Andere bewijzen voor het recht der souvereine macht in kerkelijke zaken

van minder gewicht evenwel, vindt Grotius nog in het feit, dat de hooge

overheid deze macht niet kan afstaan; zonder schade voor het

gemeenebest. "Nam sacerdotum quidam eo sunt ingenio, ut ni pareant,

territent. Et multitudo, ut olim Curtius dixit, vana religione capta

melius vatibus quam ducibus paret." (n° 13.)

Al te goed naar het schijnt kende Grotius de revolutionaire gezindheid

der predikanten uit die dagen, en hun invloed op het volk.

Daarbij is het zeker, zoo zegt Grotius, dat een verandering in de

religie, zelfs in de plechtigheden, zoo zij niet met aller instemming

geschiedt of een klaarblijkelijke verbetering is, uiteraard den staat

schokt en tot groote onheilen voert.

_Het strafrecht._

De straf in het algemeen bepaalt Grotius, als een "malum passionis, quod

infligitur ob malum actionis." [127]

Dat de misdaad mag gestraft worden, zegt het natuurrecht. Hij, die kwaad

deed, is niet te goed om ook zelf te lijden. l. 2 c. 22 § 1 n° 2.

De straf behoort bij de justitia expletrix (commutativa) want hij, die

straft, moet wettelijk recht hebben om te straffen, hij moet er de

zedelijke bevoegdheid toe hebben. Dat recht nu ontstaat door het

misdrijf van den schuldige. (ibid. § 2 n° 3.)

Zegt de natuurwet, dat de misdaad kan gestraft worden, zij zegt niet

door wie. (§ 3 n° 1.)

Het is echter billijk, dat het geschiede door eene overheid, en van den

anderen kant is zeker hij daartoe niet bevoegd, die even slecht is als

de strafschuldige. (ibid.) [128]

Is iets "justum", het is daarom nog niet "rectum," en daarom vraagt de

Groot, of men mag straffen om te straffen, alleen uit wraakzucht? Dat

past de redelooze schepselen, antwoordt hij, niet den mensch. [129]

Deze moet een doel beoogen met de straf. Hij moet niet straffen "quia

peccatum est," gelijk Plato zegt, "maar om de misdrijven in het vervolg

te voorkomen" (§ 4.) God, uit hoofde van zijn hoogheidsrecht, dat zich

uitstrekt over allen en alles en omdat Hij volkomen vrij is en volmaakt

en niets buiten zich zelven zoekt, kan straffen enkel en alleen, omdat

er kwaad bedreven is, zonder verder doel. De mensch echter moet bij het

straffen steeds een goed doel voor oogen hebben, en wel omdat hij met de

anderen verwant, en van nature hun gelijk is. (§ 4 n° 3.) Het goede

doel, dat men beoogt bij het straffen, kan zijn drievoudig, het kan zijn

de verbetering van den schuldigen zelf; het voordeel van hem, die er

belang bij heeft, dat er geen kwaad gebeure; het belang van eenieder

zonder onderscheid.

Is de straf een "poena medicinalis," dient zij om door pijn en smart,

een afkeer te wekken van het kwaad; dan kan zij toegepast worden, door

eenieder, die voldoend verstand en oordeel bezit. En wat in dit geval de

grootheid der straf betreft, zij mag niet zijn de doodstraf, tenzij

"reductive."

Het kan in het belang zijn van den schuldige dat hy gedood worde n.l.

als er geene verbetering mogelijk is, en het te vreezen is, dat zijne

misdaden steeds aangroeien. [130]

Straffen in het belang van hem, die het kwaad te vreezen heeft, kan

hij, die het kwaad heeft te lijden en zelfs eenieder, want het is

overeenkomstig de natuurlijke rede, dat de een den ander helpe. (§ 8 n°

1.)

Daar wij echter, zoo het ons of het onze betreft, al te spoedig geneigd

zijn tot drift en wraakzucht, en alle redelijkheid vergeten, zijn vele

familiën bijeen gekomen en hebben zij rechters aangesteld aan wien zij

hunne macht om den schuldige te straffen overgaven, en daarmede hun deze

taak opdroegen. (§ 8 n° 4.)

