Alzoo 't een spreekwoort is dat alle goed nae aengeboren recht gemeen

is, ende wij hier vooren gezeit hebben dat het aenghebooren recht niet

en is veranderlick, zoude iemand moghen twijfelen of den eighendom der

zaken oock rechtmatig is ofte niet. Om dan de waerheid hiervan te

verstaen, dient gelet, dat wel waer is dat God Almachtig alle zichtbaer

ofte voelbaer wezen heeft geschapen tot nut van het menschelijcke

geslacht in 't gemeen, zonder dat den eenen mensch hem daer uit eenig

recht boven den anderen kan toemeten; maer van de geschapen dingen zijn

eenighe zoodanig dat zij genoegzaam zijn tot aller menschen gebruick,

als zon, maen, sterren, hemel, oock eenigzints de lucht ende zee;

anderen zijn onghenoegzaem, te weten waer van het ghebruick bij allen

niet gelijckelick en kan zijn: van deze dingen zijn eenighe zodanig, dat

sij door 't gebruick dadelick ofte metter tijd vergaen; dadelick, als

spijs en de dranck: van deze dingen laet den aerd zelve niet toe dat de

ghemeenschap soude duren: want soo ras als iemand uit het gunt in 't

gemeen is voorgesteld iet voor hem nuttigt, soo keert sulcks tot zijn

ende niet tot eens anders voedsel: 't welck alreede een gelijckenis is

van eigendom, spruitende uit een daed die met het aengebooren recht

overeen komt. De dingen die niet dadelick, maer mettertijd door 't

gebruick vergaen, als kleederen, kunnen oock niet lang in de

ghemeenschap blijven: want verbezicht zijnde, kan niemand meer daer van

genut hebben. Wat de wooning aengaet, alzoo een plaets niet en kan bezet

zijn met meer als een lichaem, zoo en was 't niet moghelick dat nae de

vermeerdering van het menschelicke geslacht de woonplaetsen gemeen

zouden blijven: alzoo de plaets, als genomen een hol, bij den eene

zijnde begrepen, den anderen 't onbruick was ghemaeckt: en de noch

minder was zulcks moghelick nae dat de meenigte der menschen niet langer

konnende besloten zijn in de geschapen holen, door eighen vernuft ende

arbeid, hutten ende voorst huizen heett bestaen te maecken, alzoo den

aerd zelve leert dat yder een eerst arbeid voor hem zelve: 't welck

oock plaets heeft ten aenzien van de dienst die den mensch trekt van de

beesten, 't zij uit der beesten eigen aerd, 't zij door onderwijsen ende

oeffening. Ende alzo wij vooren gezeit hebben dat de goederen tot der

menschen voedsel dienende in de ghemeenschap niet dienen en konden, zoo

most daer uit volghen dat de goederen, waer uit deze nutbare goederen

spruiten (als landen en de beesten die eetbare vruchten voortbrenghen)

niet en konden ghemeen blijven, dan zo lang als die vruchten genoeg

waren om alle menschen tot haer genoegen te voeden: 't welck mits de

voorttelinge van het menschelicke geslacht, als gezeit is, niet lang

konde aanloopen. Om dan die vruchten te deelen, zijn eerst de tamme

beesten, ende mettertijd oock de landen, meest op alle plaetsen

verdeelt: 't welck des te noodiger is geweest, alzoo de landen door de

vruchten uit eigen aerd voortspruitende de menschelicke nooddruf niet

konnende voldoen, door vernuft en de arbeid zijn gebracht tot verder

teelinge. De ervarentheid heeft oock geleert, dat, den aerd,

gelegentheid ende genegentheid der menschen zeer verscheiden zijnde,

ende midsdien den eene meer als den anderen behoevende, de ghemeenschap

niet anders en konde mede-brenghen dan onlust ende oneenigheid.

