+B. God en het natuurrecht.+

Op het eerste gezicht, schijnt het eene lang niet gemakkelijke taak, de

verhouding waarin volgens de Groot God tot het natuurrecht staat, juist

aan te geven. Vergelijkt men de verschillende plaatsen, waar dit punt

ter sprake komt, dan is men geneigd aan tegenspraak te denken.

Neem bijv. hetgeen hij, na over de grondslagen en bronnen van het

natuurrecht gesproken te hebben, schrijft: "Wat wij gezegd hebben (over

het natuurrecht) zou waar blijven ook dan nog, als men zou toegeven, wat

echter zonder zware misdaad niet toegegeven mag worden, dat er geen God

is, of dat Hij geen zorg draagt voor de menschelijke aangelegenheden."

(prol. 11.) Lees daarna wat hij een weinig verder zegt: De natuurwet is

de uitspraak van het gezond verstand, aangevend dat een handeling al

naar gelang zij overeenstemt met onze sociale natuur of daarmede niet

overeenstemt, zedelijk noodzakelijk of zedelijk ongeoorloofd is, _en

dientengevolge ook noodzakelijk door God geboden of verboden is.... [79]

Hoe is dit alles, zoo vraagt men zich af, overeen te brengen?

Pater van Gestel meende de oplossing gevonden te hebben. [80]

Met de woorden zooeven aangehaald: "ook al zou men toegeven dat er "geen

God is, toch bestaat het natuurrecht," met die woorden wil, volgens van

Gestel, de Groot slechts dit zeggen, dat uit den aard zelf der

menschelijke handelingen een verschil tusschen goed en kwaad kan worden

opgemaakt, dat echter in den gewonen en vollen zin des woords recht of

onrecht niet kan genoemd worden. Hij wil daarmede niet zeggen, dat het

recht in den vollen en waren zin des woords zou blijven bestaan zonder

God. Dit strijdt ten eenen male tegen zijne leer (cfr. l. 1. c. 1 § 10,)

waar hij "ex professo" de grondslagen van het natuurrecht bespreekt.

Aldus v. Gestel. Dat deze daarom de woorden van Dr. Nolens [81]: "In de

leer van Hugo de Groot daarentegen is de menschelijke rede, afgescheiden

van alle betrekking tot God, de bron van het natuurrecht," niet kon

onderschrijven, is duidelijk.

Heeft v. Gestel Grotius hier echter goed begrepen? Wij durven er aan

twijfelen. De Groot staat niet zoo dicht bij de scholastieken als de

schrijver denkt.

Zien wij eerst waar, volgens Grotius, de bron is van het natuurrecht.

Die bron of die grondslag ligt in een feit. In het feit n.l. dat de

mensch, een met verstand begaafd wezen, sociaal is. Men lette hierop,

Grotius' verder beweren hangt hiermede logisch samen. Want omdat het

feit van 's menschen socialen aanleg ten grondslag ligt aan het recht,

en dit zichtbare feit niet te loochenen valt, volgens de Groot, moet

zelfs hij, die het bestaan van God ontkent, toch erkennen, dat er een

natuurrecht is. Moet men dan echter niet besluiten, dat Grotius als hij

later het natuurrecht bepaalt, en God als een der grondslagen van dat

recht erkent, zich tegenspreekt?

Zeker, als het waar was, dat daar ter plaatse, God als een der

grondslagen van het recht wordt erkend. Wie dit echter meent vergist

zich.

Geven wij den heelen tekst: Jus naturale est dictatum rectae rationis

indicans, actui alicui, ex ejus convenientia aut disconveniontia cum

ipsa natura rationali, inesse moralem, turpidinem aut necessitatem

moralem, ac _consequenter_ ab auctore naturae, Deo talem actum aut

vetari aut praecipi. (l. 1 c. 1 § 10.) Men vestige de aandacht op het

woordje "consequenter". Zou, zoo vraag ik mij af, Grotius hier niet

gedacht hebben, aan hetgeen hij bij oude Grieksche en Romeinsche

schrijvers gelezen had over "natura naturans" en "natura naturata"?