De oude vrijheid, om de misdadigers te straffen [131] herleeft echter

daar, waar geen rechtspraak is, bijv. op zee of afgelegen plaatsen. (§ 8

n° 5.)

Men kan straffen in het belang van onverschillig wie, en dit kan

gebeuren, door den schuldige te dooden, door hem de macht te benemen

kwaad te doen of door hem te verbeteren; dat kan gebeuren door hem te

pijnigen en zoo aan anderen den lust te ontnemen hem na te volgen in het

kwaad. (§ 9 n° 1.) Is dit recht van nature bij allen, mettertijd is ook

dit recht overgedragen aan bepaalde personen. (§ 9 n° 4) [132]

Het bestaat echter nog in zijn ouden vorm voor hen, die niet staan onder

een bepaalde rechterlijke macht (n° 5) en daar, waar geen rechtspraak

is.

Bij vele volken hebben de meesters over hunne slaven, de ouders over

hunne kinderen nog zelf het strafrecht in zijne volheid. (n° 5.)

Leert de wet van het Evangelie iets anders dan het natuurrecht? Neen.

Lijfstraffen, die geen blijvende schande of nadeel medebrengen en noodig

zijn, toegepast door hen, die daartoe de wettelijke macht hebben bijv.

door ouders en meesters enz., zijn niet in strijd met de wet van

Christus, (c. 22 § 10 n° 1.) [133]

Straffen enkel uit wraakzucht is ongeoorloofd volgens de natuurwet. In

dit punt verbiedt Christus meer. Hij verbiedt zelfs haat toe te dragen

aan zijne vijanden. (n° 2.)

Wat betreft het recht om hen te straffen, die misdoen tegen het openbaar

welzijn, het bleef bestaan ook onder de Nieuwe Wet. (n° 8 § 11.)

Publieke misdadigers straffen met den dood, is ook nog geoorloofd. (§

12.) [134] Men moet hen echter, vóór zij worden omgebracht, den tijd

geven voor berouw. (ibid.)

Het zou echter niet verkeerd zijn, zoo de christen vorsten de doodstraf

veranderden in dwangarbeid. Of de menschelijke wetten, die toestaan

bepaalde misdadigers te dooden, niet slechts bij de menschen, maar ook

bij God recht geven, bespreekt Grotius daarna. Het kan zijn, dat de

menschelijke wetten alleen eene menschelijke onstrafbaarheid verzekeren,

zij kunnen echter ook tegelijk met een onstrafbaarheid bij de menschen,

de daad geoorloofd maken in geweten. [135] Men kan dit afleiden, uit de

woorden der wet en uit de zaak, waarover het gaat. (§ 17 n° 1.)

Is het zeker, dat misdaden gestraft mogen worden, een andere vraag is:

mogen _alle_ misdrijven gestraft worden? (§ 18.) Meer innerlijke daden,

ook al worden zij bekend, geven geen recht tot straf; want het is niet

in overeenstemming met de menschelijke natuur, dat uit inwendige daden

wederzijdsche plichten en rechten volgen. Daardoor wordt echter niet

verboden, bij het afmeten van hetgeen iemand verdient, rekening te

houden met de innerlijke gesteldheid van den mensch, in zooverre deze

invloed heeft op zijne uitwendige handelingen. (§ 18.)

Niet strafwaardig zijn de onvermijdelijke gevolgen van de menschelijke

natuur, waaronder de misdrijven vallen, voortkomende uit een

ingewortelde gewoonte of een zekere zielsgesteldheid. Worden deze

rechtmatig gestraft, dan is het niet om zich zelven, maar om hunne

oorzaak. (n° 2.)

Ook datgene, wat geen middellijke of onmiddellijke betrekking heeft op

de menschelijke gemeenschap of den evenmensch, valt niet onder het

strafrecht, tenzij in zooverre men de straf neme als middel ter

verbetering. § 20. Dit alles berust hierop, dat er geen enkele reden

bestaat om niet aan God alleen de straf voor zulke daden over te laten.