Oversulcks heeft niet alleen yder voor hem zelven ende de zijne

gehouden, dat hij hadde ghemaeckt ofte bearbeid, maer zijn oock de

onbeheerde dingen, zoo door heele volckeren, als door bijzondere luiden

bezeten, ende door 't bezit in eigendom bekomen. Want dat al even nae

is, wil de reden dat dien zal volghen, die het eerst aengrijpt om voor

hem te behouden. Hieruit is dan goed te verstaen, dat hoe wel het

aengebooren recht alles liet onvordeelt, alzoo de verdeelinghe zonder

menschen daed niet en konde gheschieden, dat even wel het aangebooren

recht de verdeelinge niet en verbode, maer eenigzins daartoe oorzaeck

heeft gegeven: Ende de zelve verdeelinge door menschen daed zijnde

geschied, leert nu verder het aengebooren recht dat yder met het sijne

moet tevreden zijn, niet alleen omdat de vriendschap onder den menschen

(tot welcke vriendschap alle menschen behooren genegen te zijn) anders

niet moghelick en is te onderhouden, maer oock en dat de reden

medebrengt dat niemandt voordeel behoort te doen met een anders schade,

nochte aen een ander iet doen dat hij niet en wilde dat aen hem soude

geschieden. Den eigendom ghestelt zijnde brengt de reden verder mede,

ende is oock tot onderhoudinge des menschelicke gemeenschap noodig, dat

iemand den eighendom van iet hebbende bekomen, niet alleen 't zelve mag

voor hem behouden, maer oock aen een ander overgeven. De burgerlicke

ghemeenschap zijnde ontstaen, zoo is noodig ghevonden dat die heele

ghemeenschap een hoogher recht zoude hebben over 't goed van hare

burgers als de burgers zelve, niet alleen omdat de leden, ende alle 't

geent de leden toekomt, gheschikt moeten werden tot behoudenisse des

lichaems, zonder 't welcke de leden niet en konden werden behouden, maar

oock omdat de ervaringe der menschelicke ghebreecken leerde, dat zonder

naerdere wetten de rust der burgeren ende de onghemoeide bezittinghe der

goederen niet lang en konde bestaen. Uit deze macht hebben de overheiden

niet alleen nieuwe manieren inghestelt om eigendom te bekomen, nae yders

land gelegentheid ofte uit eigen willekeure, maer hebben oock die

manieren die te vooren gebruichelick waren bepaelt ende besneden, om 't

ghemeene ofte bijzondere beste, zonder iet daer mede te doen jegens het

aengheboren recht, overmids het aangheboren recht niet vast over den

eigendom en hadde besloten.

_II. De Staat._

Een systematische verhandeling over den staat, zijn ontstaan en

oorsprong, over de deelen, die de burgerlijke maatschappij vormen, over

het doel van den staat, over de souvereine macht, haar drager en omvang,

heeft Grotius ons niet nagelaten; daarmede is echter niet gezegd, dat de

Groot's ideeën over deze onderwerpen voor ons verborgen zijn, of dat wij

ze slechts bij gissing kennen.

Om recht te verkrijgen over personen of zaken kent Grotius twee wegen:

Er is een "acquisitie originaria" en een "acquisitie derivativa."

De acquisitio originaria, wat personen betreft, geschiedt door geboorte,

door toestemming ofwel door misdaad. [103]

Door geboorte ontstaat het recht der ouders over hunne kinderen. Door

toestemming kan op twee wijzen recht verkregen worden, door zich te

verzamelen tot een gemeen leven, ofwel door zich aan iemand te

onderwerpen. [104]

De meest natuurlijke "verzameling tot een gemeen leven",--gelijk Grotius

in zijn "Inleidinge" consociatio vertaalt--is die, welke plaats heeft in

het huwelijk.

De andere verzamelingen tot een gemeen leven, minder natuurlijk, dan de

zooeven genoemde, echter niet onnatuurlijk, kunnen van, publieken of

privaten aard zijn. [105] De eersten--consociationes publicae--zijn

verzamelingen tot een volk "in populum" of verzamelingen van volken "ex

populis". Deze verzamelingen hebben dit gemeen, dat, omtrent hetgeen de

gemeenschap ten doel heeft, het geheel of de meerderheid in haren naam,

de wet voorschrijft, dat bij haar de leiding is der zaken; de minderheid

heeft zich te onderwerpen.