Bestaat het recht, omdat de mensch nu eenmaal sociaal is, hieruit volgt,

voor dengene, die gelooft aan een "natura naturans", die aan het bestaan

van God gelooft, van een Schepper van hemel en aarde, dat ook God zulke

met de sociale natuur overeenkomende rechtsverhoudingen wil. God als

Schepper gaf zulke geaardheid, Hij wilde zoodanigen aanleg en derhalve

ook de gevolgen: het recht. Het is redelijker, geloof ik, de woorden van

Grotius aldus uit te leggen. Dan houdt alle tegenspraak op. Bovendien

Grotius zelf geeft ons deze verklaring. Als hij spreekt over het

willekeurig door God gegeven recht, zegt hij, dat evenals dit recht ook

het natuurrecht, het jus sociale zoowel als het jus laxius, goddelijk

recht kan genoemd worden. Want, alhoewel het natuurrecht uit den mensch

van nature inwonende beginselen voortvloeit, kan het met reden aan God

worden toegeschreven; en wel, omdat het Gods wil was, dat zoodanige

beginselen in ons waren. Daarom zoo voegt hij er bij, zeiden reeds

Chrysippus en de Stoicijnen, dat de grondslagen van het recht nergens

anders te zoeken waren dan bij Jupiter zelf. (prol. 12.)

Het recht blijft dus zonder God; het verliest echter, zoo God niet

bestaat, zijn allergrootste, ja zelfs noodzakelijke sanctie, gelijk

Grotius later bij het strafrecht zal zeggen.

Dr. Nolens had dus gelijk met te zeggen, dat voor de Groot de

menschelijke rede, afgescheiden van alle betrekking tot God, de bron is

van het natuurrecht.

"La définition du droit naturel, zegt Charles Perin [82], laisse

apercevoir une conception rationaliste, bien qu'elle fasse appel à

l'intervention divine--C'est donc la raison que Grotius invoque d'abord,

c'est dans la raison qu'il prend son point de départ, et Dieu ne vient

là, que par voie de conséquence". Ook Descamps [83] schijnt onze

zienswijze te zijn toegedaan. Hij schrijft: "Grotius avait remarqué ...

que certaines règles morales se présentent à nous comme ne dépendant pas

de la libre volonté de Dieu.... De ce que ces ... règles, ne dépendent

pas de la libre volonté de Dieu, est-on autorisé à conclure qu'elles

peuvent revendiquer une valeur propre, absolue, abstraction faite de

tout rapport à l'être divin? Evidemment non! [84]

Men ziet, dat Grotius niet dezelfde ideeën heeft als een St. Thomas en

vele scholastieken. 't Is waar, hij spreekt van handelingen, die in zich

zelf goed, die in zich zelf slecht zijn. Men mag hem derhalve niet zoo

maar zonder meer onder de voorstanders rekenen van een

moraal-positivisme. Wij weten ook, dat Puffendorf, de Cocceji, Glafeij

en allen, die een positivisme beleden in de zedenleer, Grotius, hoe

groot hij hun ook leek, op dit punt heftig bestreden hebben; en laten

wij het er bijvoegen met succes. Grotius had zich bloot gegeven. Hij was

niet principieel genoeg. Grotius zag niet in, dat God toen Hij den

mensch schiep de natuurwetten niet geschapen had. Hij begreep niet dat

God, den mensch scheppend, slechts wezens voortbracht, waarop

noodzakelijke, altijd en overal onveranderlijk, zijn en blijvende,

voorschriften, toepasselijk waren. St. Thomas vraagt zich af, wat de

mensch noodzakelijk is; voor hem een openbaring van Gods heerlijkheid.

Deze hier beginsel-kwestie, laat Grotius onbesproken, hij gaat er

overheen, is misschien zelfs niet ongenegen om aan te nemen, dat de

mensch anders aangelegd had kunnen zijn, dan hij feitelijk is. Het is

hier, dat Grotius' fout ligt; tot gegronde opwerpingen gaf hij

aanleiding.

-Het willekeurig recht (gegeven recht.)-

+I. Het menschelijk recht.+

Het willekeurig recht in 't algemeen wordt bepaald als volgt: "Gegeeven

wet is die haer naeste oorspronk heeft uyt de wille des instellers." [85]

Eerst bespreekt Grotius het door een menschelijken wil geworden recht,

dewijl het door een grooter aantal menschen gekend is dan het goddelijke

recht.

Het menschelijk recht kan worden onderdeeld in burgerlijk recht, en in

recht, dat zich minder ver dan dit, en in recht, dat zich verder

uitstrekt. Burgerlijk recht, noemt men het recht, dat ontstaat door de

burgerlijke overheid; en deze overheid is de macht, die voorzit in het

gemeenebest. De "civitas" of het gemeenebest is "een volmaeckte

vergaderinghe van vrije menschen, te samen vergadert om recht te

ghenieten en ghemeijn profijts wille. (l. 1 c. 7 § 14. 7°.)

