eerste plaats de professoren van Leiden, mannen, die hun tijd en talent
besteedden aan het leveren van commentaren op 't romeinsche recht;--het
waren op de tweede plaats de schrijvers, vooral over 't publieke recht.
Grotius zelf noemt ze in de voorrede van de Jure B. ac P. Het waren de
schrijvers van Summa's over gewetenszaken, het waren Franciscus
Victoria, Henrions v. Gorkum, Wilhelm Matthaeus [214]; Joannis Lupus,
Franciscus Aria, Joannis de Lignano, Martinus Laudensis. Het waren,
Faber, Balthazar Ayala en bovenal Alberic Gentilis [215]. Behalve dezen,
die Grotius noemt, kende hij voor het recht ontelbare andere schrijvers
van naam. Het blijkt uit zijn citaten. Grotius' eruditie in één woord
was verbazend.
Grotius had een voorliefde voor het publieke recht, en het is hier, dat
hij partij kiest voor de een of andere meening.
Want critiseert Grotius de methode van al zijn voorgangers, hij
critiseert niet aller ideeën. Hij wikt en weegt ze, en toetst ze aan
principen, die, naar zijn meening, algemeen en onafwijsbaar waren.
Bouwstoffen vond hij en die gevonden bouwstoffen heeft hij geordend.
L'homme de génie, que l'on appelle le fondateur d'une science ne fait
que rattacher ses éléments déjà existents: il se borne à réunir ses
membres épars, à leur insuffler le souffle de la vie. [216]
Met de individualistische rechtstheoriën zijner voorgangers ging Grotius
mede, en trachtte hun goed recht te bewijzen uit van te voren aangenomen
beginselen, en wijzigde vervolgens die rechtstheoriën volgens de eens
aangenomen principen.
Waar vond echter de Groot de beginselen zijner individualistische
rechtsleer?
De weg werd hem gewezen door Erasmus, Coornhert, Thomas Morus en
anderen, door de humanisten in één woord.
Dit brengt ons als van zelf er toe te spreken over een anderen kring van
ideeën, waarin Grotius leefde, over het humanisme.
De scholastiek was na glorievolle dagen een tijdperk ingetreden van
allengskens grooter en dieper verval. Zij was opgegaan in een ijdel
woordenspel.
Terzelfder tijd kwam in Holland van uit Italië en Duitschland de kennis
der grieksche en romeinsche oudheid. Ook hier kende de bewondering
hunner kunstwerken weldra geen grenzen. Maar met de bewondering voor de
vorm-schoonheid, waarin men zijn gedachten had weergegeven, kwam ook
liefde voor die gedachten der Grieken en Romeinen zelf. Zoo vormde zich
de partij der renaissance onder den invloed der oude wijsheid, geholpen
door de groote vlucht, die de wetenschappen namen, terwijl de
scholastiek daarentegen geen kracht bezat, het denken in andere banen te
leiden. Daaraan dankte de partij der renaissance haar ontstaan, en als
wachtwoord koos zij: de autonomie der menschelijke rede. Voor het
tribunaal der menschelijke rede hadden zich alle instellingen der
volken, had zich alles te verantwoorden, gelijk Dilthey zegt.
De protestanten der 17de eeuw noemden sommigen hunner partijgenooten
"libertijnen", [217] het waren de humanisten, die het roomsch geloof
verlaten hadden, niet om een nieuw dogma van Luther of Calvijn aan te
hangen, maar om zelfstandig te kunnen denken.
Behalve de godsdienst-wetenschappen waren het vooral de zedekundige
vraagstukken, waarmee velen der humanisten zich gingen bezighouden.
De zedenleer was grondslag der rechtsstudie, en zoo vinden wij Grotius,
den rechtsgeleerde bij uitnemendheid op zijn plaats te midden der
humanisten.
Waar de humanisten de bouwstof voor hun wijsgeerigen arbeid zullen
zoeken en vinden, laat zich gemakkelijk raden. Het was bij hun gevierde
auteurs. Vooral het neo-stoicisme trok velen aan; en werkelijk veel
schoons en waars was hier te vinden.