"Omnino enim ea credenda est fuisse voluntas in societatem coeuntiam, ut

ratio aliqua esset expediendi negotia: est autem manifeste iniquum, ut

pars major sequitur minorem: quare naturaliter, seclusis pactis ae

legibus, quae formam tractandis negotiis imponunt, pars major jus habet

integri." (l. 2. c. 5. § 17.)

Over den staat--dien hij bepaalt, als de volmaakte vereeniging van vrije

menschen, vereenigd om hun recht te genieten, en het gemeen welzijn te

bevorderen [106],--over den staat in het bijzonder: de verzameling "in

populum" zegt Grotius: Het meeste recht wordt aan het lichaam over zijn

deelen, in die verzameling gegeven, waarbij vele familiën tot een volk

worden; en wel, om reden hier de meest volkomen vereeniging is; en er

geen enkele uitwendige handeling is, die niet uit zijn aard, of door de

omstandigheden betrekking heeft, of hebben kan, op den staat. (l. 2 c. 5

§ 23.) [107]

Men ziet op welken juridischen grond Grotius wil, dat het hoogheidsrecht

van den staat over zijne burgers, dat is te zeggen van een bepaalden

staat over bepaalde onderdanen, berust; het bestieringsrecht grondt

zich op een contract.

Denkt Grotius, gelijk de scholastieken, dat het verdrag slechts de daad

is, waaraan feitelijk het gemeenebest zijn ontstaan dankt, het

gemeenebest of de staat, die een natuurrechtelijke instelling is, die

een zedelijke verplichting is voor den mensch? Neen! De Groot ontkent

openlijk het natuurrechtelijk karakter van den staat.

Men moet in aanmerking nemen, zoo zegt hij ergens, dat de eerste

menschen niet om te voldoen aan Gods gebod, bewogen zijn een

staatsgemeenschap te vormen, maar als van zelf zijn zij daartoe gekomen,

de ondervinding leerde, hoe zwak en machteloos men stond tegenover de

geweldenarijen van anderen, indien men alleen was. [108] Daarom noemt de

Apostel Petrus de burgerlijke macht een menschelijke instelling. Voor

hem is de staat een menschelijke instelling, want al zegt hij ergens,

dat het burgerlijk gezag een goddelijk iets is, dan is dat in eene

betrekkelijken zin, n.l. wijl deze voor den mensch zoo heilzame

instelling door God is goedgekeurd; maar als God zijn goedkeuring hecht

aan een menschelijke wet, doet Hij het als aan een menschelijke wet en

op menschelijke wijze. (l. 1 c. 4 § 7 no 3.)

Grotius ontkent het natuurrechtelijk karakter van den staat, het is

duidelijk, [109] Wat hij echter niet ontkent is, dat de mensch zou doen

tegen de natuurwet, als hij de gemeenschap--of haar

vertegenwoordigers--als die eenmaal is ontstaan, niet zou geven, wat der

gemeenschap is. In zulk geval zou er een contract-breuk zijn, en dat is

misdoen tegen het natuurrecht.

Wij weten, wat de staat is en kennen zijn oorsprong, zijn aanleidende

oorzaak "experimento infirmitatis" zoowel als de hem vormende oorzaak:

de verbintenis of het contrakt. Wat is het staatsgezag?

Thucydides beschrijft het s in drie woorden. Het gemeenebest in den

waren zin des woords noemt hij [Greek: autonomon autodikon autotelae]

een volk, dat zijn eigen wetten heeft, dat eigen rechtspleging en

magistraten heeft. De staatsmacht omvat de leiding der openbare zaken,

de verkiezing der staatsambtenaren en de rechtsspraak, [110]

Deze burgerlijke macht is #souverein#, als hare daden

niet meer afhankelijk zijn van een andere boven haar staande macht. [111]

Wie is de drager dezer macht? Het is er mee gelijk met het vermogen om

te zien. Men kan zeggen, dat wij zien, maar ook dat ons oog ziet, het

oog is het orgaan. De souvereiniteit is bij het volk, meer speciaal

echter bij de regeering, bij de overheid, die, al naar de wetten en

zeden van een volk, uit een persoon of uit meerderen kan bestaan. [112]

