Hoeveel punten van overeenkomst er zijn te bespeuren tusschen Grotius en

St. Thomas, zal een aandachtige lezing van de door ons hier geciteerde

texten van St. Thomas, en van de Jure Belli ac Pacis van den anderen

kant doen zien.

Wonderlijk is het, hoe bij zooveel overeenstemming, beider gedachten

hemelsbreed kunnen verschillen. En de reden daarvan? Een feit, neem het

sociaal en redelijk aangelegd zijn van den mensch, wordt vruchtbaar,

geeft recht tot verdere gevolgtrekkingen, door vooraf aangenomen

beginselen. Deze nu verschillen hemelsbreed bij St. Thomas en de Groot.

De laatste wilde met behulp dezer feiten, door niemand te loochenen,

eene moraal en rechtsleer construeeren, die autonoom was, die op zich

zelve stond, en daarom passend was in elk systeem, voor allen, welke

wereldbeschouwing zij ook huldigden. [180] Het middel meende Grotius te

vinden in het princiep: volgens zijn natuur leven is goed leven.

Het was het beginsel der romeinsche oudheid.

Zij, die aan het bestaan gelooven van een Schepper van hemel en aarde,

die zich bekommert om zijn schepping, moeten tegelijkertijd aannemen,

dat het ook Gods wil is, te leven gelijk van nature onze geaardheid is.

Een ander idee heeft de Groot niet van de "lex aeterna", door hem zeker

bij name gekend.

* * * * *

Dat ook de stellige wet in een nieuw licht voor Grotius verschijnt, is

een gevolg van het voorgaande.

En de positieve menschelijke wet, en de positieve goddelijke wet is

noodzakelijk naar St. Thomas, meening. De positief-menschelijke wetten

zijn niet alleen nuttig, zij zijn noodzakelijk; èn ter verklaring en

toepassing der natuurwet voor het praktische leven èn om de onwilligen

door straf te dwingen, de maatschappelijke orde te bewaren. Homini

naturaliter in est quaedam aptitudo ad virtutem (q. 53 art. 1.) Sed ipsa

virtutis perfectio necesse est, quod homini adveniat per aliquam

disciplinam. [181]

De positief-goddelijke wetten zijn noodig, om den mensch te bestieren op

zijn weg naar een bovennatuurlijke bestemming. [182]

Of de positief-goddelijke en de positief-menschelijke wetten noodig zijn

volgens Grotius? De strafwet is zeker nuttig, is zij echter

noodzakelijk? Neen, want ook in dien toestand, waarin een ieder als

strafrechter kan optreden, is nog mogelijk een maatschappelijk leven.

Nuttig zijn ook de andere positieve wetten, maar om dezelfde reden als

zoo even genoemd, zijn ook deze niet noodzakelijk.

Denkbaar is het, dat de menschen in een natuurtoestand, d. i.

onafhankelijk van elkander levend, de natuurwet onderhouden, redelijk

zijn in hun handelingen, en sociaal; maar waarom zijn dan nog positieve

wetten noodig? Noodig zouden deze kunnen zijn, in geval de menschen

verplicht waren tot de societeit in den strengen zin des woords, en tot

het goed der gemeenschap, het "bonum commune"; dan immers was een meer

bijzondere, niet uit de natuur van den mensch voortvloeiende richting,

ordening van 's menschen doen naar het goede van het geheel,

noodzakelijk. Deze verplichting ontkent echter de Groot.

Evenmin als positief-menschelijke wetten, zijn positief-goddelijke

wetten noodzakelijk, naar Grotius' meening. Dit vindt zijn verklaring

hierin, dat de Groot de begrippen van St. Thomas omtrent een

bovennatuurlijke orde, en een de menschelijke krachten te boven gaande

eindbestemming, niet huldigt.

Om terug te komen bij de menschelijke wetten, wat zijn zij voor hem.

Dat de positieve wet een uitlegging of toepassing zijn zou der natuurwet

in de wisselende omstandigheden des levens, dat de positieve wet

noodzakelijk zijn zou om den mensch, die in het algemeene geleid wordt

door de natuurwet, te leiden in het bijzondere, in het praktische leven,

hieraan denkt Grotius dan ook niet meer. De positieve wet voor hem is

het willekeurig verplichtend maken van datgene, wat op zich zelf te doen

goed, maar ook niet te doen, geen kwaad was en omgekeerd.

