De tweede zaak waarvoor wij nog de aandacht vragen, is de volgende. Wat

bedoelt Grotius met den socialiteitszin van den mensch. De

uitdrukking "Homo animal sociale" vinden wij immers overal; wij vinden

ze bij schrijvers, die in het recht tamelijk uiteenloopende meeningen

waren toegedaan.

De Groot bedoelt daardoor zeker niet de geneigdheid tot de maatschappij

in de geijkte beteekenis van het woord, die hij zelf later zal bepalen

als: de volmaeckte vergaderinghe van vrije menschen te samen vergadert

om recht te genieten en ghemein profijts wille. (De Juri B. et P. l. 1

c. 14.)

Het is ook niet de samenleving, gelijk Hartenstein [53] meent, "bei

welchem, jeder ohne ein eigentliches gesellschaftliches Wollen, sehr

wohl seinen eigenen Zwecken nachgehen kann ...: die Gesammtheit der

Beziehungen und Berührungen, die in den Zusammenleben einer Mehrheit

wollender Wesen nicht ausbleiben können."

Ik zou denken, dat Grotius wil zeggen, dat die "Gesammtheid der

Beziehüngen und Berührungen" moet zijn: in welwillendheid en eendracht,

juist wijl zij voor Carneades niets waren dan onderlinge betrekkingen,

ingegeven en geregeerd door egoïsme.

Grotius bedoelt m.i. een samenzijn in onderlingen vrede, het leven als

socii, als gelijken (zou ik willen zeggen), die hoewel elkander niet

eigenlijk liefhebbend, elkander toch respecteeren en dienstig willen

zijn. Voor deze opvatting pleiten èn de door Grotius aangehaalde

plaatsen van schrijvers èn de samenhang.

+Van het recht in oneigenlijken zin.+

Vindt de mensch in zijn sociale natuur, datgene, wat hij volgens strikt

recht verplicht is aan anderen, en daardoor tevens de afbakening van wat

hij niet verplicht is aan zijn evenmensch, van zijn recht ten overstaan

van zijn gelijken; ook nog het zich bewegen binnen deze grenzen van het

strikte recht, is aan regels onderworpen. Deze regels of voorschriften

vormen het "jus naturae laxius."

Dit recht of liever deze voorschriften berusten hierop, dat de mensch

niet slechts door zijn zin voor maatschappelijk leven uitsteekt boven de

andere zinnelijke wezens, maar ook, doordat hij kan oordeelen over de

dingen, en zoo kan weten, kan schatten, wat hem goed, wat hem schadelijk

is, "quae delectant aut nocent" zegt Grotius. En dit oordeelen of iets

goed of wel kwaad voor hem is, kan de mensch zoowel wat het

tegenwoordige als wat het toekomende betreft, "et quae in utrum-vis

ducunt". (o.c. prol. 9)

Want ligt het in de menschelijke natuur oordeelkundig te werk te gaan,

dan is ook alle ondoordacht handelen, het zich laten leiden door vrees

of schrik, door een oogenblikkelijk genot, in strijd met de natuur, met

de orde, aangegeven door de natuur, n.l. de menschelijke natuur.

Onder dit natuurrecht in ruimeren zin valt de plicht, dat men overleg

moet gebruiken bij het vergeven van datgene, wat aan iemand persoonlijk

of aan een communiteit toebehoort. De wijze moet den voorrang hebben op

den minder wijze, de arme op den rijke, de naastbestaande op den

vreemdeling.

Men heeft ooit gemeend, dat deze "prudens dispensatio" van wat men

heeft, een deel vormt der rechtvaardigheid in strengen zin. Dat is

onwaar, want de rechtvaardigheid streng genomen, bestaat in het iemand

laten of teruggeven van wat het zijne is of van datgene, wat wij door

een verbintenis verplicht zijn hem te geven. [54]

Het jus naturae laxius berust dus niet op een nuttigheidsbeginsel zonder

meer, gelijk Kaltenborn [55] meent? "Neben diesem jus naturale strictum,

wird noch ein laxius aufgestellt dem das Princip der Nützlichkeit zum

Grunde liege"; zijn eigen welzijn mag de mensch zoeken, maar dat slechts

in zooverre als redelijk wezen; zijn _waar_ en _werkelijk_ welzijn is de

mensch verplicht na te streven.

