomen omhullen zich met trage
schemering. Zij zullen weldra slapen.
Er hangt een geur van fruit allerwegen, want we zijn in September; en
op het veld brandt een rood patattenvuur dat luie strepen smoor voor
de hooge boomen weeft. Een laat vledermuisken trilt donker op de lucht.
Daar in de witte woning waar Jozef, Maria en het kind in vrede wonen,
staat het venster open. Er brandt nog geen licht, de geur der donkere
rozen hangt tot in de schemerduistere kamer, en van weerskanten van
de tafel waarop brood en koffie staat, liggen in biddende houding de
handen van een man en die van eene vrouw gevouwen.
Terwijl een mannestem brommend als een hommel den zegen des hemels
over het eten roept, slaan de bolle handekens van een kind een houten
lepel rumoerig op de tafel.
1916-1917. Lier.