Bij de niet strafbare zaken behooren ook de ondeugden, die tegenover de

deugden staan, welke allen dwang uitsluiten, zooals het mededoogen, de

vrijgevigheid en andere. (§ 20.)

Of alle misdaden, die straf verdienen, ook altijd gestraft moeten

worden, m. a. w. of men volgens recht ooit een straf mag kwijtschelden,

hieromtrent is de Groot een ander gevoelen toegedaan, dan de

Stoïcijnen [136]. Straf mag volgens deze laatsten nooit worden

kwijtgescholden. Grotius echter meent, dat uit de waarheid: een

misdadiger _mag_ met recht voor zijn misdaad gestraft worden, niet

volgt: een misdadiger _moet_ volgens recht immer en altijd gestraft

worden, een straf mag nooit worden kwijtgescholden. (§ 21.)

Voor dat het burgerlijk strafrecht werd ingesteld, zoo zegt hij, was men

niet verplicht ieder strafwaardig vergrijp te straffen. Er konden

gevallen zijn, waarin men verplicht was te straffen, daartegenover

echter stonden gevallen, waarin men niet mocht straffen of waarin het

vrij stond te straffen of niet te straffen. Hetgeen uit de straf zou

volgen, gaf hier den doorslag. Zoo mocht men niet straffen, als het

algemeen welzijn er door lijden zou, zoo moest men straffen, als het

gemeen welzijn dit eischte. (ibid § 22-23.) Na het invoeren van een

burgerlijk strafrecht is de zaak niet zoo eenvoudig, want de wetgever is

door zijne wet in zekeren zin gebonden.

Moet men daaruit nu opmaken, dat na de invoering van dit strafrecht,

kwijtschelding van straf onrechtvaardig wordt? Neen; want de wetgever is

door zijne wetten gebonden, in zooverre hij wordt beschouwd als een deel

der societeit, niet in zooverre hij het hoofd van den staat is. Hij kan

"qualitate qua" de heele wet afschaffen. Dit echter moet hij niet doen

zonder redenen, want hij zou doen tegen de "justitia gubernativa". (§

24, no 1.)

Wat mag en heeft hij dus te doen? Hij kan als wetgever van de wet

uitzonderen zekere personen en zekere daden, (no 2) mits hij daar

grondige motieven voor heeft (no 3.) Die motieven nu kunnen zijn van

intrinsieken of extrinsieken aard. Van intrinsieken aard, zoo bijv. als

de straf wel niet onrechtvaardig, maar toch te groot is in vergelijking

met de daad (§ 25.)

Buiten de zaak zelf gelegen redenen zijn o. a. iemands verdiensten en

dit te meer als de wet "hic et nunc" haar doel mist. Want al blijft er

een algemeene grond voor de wet, zoo haar reden van bestaan in een

particulier geval ophoudt, dan kan zonder hinder voor het overheidsgezag

een uitzondering gemaakt worden, (dispensatie.) Dit heeft vooral plaats,

als iemand eenigzins onwetend heeft gehandeld, zonder daarom zonder

schuld te zijn. (§26.)

Het blijkt dus, zoo gaat Grotius verder, dat men twee zaken moet in 't

oog houden bij het straffen "id ob quod" en "cujus ergo"--"ob quod", dat

is de verdiensten; "cujus ergo", is het goed, dat uit de straf

voortvloeit.