De mensch, zoo redeneert hij, heeft dikwijls een speelruimte voor zijne

vrijheid op zedelijk gebied. Want al is de mensch, als redelijk wezen,

verplicht zedelijk te handelen, dat zedelijk of "eerlicke" handelen,

bestaat niet altijd als in één ondeelbaar punt; en daarom is iedere

afwijking ter rechter of ter linker nog niet immer een onredelijk, en

bijgevolg anti-natuurlijk handelen. Naar believen kan de mensch in zulk

geval het een of het ander kiezen, Die vrijheid na, die bevoegdheid kan

hij afstaan aan anderen, of kan hem ontnomen worden door God, of, ter

wille eener misdaad, door den mensch. Zoo ontstaat de overheid, die zoo

zij wil, kan zeggen, welke van die goede daden den mensch te doen, welke

hij te laten heeft; de overheid kan en neemt de taak over, die de nu

onderdaan gewordene, vroeger zelf had.

De menschelijke wetten, d.i. "istae particulares dispositionis

adinventae secundum rationem humanam" [183] verdeelt St. Thomas met

Isidorus, in "jus gentium" en "jus civile" [184]. Datgene wat uit de

natuurwet wordt afgeleid, gelijk een gevolgtrekking uit een beginsel, is

het "jus gentium", "ut justae emptiones, venditiones et alia hujusmodi",

terwijl de meer bijzondere bepalingen omtrent voorschriften van het

natuurrecht, den naam dragen van burgerlijk recht. [185]

Wat voor St. Thomas in zekeren zin tot de "lex humana" behoort, het "jus

gentium" of de algemeene gevolgtrekkingen af te leiden uit de natuurwet,

behoort voor de Groot tot het natuurrecht zelve. Dit verschil van

opvatting berust hierop, dat volgens Grotius door onze natuur is

voorgeschreven of verboden, al datgene wat volgens de uitspraak van ons

verstand, overeenkomstig is of in strijd met onze geaardheid. De

bepaling der natuurwet, gelijk hij die geeft, kan men boven vinden.

St. Thomas zag in de natuurwet een "principium actionis", wel een

uitwendig beginsel, maar een beginsel was zij; daarom was voor hem

natuurwet slechts datgene, wat van nature in den mensch lag, datgene

waarheen de mensch zich van zelf getrokken voelde, wijl het de

natuurlijke werking was zijner faculteiten, terwijl het niet van nature

gevoelde goed of kwaad zijn eener handelwijze, maar door het vergelijken

en overeenbrengen dier handeling met een natuurlijk geziene goede

handeling, dus door redeneering het "jus gentium" vormde. Daarom had het

jus gentium eenigszins kracht van natuurwet. [186]

* * * * *

Van het recht in strikten zin kan men wel geen beter omschrijving

geven, dan die van Pottier. [187] Een zedelijke praeferentie, zoo noemt

hij het recht, waardoor iemand de voorkeur heeft, met uitsluiting van

alle anderen, in het gebruik eener zaak en die op de bijzondere

betrekking berust, waarin die zaak staat tot hem.

Op dezelfde wijze als Pottier denken ook Grotius en St. Thomas zich het

recht, in dezen strikten zin. Enggenomen recht, zegt de eerste, is het

opzigt dat daer is tusschen een redelijk wezen en iets dat op het selve

past, door waardigheid ofte toebehooren. [188] St. Thomas zegt: jus sive

justum est aliquod opus adaequatum alteri secundum aliquem aequalitatis

modum. [189]

Voor beiden is eveneens het recht, het jus, het voorwerp van de deugd

van rechtvaardigheid. "Jus est objectum justitiae" aldus St.

Thomas [190]. Rechtvaardigheid is een deugd van den wil om te doen wat

rechtmotig is, aldus Grotius [191].

St. Thomas wil verder, dat iets iemand kan toebehooren, ofwel uit den

aard der zaak zelf [192] ofwel "ex condicto, sive ex communi placito."

Iets kan van nature iemand toekomen, zegt St. Thomas. Hier echter maakt

hij noch een onderscheid. "Secundum absolutam sui considerationem" kan

iets ooit iemand toebehooren; en in dit geval spreekt hij van "jus

naturale" [193].

Iets kan iemand toebehooren, wel niet op de zooeven genoemde wijze,

maar secundum aliquid quod ex ipso sequitur. In dit geval, spreekt St.

Thomas van "jusgentium" [194]. Tegenover het "jus naturale en het jus

gentium" staat dan het "jus positivum" (aliquid commensuratem alteri ex

condicto etc.)