Wij vinden het neo-stoicisme in meer of minder oorspronkelijkheid bij
Erasmus [218] en Coornhert [219] bij Melanchton [220] en Lipsius. [221] Met
dezen nu ging ook de Groot mede.
#Grotius en de romeinsche Stoa.#
Grotius sluit zich aan bij de naturalistische moraal van een Marcus
Aurelius, Cicero en Seneca, bij Zenon en Chrysippus. Evenals zij
beschouwt hij de zedenleer als een soort physica, natuurkunde. De
natuurkunde zoekt de wetten der redelooze wereld, de zedenleer de wetten
der redelijke wereld; hoe handelt van nature het met verstand begaafde
schepsel, de mensch.
Niet alleen in het opzetten der vraag, ook in de uitwerking van het
probleem gaat Grotius niet hen mede. Niet gelijk voor Hobbes is volgens
hem de mensch een egoïstisch wezen, neen de mensch is sociaal en
redelijk.
Het sociaal zijn van den mensch berust voor hem gelijk voor Cicero, op
het idee eener algemeene broederschap tusschen de menschen onderling, en
evenals voor dezen laatste volgt daaruit, dat het een gruwel is,
elkander kwaad te doen, wijl dit tegen onze natuur is. Het was de
omwerking van Aristoteles' gezegde, later door St. Thomas overgenomen:
Homo est animal sociale.
Grotius verbetert Cicero, als deze laatste wil, dat onze goedgezindheid
niet verder gaat, dan tot degenen, die ons geen kwaad doen. Ook
tegenover zeeroovers bijv. gelden de sociale plichten. [222]
Dat er niet slechts tusschen, de menschen, maar ook tusschen God en den
mensch, een "societas" is, ook dit had Cicero reeds beweerd. Est igitur,
quoniam nihil est ratione melius, exque in homine et in Deo, primo
homini cum Deo societas. [223]
Dat de rede den mensch meer dierbaar moet zijn dan zijn lichamelijke
geneigdheden, verkondigden ook zij; de voldoening onzer lusten is
slechts goed, in zooverre zij redelijk is. [224] Dezelfde plaats als bij
Grotius, bekleedt God in de leer der Romeinsche Stoa over het
natuurrecht.
Ook toen reeds had men ingezien, dat het voor het praktisch leven, niet
voldoende was al begreep de mensch, dat het redelijk en goed, dat het
door zijn natuur gewild, en plicht was gezellig samen te leven met die
van zijn geslacht waren, en er tevens een daarmede samenhangende
natuurlijke sanctie was van het recht; een hoogere sanctie was noodig en
men vond die bij God. Hielden sommigen, dat de natuurwet een goddelijke
wet was, dewijl zij de natuur vereenzelfdigde met God, anderen, ofschoon
erkennend, dat de Schepper onderscheiden was van zijn schepping, zagen
in de natuurwet een goddelijke wet, wijl de Schepper bij de schepping
gewild had, dat zulke beginselen in ons waren, Hij had ze ons immers
gegeven.
Het is niet te verwonderen, dat Grotius in zijn theoriën over
privaat-eigendomsrecht, [225] over rechten en plichten van onderdanen en
oversten, over strafrecht, enz. de zienswijze van het neo-stoicisme
deelen zal. Deze theorieën immers waren slechts de logische toepassing
van algemeene beginselen op bijzondere onderwerpen.
Om een enkel voorbeeld te noemen. Zoo beschouwde ook Cicero, [226] het
privaateigendomsrecht, als een "lex humana"; welks ontstaan hij
beschrijft met bijna dezelfde woorden als de Groot. Cicero en Grotius
met hem, besluit daaruit, dat het privaateigendomsrecht daarom, gelijk
elke door een menschelijken wil geworden wet, dient verklaard te worden,
uit hetgeen men redelijker wijze denken kan, dat degenen wilden, die
deze wet invoerden. Den wil der instellers dezer wet nasporend, komen
zij dan tot het besluit, dat sommige niet echter alle zaken,
toeeigenbaar zijn, dat er voor allen een zeker recht blijft, ook op de
als privaat goed bezeten zaken, in zooverre dit recht overeen te brengen
is met het recht van den eigenaar,--dat in geval van uitersten nood het
privaateigendomsrecht ophoudt te bestaan.