Eenieder moet naar verdiensten gestraft worden. (§ 28.) Om de

verdiensten vast te stellen moet men op drie zaken letten: op datgene

wat van de misdaad oorzaak was, op datgene wat iemand van het kwaad had

moeten afschrikken en op de invloed van beiden op den persoon in

kwestie. Zelden doet iemand kwaad om kwaad te doen. "Pars maxima ad

peccandum ducitur affectibus". [137] Op de eerste plaats komt daarom in

den regel voor als oorzaak van misdrijf, vrees voor een bepaald kwaad,

voor dood, gevangenis, pijn of armoede. Wat om deze dingen te vermijden

gebeurt, verdient de meeste verschooning. (§ 29 no 1). "Ceteri appetitus

ad bonum aliquod tendunt, aut verum aut imaginabile. Een waar goed, [138]

dat den mensch kan verlokken tot kwaad, is hetgeen behaagt (delectantia)

of wat een middel is om daartoe te komen: het nuttige. Een ingebeeld

goed is bijv. het meer willen zijn dan de anderen, zonder dat hiervoor

eenige reden bestaat of zonder dat daarin eenig nut is gelegen; zoo ook

de zucht naar wraakneming: hoe onredelijker de mensch in deze gevallen

handelt, hoe slechter hij handelt. De zooeven genoemde oorzaken van de

misdaden kan men, zegt de Groot in korte en algemeene woorden aangeven,

het zijn de wellust (voluptatum desideria), de begeerigheid, (habendi

cupiditatem) de ijdele glorie en wraakgierigheid (vanae gloriae

consectationem et iracundiam). (ibid § 29 no 2).

Wat afschrik van het kwaad moest inboezemen is de "injustia" in het

misdrijf gelegen. Deze nu is afschrikwekkender naarmate zij grooter is

en hare grootte hangt af van de grootere schade die veroorzaakt wordt.

"Ideo primum locum obtinent delicta consummata, postremum quae ad actus

aliquos, sed non ad ultimum processerunt."

In beide klassen zijn zulke misdrijven weer het grootst, die de publieke

orde verstoren en daardoor een grooter aantal personen benadeelen. Onder

de misdrijven tegen afzonderlijke personen is doodslag het

grootste [139], dan volgt misdrijf tegen het familieleven, waarvan het

huwelijk de grondslag is; op de laatste plaats komt diefstal en iemand

in zijn goed bedriegelijk benadeelen (§ 30 no 1.). Possunt haec ipsa

subtilius dividi, sed quem indicavimus ordinem Deus in Decalago sequutus

est (§ 30, no 2). Eene bijzondere reden tot afschrik van zulke

misdrijven ontstaat nog uit de hoedanigheid der personen, tegen wie zij

bedreven worden. Dezelfde misdaad is erger tegenover ouders dan

tegenover vreemden, tegenover personen, aan wie wij iets verschuldigd

zijn uit dankbaarheid dan tegenover hen, die ons geen goed gedaan

hebben, (ibid no 3.)

De grootheid der verdiende straf moet verder worden afgemeten naar den

invloed, die dit alles op den misdadiger kan hebben en gehad heeft. Zoo

moet rekening gehouden worden met zijn lichamelijke gesteldheid

(corporis mixtura) met leeftijd, geslacht, opvoeding, omstandigheden der

misdaad. In § 30, no 3 wordt dit verder besproken.

Is eenmaal de grootheid der schuld vastgesteld, dan moet nog om de

grootheid der straf te bepalen, gelet worden op den persoon, die

gestraft wordt. Grotius' bedoeling is hier duidelijk. Een zelfde

geldboete kan een armen man zwaar vallen, terwijl zij voor een rijke

niets beteekent. Een veroordeeling kan zeer schadelijk zijn en grievend

voor iemand, die een hooge positie heeft in de maatschappij, terwijl er

een gewoon mensch, niet heel erg door lijden zou (ibid § 33) De liefde

jegens den schuldige moet vervolgens de straf tot een minimum

reduceeren [140]