Hieruit blijkt, welk Grotius' standpunt was, in een in die dagen

brandende kwestie: wie is de drager der souvereine macht? De Groot stond

tegenover hen, die van meening waren, dat het volk immer en altijd het

hoogheidsrecht in den staat bezit, en de vorst slechts als zijn

zaakgelastigde moet beschouwd worden. En om zijne stelling te bewijzen

zegt hij: Heeft zich eenmaal een volk gevormd, dan kan het volk of zijn

meerderheid zich onderwerpen aan een of meerdere personen en zoo de tot

nu toe hun behoorende zedelijke bevoegdheid, rechtens den staat te

bestieren, aan anderen overdragen. Hij immers, die een zedelijke

bevoegdheid bezit tot iets, kan niet slechts door in een verzameling te

gaan die "potestas moralis" aan een ander overdragen, maar ook door zich

aan een ander te onderwerpen. Tegenover een private rechtsovergave door

onderwerping, bijv. als een vrije man zich als slaaf geeft aan een heer,

staat de publieke; die namelijk, waardoor een volk zich stelt onder het

bestier van een ander volk of van een of meerdere personen. [113]

De souvereine macht kan soms aan anderen zijn afgedragen, en dus niet

bij het volk zijn; het kan zelfs gebeuren, dat die macht nimmer bij het

volk is geweest, dat onmiddellijk door onderwerping het gezag over

meerdere familiën aan ééne familie is gekomen (l. 1 c. 3 § 8 n° 3.)

Nog kan het zijn, dat het volk het souvereine gezag niet heeft, wijl het

onder de macht van een ander is gekomen, tegen wil en dank zelfs,

namelijk als oorlogsbuit in een rechtvaardigen oorlog. (l. 1 c. 3 § 8 n°

6.)

Op de vraag: ten wiens voordeele de souvereine macht is, antwoordt

Grotius, dat zij kan zijn ten bate van hem, die bestierd wordt en van

hem, die bestiert, ten voordeele enkel en alleen van het volk of van den

vorst. "Sic imperia quaedam esse possunt comparata ad regem utilitatem,

ut quae victoria parta sunt"; en dit is daarom nog geen tyranniek

bestuur, wijl het woord #tyran# in zijn gewone beteekenis

een onrechtmatigheid insluit. Dat het overheidsrecht in den regel ten

bate is der onderdanen, wordt door Grotius niet ontkend, wel ontkent

hij, dat dit altijd zijn zou. Het is met de waarheid in strijd als

regel op te zetten; "omne regimem ejus qui regitur causa esse

comparatam." (l. 1 c. 3 § 8 n° 14.)

Aan hen, die hiertegen opwierpen, dat hij, die iemand aanstelt, staat

boven dengene, die aangesteld wordt, het volk daarom boven den vorst,

(l. 1 c. 3 § 8 n° 13.) antwoordt Grotius, dat dit waar is, zoo dikwijls

de aanstelling afhankelijk blijft van den wil "constituentis", niet

echter, zoo de aanstelling geschiedt door een wils-akt, die eenmaal

bestaand, "effectum habet necessitatis". Zoo kiest zich de vrouw in

volle vrijheid een man, maar aan den eenmaal uitverkorene, blijft zij

voor het leven onderworpen.--Bovendien heeft niet alle overheid haar

rechtsmacht onmiddellijk van het volk gekregen.

Een andere opwerping was de volgende. Alle bestiering, zoo zeide men, is

ter wille van hen, die bestierd worden, (ibid n° 14.) Ook dit is niet

waar, zegt Grotius, omdat er een regeering kan zijn ten bate van hem,

die bestiert, "ut regimem dominicum: nam servi utilitas ibi extrinseca

est et adventitia".

De grenzen der overheidsmacht zijn noodzakelijk de natuurwet en het

goddelijk recht. De eigen rechtsbevoegdheid der vrije menschen ging niet

verder, niet meer konden zij dientengevolge aan het souvereine gezag

overdragen. De souvereine macht kan niet meer zijn dan de som der

individuëele vrijheden of rechten.