Cicero, Seneca en Plato kennen, om dezelfde reden als Grotius, allen de
bevoegdheid toe te straffen. Allen willen van nature de gemeenschap, en
hebben dan ook recht op de noodige middelen tot instandhouding der
gemeenschap, waaronder valt het toepassen van straf.
"Nihil est homini utilius homine altero" zeide Cicero, en bewees
daaruit, dat de een mocht straffen ter wille van den anderen. Dat het
straffen om te straffen, enkel uit wraakzucht slecht was, leerden reeds
de romeinen [227],--zij achtten de doodstraf rechtvaardig, zelfs ooit als
correctioneele straf, dewijl het ooit beter kon zijn voor den schuldige
te sterven dan te leven, dan n.l. als geen beterschap maar nog iets
erger te vreezen was;--zij spoorden de strafrechters aan de straf, uit
liefde voor den schuldige, tot een minimum te reduceeren.
Wat Grotius' staatsleer betreft, ook hier is de invloed van het
neo-stoicisme goed merkbaar.
De bepaling van wat de staat is, vindt Grotius bij Cicero: "Fruendae
justitiae causae reges esse institutos" [228]
Ook volgens Cicero is de souvereine macht niet altijd bij het volk; het
volk kan zich aan anderen onderworpen hebben. En hij geeft bijna
dezelfde reden aan, waarom een volk zich aan anderen onderwerpt als
Grotius. [229]
Seneca had reeds de drie regeerings vormen beschreven, zoo goed als
Aristoteles: Interdum populus est, quem timere debeamus; interdum, si ex
civitatis disciplina est, ut plurima per senatum transigantur, gratiosi
in ea timentur viri; interdum singulis quibus potestas populi in populum
data est. [230] Grotius vindt het een waar gezegde, het gezegde van
Cicero: mihi pax omnibus cum civibus bello civili utilius videtur, en
zegt daarom met den laatste, dat noodweer en zelfverdediging slechts
zeer zelden, ja, buiten gevallen van al te diep ingrijpende
rechtsverkrachting, bijna nooit geoorloofd is. [231]
Grotius' leer over de verhouding van Kerk en Staat, blijkt eveneens in
nauw verband te staan met de leer van het oude Rome. Hij zag het
bovennatuurlijk karakter der kerk over het hoofd, en daarmede, dat haar
rechten hooger staan, dan de rechten van den staat. Dit zoodanig
beschouwen van den godsdienst, wekt geen verwondering. De aanhangers van
Luther en Calvijn, noemden Erasmus en zijne partijgenooten, waartoe ook
Grotius behoorde, niet zonder grond "Libertijnen", zooals wij reeds
boven opmerkten. Zij hadden de moederkerk niet verlaten om een nieuw
dogma aan te hangen, een dogma gegeven door Luther of Calvijn, maar om
vrij te zijn, om een natuurlijken godsdienst, op de rede gegrond, en
daarom door niemand te loochenen, op te bouwen. Ook dit werken vond zijn
verklarende oorzaak in het humanisme, en staat onder den invloed der
heidensche wijsbegeerte.
#De verdiensten van Hugo de Groot#
Laat het waar zijn, dat Hugo de Groot in zeer nauwe betrekking staat tot
de romeinsche Stoa, en van hen bijna alles overneemt,--bijna alles, want
het christen geloof, dat Grotius belijdt, heeft invloed op zijn
begrippen, [232] maar deze invloed is slechts secundair,--dit sluit nog
niet in, dat zijn naam niet met eere zou kunnen genoemd worden in de
geschiedenis der wetenschappen.
