HUGO DE GROOT
en
ZIJN RECHTSPHILOSOPHIE
DOOR
Dr. H. BERTENS.
[Gebaseerd op de editie gepubliceerd te Tilburg, 1907]
AAN Dr. G.W.J.M. VAN ZINNICQ BERGMANN.
#Inleiding.#
De naam Grotius is overbekend. Van hem kan niet gezegd worden, wat Otto
Gierke van Althusius getuigde, in de eerste uitgave van zijn beroemd
werk: "Der Name des Johannes Althusius ist heute so gut wie
verschollen". [1]
De Hollandsche schooljongen kent Huig de Groot en zijn boekenkist; hij
kent zijn vrouw, Maria van Reigersberg, die de list verzon, ter redding
van haar echtgenoot, alsmede de trouwe dienstmaagd, Elsje van
Houweninghe, de "derde medespeelster in het blij eindend drama van slot
Loevestein."
Als geleerde kent hem de wereld.
Grotius was theologant en wijsgeer. Grotius bewoog zich op het gebied
der geschiedenis en der letteren, en heeft daar lauweren behaald;
Grotius was staatsman; maar de godgeleerde en philosoof, de historicus,
en staatsman zou zijn roem niet overleefd hebben, zonder de Jure Belli
et Pacis, het onsterfelijke werk van een van Hollands groote zonen uit
de dagen van Joost van den Vondel en Hooft, Tesselschade en Roemer
Visscher, van Heinsius en Josef Scaliger, van Huygens en Rembrandt.
Als niets, wat dezen onzen grooten landgenoot betreft, voor het
Nederlandsche volk onverschillig mag zijn, gelijk ik ergens las, dan
zeker niet datgene, waaraan Grotius zijn naam dankt.
Ziedaar een der redenen, waarom deze bladzijden werden geschreven.
Er is reeds dikwijls en met veel kennis geschreven over de Groot als
rechtsgeleerde; wij trachten het nog eens te doen.
Na een korte levensschets van de Groot, volgt een bespreking van zijn
"de Jure Belli et Pacis". In dat werk toch zijn de ideeën van Grotius
over het recht hoofdzakelijk neergelegd. Bij de uiteenzetting van de
Groot's rechts-philosophie, kan een critische waardeering niet
achterwege blijven. De enorme positieve kennis echter, èn van de
scholastiek èn van het neo-stoïcisme, èn van hun beider invloed op het
intellectueel midden, waarin de Groot leefde en waarin hij zich vormde;
die kennis, welke vereischt wordt, om hier het laatste woord te kunnen
spreken, is niet te verkrijgen in een korten tijd, jaren zijn er voor
noodig. Wij erkennen dan ook gaarne in die waardeering niet volledig te
zijn.
#Levensschets van Hugo de Groot.#
Op Paaschdag van het jaar onzes Heeren 1583 zag te Delft, een van de
rijkste en vermogendste steden van Holland, [2] die een Sasbout en een
Pontus Heuterus onder hare zonen telt, Hugo de Groot het levenslicht,
"het grootste genie van Holland in de XVIIe eeuw; de man, dien geheel
het geleerd Europa dier tijden het kleine landje daar ginds, aan het
uiteinde des vastelands benijden zou." [3]
Jan de Groot, meester der vrije kunsten en philosophie, doctor in de
rechten, burgemeester van Delft en curator der sinds 1575 opgerichte
universiteit van Leiden, was zijn vader. Zijne moeder was Alida van
Overschie, uit het geslacht van Overschie en Adrichem.
"Het is" zegt Nuyens, (Wachter 1874, blz. 133) "niet uitgemaakt of zijne
moeder, gelijk duizenden in die dagen, nog niet in stilte gehecht bleef
aan de katholieke leer; zeker is het, dat zijn vader, in naam tot de
heerschende gezindheid, maar volstrekt niet tot de calvinistische
ijveraars behoorde."
Reeds vroeg openbaarden zich de groote talenten van onzen Huig. Men
zegt, dat hij al de namen der soldaten van een regiment, die hij
toevallig gehoord had, later kon opnoemen. Nog slechts acht jaren oud,
schreef hij reeds verzen, onder andere op de verovering van Nijmegen
door prins Maurits in 1591. Met zijn twaalfde jaar kwam hij te Leiden
aan de universiteit. [4] Geen wonder, dat Daniel Heinsius van hem zingen
kon:
Ille dum puer fuit.
Vir esse coepit: namque reliqui viri.
Tandem fuere, Grotius vir natus est.
Wij kunnen de eerste opvoeding van den genialen knaap voorbijgaan.
Volgen wij hem te Leiden, waar hij 3 Aug. 1594 als Stud.-litt. werd
ingeschreven aan de hoogeschool.
Hij verbleef er tot 1597 en verdedigde alsdan zijne stellingen in
wiskunde, wijsbegeerte en recht. In de wijsbegeerte onder leiding van P.
Molinaeus en Antonius Trutus. De professoren, die in die jaren het recht
doceerden, waren, behalve zijn oom Corn. de Groot (1575-83, 1587-1600),
Jul. a Beyma (lector 1581, professor 1582-1596) Th. Sosius, (1585-1594)
Ever. Bronckhorst (1587-1610.) Ger. Tuningius (1590-1610) Corn.
Pynackerus (1597-1614) Corn. Swanenburgius (1597-1630). [5]
Wij weten ook, wat zij onderwezen, Romeinsch recht en nog eens Romeinsch
recht, gelijk Fockema Andreae zegt. Wij weten, welke werken zij
uitgaven. Commentaren op dat zelfde recht. [6]
Met recht mocht Grotius later schrijven "Jus civile, sive Romanorum,
sive quod cuique patrium est, aut illustrare comentariis, aut contractum
ob oculos ponere, agressi sunt multi: et jus illud, quod inter populos
plures ... intercedit ... attigerunt pauci."
Ook de wijsgeerige richting te Leiden mag ons niet onverschillig laten.
"Sans doute", zegt Monchamps, [7] "ils étudiaient encore Aristote, mais
les autres écrivains philosophes de l'antiquité leur plaisaient
d'avantage. Sans être l'ennemi de la scolastique et d'Aristote comme le
prétend Bouillier, le premier triumvir de la république des lettres
(Lipsius, Casaubon et Scaliger) aurait voulu voir régner dans les écoles
la philosophie du Portique conjointement avec celle d'Aristote."
Land [8] zegt ons omtrent dit punt: "De wijsbegeerte, die aan de
academische jeugd werd voorgezet, was de getemperde scholastiek, die aan
de protestantsche scholen van dien tijd aangenomen was.--Van de pogingen
der ramisten om tegenover de logica van Aristoteles een minder
kunstmatig systeem te zetten, is nauwelijks een spoor overgebleven."
* * * * *
Commentarius ad tit. de Verb.-sign.; idem ad tit. de reg. jur., idem in
IV libros Inst. Jur. Civ. Justiniani.
Corn. Pijnackerus bewerkte "Jura et privilegia militum Index ad
controversiarium corpus Andr. Fachnachaei, Primord. Juris Justineanei
demultia.