De menschelijke handeling is goed en geboden, of kwaad en verboden, niet

als zij nuttig is, maar als zij redelijk is.

Daarmede houdt verband, wat Grotius later zegt, dat de beoefening der

deugden van matigheid, sterkte en voorzichtigheid niet alleen altijd

goed is, maar zelfs ooit plicht wordt, dan n.l., als het tegen de rede

zou zijn, deze deugden niet te beoefenen. [56]

Deze beginselen zal Grotius later toepassen, als hij de kwestie, of de

oorlog per se een onrechtmatige daad is, gaat oplossen. Eerst, zoo zegt

hij, moet men zien of wij al van zelf, door onze zinnelijke natuur tot

iets geneigd zijn; vervolgens of dat geneigd zijn niet in strijd is met

ons verstand. Het verstand immers moet de driften van den mensch

beheerschen. [57]

-B. Het stellige recht.-

+1° Het bestaan eener willekeurige goddelijke rechtsorde.+

Et haec quidem quae jam diximus locum aliquem haberent, etiamsi daremus,

quod sine summo scelere dari nequit, non esse Deum, aut non curari ab

eo negotia humana. [58] (o.c. prol. 11)

Deze zoo bekende en zoo befaamde woorden van Grotius volgen na zijn

uiteenzetting van het natuurrecht in zijn dubbele beteekenis. Zij dienen

niet slechts om den aard aan te geven van het natuurrecht, als

onafhankelijk in zijn bestaan van elk uitwendig beginsel, als wordend

met den mensch en met zijn natuur; maar zij dienen tevens als overgang

tot eene nieuwe rechtsbron: de uitgesproken wil van God.

God, zegt hij, bestaat; èn de reden, èn de overlevering leeren het ons.

God is de Maker van alles, wat is, en wij hebben Hem te danken, hetgeen

wij zijn en hebben.

Hieruit volgt, dat Hij een hoogheidsrecht heeft over ons, dat wij zijn

wil moeten volbrengen, Hem moeten gehoorzamen. Wij zijn hiertoe nog te

meer verplicht, wijl God oneindig goed is jegens den mensch, dien Hij

met weldaden heeft overladen, en wijl Hij oppermachtig is. Rijkelijk

beloont hij degenen, die doen, wat Hij voorschrijft en zwaar zal de

straf zijn voor hen, die Zijnen wil niet volbrengen. (Prol. 11) De rede

zegt dus den mensch, dat hij Hem onvoorwaardelijk gehoorzaamheid

verschuldigd is.

Behalve de voorschriften geworden door Gods wil in den loop der tijden,

zou men goddelijk recht kunnen noemen, het recht, dat voortvloeit uit

innerlijke beginselen van den mensch, het sociale recht en het jus

naturae laxius, want God heeft gewild, dat zoodanige beginselen in ons

waren. (Prol. 12.)

Verder heeft Hij door Zijn wet die beginselen ook duidelijk gemaakt voor

hen, die met minder gaven zijn bedeeld. (Prol. 13.) [59]

De gewijde geschiedenis daarenboven, behalve dat zij Gods wet openbaart,

wekt ons niet weinig op tot welwillendheid jegens den naaste, tot een

socialiteitszin. Zij doet dit door ons te leeren, dat wij allen van één

menschenpaar afstammen en dat er, gelijk Florentinus zegt, (Prol. 14)

een verwantschap bestaat tusschen allen.

+2° Het bestaan eener menschelijke rechtsorde (burgerlijk en

volkenrecht).+

Behalve de voorschriften van het natuurrecht en het goddelijk recht,

kunnen er bepalingen zijn omtrent de verhoudingen der menschen

onderling, ontstaan door stilzwijgende overeenkomsten of gebruiken.

Het is eene natuurplicht, aangegane verbintenissen trouw na te komen.