Ook wij meenen, dat Grotius' werkelijke verdiensten niet gering zijn.
Inderdaad men moet hulde brengen aan Huig de Groot, "le jurisconsulte du
genre humain" gelijk Vico hem noemt.
Waarom echter?
Wij zijn het niet eens met Glafey [233], voor wien Grotius' grootheid
hierin bestaat, dat hij zoowat het eerst iets wetenschappelijks te berde
bracht over natuur-en volkenrecht. Alles wat de scholastieken gezegd
hadden over deze onderwerpen, had, volgens zijn bewering, volstrekt geen
waarde. Wat de oudheid hierover ons naliet, was van weinig beteekenis.
Schmausz [234], Van Kaltenborn [235], Nijs [236] en Gierke [237] hebben de
meening van Glafey voor eens en voor goed weerlegd; zij bewezen, dat de
geschiedenis der rechts-en staatswetenschappen, zelfs die van het
volkenrecht, van vóór Grotius dateert.
Er was een Thomas geweest, een Ferd. Vasquez, [238] een Suarez; [239]
Molina [240], Leon-Lessius [241], Didacus Covarruvias [242] Dominicus
Soto, [243] Albertus Bolognetus [244]. Vóór Grotius schreef reeds
Melanchton [245], Stephani, [246] Meissner [247], Oldendorp [248],
Wincler [249], Hemmingius [250], Jean Bodin [251], Althusius om enkele der
meest bekenden te noemen, uit de middeleeuwen en den vóór-grotiaanschen
tijd.
"Die controverse, ob und wie weit," gelijk Gierke [252] zegt, "Wille
(voluntas) oder Vernunfteinsicht (intellectus), die eigentliche Substanz
des Naturrecht und darum zuletzt alles rechtes ist," bestond reeds vóór
Grotius. Zulke discusies bewijzen toch wel, dat men zeer ernstig nadacht
over het natuurrecht, en dat er aangehouden begrippen bestonden omtrent
zijn aard en wezen. Met scherpte waren reeds de voornaamste stellingen
der staatsleer omlijnd geworden.
Zoo wat de theorie van het staatsverdrag betreft, die ten grondslag ligt
aan Grotius' staatsleer, ook zij was door Grotius' voorgangers
uitgewerkt.
Het is in de 16e eeuw vooral, dat deze theorie, reeds vroeger door
enkelen verdedigd, haar rol begint te spelen, en de gedachten
beheerscht. Vooral aan Althusius was het te danken.
De burgerlijke gemeenschap, de staat, berust voor dezen, op een daad
van den menschelijken wil; die daad splitst zich in twee "in die beiden
Glieder des Gesellschaftvertrages", gelijk Gierke [253] zegt, "und des
Herrschaftsvertrages".
Is er eene wettige staatsmacht, dan is er een overheidscontract vooraf
gegaan. Dit volgde uit zijn beginsel: alle recht der overheid kan zich
alleen gronden op een vrijwillige en contractueele onderwerping der
gezamelijke onderdanen.
Geen heerschappij is rechtmatig, tenzij die, welke "legitimo et
ordinaris jure a populo et communitate manasse constat" dit hield ook
Suarez (III c. 4.) en met hem vele anderen. [254]
Met Grotius en Puffendorf, werd deze leer een vaststaand dogma; de
strijd ging voortaan slechts over de beteekenis van dit verdrag van volk
en overheid, en zijn omvang. De overheid kreeg door deze overeenkomst
absolute macht, beweerden sommigen, terwijl anderen er hunne leer over
volkssouvereiniteit meenden uit te kunnen afleiden.
Zoo waren de door hen algemeen aangenomen stellingen de volgende.