In dit laatste gaat de Groot niet heel en al met St. Thomas mede. Hij

maakt geen onderscheid, tusschen natuurlijk recht en jus gentium. Zien

wij dit echter over het hoofd, en vragen wij ons af, waarop voor beiden

de rechtsorde der menschen onderling berust.

Om de vraag een eenvoudige vorm te geven; Evenals de mensch, zoo heeft

ook het dier het leven, den mensch evenwel mag ik niet dooden, het dier

echter wel. Vanwaar dit onderscheid? Volgens Grotius moeten wij onzen

evenmensch laten, wat hij heeft en geven wat hij hebben moet, om rede

wij van nature sociaal zijn. Uit den socialen zin van den mensch volgt

voor hem het recht.

St. Thomas beschouwt deze kwestie van uit een ander gezichtspunt.

Als beginsel zet hij op, dat alle dingen gebruikt mogen worden voor

hetgeen, waarvoor zij dienen. [195]

Waarvoor dient de mensch?

Dat het goede wat de mensch heeft, hem niet gegeven is ten voordeele en

ten bate van de andere menschen, gelijk dit het geval is met de

redelooze wereld, wier goed bestemd is, en hun gegeven is ter wille van

den mensch, deze stelling leidt St. Thomas hieruit af, dat de mensch is

een intellectueele zelfstandigheid, en dus dicht komt bij het altijd

zijn; de mensch is naar zijn ziel onsterfelijk. Want, zoo zegt hij, wat

iemand op zich zelf wil, wil hij altijd; quod enim propter se est,

semper est. Daarom moet God, die den mensch een onsterfelijk wezen

wilde, hem ook op zich zelven gewild hebben. Niet gelijk de dieren en de

lagere wezens, die slechts komen en gaan en daarom niet voor zich zelf

gewild zijn, maar voor de andere wezens, wilde God dus den mensch, maar

Hij wilde hem op zich zelf.

Dit alles sluit echter niet uit, zoo voegt St. Thomas er bij, dat de

mensch verder bestemd is voor God en de volkomenheid van het

geheel. [196]

De conclusie, die St. Thomas hieruit trekt is deze: Volgens Gods

ordinantiën is de onderlinge verhouding der menschen een vreedzame,

waarin ieder zelfstandig aan zijn eindbestemming kan werken, en deze is

mogelijk wanneer aan eenieder het zijne gegeven wordt. [197]

Alhoewel Grotius derhalve het begrip recht even gelijk de school, binnen

de grenzen van het zedelijke, vindt, alhoewel hij bijna met dezelfde

woorden, als de Baets, zou kunnen zeggen, dat het recht, in een

subjectieven, zin genomen, is "ce pouvoir d'acquérir sa destinée, s'y

conduisant par sa raison et sa volonté, de disposer par conséquent, par

ces mêmes facultés, des moyens nécessaires à cet effet; c'est le pouvoir

moral qu'on appelle le droit"; [198]--is er toch een diepgaand verschil

tusschen de leer van de Groot en van de school over de bron van het

recht.

Daaruit nu volgt weer, dat de school een ander standpunt inneemt dan

Grotius, in het bepalen van wat recht is.

Voor de Groot is recht, wat niet in strijd is met de sociale natuur van

den mensch, terwijl voor St. Thomas de mensch recht heeft op datgene,

wat hem noodig is om zijn einddoel te bereiken en in staat is recht te

hebben op datgene, wat voor dat doel nuttig is.

Want zoo zegt met recht de Baets, l'homme n'a pas seulement le droit de

tendre a sa fin le droit de vivre, de penser, de vouloir. Il peut avoir

des droits plus déterminés, le droit de propriété sur telle maison, le

droit de travailler chez tel patron, etc.

Ces droits et tous les autres, ne sont que des manisfestations concrète

du droit général a l'existence et à l'acquisition de sa fin. Ces

déterminations doivent provenir du fait. [199]

C'est grâce à ces données de fait, que tel homme a droit à telle chose

déterminée.

Zien wij nu, hoe deze verschillende zienswijze over de bron van het

recht, bij Grotius en de school, oorzaak is van het verschil hunner

theoriën over het privaateigendomsrecht, en den staat.

* * * * *

Het privaat eigendomsrecht en de staat hebben volgens Grotius een

gemeenzame eigenaardigheid. Beiden zijn menschelijke instellingen, die

geen natuur- maar positief-rechtelijk karakter dragen.