Het willekeurig recht, dat zich minder ver uitstrekt dan het

burgerlijke, omvat de voorschriften van ouders ten overstaan hunner

kinderen, van meesters tegenover hunne dienaren en dergelijke; het dankt

derhalve zijn ontstaan niet aan de burgerlijke overheid, alhoewel het

aan die macht is ondergeschikt. Het recht dat zich verder uitstrekt dan

het burgerlijke is het volkenrecht.

Volkenrecht of volkenwet kan men bepalen als de samenvatting van die

voorschriften, die kracht van wet gekregen hebben, door de vrije

instemming van alle of van vele volkeren.

Van alle of van vele volkeren, van _vele_, want er zijn bijna geen

voorschriften, zegt Grotius, buiten die, welke tot het natuurrecht

behooren, die allen volken gemeen hebben.

Om te weten of iets tot het volkenrecht behoort of niet behoort, moet

men te werk gaan, gelijk bij het niet geschreven burgerlijk recht; men

moet letten op de gebruiken. Is iets van oudsher gewoonte, dan is dit

een bewijs dat wij voor een volkenrechtelijke bepaling staan. Ook het

getuigenis van hen die in deze zaken bedreven zijn, kan als bewijs

dienen. (ibid 2°) [86].

Volgens de Groot beteekent derhalve volkenrecht, de stellige, door

overeenkomst tusschen volken en vorsten geworden wet; aan deze bepaling

houdt hij zich overal. Men zie prol. 17, 40--47, l. 3. c. 4. § 2. 1°.

2°.--[87]

Aan zijn beloften, in de voorreden gedaan, is Grotius getrouw gebleven.

Ik heb er mij, zoo zegt hij daar, bijzonder op toegelegd goed

onderscheid te maken tusschen natuur-en volkenrecht. Te dikwijls heeft

men beiden verward.

Boven de willekeurige menschelijke wet, waaronder het volkenrecht valt,

staat volgens Grotius het goddelijk recht en de natuurwet.

Alle menschelijke wet verliest haar rechtskracht, zoo zij inbreuk maakt

op een van deze twee. Maar dit vooropgezet, is dan ook hij, die het

recht, dat de verhoudingen van vorsten en volken regelt, wil aangeven,

niet verplicht het natuurrecht te behandelen, zoowel als het positieve

recht?

Grotius wilde spreken over oorlogs-en vredestijd en kon derhalve niet

anders doen dan hij gedaan heeft. Men ziet weder, hoe zich de titel, die

Grotius zijn werk over het natuurrecht gaf, rechtvaardigt.

+2°. Het goddelijk recht+

Goddelijk recht noemt men die voorschriften, die door Gods vrijen wil

geworden zijn, en door dit laatste onderscheidt zich dit recht van het

natuurrecht, dat ook in zekeren zin goddelijk recht genoemd kan worden.

Wat door dit recht wordt voorgeschreven is "Jure debitum", wijl God

zulks wil.

God kan bepalingen, wetten maken; want God staat boven ons als overheid.

Hij heeft recht ons te bestieren, wij zijn verplicht Hem te gehoorzamen

als Hij iets gebiedt. Voor een bepaald volk kan God wetten maken, maar

ook voor de heele menschheid. Hij heeft inderdaad beide gedaan. De wet

die God aan een bepaald volk gaf, is gelijk wij weten, de joodsche wet.

Tot driemaal toe openbaarde God zijne geboden aan de menschheid n.l.

onmiddellijk na de schepping van den mensch, na den zondvloed, en bij de

verlossing door Christus. [88]

De wet aan het joodsche volk gegeven verplicht de andere volken niet. De

wet immers verplicht slechts hen aan wie zij gegeven is, en zij is

slechts gegeven aan Israël, dit blijkt uit de woorden der wet zelf. Dat

zij de anderen niet verplichtte, is nog op te maken hieruit dat midden

in het volk vreemdelingen leefden, rechtvaardigen genoemd, die door de

wetverklaarders zelf als staande buiten de verplichting der wet werden

beschouwd.

Ook de besnijdenis was verplichtend alleen voor Abrahams nageslacht,

niet voor de overigen. Na in den breede dit alles te hebben bewezen,

zegt Grotius, dat wij in geenendeele onder de joodsche wet vallen, wat

hare verplichting betreft, dewijl de verplichting buiten de natuurwet

ontstaat, door den wil des wetgevers. Nergens echter blijkt, dat God ons

door de joodsche wet heeft willen verplichten, en toch slechts dit

hebben wij te bewijzen, niet dat de wet voor ons heeft opgehouden, wijl

er geen sprake is van ophouden, als iets niet heeft bestaan.