Swanenburgensis eindelijk, nunc varios pandectarum titulos
interpretatur.; in que eo unus totus est. Alma et illustris acad. Leid.
bij Marcks en Colites. Leiden 1674. Zie Fockema Andreae a. w. Snellius
en Arminius, die in Zwitserland en Duitschland het ramische hadden
onderwezen, veranderden van gevoelen bij hun benoeming te Leiden. Corn.
de Groot (1575) schijnt naar het platonisme te hebben overgeheld. Nic.
van Dam, de Groot's opvolger, was een Aristotelicus, gelijk Alexander de
Ratlo (1578-81), Antonius Trutus (1582-93) en Adr. Damman (1586-88.)
Van 1593 tot '98 behandelde Pierre Dumoulin, als buitengewoon
hoogleeraar, Aristoteles naar het Grieksch.
Voor zijn godsdienstige opleiding en godsdienstonderwijs had Grotius tot
leermeesters Frans Junius en Uitenbogaerdt, toen hofprediker van
Maurits. "Bij Johannes Uitenbogaerdt heb ick gewoont eenighe jaren noch
seer jongh zijnde, door de goede zorghe, die mijn ouders droegen ten
einde ick in de vreze Gods zoude opwassen: Waarom zij mij tot Leijden
bij Franciscum Junius ende in den Hage bij den Voorz. Uitenbogaerdt
hebben besteld." [9]
Bij Junius [10] woonde Grotius met Scriverius, Baudius en Daniël
Heinsius.
Buiten de genoemden vond Grotius te Leiden nog zijn vriend, den bekenden
Jos Scaliger, benevens Luc. Trelcatus, Paulus Merula, Rudolfus Snellius,
Carolus Clusius en Bonaventura Vulcanius.
Huig de Groot was een dankbaar leerling geweest. Toen hij na volbrachte
studie in 1598 met Oldenbarneveld en Justinus van Nassau naar Parijs was
gegaan en door den eerste aan koning Hendrik IV werd voorgesteld, noemde
deze hem reeds "le miracle d'Hollande". Hij gaf hem een gouden keten
met medaillon, waarop 's konings borstbeeld.
Met de buitenlandsche reis eindigde het studentenleven. Den 13'den Dec.
1599, pas 16 jaar oud, werd hij beëedigd als advocaat bij het hof van
Holland en twee dagen daarna bij den Hoogen raad. [11]
Of Grotius uit liefde voor de balie advocaat was geworden? Het schijnt
van niet. In een levensschets van Meursius spreekt hij zich openlijk
uit. [12]
Hij had zijn tijd liever aan de studie gewijd. Het beroep van advocaat
zou hij niet ongaarne verwisseld hebben tegen een professoraat. [13] Maar
Jan de Groot dacht anders. Hij wilde zijn jongen door de wereld helpen
en met een "litterarisch otium" ging dat niet.
Dat de Groot, niettegenstaande dit alles, een knap advocaat is geweest,
blijkt wel hieruit, dat Prins Maurits hem in 1604 als pleitbezorger koos
in zijn geding met den Bisschop van het sticht Munster over de
heerlijkheden Kloppenburg, Oeite en andere plaatsen, waarvan zich de
Bisschop het bezit had aangematigd.
Brandt [14] verhaalt de volgende anecdote uit zijn advocaten tijd: In een
pleidooi, waar de Groot stond tegenover een bejaard advocaat, zeide deze
hem, te gedenken, dat hij nog jong was en tegen een oud praktizijn
sprak. "Dat weet ik wel," was het snedig antwoord, "maar daarom ben ik
eerst te rade gegaan bij oude praktizijns, die ik in mijn kantoor heb."
In 1607 verliet de Groot het advocaten beroep en begaf zich in
staatsbetrekking als fiscaal van Holland, Zeeland en West-Friesland.
Ook dit ambt beviel hem niet. Wij weten het uit zijn antwoord op
Heinsius' gelukwensch. [15]
Zuchtend, zoo zegt Fruin, liet hij zich weer in 't nieuwe gareel spannen
en zwoegde er in voort, zeven jaren lang, totdat in 1613, na den dood
van Elias van Oldenbarneveld, de stad Rotterdam hem uitnoodigde haar
pensionaris te worden.
Wij mogen hier niet onvermeld laten, dat uit zijn advocatentijd
dagteekent het bekende "Mare liberum" in 1609 te Leiden uitgegeven in 't
belang der O-I. Compagnie.
Intusschen was Grotius in 1609 in den echt getreden met Maria van
Reigersberg, dochter uit een der eerste familiën van Zeeland, in wie,
gelijk Nuyens zegt, hij eene echtgenoote vond, zulk een man waardig; een
vrouw van practischen zin, krachtigen geest en onbezweken moed, die
haren echtgenoot bewonderde, beminde en laten wij het zeggen, wel wat
onder de pantoffel hield. (t.a.p. blz. 133.)
Evenmin als zijn advocaat-en fiscaalschap, kon hem de gewichtige,
eervolle en invloedrijke betrekking van pensionaris voldoen. [16]
Hij schrijft het aan Pontanus, hoogleeraar te Harderwijk. [17]
Onverwacht zou de oplossing komen en Grotius de gelegenheid vinden zich
naar hartelust te wijden aan wetenschap en letteren.
In 1618 werden de hoofden der staatsgezinde partij, Oldenbarneveld, de
Groot en Hoogerbeets, de pensionaris van Leiden, gevangen genomen. Wij
weten de rest en hoe Grotius 18 Mei 1619 veroordeeld werd tot
levenslange gevangenisstraf en verbeurdverklaring van al zijn goederen.
Al heeft Grotius dikwerf geklaagd over weinig tijd in zijn bedrijvig
leven, zijn lettervruchten uit die dagen, (1598-1618), toonen, dat hij
den tijd tot dogmatiseeren toch wist te vinden.
In de gevangenis te Loevestein vond Grotius troost bij zijn boeken. Hij
kon er werken, zooveel hij wilde. Hij deed het inderdaad: men zie
slechts in de voorrede van zijn "Dicta Poëtarum, quae apud Stobaeum
exstant", de breede lijst geschriften, welke hij in den kerker
vervaardigde. Het beroemde "Inleidinge tot de Hollandsche
rechtsgeleerdheijt", eerst later in 1631 uitgegeven, dagteekent
insgelijks uit die dagen.
Grotius verbleef te Loevestein "een jaar ende thien maanden" tot hem de
welberaamde list van zijn vrouw redde.
De trouwe dienstmaagd, Elsje van Houweninghe, bezorgde een
boekenkist [18] "met kostbaren schat" ten huize van juffrouw
Daetselaer [19] in Gorinchem.
Die kostbare schat was Huig de Groot.
Over Waalwijk, waar veel remonstranten waren, vluchtte hij naar
Antwerpen. Na een kort oponthoud bij Nicol. Grevinchovius [20] ging hij
naar Parijs, waar de groote man met goedheid werd ontvangen. [21]
Het gewichtigste feit uit zijn elfjarig verblijf in Frankrijk is wel,
dat hij toen zijn beroemd "de Jure Belli et Pacis" schreef.