Hieruit vloeit het burgerlijke recht voort. (Prol. 15.)

Want, zoo zegt de Groot, men moet veronderstellen, dat zij, die zich

hebben aangesloten bij eene menschengroep, of zich onderworpen hadden

aan eenen of aan meerderen, uitdrukkelijk of stilzwijgend hebben

beloofd, te doen, wat de meerderheid der groep of zij, aan wien het

regeeringsbeleid was opgedragen, zouden vaststellen. [60]

Ook het door de burgerlijke overheid bepaalde, ontleent derhalve zijn

rechtskracht niet aan het nuttig zijn der bepalingen, maar aan de

verplichting van gehoorzaamheid, voortvloeiende uit de "consociatio" of

de onderwerping. Het vindt alzoo zijne rechtskracht in het natuurrecht.

De gelegenheidsoorzaak van het civiele recht is echter het belang; want

die verzameling tot een gemeen leven of die onderwerping ontstond om het

nut, daarin gelegen. [61] En van den anderen kant zij, die anderen de wet

voorschrijven zijn gewoon iets voor te schrijven, omdat het goed en ten

bate is der onderdanen, ofwel zij moeten minstens dat doel beoogen met

hunne wetten.

Gelijk nu het burgerlijk recht ten voordeele is van een volk, zoo konden

er rechten en plichten ontstaan "ex consensu" en zijn er werkelijk

ontstaan, die het heil op het oog hebben der groote menschelijke

societeit. [62]

Dit positieve recht kan aangeduid worden met den naam volkenrecht.

_III. De Sanctie van het recht_

Na de grondslagen van het recht te hebben aangewezen, komt de Groot nog

eens terug op Carneades' beweren. In nog donkerder kleuren wordt diens

leer geschilderd. Het recht is voor hem een dwangbuis, dat men

aantrekt, en waarin men zich schikt, uit vrees voor erger, uit schrik

voor hen, die machtiger zijn dan wij.

Geene stelling, hoe ongerijmd ook, of zij bevat nog een kern van

waarheid. Ook de Groot begreep dit, en daarom vraagt hij zich af, in

hoeverre Carneades en Horatius wel gelijk konden hebben. Daarmede vindt

hij tevens aanleiding te spreken over de sanctie van het recht.

Dat wij alleen door vrees gedwongen het recht zouden naleven en

onderhouden, is voor Grotius een groote dwaling.

En ziehier waarom. De redelijke mensch, zoo zegt hij, onderhoudt de

landswetten en het redelijke volk het volkenrecht, gedreven door

welbegrepen eigenbelang. De burger begrijpt immers, dat hij, zoo hij de

voorschriften der overheid niet opvolgt, zijn blijvend belang en dat van

zijn nageslacht uit het oog verliest. Evenzoo moet elk volk inzien, dat

het niet verder komt met het niet onderhouden van natuur-en volkenrecht,

maar integendeel de grondslagen van zijn eigen rustig bestaan

ondermijnt.

Ik wil niet meer herhalen, zoo gaat hij verder, wat ik boven reeds

gezegd heb, dat het geen dwaasheid zou zijn maar wijsheid, te leven

volgens de rechtvaardigheid ook nog, zelfs dan wanneer wij er absoluut

geen voordeel bij hadden; om reden dat het steeds wijsheid is te leven

volgens onze natuur. [63]

De stelling van Carneades is derhalve valsch als algemeene stelling;

Niet ter wille van overmacht onderhoudt de redelijke mensch de wetten,

doch uit welbegrepen eigenbelang of uit plicht. Maar kan men dan niet

zeggen, dat het recht ooit de wil is van den sterktste? Ongetwijfeld ja;

dan n.l. als het de instellingen of wetten geldt, die zijn gemaakt om

het recht te doen eerbiedigen, zooals zijn de rechtbanken en de

strafwetten. Hier kan men zeggen dat het recht de wil is van den

sterkste, evenwel slechts in een bepaalden zin. Men vergete niet, wat

hier bedoeld wordt. Alleen dit, dat het recht in de praktijk dikwijls

zou overtreden worden, zoo het niet de macht in zijn dienst had. Gelijk

men ziet, komt Grotius nu bij de sanctie van het recht.