Verplicht ons Mozes' wet niet, hare kennis echter is ons nuttig en wel

op de eerste plaats wijl wij daaruit weten dat hetgene, wat zij

voorschrijft niet is tegen het natuurrecht. Want wijl dit laatste eeuwig

is en onveranderlijk, kan God die nimmer onrechtvaardig is, niets

hiermede in strijd gebieden.

Grotius legt er den nadruk op, dat hij hier slechts spreekt over de

_voorschriften_ der joodsche wet. Wat immers datgene betreft wat zij

toestaat, hier moet men onderscheid maken. Het toestaan is ofwel

volkomen dat is, dat er een volslagen recht wordt gegeven iets te doen,

ofwel onvolkomen, dat is er wordt een onstrafbaarheid verleend, zonder

daardoor het recht dier handeling te erkennen.

Slechts het recht de handeling te verhinderen, wordt ontkend.

Vervolgens kunnen zij die de souvereine macht in de christenwereld

bezitten, wetten maken in den geest van de wet van Mozes, behalve

omtrent die punten, waar de joodsche wet geheel en al het oog had op de

komst van Christus, of waaromtrent Christus in 't algemeen of in 't

bijzonder iets anders heeft vastgesteld. Ten derde wat betreft de

deugden door de wet van Mozes voorgeschreven en door Christus van zijne

leerlingen gevorderd, zooals zijn de nederigheid, zachtmoedigheid,

liefde, nog in een hoogere mate dan door de Joden, moeten zij door de

Christenen beoefend worden. [89]

_V. De "Determinatio Juris."_

Grotius omschrijft het "recht" in de beteekenis van het "zijne", in de

beteekenis derhalve van voorwerp der rechtvaardigheid, als een volkomen

zedelijke hoedanigheid een persoon eigen om iets rechtens te doen of te

bezitten. (De Jure B. ac P. l. 1 c. 1 § 4, 5.)

De deugd van rechtvaardigheid eischt, dat juist dit recht om iets te

doen of iets te bezitten, door ons in een ander geëerbiedigd worde; het

is onzen plicht een ieder het "zijne" te geven. Die plicht gelijk wij

gezien hebben vloeit, volgens de Groot, uit den zin voor sociaal leven,

een den mensch kenmerkende eigenschap, voort.

Het behoeft geen betoog, dat de sociale aanleg van den mensch, die

oorzaak is van de "efficacia juris", de oorzaak niet is, dat iets, en

dan bedoel ik hier een bepaald iets, aan een ander rechtens toekomt of

behoort.

De "determinatio juris" hebben wij hier op het oog; deze vloeit niet

voort uit den socialen zin van den mensch; zij is logisch eerder, zou

men kunnen zeggen.

Hoe komt er derhalve een rechtsbetrekking tusschen iemand en een bepaald

iets; wanneer kan men zeggen, dat iemand ergens recht op heeft?

Iets is het onze als er, uit den aard zelf der zaak, een betrekking

tusschen ons, en hetgeen waarover het gaat bestaat m. a. w. als iets in

de natuurlijke orde op ons past. Op nog andere manieren echter kan er

een rechtsbetrekking tusschen iemand en iets, komen; door bezit n.l.,

door overeenkomst, door de wet. Iemand kan derhalve ooit aanspraak maken

op een ding, niet omdat het zoodanig is, maar wijl er tengevolge van een

menschelijke of goddelijke daad een betrekking tusschen hem en dat ding

is ontstaan. [90]

Uit dat alles volgt, dat in een natuurtoestand, d.i. voor dat er eene

menschelijke of goddelijke daad gesteld is, iemand slechts datgene

rechtens toekomt, wat hij om en aan heeft. In het werkelijke leven komt

hierin echter verandering; door een vrijwillige daad kunnen, en zijn ook

rechten overgedragen. Er kunnen verbintenissen en quasi-verbintenissen

zijn, en de mensch is gehouden dezen op te volgen, omrede hij sociaal

is.

De rechten die iemand aan een ander afstond, zijn natuurlijk afgestaan

in zoover hij, die zijn recht overdroeg, dat wilde of moest willen en in

zoover hij dat kon willen. En hieruit is dus ook af te leiden, hoever

iemands verkregen rechten gaan.