In 1631 trachtte Grotius terug te keeren in het vaderland, vertrouwend
op de welwillendheid van Frederik Hendrik, die middelerwijl Maurits was
opgevolgd.
Het viel evenwel anders uit, dan hij verhoopt had. Voor de tweede maal
moest Grotius aan zijn dierbaar vaderland vaarwel zeggen.
Ditmaal ging de reis niet naar Frankrijk; de toegezegde 3000 ponden
waren hem slecht uitbetaald [22], de eigen middelen waren niet groot,
betrekkingen waren hem niet gegund, zoodat het bestaan aldaar niet
rooskleurig was geweest.
Grotius ging naar Hamburg. De groote Wallenstein, Polen en Denemarken,
zelfs de Spaansche koning, door bemiddeling van Eryc. Puteanus, [23]
noodigden hem uit in hun dienst te treden. Op aanzoek van den Zweedschen
rijkskanselier Oxenstjerna ging hij naar Frankfort a/M. en woonde hier
ongeveer vier maanden den Zweedsch-Duitschen bondsdag bij, tot dat hij
de gewichtige betrekking kreeg van gezant der Zweedsche kroon by het
Fransche hof. [24]
Voor de tweede maal ging Grotius, doch nu niet als balling, naar
Parijs. Hij verbleef er bijna elf jaar. In 1645 als een zekere
Duncan [25] hem als helper, inderdaad echter als bespieder werd
toegevoegd, vroeg hij zijn ontslag. Koningin Christina verleende het hem
onder eervolle erkenning zijner verdiensten.
Over Amsterdam, waar hem een glorievolle ontvangst was bereid [26] ging
hij naar Hamburg, Wismar, Colmar en verder naar Stockholm, om zijn zaken
te regelen met koningin Christina.
Grotius bleef niet langer in Zweden dan noodig was, hij wilde naar
Holland terug; hij zou evenwel den vaderlandschen bodem niet meer
terugzien. Op de terugreis leed hij schipbreuk en kwam 26 Aug. 1645
doodziek te Rostock aan. Enkele dagen later stierf Hugo de Groot.
Hij werd begraven in de hoofdkerk van Rostock. De predikanten hadden er
zich tegen verzet, wijl Grotius niet gestorven was in het ware geloof;
de studenten hadden hen echter gedwongen.
Zijn lichaam werd later overgebracht naar Delft, waar zijn familie in
het jaar 1781 voor hem een praalgraf oprichtte. Het door Grotius zelf
vervaardigde grafschrift luidde: Grotius hic Hugo est, Batavus, Captivus
et Exsul Legatus regni, Sueica magna tui.
In 1886 werd hem een standbeeld opgericht op de markt te Delft. Op den
voet staan zonder meer in gouden letters de welsprekende woorden: Hugo
Grotius.
Het standbeeld staat met het gezicht naar het stadhuis, met den rug naar
de weleer roomsche kerk. Op dezen stand zijn verschillende zinspelingen
gemaakt. Grotius komt uit de kerk, zoo zegt men en gaat naar het
stadhuis; anderen willen, dat hij den rug keerde aan de kerk. Het zou de
moeite waard zijn, meer in den breede na te gaan de godsdienstige
gezindheid van onzen Grotius. Men heeft veel gestreden of hij in den
laatsten tijd zijns levens katholiek is geworden of niet. Zijn vriend en
vertrouweling de bekende Petavius S. J. droeg een H. Mis op voor de
zielrust van zijn vriend; dit zij ons genoeg. Of Grotius openlijk is
teruggekeerd tot de oude moederkerk, die hij meer en meer lief kreeg, is
een vraag, die wij in dit werk niet willen behandelen. Men zie hierover
Broere. De gezindheid van H. de Groot voor de Katholieke Kerk. De
Katholiek 1852.--Diest Lorgion, Godgel. tijdschrift 1857. J. v. Gilze.
Gids n.r. XIa 357.--De terugkeer van H. de Groot tot het Kath. Geloof.
Amsterd. 1857.--Krogh-Tonning. Hugo Grotius enz. Bachem. Keulen
1904. [27].
#De Jure Belli ac Pacis.#
_Zijn wording, doel en inhoud. De waardeering, die het vond._
Het is in zijn "de Jure Belli ac Pacis", dat Grotius zijn
rechtstheorieën en de moraal, waarop hij die grondt het meest volkomen
uiteenzet. Daarom verdient dit zijn werk het meest onze belangstelling.
Het is voor de kennis zijner gedachten op 't gebied van
rechts-philosophie, wat een "summa Theologica" is voor de kennis van het
wijsgeerig systeem van St. Thomas.
Het was in 1623 dat Grotius in het rustige landhuis Balagni bij Senlis,
hem door Jacques de Mesmes [28] ter woon afgestaan, zijn boek begon. "Non
otior", zoo schrijft hij aan Peiresc, sed in illo de Jure Gentium opere
pergo, quod si tale futurum est, ut lectores demereri possit, habebit,
quod tibi debeat posteritas, qui me ad hunc laborem, et auxilio et
hortatu tuo, excitasti." [29]
Aan Jacq. Aug. de Thou, wiens boekerij hij gebruikte, [30] schrijft hij
Aug. 1623.--"Si quid agam cupis scire, ... versor in examinandis
controversiis praecipuis, quae ad Jus Gentium pertinent".... [31]
In Juni 1624 is Grotius met Theod. Graswinkel reeds bezig het
handschrift gereed te maken voor den druk. De drukker maakte met het
werk grooten spoed. Op de Paaschmarkt te Francfort in 1625 werd het boek
te koop aangeboden.
Peiresc had Grotius aangezet tot het schrijven van dit werk. Waarom hij
aan diens aansporing gevolg gaf, verklaart hij zelf in zijn
prologommena.
Daarin zegt hij n.l. waarom hij, die "onverdiend gebannen uit zijn land
zich nog verdienstelijk wil maken voor de rechtswetenschap" [32], zijn
"drie boeken van 't recht des Oorloghs en Vredes" gaat schrijven.
Velen, zoo zegt hij, hebben behandeld het burgerlijk of romeinsche
recht; het recht, dat elk land eigen is, doch slechts weinigen het
recht, dat bestaat tusschen de volken onderling of hunne hoofden [33] en
dat zijn grond vindt in de natuur zelf of in Gods Wet, of wel ontstaan
is door gebruiken en stilzwijgende overeenkomsten. Nog niemand heeft dit
recht in zijn geheel en methodisch behandeld, en toch, de menschheid
heeft er belang bij. (prol. 1.) [34]
Cicero noemde deze wetenschap een verhevene; voor Euripides staat zij
boven de kennis der goddelijke en menschelijke dingen. (prol. 2.) De
menschheid heeft er belang bij, omdat er ook nu nog, zoowel als vroeger,
personen gevonden worden, die het bestaan van dit recht ontkennen
(prol. 3.) Men zegt, dat een volk of vorst kan en mag doen al wat in
zijn voordeel is. En deze theorie past men maar al te vaak toe in de
praktijk.
Ik zag in de Christenheid een ongebonden vrijheid van oorlogen, waarvoor
de Barbaarsche volken zich zelfs zouden schamen; dat men om geringe, ja
zelfs zonder redenen naar de wapenen greep.