Na dit alles komt Grotius op volkenrechtelijk terrein. Welk recht om te

straffen is bij hen, die in den staat de souvereine macht bezitten niet

tegenover hunne onderdanen maar tegenover anderen? Zij zijn bevoegd elk

onrecht te straffen, dat hen of hunne onderdanen is aangedaan en

bovendien elke daad die, ofschoon hun noch hunne onderdanen onmiddellijk

rakend, in strijd is met het natuur-of volkenrecht. Bij hen is dit

recht, want stond het in den beginne een ieder vrij, tot behoud der

menschelijke samenleving, een ander te straffen, dit recht berust sinds

men in een staatsgemeenschap is gegaan en rechtbanken heeft ingesteld,

bij de hoogste macht, niet omdat zij anderen gebiedt, maar omdat zij

onder niemands bestiering staat. Immers alleen door zich aan een ander

te onderwerpen, verliest men het recht tot straffen, dat den mensch van

nature toekomt. (ibid § 40 no 1). Daarom meent Grotius in tegenstelling

met Victoria, Vasquius, Azorius, Molina, dat een misdaad tegen het

natuurrecht een "causa justificativa" van den oorlog is, en wel wijl het

voor hem niet noodig is, dat iemand, opdat er sprake kunne zijn, van

recht om te straffen, persoonlijk of in zijn volk beleedigd is, of wel

dat er een misdaad is gepleegd tegen iemand, die onder zijn jurisdictie

staat. De bevoegdheid om te straffen, zoo zegt hij, vloeit niet voort

uit het burgerlijk-, maar uit het natuurrecht. (ibid § 40 no 4.) Want

was dit niet het geval, dan zou ook na het beginnen van de

vijandelijkheden de eene vijand geen bevoegdheid hebben den anderen te

straffen, hetgeen toch de meesten aannemen en door het gebruik van alle

volken erkend wordt.

Mag men misdaden tegen de natuurwet bestraffen, men houde in het oog,

ten eerste, dat niet alle burgerlijke zeden en gebruiken, ofschoon zij

door de meeste volken niet zonder reden zijn aangenomen, natuurrecht

zijn (§ 41) ten tweede, dat men geen natuurrecht make van wat geen

natuurrecht, maar eerder eene goddelijke wet is. Zoo misschien "innuptos

concubitus et quisdam eorum qui incesti dicuntur et foenus" (§ 42), ten

derde, dat men goed onderscheid make tusschen datgene, wat tot de

algemeene beginselen van het natuurrecht behoort, zooals bijv. dat men

eerbaar, dat is volgens de rede moet leven; en wat dicht bij die

algemeene beginselen komt, en zoo duidelijk is, dat het boven allen

twijfel verheven is, gelijk de plicht, om een ander niet van het zijne

te berooven; en wat uit de algemeene beginselen meer of minder

gemakkelijk is af te leiden. Zoo ziet men al licht in, "ut posito

matrimonio non admittendum adulterium"; niet zoo makkelijk begrijpt men

"ultionem, quae in dolore alterius acquiescit esse vitiosam." Een

slechte opvoeding of weinig verstandelijke aanleg kan daarom reden zijn,

iemand vrij te spreken van schuld, ook al misdoet hij tegen de

natuurwet, mits het zij in die punten, die niet zoo direkt duidelijk

zijn. (§ 43. no 4--2.)

Wij moeten ten slotte, zegt de Groot, nog zien, of ook de misdaden, die

betrekking hebben op God, door de menschen kunnen gestraft worden; en in

hoeverre. Met Covarruvias, die dit onderwerp wijd en breed behandelde,

is Grotius het niet heelemaal eens. Reeds vroeger heeft hij de meening,

die ook Covarruvias houdt, dat men n.l. om iemand te tuchtigen

jurisdictie moet hebben in den strengen zin des woords, weerlegd.

De overheid heeft, behalve voor het eigen volk, zorg te dragen voor de

societeit, die de geheele wereld omvat; de koningen kan men vergelijken

met de bisschoppen der kerk. Dezen hebben op zich genomen zorg te

dragen, niet alleen voor de hun toevertrouwde kudde, maar tevens voor de

geheele kerk.

Dat God machtig genoeg is om zelf het kwaad tegen Hem bedreven, te

straffen, en wij daarom ons met zulke misdrijven niet moeten bemoeien,

wordt wel ooit met eenigen schijn van grond gezegd, maar dit argument is

niet steekhoudend. Er zou immers uit volgen, dat wij nooit recht hadden

om te straffen, daar God machtig genoeg is om alle misdaden te straffen,

(ibid. § 44, no 1. 2.)