Wij hebben gezegd de individueele rechten die de mensch heeft in zijn

natuurtoestand vermeerderen of verminderen, ondergaan veranderingen

doordat de eene ze overdraagt op den anderen en in zoover men ze kan en

wil overdragen of moet willen. Kan overdragen, want wat de mensch niet

heeft kan hij niet vergeven; moet willen, want de mensch heeft den

rechtsplicht te doen, wat niet in strijd is met de societeit; wat deze

dus in gegeven omstandigheden noodzakelijk vordert, moet hij derhalve

willen. Zoo bijvoorbeeld hij, die een misdaad begaat, geeft aan anderen

recht hem te straffen. En wel hierom, omdat men moet veronderstellen,

dat hij, die het kwade doet, tergelijkertijd implicite wil, wat in een

samenleving noodzakelijk met het kwaad samenhangt; het recht n.l. der

anderen om de booze daad te straffen, en het recht tot zelfverdediging.

Niet alleen op de zooeven genoemde wijzen, kunnen rechten overgaan; het

kan ook gebeuren door de wet.

Hoe dit is te verklaren? Ziehier. De wet veronderstelt een overheid, dit

is duidelijk. Wat is nu een overheid, of liever waar ligt de grond van

haar recht?

God is, volgens de Groot, onze overheid, maar ook een mensch kan zulks

zijn. Sluit men de vaderlijke overheid uit, dan ontstaat het

overheidsrecht van een mensch door een verbintenis, een contrakt. Wat

heeft de onderdaan gedaan? Hij heeft de bestiering van zich zelven

gegeven aan een ander.

Deze andere, die dus het gezag gekregen heeft, dat weleer de onderdaan

zelve had, is in zekeren zin in zijne plaats getreden. Hij kan voortaan

evenveel, als de nu onderdaan zijnde, vroeger kon. Natuurlijk in zoover

die rechtsbevoegdheid aan de overheid is overgedragen.

De overheid treedt in de plaats van een ander, ziedaar, op welken grond

zijn macht om rechten over te dragen zich baseert. Hij kan wat vroeger

de onderdaan kon. [91]

Een andere vraag, die wij hier moeten beantwoorden is deze: Is het in

strijd met het natuurrecht, een ander bijv. iets te ontnemen, wat hij

bezit, niet door het natuurrecht, maar door verbintenis of door de wet?.

Het antwoord moet hier bevestigend luiden. Het doet er immers niet toe,

hoe iemand iets het zijne noemt, mits hij het langs rechtmatigen weg in

zijne macht heeft. [92]

Allicht zal men hier opwerpen. Maar is het dan nog denkbaar, dat men

ooit niet misdoet tegen het natuurrecht, maar tegen de stellige wet? Wel

zeker.

Die daad is tegen het willekeurig recht, tegen goddelijke of

menschelijke wet, die niet overeenkomstig is aan die wet. Als voorbeeld

zou men kunnen nemen, een wet die bepaalt, dat wij iets van het onze, en

in zoover dit het onze blijft, aan een ander moeten geven. Handelt men

in strijd hiermede, dan misdoet men tegen een positieve, niet tegen een

natuurwet. Men laat ieder het "zijne" maar men geeft niet van het

"zijne" hetgeen de wet "in casu" gebiedt.

Om een voorbeeld hiervan te geven, de verplichting die een volk, ten

overstaan van ambassadeurs van andere volken heeft, zijn niet

natuurrechtelijk, maar volkenrechtelijk.

"Hactenus", zoo zegt Grotius (l. 2. c. 18.) als hij gaat spreken over

"de legationem jure", "ea memoravius, quae ex jure naturae debentur

nobis, [93] paucis dumtaxat, additis de gentium jure voluntario ...

Bestat veniamus ad obligationes, quas ipsum per se jus illud gentium,

quod voluntarium dicimus induxit." [94]

De leer van Grotius over het eigendomsrecht, over den staat en het

staatsgezag, over het strafrecht, zullen natuurlijk niets anders zijn

dan een toepassing dezer ideeën. Pour la société internationale comme

pour les États particuliers, toute la vie sociale, tout le droit social,

relèvent en définitive, de la souverainité de la conscience

individuelle, en d'autres termes du droit individuel, zegt met alle

recht Charles Perin. [95]

#Grotius' Theoriën over Eigendomsrecht, Staat en Strafrecht.#

_I. Het Eigendomsrecht_

Een volkomen rechtsbevoegdheid bezit de mensch over zijn leven, over

zijne ledematen, zijn lichaam, zijn eer en faam en kuischheid. Dit alles

is van nature het zijne; het vormt immers als een geheel met zijne

persoonlijkheid. Iets anders is het wat betreft de goederen dezer aarde.