Had men eenmaal den strijd aangevangen, men bekommerde zich noch om
goddelijk noch om menschelijk recht, "gantschelich als oft door een
Placcaet de rasende dolligheydt ware uytghelaten tot allerhande
schelmstukken". [35]
Wij behoeven hier niets bij te voegen. Is het volkenrecht reeds op zich
zelf een onderwerp, dat het der moeite waard is te bestudeeren; het was
der moeite dubbel waard zulks te doen in dagen van geweld en
rechtsverkrachting.
Er is vaak over getwist, of Grotius al dan niet het plan had uitsluitend
te schrijven over het recht van oorlog en vrede, de kern van het
volkenrecht. [36]
Daar zijn boek feitelijk een volledige verhandeling was over het
natuurrecht, vond de meening grond, dat de titel: "De Jure Belli ac
Pacis" slechts een slimme zet was. Velen, door den naam verlokt, zouden
met belangstelling het boek ter hand nemen, en daarin willens of
onwillens, eene voor hen dringend noodzakelijke moraal vinden. Werd hun
die openlijk aangeboden, menigeen zou het boek minachtend ter zijde
gelegd hebben.
Grotius' oprechtheid is evenwel gemakkelijk te redden, al beantwoordt
de inhoud niet juist aan den titel. Men nemen daarvoor het volgende in
aanmerking: De auteur wil zijn onderwerp zoo grondig mogelijk
behandelen, terwijl hij daarbij van meening is dat het recht, waardoor
de verhouding van volken en vorsten geregeld wordt, geen ander is dan
het recht van hen die leven in een natuurtoestand [37] buiten een
maatschappij in den gewonen zin des woords. [38] Daarom moest hij dieper
ingaan in de menschelijke natuur, en het heele natuurrecht behandelen.
Immers elke handeling in strijd met dat recht kan zijn wettige
oorlogsreden, in geval er geen bijzondere verbintenissen zijn aangegaan,
omtrent de uitoefening van dat recht.
Zooals wij reeds gezegd hebben, is Grotius' boek eene complete
uiteenzetting van het natuurrecht geworden. Als van zelf scharen zich al
de vragen van dat recht om het driedubbele hoofdprobleem, dat in drie
boeken behandeld wordt:
Is de oorlog per se in strijd met het recht m.a.w. is hij immer en
altijd onrecht? Bij een ontkennend antwoord, komt men van zelf tot de
vraag: Zoo de oorlog ooit geoorloofd, is, wanneer is hij zulks? Het
derde probleem is: Wat is in den oorlog geoorloofd?
Het was nutteloos te spreken over het recht of onrecht zijn van iets,
als er geen recht of onrecht was, als er geen zedelijke regel was voor
de menschelijke handelingen, die betrekking hebben op anderen.
Daárin vindt Grotius de gelegenheid het bestaan van het recht te
bewijzen. Hij zal aangeven, wat de mensch in zijne betrekkingen tot den
evenmensch heeft te doen en te laten alsmede de redenen daarvan. [39]
Is het eenmaal vastgesteld dat de mensch niet alles doen kan, wat hij
wil, dat daar is een hooge Vrouwe "Justitia" in drievoudig gewaad, dan
kan Grotius gaan zien, of de oorlog al of niet per se in strijd is met
het recht, met de natuurwet, Gods wet of de menschelijke voorschriften?
(lib. I. c. 1 en 17.)
Wat is oorlog, wat is recht? (c. 1.) De oorlog wordt bepaald als status
per vim certantium [40] (§ 2.)--Wat het recht is en welke de
verschillende beteekenissen zijn, waarin dit woord kan genomen worden,
kan hij afleiden uit hetgeen hij in zijn prolegomena gezegd heeft over
het recht. (§ 3-17). Wetend, wat het recht is, en wat de oorlog, kon hij
gaan zien of de oorlog in strijd is met de wet of het recht. (c. 2. §
1-9).
Uit het bepalen van den oorlog als "status per vim certantium" vloeit
voort, dat men oorlog kan noemen zoowel den strijd tusschen
afzonderlijke personen, als tusschen landen en volken. De oorlog wordt
daarom verdeeld in privaten en publieken oorlog; en oorlog tusschen een
privaat persoon en een publieke macht. (c. 3, §1) Daarmede wordt de
moeielijkheid, of de strijd van afzonderlijke personen nog geoorloofd
is, als zij niet meer tegenover elkander staan in een natuurtoestand,
maar als leden eener maatschappij, als zij hun natuurlijk recht van
noodweer hebben overgedragen aan een ander (§ 2.) De publieke oorlog is
de oorlog, gevoerd tusschen openbare personen, tusschen souvereine
machten. Hierbij dient gesproken te worden over de burgerlijke macht.
Waarin zij bestaat (§ 6). Welke macht souverein is (§ 7). Waar zij is (§
8). Hoe zij bezeten kan worden door iemand. (§ 11) enz. Vervolgens komt
de vraag, of de oorlog van onderdanen tegen hunne overheid geoorloofd
is. (c. 4). Tegen een wettige overheid (§ 1-14). Tegen een overweldiger.
(§ 15-16.)
De "Causae effectivae" van den oorlog zijn het onderwerp van c. 5.
Gelijk in andere daden zoo zijn ook bij de daden van den wil gewoonlijk
drie soorten van werkende oorzaken "principale, helpende en
instrumenteele". De causa principalis is gewoonlijk hij, wien de zaak
aangaat. Wie verdedigend optreedt voor een ander, is een helpende
oorzaak. (§ 2). Dienstknechten en onderdanen kunnen gebruikt worden in
den oorlog, deze zijn instrumenteele oorzaken. (§ 3). Volgens het
natuurrecht is het aan niemand verboden te strijden. (§ 4). Hiermede
sluit het eerste boek.
Het tweede behandelt de wettige oorlogsredenen. Want is de oorlog uit
zijn aard niet kwaad en ongeoorloofd, kan hij rechtvaardig zijn, in
welke gevallen zal hij zulks zijn? Wettige reden tot oorlog nu is een
injuria facta aut non facta. Op de eerste plaats: een geleden onrecht.
Het kan hersteld worden of niet hersteld worden, maar wel gestraft. Op
de tweede plaats: In juria non facta. Hierop heeft betrekking noodweer
en zelfverdediging, deze twee rechten worden nu het eerst besproken.
Wanneer is zelfverdediging geoorloofd (§ 3-7.) Is zelfverdediging
plicht? (§ 8-9). Hoever mag noodweer gaan? (§ 10-14). Is het duel
geoorloofd (§ 15). Wat verder de volken betreft. Is andermans
aangroeiende macht reden tot noodweer. (§ 17). Is hij die zelf oorzaak
was, dat men tegen hem optrok, in zijn goed recht om weerstand te
bieden? (§ 18). De oorlog is geoorloofd om een geleden onrecht te
herstellen of om het te straffen. Dit vooronderstelt, dat men wete,
wanneer er onrecht geleden is en daarvoor diene men nog te weten, wat
het onze is of wat men ons schuldig is?