Een sanctie is noodig. Het recht vindt die sanctie dikwerf in een

tijdelijke macht. De onwilligen worden vaak met ijzeren arm gedwongen te

doen, wat zij moeten doen. Maar zou het recht van alle sanctie ontbloot

zijn zonder tijdelijke macht? Wel neen. Ook dan nog heeft het recht zijn

gevolgen, een intrinsieke sanctie bestaat er. Het is de gerustheid van

geweten voor hen, die het recht naleven; het is de onrust en wroeging

voor diegenen, welke zich niet om het recht bekommeren, De rechtvaardige

oogst den lof in der menschen, de ongerechte wordt verafschuwd. Wat meer

is, God die zijn oordeelen bewaart voor het volgend leven, is de vijand

van het onrecht en heeft het recht lief. (o.c. prol. 20.)

Ten slotte acht de Groot het noodig weder opnieuw te wijzen op het

voordeel, dat er gelegen is in het nakomen van het volkenrecht. Want

begrijpt men allicht, dat men ter wille van zijn eigen belang de

burgerlijke wetten dient na te leven, niet zoo licht ziet men in, dat

ook hetzelfde geldt, wat de onderhouding van het recht betreft, ten

overstaan van hen, die niet met ons leven in eenzelfde burgerlijke

gemeenschap. Ook hier kunnen wij niet onrechtvaardig leven leven zonder

zelf schade te lijden. Een volk immers kan zoo machtig zijn, als het

wil, het heeft toch, niettegenstaande dat, om maar iets te noemen, de

anderen noodig om verbonden volken, die tegen hetzelve optrekken, te

kunnen weerstaan; evenzoo heeft het de anderen noodig voor zijn handel,

(o.c. Prol. 22.)

Onderlinge gemeenschap tusschen de volken, onderlinge eenheid in één

woord, is noodig en daarom ook is noodig, dat er rechtvaardigheid

beoefend worde; zonder deze deugd immers kan geen enkele gemeenschap

bestaan, zelfs niet een van baanstroopers. [64]

_IV. De beteekenis van den term "recht".--De verdeeling van het

recht._

Als wij, zoo zegt de Groot, boven ons boek als titel schreven: "Over het

recht des oorlogs," dan wilden wij daarmede het doel van ons schrijven

bekend maken. Wij wilden zeggen, dat wij op de eerste plaats ons gingen

afvragen, of een oorlog rechtvaardig kan zijn, en vervolgens, wat in den

oorlog rechtens mag gebeuren.

Daarom zouden wij het woord "recht" uit den titel niet anders kunnen

omschrijven dan aldus: hetgeen rechtvaardig is. Hetgeen rechtvaardig is:

de zin dezer woorden is meer ontkennend dan bevestigend; evengoed zou

men derhalve kunnen zeggen: "hetgeen niet onrechtvaardig is" [65].

Wil Grotius, in het opschrift van zijn werk, met den term "recht" even

zooveel zeggen als: wat rechtvaardig of nog liever wat niet

onrechtvaardig is, ook nog in twee andere beteekenissen kan dat woord,

zoo zegt hij, gebruikt worden.

"Recht" kan aanduiden, de zedelijke hoedanigheid iemand eigen, om iets

rechtens te doen of te bezitten. [66]

Vervolgens kan dat woord gebezigd worden als synoniem van "wet" ten

minste, als dit laatste woord genomen wordt in zijn meest uitgebreide

beteekenis; als een regel n.l. voor de zedelijke handelingen van den

mensch, die verplicht tot eerbare daden. Als een regel, die verplicht;

want raadgevingen en bevelen, al hebben zij tot voorwerp het eerbare,

kunnen, zoo zij geen verplichting doen ontstaan, wet noch recht genoemd

worden. [67] De term "recht" kan derhalve in driedubbelen zin gebruikt

worden. Hoe verdeelt men het recht in elk dier beteekenissen?