Het geheel, het volk, draagt zijn bestieringsrecht aan een ander over,
contraheert, moet dus zijn een zedelijk persoon, bekwaam om een
verbintenis aan te gaan. Hoe is nu de menigte een éénheid on wel een
zedelijke eenheid, die "sui juris" is? Door een onderlinge overeenkomst
om samen te leven,--door een sociaal verdrag. Zoo was de staat een
dubbele persoonlijkheid, één geworden door een verdrag; de staat was
het volk èn de overheid. Eerst Hobbes critiseerde dit dualisme.
Was de staat het verdrag tusschen overheid en volk, dan moesten ook de
contracteerende partijen blijven; zoolang zij bleven, bleef de staat;
men nam aan met Seneca "Manet idem fluminis nomen, aqua transmissa." Het
volk is als een onsterfelijk, bij het komen en gaan zijner leden,
identisch voortbestaand geheel.
Rousseau schrapte uit zijn staatsleer het onderwerpings-verdrag en
stelde daarmee een revolutionnaire daad.
Om terug te komen bij Grotius, heeft hij iets anders gedaan, dan deze
leer opgenomen in zijn systeem?
Wat het volkenrecht aangaat, hierover zegt E. Nijs:
L'Italie avec ses juristes, et ses diplomates, l'Espagne avec ses grands
scholastiques et ses fonctionaires de la puissante monarchie de
Charles-Quint, la France avec ses nobles initiateurs qui ont nom, Honoré
Bonet et Christine de Pisan, l'Angleterre avec ses légistes de la
couronne fondent véritablement le droit des gens modernes. Et en effet,
il faut se garder de la dater de Grotius. [255] Wij kennen een Victoria
een Suarez, een Alberic Gentilis [256], en een breede rij van schrijvers
over het recht van den oorlog.
Victoria had het volkenrecht reeds nader bepaald. Hij zegt: "quod
naturalis ratio inter omnes gentes constituit, vocatur jus gentium."
Suarez had het zeer nauwkeurig bepaald. "Humanum genus," zoo schrijft
hij, quantumvis in varios populos et regna divisum, semper habet aliquam
unitatem non solum specificam, sed etiam quasi politicam et moralem quam
indicat naturale praeceptum mutui amoris et misericordiae, quod ad omnes
extenditur, etiam extraneos et cujus cumque nationis. Quapropter, licet
unaquaeque civitas perfecta, respublica aut regnum, sit in se communitas
perfecta et suis membris constans, nihilominus quaelibet illarum est
etiam menbrum aliquo hujus universi, prout ad genus humanum spectat;
nunquam enim illae communitates adeo sunt sibi sufficientes sigillatim,
quin indigeant aliquo mutuo juvamine et societate ac communicatione,
interdum ad melius esse majoremque utilitatem, interdum vero etiam ob
moralem necessitatem et indigentiam, ut ex ipso usu constat. Hac ergo
ratione indigent aliquo jure, quo dirigantur et recti ordinentur in hoc
genere communicationis et societatis. Et quam vis magna ex parte hoc
fiat per rationem naturalem, non tamen sufficienter et immediate quoa
omnia; ideoque aliqua specialia jura potuerunt usu earumdem gentium
introduci. Nam sicut in una civitate, vel provincia consuetudo
introducit jus, ita in universo humano genere potuerunt jura gentium
moribus introduci. Eo vel maxime quod ea quae ad hoc jus pertinent et
pauca sunt et juri naturali valde propinqua, et quae facillimam habent
ab eo deductionem adeoque utilem et consentaneam ipsi naturae, ut licet
non sit evidens deductio tamquam de se omnino necessaria ad honestatem
morum, sit tamen valde conveniens naturae et de se acceptabilis ab
omnibus." [257]
Het verraadt dus wel een volslagen onkunde van den vóór-grotiaanschen
tijd, Grotius te beschouwen als den eerste, die nadacht over natuur-en
volkenrecht.
Zijn wij het niet eens met Glafey, wat sommige anderen in den laatsten
tijd over de Groot gezegd hebben, zouden wij evenmin willen
onderschrijven.
D'avoir fait de la raison un instrument de déduction scientifique en
matière de morale et de droit, is volgens sommigen, gelijk E.