Het onze is hetgeen wij bezitten. Wij kunnen iets bezitten met anderen,
of alleen m.a.w. de goederen zijn gemeengoed of privaatgoed. Welke
dingen als gemeen goed zijn te beschouwen, wordt nu uitgelegd en
vervolgens welke van deze goederen privaat eigendom kunnen worden (c.
2.) en op welke wijze (c. 3.) Er wordt ook nog onderscheid gemaakt
tusschen een "acquisitio originaria" van zaken (c. 3.) en personen (c.
5.) en een "acquisitio derivata" (c. 6.)
Een "acquisitio derivata" is er, wanneer wij recht verkrijgen over
personen of zaken door middel eener menschelijke daad of door de wet.
De overgave van het souvereiniteitsrecht en de goederen daarbij
behoorend, komen hier ter sprake (c. 6.) Bij een acquisitio derivata
door de wet wordt behandeld het heele erfrecht. (c. 7.)
Is eenmaal voldoende uitgelegd, hoe rechten verkregen worden en overgaan
op anderen, dan moet nog worden nagegaan wanneer eigendomsrecht en
overheidsrecht ophouden, (c. 9.)
Hierna volgt de uiteenzetting van de verplichting, die op anderen
berust, tengevolge van het recht, dat wij hebben op iets. Wat is men ons
verschuldigd? c. X is een tractaat over het restitueeren.
Na de verplichting van anderen tegenover ons als eigenaar van iets,
volgt de verplichting, voortvloeiend uit beloften. Wat zijn beloften?
(c. 11.) Wat is een contract? (c 12.) Welke kracht zet de eed bij aan
beloften? (c. 13.) Iets speciaals komt weer bij dit alles als het
personen betreft, die een souvereine macht bezitten. Hoever zijn dezen
gehouden beloften na te komen. (c. 15.)
Overeenkomsten zijn verder van publieken of privaten aard, daarom dient
de aandacht nog gevestigd te worden op de gevolgen van conventies
tusschen volken of hunne hoofden. Hierbij sluit zich als van zelf een
kapittel aan over de interpretatie, (c. 16.)
Behalve uit geoorloofde daden, n.l. doordat wij iets rechtens bezitten,
of ons iets beloofd is, kunnen de verplichting van anderen tegenover ons
of de rechten van ons tegenover anderen, voortvloeien uit ongeoorloofde
daden, namelijk hierdoor dat een ander door zijn schuld ons een nadeel
toebracht, (c. 17. § 1.) Nadeel is, dat wij minder hebben, dan wij
moesten hebben, dan ons toekomt, hetzij ons iets toebehoort van nature
òf door een verdrag òf door de wet.
De verplichting kan ten laatste nog voortvloeien, niet uit het
natuurrecht, maar uit de positieve wet. (c. 18.) Zoo ontstaat door het
volkenrecht, het ambassadenrecht, de verplichting de dooden te begraven,
(c. 19.)
Een rechtvaardig oorlogsmotief is het herstellen van een geleden
onrecht, maar ook die oorlog is geoorloofd, welke dient om te straffen
voor een aangedaan onrecht, dat niet hersteld kan worden, en daarom
geeft Grotius nu zijn theorieën over het strafrecht, (c. 20. 21.)
Na de redenen, waarom men volgens recht een oorlog mag beginnen,
bespreekt Grotius de redenen, die een oorlog wel niet rechtvaardig
maken, maar hem een schijn van rechtvaardigheid geven. Hij weet goed,
dat men ooit ten strijde gaat zonder zelfs een zweem van recht, maar
hierover zal hij niet uitweiden. Men is dan te vergelijken met wilde
dieren. Zij, die den oorlog beginnen, om er eenig voordeel mee te
behalen, zijn roovers.
Wat men te doen heeft, in geval er twijfel komt, of een daad werkelijk
oorlogsreden is of slechts schijnbaar, wordt aangegeven in c. 23. Dan
volgt nog de vermaning, niet lichtvaardig den krijg aan te vangen ook al
is men in zijn recht. (c 24.)
Een kwestie, met de voorgaande verband houdend, is deze: Hij, die
persoonlijk onrecht leed, is bevoegd geweld te gebruiken; maar geldt dit
ook voor een ander, mag een derde in de bres springen voor den
verongelijkte? Grotius antwoordt bevestigend en voegt er bij, in
hoeverre men daartoe verplicht is. (c. 25.)
Vervolgens wordt nog gevraagd, in hoeverre zij, die afhankelijk zijn van
iemand, op eigen gezag geweld mogen gebruiken?
Het derde boek heeft ten doel aan te geven, wat men zoo al doen mag in
den oorlog. Wat is geoorloofd door het natuurrecht? Hier wordt gehandeld
over de neutraliteit der niet strijdenden, over bedrog en list,
gebruikelijk tusschen oorlogvoerende partijen, alsmede over de leugen en
of zij op zich zelf geoorloofd is. (l.3. c.1.) Een bijzondere
opmerkzaamheid verdient vervolgens de vraag: Wat is toegestaan door het
volkenrecht? De publieke oorlog n.l. is ofwel solemneel of niet
solemneel. Het verschil ligt hierin, dat in den solemneelen is voldaan
aan zekere voorwaarden, gesteld door het volkenrecht, hetwelk ook aan
de strijdvoerende partijen in een solemneelen oorlog bepalingen
voorschrijft. Een dier voorwaarden is, dat aan den solemneelen oorlog
moet voorafgaan een oorlogsverklaring. Wat een oorlogsverklaring is,
wordt uitgelegd en daarna wat het volkenrecht bepaalt omtrent het dooden
van vijanden of het gebruik van ander lichamelijk geweld; omtrent het
verwoesten en plunderen; het recht op veroverde zaken en personen; het
postliminium, (c. 2:9.)
Het feit, dat het volkenrecht deze rechten erkent in een oorlog, die
publiek en solemneel is, ook al is hij onrechtvaardig in geweten, geeft
aanleiding tot de vraag, in hoeverre men gehouden is te restitueeren
voor hetgeen verkregen of misdaan is in een onrechtvaardigen, ofschoon
solemneelen oorlog. Verder, wijl het volkenrecht wel iets gerecht kan
maken, maar niet alles; wijl het soms slechts een onstrafbaarheid
verleent van slecht zijnde en slecht blijvende daden, geeft Grotius aan,
welke maat volgens plicht en geweten in het gebruik dezer rechten is te
houden, zelfs in een rechtvaardigen oorlog, (c. 10 enz.)
In den oorlog kan iets gedaan worden door de strijdende partijen, maar
wijl in den publieken oorlog het heele volk in strijd is, kan er ook
iets gedaan zijn door de afzonderlijke personen in qualitate qua. Wat is
hierover te zeggen. (c. 18.) "Of 't geoorlooft zij particulierlijck den
vijant schade te doen (§ 1.) Wat den genen die op haar eyghen kosten ten
kryghe dienen ... nae de inwendige rechtvaerdigheyt geoorloft zij, ten
aansien der vijanden.(§2.)"