Er wordt nog beweerd, dat alleen strafbaar is, datgene, wat ten nadeele

is van andere menschen, of wat hen of hun goed in gevaar brengt; maar

hier tegenover staat, dat de mensch ook die misdaden straft, die niet

direct, tegen het recht van een ander zijn, maar als "per

consequentiam". Als voorbeeld kan hier dienen, zelfmoord, en "concubitus

cum bestiis." (ibid. § 42 no 2.)

Op dezen laatsten grond nu is men bevoegd ongodsdienstigheid te

straffen; om de gevolgen.

Want de godsdienst, ofschoon hij voor doel heeft Gods gratie te

verkrijgen, speelt een zeer groote rol in de maatschappij.

Naar waarheid, noemt Plato, den godsdienst, het bolwerk van macht en

recht; en Epicurus, die geen goddelijke Voorzienigheid erkent, erkent

ook geen recht.

Vooral in de wereld-maatschappij is God onmisbaar. Want hier is bijna

geen ander middel om het recht in stand te houden, dan geweld van

wapenen; weinige wetten zijn hier mogelijk en zijn zij mogelijk, dan

ontleenen zij nog alleen aan God hun sanctie [141]. Zonder God moet

daarom de maatschappij ten gronde gaan, en het gevolg zal zijn, dat hij

die misdoet tegen God, tegen de maatschappij zondigt, en daarom

strafbaar is.

Wanneer is ongodsdienstigheid echter strafbaar, of wanneer is zulk

misdrijf verderfelijk voor het gemeenschappelijk leven?

Het ware en natuurlijke Godsgeloof heeft vier punten: 1° God bestaat en

is één; 2° Niets, van hetgeen wij zien is God, Hij is iets hoogers, iets

meer verhevens.--3° Gods voorzienigheid waakt over den mensch; God

oordeelt 's menschen daden in strenge rechtvaardigheid--4° God is de

maker, van al wat buiten Hem is. (ibid § 45 no 1)

Al degenen, die deze punten niet aannemen en er niet naar leven, zijn

schuldig, maar zijn zij ook strafbaar?

Aan de waarheid, dat God bestaat en zorg heeft voor zijne schepselen,

kan niemand twijfelen; daarom zijn zij strafbaar, die theoriën, hiermede

in strijd, verkondigen evenals zij, die de ondeugden of de duivels als

God vereeren, en menschenoffers aan hunne goden brengen. (§ 47, no 4-5).

Niet zoo zeker en niet zoo onmiddellijk kenbaar voor het verstand, is de

eenheid Gods, daarom is het veelgodendom of het vereeren van de natuur

en zijn krachten, terwille van de maatschappij, niet strafbaar door den

mensch. (§ 47 no 4.)

Om dezelfde reden mag men een volk niet met geweld dwingen, het

christelijk geloof te omhelzen. Het christelijk geloof berust op een

feit,--Christus' Verrijzenis--en is dus geen onmiddellijk kenbare

waarheid. Bovendien wil God niet dat de leer van Christus iemand

opgedrongen worde. (§ 48, no 1-2)

Ook hen, die een nieuwe leer aanhangen in een christenstaat, mag men

niet vervolgen, zoolang zij niets doen tegen den staat. Grotius

verdedigde het tollérantie beginsel, en stond hierin niet alleen, de

verschillende godsdiensten moeten geduld worden, in zoover dit geen

onheil brengt voor het gemeenebest. (§ 50 no 2)

Of, en in hoeverre het niet onrechtvaardig is, dat een straf, gelijk

dikwijls het geval is, niet alleen hem treft, die in eigen persoon

strafbare dingen deed, maar ook anderen, behandelt Grotius in een nieuw

hoofdstuk. (C. 21. De Jur. B. ac P. l. 2.)

Eerst en vooral maakt hij onderscheid tusschen hen, die medeplichtig en

die niet medeplichtig zijn aan een misdaad. De medeplichtige wordt

eigenlijk om zijn eigen fouten gestraft. Medeplichtig is men, als men

medewerkt aan het kwaad, door aanraden, beschermen, enz.