Binnen deze grenzen nu is het gebied der overheid beperkt en wel door

den wil van hen, die zich tot volk vereenigden. Om dus te weten, welke

de omvang is der souvereine macht, kan en moet men onderzoeken, wat zij,

die een volk gingen vormen, wel wilden doen, welk hun doel was. De

souvereine macht bezeten door een koning kan nog meer gebonden zijn, als

hij namelijk zijn macht gekregen heeft van het volk. Hij heeft zooveel

van de souvereine macht, als men hem feitelijk heeft gegeven.

Met die beginselen voor oogen, kon Grotius de kwestie van het recht tot

zelfverdediging en noodweer ten overstaan der overheid, zoowel wat

afzonderlijke personen als wat het heele volk betreft, oplossen.

Op de eerste plaats, wat de private personen betreft.

Niemand heeft recht iets te gebieden in strijd met de natuurwet of het

goddelijk recht. Voor de onderdanen zou zulk gebod geen gebod zijn. [114]

De verdrukking echter, die wij misschien te dragen hebben, omdat wij aan

God en aan de natuur gehoorzamen en niet aan de menschen, moeten wij

liever verduren, dan ons verweren. Want, is in een natuurtoestand

eenieder bevoegd tot noodweer, bij de intrede in de maatschappij heeft

dat recht opgehouden te bestaan; de staat immers zou onmogelijk zijn,

zoo dit aangeboren recht bleef voortduren. Daaruit volgt dat de overheid

ons dit recht kon ontnemen en in werkelijkheid ontnomen heeft. (l. 1 c.

4 § 2 n° 2.)

Ook Christus' wet wil, dat wij den Caesar geven, wat des Caesars is.

Christus wil van ons gehoorzaamheid en zoo noodig verdraagzaamheid

jegens de oversten. (Ibid § 4.)

Men zegt wel ooit dat er totaal geen nut in gelegen is, #onrecht

te verdragen#, maar wij, aldus Grotius, maar wij van onzen kant

weten, dat die "patientie" haar loon niet missen zal. (Ibid. § 4 n° 2.)

Ook zij die overheidsambten bekleeden in ondergeschiktheid aan de

souvereine macht, hebben, ook al is dit door velen beweerd, geen recht

aan, dwingelandij weerstand te bieden (ibid. c. 4 § 4 n° 1.)

Van die velen haalt Grotius in een nota, slechts aan Petrus Martyr (ad

Judicum III). Paraeus (ad XIII cap. ad Rom.) Junius Brutus, Danaeus

(libro IV Politicorum.)

Althusius en Hottomannus vernoemt Grotius hier niet, ofschoon hij zeker

wist dat ook zij deze meening waren toegedaan. De reden, waarom Grotius

de "Ephorenleer" [115] verwerpt, is deze: alle overheidsmacht der

magistraten hangt zoodanig van den wil der hoogste macht af, dat al hun

daden, die togen den wil der hooge overheid ingaan, geen regeringsdaden

meer zijn, maar daden van een privaat persoon, (c. 4 § 6 n° 1.)

Een andere vraag is het echter voor Grotius, of men de overheid niet mag

weerstaan ook in geval van uitersten nood. (c. 4 § 7 n° 1)

De wet van "non resistendi" is een menschelijke wet, gelijk de Groot

boven bewees. Daar nu zelfs niet alle goddelijke wetten in geval van

uitersten nood verplichten, doen dit nog minder de menschelijke wetten.

De wet, waarover het hier gaat is een menschelijke wet, zij hangt

daarbij af van den wil van hen, die het eerst den staat vormden; hier is

dus te zoeken, hoever deze wet gaat. Wat zouden deze eersten nu wel

geantwoord hebben, als men hun afvroeg of zij allen, ook zelfs in

doodsgevaar wilden verplichten, geen weerstand te bieden. "Nescio an

velle se sint responsuri," zegt Grotius, "nisi forte cum hoc

additamento, si resisti nequeat, nisi cum maxima reipublicae

perturbatione." [116] Ofschoon noode, Grotius geeft iets toch toe aan

zijn tegenstanders, de verdedigers der volkssouvereiniteit; en hij durft

niet met Barclajus, [117] "regii imperii assertor fortissimus," noodweer

van een afzonderlijk persoon of van een kleiner gedeelte van het volk

zoo maar zonder onderscheid veroordeelen.