De Groot verschilt weer in meening met St. Thomas. Op de eerste plaats,

wat betreft het privaat-eigendomsrecht. Voor dezen laatsten is er sprake

van "jus sive justum naturale" wanneer iets uit zijn aard een ander

toekomt of op hem past. [200]

Op twee wijzen kan nu iets uit zijn aard een ander toekomen. Zoo maar

zonder meer, alleen de zaak waarover het gaat, op zich zelf beschouwend,

kan het ooit duidelijk zijn, dat iemand recht heeft op die zaak, het kan

evenwel gebeuren, dat men het behooren van iets aan iemand, niet maar

zoo direkt kan opmaken uit het wezen der zaak, waarover het gaat, maar

wel uit hetgeen zou volgen, zoo die zaak niet aan deze of gene behoorde.

Redeneeren kan alleen de mensch en daarom noemt St. Thomas het behooren

van iets aan iemand, om de gevolgen, die er uit voortvloeien, het "jus

gentium" en als voorbeeld hiervan geeft hij "proprietas possessionum".

Er is geen reden, waarom de akker, die daar ligt meer aan mij toekomt

dan aan een ander, zoo men nl. die akker op zich zelf beschouwt;--wel

echter zoo men er aan denkt, dat die akker bebouwd en wel goed bebouwd

moet worden. [201]

Als iemand iets van nature toekomt op de eerste manier, noemt St.

Thomas, dat toebehooren, een "jus naturale" in den striktsten zin des

woords. Redeneeren is dan niet van noode. [202]

Wat de staat betreft, ook deze heeft voor St. Thomas een

natuurrechtelijk karakter; d.w.z, dat de staat, het leven in een

staatsgemeenschap, den mensch past gelijk de "commixtio maris et

feminae". De mensch, zoo zegt hij, is van nature niet zoo goed toegerust

voor den levensstrijd als het dier, en daarom moet hij het middel, dat

in zijn bereik ligt, en geëigend is om hierin te voorzien, den staat,

gebruiken; en heeft hij van een anderen kant, een natuurlijk recht, dat

middel te gebruiken. [203]

Waarom zijn volgens Grotius in tegenstelling met de scholastiek zoowel

de staat als het privaat-eigendomsrecht positief-rechterlijke

instellingen? De oorzaak is weer te zoeken in beider beginselen. De

Groot meent natuurrecht te moeten noemen, datgene, wat gevorderd wordt

door of in strijd is met de redelijke en sociale natuur van den mensch

en de rede heeft hier uitspraak te doen.

St. Thomas echter noemt natuurrecht de van nature nagestreefde

harmonische ontwikkeling van den mensch en zijn faculteiten, als een

geheel beschouwd, en onder een ander opzicht, de zedelijk onschendbare

bevoegdheid, die de mensch heeft, om naar zijn einddoel te streven, en

diensvolgens de redelijk onschendbare bevoegdheid op de daartoe noodige

middelen.

Grotius meent, dat staat-en privaat-eigendomsrecht niet tegen de

redelijke en sociale natuur van den mensch ingaan; maar dat zij

noodzakelijk gevorderd worden voor het welzijn van den mensch en van het

geheel, komt niet in zijn gedachte op. Zij zijn nuttig ja, maar noodig?

Wat is noodig, wat is goed of kwaad? Alleen wat aan het individu als

redelijk en sociaal wezen past, dat is verstandig, met oordeel handelen

en welwillend, niet ten nadeele handelen der anderen, hun niet ontnemen

wat zij hebben. Al is de staatgemeenschap, eenmaal aangenomen dat de

menschelijke natuur zoodanig is, een voor den mensch noodzakelijk iets,

hieruit volgt voor de scholastiek niet, dat de staat die werkelijk

bestaat alle positief-rechterlijke elementen uitsluit. Neen. De mensch

vindt in de burgerlijke gemeenschap een onmisbaar middel om tot zijn

doel te komen, maar hij is vrij in deze of die burgerlijke gemeenschap

in te treden.

Wat de verhouding der afzonderlijke personen betreft, ten overstaan der

gemeenschap of der, het gemeenebest vertegenwoordigende overheid,

volgens de Groot is deze rechtsverhouding af te meten naar het contract,

dat bestaat tusschen de individuen en het geheel of tusschen

afzonderlijke personen en de overheid. Dat het zoodoende mogelijk is,

dat een volk totaal dienstbaar is aan zijn vorst, is duidelijk.