* * * * *

_"Recht"_ kan beteekenen, hetgeen rechtvaardig is, of nog beter, hetgeen

niet onrechtvaardig is. Neemt men den zoo even genoemden term, in dezen

zin, dan kan men spreken van een "jus aequatorium", en een "jus

rectorium". En waarom? Dewijl datgene onrechtvaardig of onrecht genoemd

wordt, wat in strijd is met het wezen der gemeenschap van hen, die met

rede en verstand begaafd zijn; [68] en de gemeenschap vervolgens

verschillend kan zijn. Zij kan n.l. bestaan, ofwel tusschen gelijken,

bijv. tusschen broeders, burgers, vrienden en bondgenooten; ofwel

tusschen meerderen en minderen, zooals ouders en hunne kinderen, een

heer en zijn knecht, een koning en zijn onderdanen, God en de

mensch. [69] Volgens Aristoteles is deze laatste vorm van sociaal leven,

de volmaaktste.

Het is duidelijk, dat, zoo de gemeenschap verschillend is, het

onderlinge recht van hen, die in gemeenschap leven, verschillend zal

zijn. Eenzelfde handeling immers kan in overeenstemming zijn met de

samenleving van gelijken, terwijl zij niet in overeenstemming is met een

sociëteit in den meest volkomen vorm, met een gemeenschap van meerderen

en minderen.

Wordt _"recht"_ genomen, als zedelijke hoedanigheid iemand eigen, om

iets rechtens te doen of te bezitten, dan is het noodig onderscheid te

maken in het recht, al naar gelang de zedelijke hoedanigheid volkomen of

minder volkomen is.

Is zij volkomen, dan kan men spreken van een "facultas", van een

bevoegdheid. Is zij onvolkomen, dan moet men ze noemen "dignitas", een

"waardigheid".

Het recht in den zin van volkomen zedelijke hoedanigheid wordt bij de

rechtsgeleerden aangeduid, door "het zijne". Hier wordt dan onder

begrepen, het "jus personale" en het "jus reale". Hoe "facultas" en

"dignitas" verschillen, wil Grotius nog duidelijker maken. Zij staan,

zoo zegt hij, tegenover elkaar gelijk "potentia" en "actus" "in

naturalibus." Aan de "facultas" beantwoordt in een ander, de "justitia

expletrix" de vergeldende rechtvaardigheid; aan de "dignitas", de

"justitia distributiva" de begevende rechtvaardigheid. [70] (l. 1 c. 1 §

4 tot 8.)

De "facultas" wordt op hare beurt nog onderscheiden in een "vulgaris" en

een "eminens". De laatste is de volkomen rechtsbevoegdheid, die,

terwille van het gemeen welzijn, toekomt aan het volk in zijn geheel,

over de deelen, waaruit het volk bestaat, en hunne goederen.

Wordt _"recht"_ genomen in den zin van _"wet"_, dan moet het recht

worden verdeeld gelijk de wet. Hier volgt men het best Aristoteles, die

het recht, als wet, onderscheidt in natuur-en willekeurig recht. (ibid.

§ 9.)

Welke beider eigenschappen en kenmerken zijn, zullen wij aanstonds zien.

In "de Jure Belli ac Pacis", zegt Grotius over de beteekenis van den

term recht en de verdeeling van het recht niet heel veel meer, dan hij

reeds vroeger geschreven had in zijn "Inleiding tot de Hollandsche

rechtsgeleerdheid." [71] "Rechtvaardigheid", zoo lezen wij daar, is een

deugt des willes om te doen dat recht-matig is, recht-matig is dat met

het recht overeenkomt."

"Recht wert genomen ruym of eng. Ruym genomen recht is de

over-een-koming van de daedt eens reedelijk wezens met de reden: voor

zooveel aen de selve daedt een ander yet is gelegen."

"Eng genomen recht is het opzigt dat daer is tusschen een reedelijk

wezen ende yet dat op het selve past, door waardigheid ofte

toebehooren."

"Waerdigheyt is de bequaemheyt van een reedelijk wezen tot yet dat

begeert wert."

"Toebehooren is waer door yet het onse wert genoemt ende bestaet (als

hier na sal worden verklaert) in Beheering ende in Inschult."