Het medeplichtig zijn der overheid aan misdaden der onderdanen, en der

onderdanen aan de fouten der overheid, trekt op de eerste plaats

Grotius' aandacht. Wat de overheid betreft, in den regel zal zij

schuldig en strafbaar zijn, ofwel, omdat zij misdaden, welke zij wist,

dat bedreven zouden worden, en die zij kon voorkomen, niet verhinderd

heeft (c. 21 §2) ofwel omdat zij verhindert een schuldige te straffen.

(ibid § 3, 4.)

Het laatste geval--de overheid kan strafbaar zijn, wijl zij verhindert

dat men den schuldige bestraffe--dient nader besproken te worden.

In een natuurtoestand heeft, volgens Grotius, eenieder die niet dezelfde

misdaad op zijn geweten heeft, het recht een misdadiger te straffen. Bij

het vormen van een staatsgemeenschap, is men echter overeengekomen, dat

voortaan de staat of de regeering de misdrijven der burgers tegen het

openbaar welzijn zou straffen. En zoo kreeg alleen de overheid het recht

haar onderdanen voor zulke misdrijven te straffen.

Wat echter de misdaden, die betrekking hebben op de algemeene

maatschappij, betreft, of de misdaden, waardoor een ander volk of diens

overheid wordt beleedigd, niet alleen de burgerlijke overheid van den

schuldige, heeft het recht deze te straffen, maar ook anderen. Daarom

zou een volk, waartoe de schuldige behoort, of zijne overheid

wederrechtelijk handelen, in geval het een ander zou verhinderen, zulk

een booswicht te straffen. (l. 2 c. 21 § 3 n° 2.)

Dewijl echter het eene volk niet verplicht is, het andere gewapend

binnen zijn grondgebied te dulden, volgt dat de staat waarin de

schuldige leeft,--want het brengt geen verschil, of de schuldige burger

is van dien staat, of slechts na het bedrijven zijner misdaad in dat

land is gevlucht,--dat die staat een van beiden moet doen: Den

schuldigen straffen, als dat verzocht wordt, ofwel den schuldigen

uitleveren. (ibid. § 4.)

Wat het asylrecht betreft, Grotius meent, dat dit slechts ten bate ia

van hem, die zonder zijn schuld vervolgd wordt. (ibid § 5.)

Heeft aan de misdaad der onderdanen de overheid ooit schuld, ook het

omgekeerde komt voor; wanneer de onderdanen n.l. instemmen met het

misdrijf der overheid, of op haar aanraden iets doen, wat zij niet mogen

doen. (c. 21. § 7 n° 1)

De staat is in zulke gevallen strafbaar, evenals diegenen der

onderdanen, die persoonlijk hebben medegewerkt. Maar hen, die niet

hebben toegestemd in de misdaad, in hun persoon of persoonlijke

bezittingen straffen, zou weer onrechtmatig zijn. Een interessante

kwestie is hier de volgende: Mag men altijd straf eischen voor een

misdrijf van het volk in zijn geheel? (c. 21 § 8 n° 1.)

Men zou kunnen antwoorden van ja, zoolang het volk als volk blijft; maar

hier moet men opmerken, dat een volk als volk sommige dingen zelf bezit,

andere, niet zelf maar in zijn onderhoorigen. Zoo bijv. noemt men een

volk wijs of krachtig, als velen van dat volk wijs of krachtig zijn. En

zoo is het ook met verdiensten. Deze zijn op de eerste plaats van de

afzonderlijke personen, wijl dezen een vrijen wil hebben, die het

geheel uit zich zelf niet heeft. Daarom vervalt dan ook recht op loon of

omgekeerd, het straf verdienen, van een gemeenschap, zoo die personen

weggaan van het volk of sterven, die er de oorzaak van waren.

Deelt iemand vaak met recht in de straf, wijl hij deelde in de schuld,

kan ooit een onschuldige zonder dat hem onrecht gedaan wordt, deelen in

de straf?

Hugo de Groot en zijn rechtsphilosophie · 第 5 / 12 段