Waartoe zijn zij verplicht, die den vijand, zonder last en bevel, schade
hebben toegebracht? (c. 6.) "Van trouw een gheloove onder den vijanden"
handelt c. 19. Allerhande vijanden is men trouw en geloof schuldig. (§
1.)"
Vandaar komt Grotius op de publieke trouw, de trouw, die noodig is tot
het sluiten van een vredesverdrag, het einde van den oorlog (c. 20,) die
andere verdragen mogelijk maakt, zooals wapenstilstand, terugkoop van
gevangenen enz. (c. 21.) C. 22 behandelt de door lagere overheden
aangegane overeenkomsten; de kracht der door particuliere gemaakte
verbintenissen wordt beschreven in c. 23. Verbintenissen zijn vervolgens
openlijk of, stilzwijgend, c. 24 behandelt deze laatste.
Hierna meent Grotius te kunnen eindigen, maar niet alvorens allen aan te
sporen tot trouw aan het gegeven woord; want onderlinge trouw houdt het
gemeene best en de geheele menschheid omvattende societeit in stand.
Door onderlinge trouw blijft de vrede. De vrede, die ook moet zijn het
doel der strijdenden, willen zij onder het wapengekletter bewaren den
innerlijken vrede des harten en het vertrouwen op God. Hij zegt St.
Augustinus na: "Non pacem quaeri ut bellum exerceatur, sed bellum geri
ut pax acquiratur. c. 25 § 2." Dat God, zegt Grotius, die het alleen
kan, deze woorden schrijve in de harten van hen, die het lot der
christenheid in hun handen houden. "Inscrisbat haec Deus (qui solus hoc
potest) cordibus eorum, quorum res christiana in manu est, et isdem
mentem divini humanique juris intelligentem duit, quaeque semper cogitet
lectam se ministram ad regendos homines, Deo carissimum animal."
Hiermede eindigen de drie boeken de Jure Belli ac pacis.
Al werd Grotius' werk in 1627, door de Katholieke Kerk op den Index
geplaatst [41], dit kon niet verhinderen, dat zijn werk een buitengewone
waardeering ten deel viel. Dat hij was "le législateur du droit naturel
et social" [42] voor de renaissance. De tallooze uitgaven, die zijn boek
mocht beleven en de vele commentaren, die er op geschreven zijn,
bewijzen het.
Wij laten die lijst hier volgen:
Hugenis Grotii de Jure Belli ac Pacis libri tres. Bûon. Paris
1625--Weckel. Francfort 1626. Guil. Blaeu Amsterd. 1631--Amsterd.
1631--J. Janssonium, Amsterd. 1631--Blaeu--1632--1633--1642--Paris
1632.--Joh. et Corn. Blaeu, Amsterd. 1646--H. Laurentii Amsterd.
1647.--Joh. Blaeu, Amsterd. 1650 (4° en 8°)--Joann. Janssonius, Amsterd.
1651--Joh. Blaeu, Amsterd. 1651--1652--Joh. Blaeu, Amsterd.
1660--63--67--70--Cum notis Gronovii, Janssonio--Waesbergios Amsterd.
1680--idem Arn. Leers, Hagae Comitis 1680--idem 1684--idem
Janss.--Waesbergios, Amsterd. 1689.--1663--64 Straatsburg--Jena,
Fleischern 1673--Paris 1675--Budelst 1680--cum notis variorum, edente
Joh. Becmano. Francf. a O 1691--herdruk 1699--cum notis G. v. der Muelen
et Gronovii, van de Water, Utrecht 1696--herdruk 1704--Cum not.
Gronovii, Tesmarii (hoogleeraar v t recht Marburg), Obrechti Francf. a
M. Lunneri 1696--Cum notis variorum et Gothofredis Spinaei. Lugd. Bat.
1696--Cum praef. Joh. Schulteri Straatsburg 1699--idem 1704--Cum notis
Gronovii Janssonio--Waesbergios Amsterd. 1701--Cum notis Gronovii
Amsterd. Officina Westeniana 1712--Cum not. Gronovii Janss.--Waesbergios
Amsterd. 1612--Cum. not. Gronovii et Barbeyrac, Amsterd. Off.
Wetsteniana 1720--idem Janss-Waesb. 1720--1722.--Cum not. Gronovii
Barbeyrac et aliorum. Jans.--Waesb. 1735--idem Fritsch 1735--Cum
observat Joh. Jägero-Tubinque 1710--Cum praef. Chr. Wolfii--Marburgi
Cattorum--Mülerum 1734--Cum not. dict. Herm. Kemmerichii, Jena 1738.
Henrici de Cocceji, Wratislaviae 1744, 46, 47.--Cum notis H. de Cocceji,
Gronovii, Barbeyrac et Samuel de Cocceji Lausannae 1751--Cum not.
Gronovii, Barbeyrac Lipsiae 1758--Cum not Gronovii Barbeyrac editus
Meidardus Tijdeman, Traj. ad Rhen. 1773.--Hollandsche edities Petrus
Pippius, Amsterd. 1626--door H. V. Haerlem Roman 1635--van Seer,
Amsterd. Jac. Colom 1651--Delft 1652--Amsterd. 1657, door B. D. bij Jan
Hendricksz. en W. v. Beaumont, Amsterd. 1689--door Jan v. Gaveren,
Amsterd. Frans v. der Plaats 1705 met aanteekeningen van Gronovius.
Koning Adolf v. Zweden liet de J. B. ac P. vertalen in het Zweedsch--Er
is nog een vertaling in het Deensch.--Een Engelsche Vertaling gaf Will.
Evat 1681--herdrukt 1718.--Een andere verscheen te London 1738.--Nog is
bekend die van 1853 door William Whewell Cambridge, Parkar--Fransche
vertalingen: Le droit de la guerre et de la paix enz. Antoine de Courtin,
Paris, Seneuze 1687--à la Haye Mr. Wolfgang 1688--1703.--Le droit de la
guerre enz. par J. Barbeyrac, Amsterd. Pierre de Coup 1724--1736--Bazel
Thourneisen 1746--Amsterd. 1754--Leiden 1759--Bazel 1768. Le droit de la
guerre enz par M. P. Pradier-Fodéré, Paris, Guillaumin et C'ie 1867.
Hug. Grotii Drey Bucher von Rechte enz. vertaling van Schütz, praef. van
Thomarius. Leipz. 1707. Francf. a M Fischern 1709--prof. Schweizer,
Zurich, 1718--J. H. von Kirchmann Berlijn 1869.--
Commentaren schreven: Ad Struvii--Grotius enucleatus 1660 Jenae--Joh.
Mulleri. Hug. Grotii liber de J. B. et P. in tatulas redaetus. Francf.
1664. J. H. Borcler Hoogl. Geschiedenis Straatsburg. Casp. Ziegler
hoogl. recht Wittenberg 1666--Jan A. Osiander hoogl. godgel. Tubingen
1671.--Henricus Henniges observ. politico-morales 1672-73--J. G. Kulpis,
Collegium Grotianum super jur. b. et p. Francf. 1682--Heineccius,
Praelectiones in Grotium 1744--G. G. Keuffel Exercitationes Grotiana de
j. b ac p. 1762--Joh. Stapf Jus natur. et gent. in duas divisus
tractatus quorum alter H. Gr., J. B. ac P. explicantur: Mogunt.