Werd aan afzonderlijke personen bijna alle recht tot noodweer ontzegd,

ten opzichte van het volk als zoodanig, was men niet zoo streng. Zelfs

Barclajus gaf toe, dat het volk of de meerderheid, in geval van

onmenschelijke wreedheid tot zelfverdediging recht heeft. (l. 1. c. 4. §

7. n° 4.) In meerdere omstandigheden heeft het volk, volgens de Groot,

recht zich te verweren tegen zijn wettigen souverein.

Het volk heeft dat recht, bijaldien de rechtsmacht van den vorst

afhankelijk is gebleven van het volk; in dit geval kan de

zelfverdediging zelfs zeer ver gaan; zulk een vorst kan met den dood

gestraft worden. (ibid. § 8) Het volk heeft recht op zelfverdediging ten

overstaan van hen, die openlijk of stilzwijgend van het gezag afstand

heeft gedaan. Zoo iemand keert terug tot den rang van privaat persoon.

(ibid. § 9). Verder is zelfverdediging rechtvaardig, wanneer een koning,

die het overheidsrecht ten volle, maar niet als eigendom bezit, dit

recht wil overdragen aan een ander (ibid. § 10); als ook dan, wanneer

een vorst het geheele volk wil verdelgen; want het is onmogelijk, dat de

wil om een volk te bestieren, kan samengaan met den wil, het volk uit te

roeien, en daarom moet men denken, dat hij, die dit laatste wil, afstand

doet van het gezag. (ibid. § 11.)

Heeft een volk, als het zich aan iemand onderwierp, bedongen, dat de

gehoorzaamheid zou ophouden, zoodra deze eene bepaalde misdaad bedreef,

dan is weerstand rechtvaardig, als zulk een misdaad gepleegd wordt,

(ibid. § 12) evenals bij elk ingrijpen der overheid in de rechtsmacht,

die het volk zich heeft voorbehouden. (ibid. § 13.) Zekere vrijheid

heeft ten slotte het volk voor zich bewaard, als bij het overgeven der

regeering is bepaald, dat het in sommige gefallen den koning zou kunnen

dwingen, iets te doen of na te laten, ook al is hem terzelfder tijd het

heele regeerings-beleid gegeven, (ibid. § 14.)

Na het recht tot zelfverdediging tegenover een wettige overheid, wordt,

noodweer ten overstaan van een overweldiger besproken.

Het is zeker, dat deze, door zich zelf geen recht heeft op

gehoorzaamheid; het kan echter gebeuren, dat de wettige heerscher om

grootere ellenden te voorkomen, zijn rechtsbevoegdheid op hem

overdraagt, en noodweer onrecht wordt, tenzij in uitersten nood. Maar

als dit niet gebeurd is, zou dan zelfverweer zoo ver mogen gaan, dat men

den indringer zou mogen dooden? Ja als hij in een niet door het

volkenrecht gewettigden oorlog het land heeft vermeesterd, en er geen

verdrag met hem gesloten is. Hij is en blijft dan een vijand, dien men

dooden mag. (§ 16.)

Vervolgens mag men een overweldiger dooden, als dit door 's lands wetten

is toegestaan of door de bevoegde macht in een geval van geweld daartoe

vrijheid wordt gegeven. (§ 17, 18.) Verder kan niet met zekerheid gezegd

worden. (§ 19.)

Wij moeten een oogenblik terugkomen op de souvereine macht, wat betreft

haar rechtsgebied.