Deze zijn onderscheiden van den mensch, niet een met hem; zij zijn ook

niet door hem voortgebracht. Daarom kan hij die goederen "de zijne" niet

noemen. Hun heer en meester is God, Die ze geschapen heeft. God echter

gaf den mensch het recht die goederen te gebruiken en zoo is 's menschen

rechtsbevoegdheid over het aardsche ontstaan.

Hoever gaat die rechtsmacht? Het is een den mensch gegeven rechtsmacht,

zij is derhalve in zoover zij gegeven is; daarom welk recht heeft God

gegeven?

Aan dezen mensch heeft God niet dit, aan genen niet dat toegedeeld; aan

de geheele menschheid heeft Hij gegeven de geheele aarde. Het bezit was

daarom in den beginne communistisch, een privaat eigendomsrecht bestond

er oorspronkelijk niet. [96]

Bestond er in den beginne geen privaateigendomsrecht, nu, zegt Grotius,

bestaat het wel degelijk.

Al vroeg zag de mensch de noodzakelijkheid in om het

privaatseigendomsrecht te stellen in de plaats van het gemeenschappelijk

bezit. Waarom men afzag van een communistisch leven, leert ons de

gewijde geschiedenis. [97]

Het privaat eigendomsrecht is derhalve in heel zijn omvang, volgens de

Groot, een vrije, menschelijke instelling. Deszelfs ontstaan is, gelijk

wij verder zullen zien, te vergelijken met het ontstaan van den staat.

Beiden zijn geen natuurlijk bestaand iets, zij zijn iets willekeurigs;

gewild echter door den mensch omdat zij goed, ja gezien de

omstandigheden, zelfs noodzakelijk waren voor een rustige

samenleving. [98]

Welke de regeling is van het privaat eigendomsrecht leidt de Groot

eveneens af uit de geschiedenis.

Men bezat de goederen in het gemeen. Dit verdroot. Men verdeelde hetgeen

men had, ieder kon voortaan, met uitsluiting van anderen, zeggen, dit is

het mijne. De dingen echter die nog niet in bezit genomen waren door de

eerste menschen, zij konden natuurlijk niet verdeeld worden. Hoe zou men

hierop voortaan eigendomsrechten krijgen? Door toeeigening, want men

moet veronderstellen, dat allen, toen gemeen bezit mishaagde, en

privaateigendomsrecht ontstond, dat allen als wettige titel van

recht-verkrijgen, stilzwijgend erkenden de toeeigening van hetgeen nog

geen bezitter had. [99]

Men had reden om af te zien van gemeen bezit voor sommige, niet echter

voor alle zaken. Sommige dingen zijn beperkt, andere niet; is een zaak

zoo overvloedig, dat allen ze kunnen gebruiken zonder eenigen last, dan

bestaat er ook geen reden, waarom men ze als privaat eigendom zou willen

hebben. Dit is het geval bijv. voor de zee, de lucht. Deze zijn dus

gemeen goed gebleven. En niet alleen op grond van het zoo evengenoemde,

het zou zelfs onmogelijk zijn ze toe te eigenen, want slechts een nauw

begrensde zaak kan toegeeigend worden. [100]

Het privaat eigendomsrecht is een menschelijke instelling, en daarom

moet men ook, wil iemand zijn omvang juist kennen, gaan zien, wat de

mensch wilde toen hij dit instelde. [101]

Zeker is het nu, volgens Grotius, dat men zoo weinig mogelijk van den

eersten rechtstoestand heeft willen afwijken. Diensvolgens moet men

zeggen, dat in uitersten nood het recht de zaken als gemeengoed te

gebruiken, herleeft. (l. 2. c. 2. § 6 n° 4). Men kan namelijk niet

denken, dat men dit niet zou gewild hebben. Hetzelfde is te zeggen van

het gebruik van andermans goed, in zoover, dit gebruik den eigenaar niet

hindert. Er was geen reden om het privaat bezit zoover door te voeren,

dus is het niet gebeurd. (ibid § 9.)

Dezelfde begrippen over het privaat eigendomsrecht vinden wij in

Grotius' "Inleiding" tot de Holl. rechtsgel. [102]

Hugo de Groot en zijn rechtsphilosophie · 第 3 / 12 段