Descamps [258] zegt, Grotius' verdiensten. Men vergeet dan echter, gelijk
dezelfde schrijver opmerkt, dat ook de scholastieke doctors dit procédé
kenden, en, wat meer is, toegepast hebben.
Pradier-Fodéré en Basdevant hebben een andere ontdekking gedaan.
Ni Bodin, zoo zegt de eerste, [259] ni Bacon n'avaient soupçonné la
question du droit naturel et n'avaient tenté une explication
philosophique de la nature humaine.
Poser la question du droit naturel, c'était ni plus ni moins se mettre
en face de la théologie et en guerre avec elle. Il fallut pour cette
oeuvre une époque de lutte et de liberté religieuse, le temps de Selden
et de Grotius. Il ne faut pas croire cependant, que Grotius ait voulu
isoler l'homme de Dieu, et méconnaitre l'autorité qu'excerce dans la vie
humaine et dans l'histoire la religion, qui est la metaphysique des
nations.
J. Basdevant [260] schrijft: Grotius dégage le droit naturel de la
théologie et de la métaphysique. Il en fait matière à une étude
scientifique sur la nature sociable de l'homme. C'est parce qu'il s'est
attaché à cette conception et l'a répondue dans les esprits, qu'il a été
considéré comme père du droit naturel.
Of hier de werkelijke verdiensten van de Groot zijn aangegeven? Ik zou
het betwijfelen.
Was het waar, dat Grotius de eerste was, die een wijsgeerige uitlegging
beproefde van de menschelijke natuur; was het waar, dat hij vóór alle
anderen op de gedachte kwam het natuurrecht nu eens wijsgeerig te
behandelen; dan, ja, kon Grotius, ook afgezien van de deugdelijkheid
zijner philosophie, aanspraak maken op de erkentelijkheid van het
menschelijk geslacht.
Maar zoo men zulks beweert, ziet men het wijsgeerig werken der
middeleeuwen op dit gebied over het hoofd. En nu kan het wel gebeuren,
dat men de beschouwingen der "school" over het natuurrecht theologische
en metaphysische beschouwingen meent te moeten noemen, en geen
wijsgeerige. Dit echter zou berusten op een wanbegrip. Want vooreerst al
behandelden de scholastieken het natuurrecht bij gelegenheid van de
theologie, daardoor is het nog niet zeker, dat zij dat onderwerp niet
philosophisch, maar theologisch behandelden.
Kaltenborn heeft zich ongetwijfeld vergist, als hij zegt, dat men het
natuurrecht aannam, alleen op grond van een schriftuurtekst. Wil men de
Summa Theologica van St. Thomas openslaan, dan wordt het voor elkeen,
die zien kan, duidelijk, dat er neven theologische gronden, ook
wijsgeerige gronden worden aangegeven, en dat deze zelfs de grootste
plaats innemen. Men verwarde geen philosophie met theologie, of liet de
eerste niet opgaan in de tweede, men onderscheidde deze twee
wetenschappen, versmaadde echter niet het licht der openbaring, ook in
de wijsbegeerte.
Dat verder de philosophische verklaring van 's menschen natuur,
onphilosophisch zou worden, zoo men er de metaphysiek bij te pas brengt,
och ja, dit is het subjectieve oordeel der positivisten, dat men zou
moeten bewijzen waar te zijn ook in de objectieve wereld.
Ik geloof liever, hetgeen Fonsegrive schrijft: La métaphysique supprimée
la morale ne peut être qu'une physique des moeurs. [261]
Het gaat dus niet op, de Groot als den vader van het natuurrecht te
beschouwen, op titel van deze stof het eerst wijsgeerig te hebben
behandeld. Beter noemde men hem eenvoudig den "epocheman", den
baanbreker, voor een nieuwe wijsgeerige richting.