1735--Joh. Muller De J. B. ac P. Francf. 1664. Thomasius, specimen
tabularum novarum in H. Gr. Lips. 1670. Velthemii. Introd. ad H. Gr.
Janae 1676-77--S. Musaeus H. Gr. ad disputandum propositus 1682--J. H.
Suiceri H. Grotius vom Kriegs. und Friedensrechte, Zurich 1718. Chr.
Waechtleri Lectionum Grotianarum Lips. 1680-82. N. C. Lynkeri, Series
operis Grotianae J. B. ac P. 1688. Joh. Olivekrantzii Tabulae in H. Gr.
1688-90-1706. Joh. Schefferi, H. Gr. de J. B. ac P. enucleatus Stettin
1693. J. S. Hendigeri, Sicilimenta de H. Grotio Rost. 1712. J. B.
Wernher, Annot. Succinctae ad H. Gr. 1721. F. C. von Scheib, Grotius de
J. B. ac P. in nuce 1737. G. M. Horn, observ. jurisgentium et publici
univers. ad H. Grotii 1744. M. Hassius, Conspectus H. Grotii trium de J.
B. et P. librorum 1746--C. F. Schott, Dissert, sistens analysin operis
Grotiani de J. B. et P. Tubingen 1768-1770.--H. Grotius de J. B. et P.
in compendium redactus a J. Scheffero, cum notis, edidit J. G. Wickers,
Groning. 1771. In handschrift bestaan nog: H. Cras Praelect. in Grotium
de J. B. et P.--Vitriarii, dictata in Grotium de J. B. et P.--Ruckeri ad
Grotium. [43]
Met recht, gelijk men ziet, kon Ompteda zeggen:
"Nicht leicht hat sich een gelehrtes Werk so berühmt und allgemein
bekant gemacht, nicht leicht ist dasselbe so vielfältig von neuen
ausgeleget, so vielfältig commentirt, und mit Noten versehen, auch in so
manche Sprache übersetzet worden, wie eben dieses." [44]
Bij zooveel lofs rijst de vraag: Heeft Grotius ook tegenstanders gehad?
Het zou wel wonder zijn, zoo dit niet het geval ware geweest.
Wij willen er slechts enkelen noemen: De annotata van Johannis à
Felde [45] waren tamelijk scherp. De twee de Cocceji, Henricus en
Samuel, [46] hadden veel op-en aanmerkingen, zij waren het positivisme in
de zedenleer toegedaan.
De professoren der Leuvensche "Alma mater," ofschoon Grotius' genie
erkennend, meenden toch, dat zijn "de Jure Belli et Pacis geen onmisbaar
boek was by de studie van het publieke recht. Een zekere Robert durfde
zelfs zijn lessen beginnen, met te bewijzen, dat Grotius' heele systeem
over het "jus naturae sociale" een "figmentum" was. [47]
#Hugo de Groot en het recht.#
_I. Zijne grondstelling._
Wij kennen de ellenden, waaraan Europa, dank de averechtsche beginselen
in recht en politiek, door vorsten en volken gehuldigd, in de 16'de en
in het begin der 17'de eeuw, ter prooi was.
Die valsche beginselen waren geïncarneerd in de zoogenaamde
machiavellistische leer, [48] de leer, dat de hoogste wijsheid der
vorsten en volken was, steeds bedacht te zijn op eigen baat en hiernaar
altijd en vóór alles te streven, met behulp zelfs van leugen en bedrog.
Het was tegen deze leer en, tegen de praktijk, die zich rechtvaardigde
op grond dier beginselen, dat Grotius manmoedig ten strijde trok.
Macht was recht geworden.
Macht was geen recht voor Grotius. Volgens hem mochten vorsten en
volken, en alle redelijke wezens hun eigen voordeel zoeken, maar niet
dan, in zooverre zij in dat zoeken van hun belang, niet misdeden tegen
de rechtvaardigheid. Want de mensch had volgens hem den plicht, zich in
zijn doen en laten te houden aan het recht, aan de zedelijke perken
gesteld, aan zijn kunnen ofwel door zijn natuur, ofwel door God, ofwel
door eigen vrijwillige beschikking, en welke bestonden in hetgeen den
evenmensch toekwam.
Ziedaar de stelling van Grotius. Ziedaar wat hij, die de ongerijmdheid
en valschheid der machiavellistische leer in het licht wilde stellen, op
de eerste plaats te bewijzen had. Want was het een onloochenbaar feit,
dat wij samen leven met anderen, aan ons gelijk, en waren allen het
hierover eens; een ander daarmede verband houdend feit werd juist
geloochend. Het feit n.l. dat die aan ons gelijken iets toekomt, iets
behoort, dat wij hun iets verschuldigd zijn, en wel zoo, dat wij zelven
in onze handelingen rekening moeten houden met hetgeen hun toekomt, dat
wij daartoe zelfs verplicht zijn, m.a.w. dat er recht bestaat.
Daarom was de kern der vraag deze: Waarvandaan komt het, dat aan anderen
iets van nature of door Gods toedoen of door den menschelijken wil,
toebehoort en wel op die wijze toebehoort, dat wij tezelfder tijd
daardoor gebonden worden in onze handelingen, dat het onze plicht wordt,
te eerbiedigen, wat den naaste toekomt?
_II. Het natuurrecht en het stellige recht._
-A. Het natuurrecht-
+De stand der vraag en de grondslagen van het recht.+
Gelijk de meeste zijner tijdgenooten was de Groot een taalkunstenaar en
leverde evenals zij, er ook gaarne de proeven van, zelfs in
wetenschappelijke geschriften.
In meesterlijke taal geeft Grotius in de prologommena van zijn hoofdwerk
aan, hoe men zich moet plaatsen voor het probleem: of er al dan niet een
recht en een deugd van rechtvaardigheid bestaat.
Het mooie latijn is hier echter oorzaak, dat het betoog wel wat duister
wordt, en moeilijk te volgen is.
Om ons te zeggen, op welk standpunt wij ons moeten plaatsen bij de vraag
naar recht en rechtvaardigheid, laat hij Carneades sprekend optreden.
Deze wordt als advocaat benoemd [49] en moet pleiten in naam van hen, die
het recht ontkennen. Carneades' pleidooi nu was het volgende: In hun
eigen belang hebben de menschen onderling verschillende rechtsbepalingen
gemaakt, en zich zelf zekere voorschriften voor hun doen en laten
opgelegd.
Met de verandering van tijden en gebruiken, zijn ook deze veranderd. De
natuur van den mensch geeft echter geen voorschriften aan de
menschelijke handelingen, die betrekking hebben op anderen; van nature
staat de mensch in volle vrijheid tegenover zijns gelijken. De mensch
immers, zoowel als het dier, zoekt uit zijn aard steeds wat voordeelig
en goed is. Er bestond alzoo geen natuurrecht; noch eene daaraan
beantwoordende deugd; en zoo men wilde, dat er wel eene bestond, wat was
die deugd anders dan een groote dwaasheid; het zou immers niet minder
zijn dan zijn eigen welzijn opofferen aan de belangen van anderen.