De zorg en de regeling der kerkelijke aangelegenheden, is bij haar. [118]

"Alle die schrijven van materie van regieringhe zeggen, dat, een van de

voornaamste deelen van de souveraine macht is de dispositie over de

religie." [119] "Cujus regio, illius et religio," dit beginsel huldigde

eenigermate ook Grotius: "Noch zegt men dat de keus van religie zijnde

gestelt aan de Provincie inconvenienten daaruit zouden volghen, maar 't

is een oudt ende waarachtig spreekwoordt: dat inconvenienten te

allegeren niet en is solveren." [120]

Het is een staatszaak de kerkelijke geschillen te beslissen. De

souvereine macht heeft daartoe de autoriteit. "Wat de autoriteit

belanght, de leere van de protestanten is altijd geweest dat de overheyt

authoriteyts ghenoegh van haar selven heeft om allerley saacken te

gebieden, die den waarheydt, recht ende reden zijn conform." [121]

De staat vergeeft de kerkelijke ambten. "De Wetgever of Prins en is door

de Goddelijke Wet niet verboden, de kerkelijke ambten te begeven ofte

uyt te deelen; en de christelijcke Herder over zijne beroepinghe niet

becommert en moet zijn, noch twijfelen, of zijne beroepinghe zij

christelijck ende wettelijck, wanneer hij tot leeringhe der Evangeliums

bij een Prins ofte Overheyt is beroepen. [122]

Grotius grondt dit recht van den staat hierop, dat het doel der hooge

overheid niet slechts is bij haar onderhoorigen den uitwendigen vrede te

bewaren, maar ook den inwendigen vrede, den vrede des harten en daarom

de deugd te bevorderen. Dat ook dit laatste het doel der regeering is en

dus hare taak, bewijst Grotius en daardoor het recht der burgerlijke

overheid in kerkelijke zaken. Hij bewijst het, "ex unitate materiae

circa quam versatur Potestas Summa" [123] Niets kan vallen buiten de

macht der overheid. Ofwel immers iets valt niet onder hare macht ofwel

iets valt onder de macht van een ander. In het eerste geval zou men deze

exemptie moeten bewijzen, hetgeen men hier niet kan. In het tweede geval

zouden wij niet ééne overheid hebben maar twee; en dit is in strijd met

de bepaling der hooge overheid, die alleen staat en geene macht neven

haar duldt.

Een tweede bewijs is genomen uit het doel der gemeenschap waaraan

beantwoordt "universitas materiae", [124] gelijk de Apostel Paulus zegt:

Daartoe is het koningschap ingesteld, opdat het leven ongestoord en

rustig zij, "non tantum in omni honestate, verum etiam in omni pietate."

Hierbij wordt zelfs St. Thomas aangehaald. Deze zegt, dat het doel, dat

de koning vooral voor zich zelf en voor zijn onderdanen moet nastreven,

de eeuwige gelukzaligheid is, die bestaat in de aanschouwing Gods. Dit

doel is het hoogste goed, waarheen de koning en iedere overheid het volk

moet leiden. Maar is eenmaal het doel gegeven, voegt Grotius er bij, dan

heeft men ook recht op datgene, zonder hetwelk het doel niet kan bereikt

worden. "Posito enim fine, simul possitur jus ad ea sine quibus finis

obtineri non potest." [125]

Bij deze argumenten voegt zich de uitspraak der goddelijke wet. (o. c.

n° 6.) De gewoonte der Kerk en der koningen, (n° 7.) zoowel voorheen als

nu, (n° 8.) Het getuigenis der theologanten: [126] het getuigenis van

Suarez en Thomas. (2'a 2'ae q. 29. art. 3,--ibid. n° 8.) Een nieuw

bewijs voor zijn stelling vindt Grotius nog in de natuur en kracht van

den godsdienst, "quae ejus modi est ut homines placidos, obsequiosos,

amantes patriae, juris et aequi retinentes efficiat." (c. 6 n° 13.)

De macht der overheid in kerkelijke zaken strekt zich echter niet uit,

over hetgeen door God is ingesteld; zooals de Sacramenten, de

geloofswaarheden, enz. (c. 4. n° 11.) Hieromtrent kan zij alleen

bepalen, wat in deze zaken niet is geboden of verboden door God, zooals

zijn "circumstantias quaedam loci, temporis, modi." Zij kan bijv.

bevelen, dat een bisschop niet langer dan een jaar en niet zonder

toestemming der overheid zijn standplaats mag verlaten. (c. 3 n° 11.)

Hugo de Groot en zijn rechtsphilosophie · 第 4 / 12 段