Ook hier spreekt Grotius over de justitia "expletrix en distributiva",

juist als in zijn hoofdwerk.

"Van de rechtvaerdigheid, die op 't eng genomen recht ziet, wordt die

soorte die op de waerdigheid acht neemt, ghenoemt begevende: de andere

die op het toebehooren let, de vergeldende." Wij moeten hier echter

opmerken, dat men niet moet denken, dat de Groot met de "justitia

distributiva" bedoelt de rechtvaardigheid, die de Staat bij het opleggen

van lasten aan zijn burgers en bij het vergeven van goederen, in acht

moet nemen. Voor Grotius is deze niet de justitia "distributiva", maar

de vergeldende of "expletrix." [72]

De rechtvaardigheid, die op 't ruim genomen recht ziet, wordt door de

Groot nog verder omschreven. Zij werd "bij den wijzen ghenoemt ofte

algemeene, omdat zij in haer begrijpt alle daden van andere deugden,

doch met een zonderling aanzien, te weten voor zooveel dezelven

dienstig zijn tot onderhoudinge van eenige ghemeenschap, of te oock

wettelicke, omdat dezelve zoo verre streckt als de wetten ende door de

wetten de maet ende 't richtsnoer ontfangt."

Verder zegt Grotius, dat met het woord "recht" kan bedoeld worden "wet",

en wel "omdat zij (de wet) 't recht voorschrijft." [73]

-De Natuurwet.

+A. Haar bepaling en eigenschappen+

De natuurwet wordt bepaald als "een ingheven der ghesonde reden,

aenwijsende dat in een daadt of werck nae dat hetzelfde met de

redelijcke en verstandighe nature zelfs oft overeen komt oft niet,

steeckt een morale schandelijckheidt teghens goede zeden strijdigh oft

een morale noodwendigheydt; en bijgevolghe dat zulck een daedt van den

Aucteur der Nature Godt zelf oft verboden, ofte geboden werdt." [74]

De handelingen of de werken, waarvan de rede zegt, dat zij noodzakelijk

gevorderd worden voor het sociale leven, ofwel daarmede in strijd zijn,

zulke daden zijn per se verplicht of ongeoorloofd, en daarom moet men ze

ook beschouwen, als noodzakelijk door God geboden of verboden. (ibid).

En hierdoor onderscheidt zich het natuurrecht van het goddelijk en

menschelijk recht; noch het een, noch het ander gebiedt of verbiedt, wat

in zich en uit zijn aard verplicht of ongeoorloofd is, maar het maakt

iets tot plicht of maakt iets ongeoorloofd, door te gebieden of te

verbieden. (l. 1 c. 1 § 10 n° 2.)

Nadat Grotius de natuurwet heeft bepaald, en gewezen op het verschil,

dat er bestaat tusschen deze wet en de goddelijke en menschelijke wet,

merkt hij nog op, dat men sommige dingen onder dit recht rangschikt in

oneigelijken zin, die namelijk, die niet formeel tegen het natuurrecht

zijn. (l. 1 c. 1. § 3.) Verder moet men gedenken, dat de natuurwet niet

slechts betrekking heeft op datgene, wat buiten het bereik ligt van

onzen vrijen wil, maar ook op vele zaken, die een gevolg zijn van een

daad van onzen wil, bijv. het eigendomsrecht. Dit recht, gelijk het nu

bestaat, vindt zijn oorsprong in den menschelijken wil. Heeft men echter

dezen rechtstoestand eenmaal gewild, dan zou het in strijd zijn met het

natuurrecht, iemand iets, wat hij volgens dit recht bezit, te ontnemen

tegen zijn wil. (ibid 4°) [75]

Welke zijn de eigenschappen van het natuurrecht? Vooral de

onveranderlijkheid van dit recht trekt Grotius aandacht.

Het natuurrecht kan zelfs door God niet veranderd worden, zoo zegt hij.