(prol. 5.)
Horatius, zoo zegt Grotius, was dezen wijsgeer gevolgd. Ook hij zeide:
Nec natura justa potest secernere iniquum." (prol. 6.)
Waarom, zoo vraagt nu op zijne beurt de Groot, ontkennen Carneades en
Horatius, dat er een natuurrecht bestaat? Hierom, omdat zij willen, dat
de mensch van nature zelfzuchtig is. Hij is een egoïst.
Dat zij zich hierin hebben bedrogen, toont de Groot dan verder aan.
Tegelijkertijd ontneemt hij hun den grond van hun beweren, omtrent het
niet bestaan van het natuurrecht.
Voor wij dit verder bespreken, vooraf eene andere vraag: is het ons nu
duidelijk geworden, hoe Grotius zich de kwestie van het bestaan of niet
bestaan van een natuurlijke rechtsorde voorstelt?
Ik meen van wel. Hij stelt zich die vraag voor, als de vraag naar het
zus of zoo zijn van de menschelijke natuur. En waarom? Ook dit leest men
tusschen de regels in. Grotius neemt als uitgangspunt het bekende
beginsel: "naturae conformiter vivere is het goede en geboden leven en
handelen". En in zooverre is hij het dan eens met Carneades en Horatius;
want, dat ook dezen hiervan uitgingen, is duidelijk uit hetgeen Grotius
hen laat zeggen. Het is deze laatste stelling, die de Groot voorop zet,
en die hij, naar zijn meenen, niet behoeft te bewijzen. Wat hij bewijzen
moet en ook doen zal is dit: De mensch is goedig, sociaal van aard, in
het diepste van zijn wezen is hij geen egoïst.
Nu wij weten, hoe Grotius zich plaatst voor het probleem, kunnen wij
gaan zien, welke voor hem de grondslagen van het natuurrecht zijn.
+Van het natuurrecht in engen zin.+
De menschelijke natuur moet ontleed worden, dit deden ook Carneades en
Horatius. Grotius ziet evenwel meer in den mensch, dan zij. De mensch is
volgens hem een zinnelijk wezen, maar dit niet alleen, hij is nog wat
meer. Onder de zinnelijke wezens bekleedt hij een uitgelezen plaats.
Grotius omschrijft den mensch als een "eximium animans, multoque longius
distans a caeteris omnibus, quam caeterorum genera inter se distant, cui
rei testimonium perhibent multae actiones humani generis propriae."
(prol. 6.)
Een der kenmerkende eigenschappen van den mensch is: "de begeerlickheyt
tot geselligheyt, dat is van ghemeynschap": "appetitus societatis, id
est communitatis," en wel tot een samenleving in vrede en eendracht,
geordend volgens de gegevens van het menschelijk verstand; hetgeen de
stoïcijnen, [Grieks: oiKeiosin], gemeenzamen omgang, noemden (prol.
6.) [50]
In het algemeen kan derhalve niet gezegd worden, gelijk Carneades wil,
dat _elk_ zinnelijk wezen baatzuchtig is.
En de mensch niet alleen vormt een uitzondering, zelfs bij sommige
dieren vindt de Groot een socialen aanleg. Er zijn dieren, die zorg
dragen voor de anderen. Zij zijn goed voor hun jongen of voor hun soort.
Maar toegegeven, dat de mensch van nature sociaal is, volgt daaruit en
daaruit alleen, dat de mensch rechtsplichten heeft? Neen. Bij den
socialen aanleg moet nog iets anders komen, n.l. dat de mensch verstand
bezit.
Dit verklaart Grotius als volgt. Het sociale leven der dieren is,
volgens hem, te danken, aan een verstandelijk beginsel buiten hen,
omdat zij zelf geen verstand bezitten. En dit blijkt hieruit, dat zij
niet eenzelfde gedragslijn volgen in alle andere zaken, ook zijn deze op
zich zelf niet moeilijker.
Maar, zoo laat Grotius hier aanstonds op volgen, wat nu den mensch
betreft, die in het volle bezit en gebruik is zijner vermogens, deze
bezit zelf verstand, hij weet immers in gelijke omstandigheden gelijk te
handelen en daarom is hij in staat algemeene beginselen te kennen en
daarnaar te handelen. Daaruit nu volgt, dat de mensch, die in zich een
bijzondere begeerte heeft tot sociaal leven, volgens dien socialen zin
moet leven en in alles zijn doen daarnaar heeft te regelen. Om die
redenen zijn zulke handelingen van den mensch overeenkomstig zijn
natuur, welke in overeenstemming zijn met zijn aanleg tot
gezelligheid. [51]
De "custodia societatis", is alzoo, en wel, in zooverre de mensch
daartoe de middelen kent, de bron van het recht in den strikten zin des
woords, van het recht, dat het "jus sociale" genoemd wordt en waaronder
valt: het eerbiedigen van andermans goed; het teruggeven van hetgeen wij
van een ander hebben of van de winst, die het ons gaf; de verplichting,
van aangegane verbintenissen na te komen; van te restitueeren de door
onze schuld veroorzaakte schaden; het verdienen van straf bij de
menschen, (prol. 8.)
Hiermede was de bewering van Carneades en van hen die zeiden: "Utilitas
justi propre mater et aequi" (Horatius) ontzenuwd. Want het natuurrecht
dankt zijn ontstaan aan de menschelijke natuur zelf, die ons, ook al
hebben wij er geen voordeel bij, naar onderlinge gemeenschap doet
verlangen. (prol. 16.)
Vatten wij voor de duidelijkheid Grotius' gedachten nog eens samen. De
sociale gezindheid, waarvan de mensch blijk geeft, wordt voor den mensch
eene rechtsbron: want, dewijl hij het vermogen in zich draagt in alles
een zelfde gedragslijn te volgen, dewijl hij verstand bezit, kan hij in
alles sociaal zijn, is het hem _natuurlijk_, sociaal te zijn, d.i. zorg
te dragen, dat er gemeenschap blijve met de anderen, en daarom, omdat
hem dit natuurlijk is, omdat dit in zijn vermogen ligt, is het voor hem
ook een plicht.
Wij moeten nog op twee punten de aandacht vestigen. Waardoor bewijst
Grotius de menschelijke geneigdheid tot gezellige samenleving? Zijn
eerste bewijs vindt hij in het spraakvermogen, dat de mensch bezit, het
geëigende middel voor een rustig samenzijn. Dit is in zekeren zin een
aprioristisch argument. Een ander bewijs is voor hem het gezag van bijna
al de wijzen. Zoo o. a. Chrysostomus en Marcus Aurelius. De eerste zegt
(ad Rom. Hom. 31.): Habemus natura homines cum homnibus societatem,
quidni, cum tale quid inter se et ferae habéant? Elders (C. 1 ad Ephes.)
zegt hij, dat wij van nature de beginselen der deugd in ons hebben.
Marcus Aurelius schrijft: Pridem patuit ad societatem nos genitos; en op
eene andere plaats, dat de mensch geboren is, om wel te doen.
Hetzelfde getuigen Nicetas Chonites en Augustinus. (prol. 6 in
nota) [52]