Het overheidsgezag kan zijn alleenlijk ter wille der overheid, en niet

ter wille der ondergeschikten; alhoewel dit niet in den regel het geval

zijn zal, zoo zegt hij.

Niet uit een overeenkomst of een contract leidt St. Thomas de

rechtsmacht van den staat af en de plichten der onderdanen tegenover de

gemeenschap, maar uit het wezen of den aard der burgerlijke societeit,

die vast omschreven is voor hem, wijl zij is een natuurlijk en geen

willekeurig iets; wijl de staat een door 's menschen natuur

onafhankelijk van zijn vrijen wil aangegeven en daarom bepaald middel is

tot zijn doel. [204]

De mensch is voor St. Thomas een pars, een deel der gemeenschap; het

deel is onvolmaakt ten overstaan van het geheel, en zoo is de mensch

voor de societeit; en daarom kan hij ter harer wille worden opgeofferd,

zoo het noodig is, voor het welzijn van het geheel.

Van den anderen kant echter is de mensch een persoon, die blijft, zich

niet verliest in de gemeenschap. De gemeenschap is middel voor den

mensch en de mensch middel voor de gemeenschap, doch niet geheel en al

terwille der gemeenschap alleen bestaat hij, gelijk de redelooze wereld

alleen voor den mensch. Daaruit volgt nu, dat het staatsgezag niet kan

zijn ten bate der overheid, maar dat alle gezag, is ter wille der

onderdanen in hun geheel, het goed zijn van alle ondergeschikten. Het

"bonum commune" is het doel der staatsoverheid.

Om hierbij een woord te zeggen over Grotius' strafrechts-theorie; hij

bepaalt de straf juist gelijk de scholastiek; hij verschilt van St.

Thomas in het afleiden van de bevoegdheid van den staat om misdadigers

te straffen; Grotius wil, dat dit recht ontstaat door een overeenkomst;

het den persoon eigen recht is afgedragen aan de gemeenschap of aan de

overheid; terwijl St. Thomas meent, dat aan de overheid dit recht

toekomt, omrede het een middel en wel een noodwendig middel is tot

instandhouding der menschelijke gemeenschap. [205]

De zienswijze van Grotius berust weder op zijn individualisme. Alle

rechten van de gemeenschap waren oorspronkelijk rechten der

afzonderlijke personen; langs contractueelen weg zijn zij overgegaan.

Dat de menschen levend in een natuur-toestand de bevoegdheid hadden om

te straffen, berust verder voor hem op de noodzakelijkheid der straf

voor het sociale leven, terwijl van den anderen kant den misdadiger geen

onrecht gedaan wordt, wijl hij de straf verdiende.

* * * * *

"Gewiss", zoo schrijft W. Dilthey, "gewiss umgiebt den Melanchton, die

ganze Tradition der Väter und Scholastiker.

Ihre Begriffe sind ihm bekannt. Sie werden von ihm benützt. Aber der

metaphysische Zusammenhang, in welchen diese Begriffe bei den

Scholastikern stehen, ist für ihn unbrauchbar." [206]

Wat W. Dilthey over Melanchton zegt, zou men met evenveel recht kunnen

zeggen over Grotius.

Ook in Grotius leeft nog de traditie van vroegere eeuwen, maar ook voor

hem, is de "metaphysische Zusammenhang, in welchen diese Begriffe bei

den Scholastikern stehen, ... unbrauchbar;" hij kent of begrijpt dien

samenhang niet meer, en daaruit is te verklaren, hoe zijn systeem,

ofschoon essentieel verschillend van dat der scholastieken, toch

ontelbaar vele aanknoopingspunten vertoont met het systeem der

laatstgenoemden.

Het zou ons te ver voeren ze op te sommen. Op eenige kunnen wij de

aandacht vestigen; Grotius beschouwt den mensch als sociaal en redelijk

wezen, en bouwt op deze menschelijke eigenschappen zijn moraal en

rechtsleer. Hij spreekt van een natuurwet en daarneven van een stellige

wet, die een goddelijke of een menschelijke kan zijn, en die hij gelijk

de scholastieken bepaalt. Bijna gelijk Grotius definieert Leonardus

Lessius [207] het natuurrecht. Jus naturale, schrijft deze, dicitur, quod

ex ipsis rerum naturis oritur, sive ex natura rationali.... Unde ejus

rectitudo, supposita existentia naturae humanae, non pendet ex aliqua

libera ordinatione Dei, vel hominis, sed ex ipsa natura rerum.