Wat een andere bewering betreft, deze nl., dat de Groot de scheiding van
moraal en recht wel niet voltrokken zou hebben, maar toch onder de
voorloopers van Thomasius en Kant zou zijn te rekenen, ook dit is
onwaar; want de Groot wil, dat ook de rechtsplichten van den mensch
ethische plichten zijn. Men misdoet in geweten, als men ingaat tegen
zijn sociale natuur; en ook hij zegt, dat men kan spreken van
rechtvaardigheid, een deugd van den wil, om een ander te geven wat hem
toekomt, en van het recht in objectieven zin, als hetgeen wat iemand
toekomt. [262]
Welke zijn dan wel Grotius' verdiensten?
Met recht kan men hem noemen den vader van natuur- en volkenrecht, mits
men deze woorden in een bepaalden zin opneme. Als men daardoor versta,
dat Grotius het natuur-en volkenrecht heeft verheven tot den rang eener
afzonderlijke wetenschap. Als men, gelijk Meyer [263] zegt, door Grotius
vader te noemen van natuur-en volkenrecht, meer denke aan den vorm,
waarin hij die zaken heeft voorgedragen, dan aan die zaken zelf.
Grotius was de eerste, die van natuur-en volkenrecht een afzonderlijke
wetenschap maakte, want bij al de schrijvers, en zij zijn legio, over
oorlog en vrede en over aanverwante onderwerpen, hebben wij slechts
traktaatjes over bijzondere onderwerpen, wij missen een geheel. Wij
missen misschen wel niet een nauwkeurige bepaling van natuur-en positief
recht, van volkenrecht, maar deze bepalingen bijeen, in verband met
elkaar, en in verband met het daaruitvolgende; n.l. wat de mensch te
doen of te laten heeft overal en altijd, wat hem vrijstaat te doen of
niet te doen; wat hem in het praktische leven geoorloofd is of niet, al
naar gelang hij door zich zelf verplicht is geworden tot iets, of door
God; ziedaar wat tot dan toe ontbrak.
Herhalen we nog eens de woorden van Robert Flint, gelijk E. Nijs ze
vertaalt: L'homme de génie, que l'on appelle le fondateur d'une science
ne fait que rattacher ses élements déjà existants; il se borne à réunir
ses membres épars, à leur insufler le soufflé de la vie. [264].
Vóór Grotius was veel gewerkt. Toute la dernière partie du moyen âge a
un caractère juridique prononcé; au fond de toute son histoire se trouve
l'idée du droit. [265]
Behalve de rechtsgeleerden, hebben Erasmus, Coornhert, Thomas Morus,
Lipsius aan Grotius bouwstof geleverd, zoowel als Montaigne en zijn
leerling Charron, zoowel als Bacon en Herbert de Cherbury.
Kortmartus [266] beweerde zelfs, dat Grotius Montaigne niet alleen in
vele punten gevolgd heeft, maar zelfs "de verbo ad verbum annotavit".
Zeker is het, dat Michel de Montaigne (1533-1592) het ethisch, aan
Socrates en het stoïcijnen herinnerend, princiep: zedelijk leven is
leven volgens zijn natuur, zoo goed als Grotius huldigde. Charron
(1541--1603) zeide: Alle wijzen leeren, dat het goede leven het leven is
volgens de natuur, en dat het hoogste goed is, met zich zelf over een te
stemmen. [267]
Bij Bacon is de natuurwet, de sociale, op het welzijn van het geheel
gerichte, aandrift der afzonderlijke personen, in overeenstemming
gebracht met de aandrift tot zelfbehoud.
Herbert de Cherbury (1581-1648) spreekt van "communes notitiae" die
voor hem de grondslagen worden van zedelijkheid en van recht.
Grotius vond de bouwstof bereid en verwerkt, zijn genie vond het middel
ze te ordenen tot eenen bouw, tot een geheel. Dit is zijn verdienste.
Zoo b.v. had Alberic Gentilis, die door Grotius dankbaar wordt
herdacht, [268] zich te veel op autoriteit beroepen, zonder zelf eens te
zien, hoe zwaar de autoriteit van sommige rechtsgeleerden woog. [269]