[2]

Want hoe oneindig groot zijn macht ook is, er zijn dingen, waarover zij

zich niet uitstrekt; die dingen n.l. die wij slechts kunnen noemen, maar

die geen werkelijkheid kunnen zijn, omdat zij een tegenspraak vormen. En

evenmin als God, kan maken, dat 2×2 geen vier is, evenmin kan Hij maken,

dat iets, wat in zijn wezen slecht is, niet slecht zij. (ibid. 5°).

Het gebeurt echter ooit dat men zou kunnen denken, dat het natuurrecht

veranderd is. Men bedriege zich echter niet. Het is slechts in schijn

veranderd. Zoo bijv. in het geval, dat een schuldeischer zijn

schuldenaar de schuld kwijtscheldt. De schuldenaar behoeft niets meer te

betalen, al zegt het natuurrecht: gij moet betalen, wat gij schuldig

zijt. Daarmede is echter het natuurgebod niet veranderd, het blijft

bestaan gelijk vroeger en blijft verplichten. In ons geval heeft de

schuldenaar opgehouden schuldenaar te zijn, ziedaar alles: (ibid.

6°).--Een ander voorbeeld.

Het natuurgebod luidt: "_Gij zult niet doodslaan; gij zult niet

stelen_." [76]

Al heeft God in sommige omstandigheden geboden, iemand te dooden of iets

te ontnemen, daardoor heeft het natuurgebod niet opgehouden te bestaan,

immers voor Hem, den Heer van leven en dood en van al het geschapene,

kan geen spraak zijn van doodslag of diefstal.

Ook dit is geen bewijs voor een verandering in het natuurrecht, dat wij

heden de goederen, die iemand bezit, niet mogen gebruiken tegen zijn

wil, terwijl vroeger het gebruik der goederen gemeen was.

Wij weten n.l. dat sommige dingen onder het natuurrecht vallen, niet

zonder meer, maar wijl er een positieve daad is voorafgegaan.

Na de onveranderlijkheid van het natuurrecht besproken te hebben, vraagt

Grotius zich af, of er in dat recht nog eene onderverdeeling bestaat.

(ibid. 7.)

In de boeken over het romeinsche recht, zoo zegt hij, maakt men

onderscheid tusschen een onveranderlijk recht, mensch en dier gemeen, en

een onveranderlijk recht den mensch alleen eigen, hetwelk men noemt:

"jus gentium."

Deze onderscheiding heeft niets te beduiden, want dat wezen alleen kan

een rechtssubject zijn, dat zich kan laten leiden door algemeene

voorschriften. Voor dat wezen alleen, zoo wil hij daarmee zeggen, dat

het abstractievermogen bezit, en de verhouding zijner handeling tot het

voorschrift dientengevolge kan kennen, kan er sprake zijn van recht of

onrecht.

Wordt ooit een rechtvaardigheidszin toegekend aan de dieren en de

zinnelijke wezens, dan doet men het in oneigelijken zin, in zooverre bij

hen een schijn of schaduw van verstand is. [77]

Of een handeling, waaromtrent zich het natuurrecht uitspreekt, ons

gemeen is met de zinnelijke wezens, bijv. de opvoeding van het kroost,

of ons eigen is, gelijk de dienst van God, heeft niets te maken met het

wezen van het recht (l. 1. c. 1. § 11 1° 2°.)

Hoe kunnen wij bewijzen, dat een daad volgens het natuurrecht of

daarmede in strijd is? Wij kunnen het langs tweevoudigen weg.

A priori, door aan te toonen, dat iets noodwendig overeenkomt met de

sociale en redelijke natuur.

A posteriori, indien al de volken of meest beschaafden meenen, dat iets

tot het natuurrecht behoort. Want een algemeen feit heeft noodzakelijk

eene algemeene oorzaak. En deze algemeene oorzaak kan hier niet zijn dan

"sensum ipsum communis qui dicitur." [78] Het eerste bewijs geeft

zekerheid, het tweede zoo geen zekerheid, dan toch groote

waarschijnlijkheid; het eerste is "subtilior," het tweede "popularior"

(ibid. § 12.)

Hugo de Groot en zijn rechtsphilosophie · 第 2 / 12 段