Voor Grotius is daarom de "lex naturalis" onveranderlijk, zoowel als

voor de scholastieken, en hij spreekt de taal der school, als hij hare

onveranderlijkheid bewijst. Daarom ook zijn er voor de Groot

handelingen, die op zich zelf goed of op zich zelf kwaad zijn.

Ook in de behandeling van zijn onderwerp volgt hij de "school"; zijn

methode is scholastiek. Gelijk Hely [208] ergens zegt: Grotius geeft

verdeelingen tot in het oneindige, en beschouwt de vraag, die hij

behandelt, uit verschillende gezichtspunten.

Dit alles was wel de reden, waarom sommigen meenden, dat Grotius heel

en al meeging met St. Thomas; te meer nog wijl Grotius zich openlijk

uitsprak ten gunste der "school"; wijl hij de denkers der voorgaande

eeuwen bewonderde.

Grotius beoordeelt de scholastiek wel wat gunstiger dan Kaltenborn. Deze

durft zeggen, "die Dialektik (der scholastiek) ist Spitzfindig und

weitschweifig, ... die Darstellung unklar, unverständlich, voller

Sprungs und Widersprüche." [209]

"Scholastici", zegt de Groot, "quantum ingenio valeant, saepe ostendunt:

sed in infelicia et artium bonarum ignara saecula inciderunt: ejus minus

mirum, si inter multa laudanda, aliqua et condonanda sunt.... Tamen ubi

in re morum consentiunt, vix est, ut errent, quippe perspicaces admodum

ad ea videnda, quae in aliorum dictis reprehendi possunt: in quo ipso

tamen diversa tuendi studio laudabile praebent modestiae exemplum,

rationibus inter se certantes, non qui mos nuper adeo litteras inquinare

coepit, comitis turpi foetu impotentis animi." [210]

Als Grotius Benjamin Maurerius aanzet tot de studie van het openbare

recht, en dezen de auteurs aanwijst bij zijn studie te raadplegen, is

het niet alleen Plato en Cicero, maar ook Thomas Aquinatis, die onder de

aanbevelingswaardige schrijvers vermeld wordt. "Neque poenitebit, ex

scholastisis Thomam Aquinatem si non perlegere, saltem inspicere secunda

parte secundae partis libris, quem summam theologiae inscripsit." [211]

Al wordt de engelachtige leeraar steeds aangehaald met de woorden,

Thomas of Thomas Aquinatis, gelijk ook zijn heilige voorgangers, en

nimmer als St. Thomas, dit was slechts een teeken van Grotius'

protestantisme, niet van dweperij of fanatieken haat tegen al wat

roomsch was.--Integendeel de roomsche wetenschap, als wij dit woord

mogen gebruiken, was hem lief en bijzonder de wijsheid der "school".

Even gelijk Erasmus, haatte Grotius wel het gefilosofaster der 15e en

16e eeuw, maar niet de wijsbegeerte van de meesters der 12e en 13e eeuw.

Van Suarez zegt Grotius in een zijner brieven: Nam quorsum tantus

Suarezii contemptus, hominis, si quid recte judico, in Philosophia, qui

hoc tempore connexa est scholastica, tantae subtilitatis, ut vix

quemquam habeat parem. [212]

Dit tweevoudige feit, zijne liefde voor de scholastieken en het meegaan

met hen in vele ondergeschikte punten, bracht sommigen ertoe zonder

verder onderzoek Grotius onder de volgelingen der school te

rangschikken. Dat zij zich door den schijn lieten misleiden, is zeker.

Welke de genealogie van Grotius ideeën is, kunnen wij nog in 't kort

aangeven. Vragen wij ons eerst af, in welk midden Grotius leefde, en

welke gedachten-invloed hij van buiten onderging. Want dat de kring der

ideeën, waarin men leeft, onze eigen ideeën en onze gedachten eenigszins

zal beïnvloeden, wellicht zelfs in hooge mate, valt niet te ontkennen.

#Grotius en de omgeving, waarin hij leefde.#

Niet slechts in een kring van rechtsgeleerden leefde Grotius, zijn

vrienden waren ook Jos. Scaliger, Justus Lipsius, Cansabonus, Hooft en

zelfs Vondel. [213] Ook het litterarisch schoon trok hem aan. En hier

vooral is het dat wij den sleutel vinden van Grotius stellingen.

Beschouwen wij een oogenblik de rechtsgeleerde wereld waarin hij leefde.

Hugo de Groot en zijn rechtsphilosophie · 第 7 / 12 段