HOOFDSTUK XXXI. LEGENDEN VAN VERSCHILLENDEN AARD.

Kato Sayemon.

Kato Sayemon woonde in het paleis van den Shogun Ashikaga, waar hij

zijn afzonderlijke vertrekken had, en daar er in die dagen geen

oorlog was, leefde hij rustig met zijn vrouw en bijwijven. Kato

Sayemon was een man, die van weelde en gemak hield, en hij beschouwde

huiselijken vrede als de grootste van alle aardsche zegeningen. Hij

was in gemoede overtuigd, dat er onder al zijn lachende, wellevende

vrouwen niets dan harmonie was, en die gedachte maakte voor hem het

leven bijzonder aangenaam.

Op zekeren avond ging Kato Sayemon naar den tuin van het paleis en was

verrukt over de zich voortdurend voortbewegende wolk van glimwormen en

was nauwelijks minder verheugd over het liefelijke gezang van sommige

visschen. "Wat een bekoorlijk tafereel", mompelde Sayemon, "en wat

leven wij in een verrukkelijke wereld! Buigingen en glimlachjes en

slaafsche nederigheid bij mijn vrouwen. O, het is alles wonderschoon

en heerlijk! Ik wilde wel, dat het leven voortdurend zoo bleef."

Nadat hij zoo op de meest zelfvoldane wijze uiting had gegeven aan

zijn gedachten, kwam hij toevallig langs het vertrek van zijn vrouw,

en keek hij met een liefhebbend en welwillend oog naar binnen. Hij

zag, dat zijn vrouw _go_ speelde met één van zijn bijwijven. "Wat een

beleefde welvoegelijkheid," mompelde Sayemon. "Maar wacht even! Wat

is dit voor een vreemde geschiedenis? De haren van mijn vrouw en

die van mijn bijwijf zijn in slangen veranderd, die haar koppen in

woede opheffen en dooreenstrengelen. Voortdurend lachen en buigen die

vrouwen en bewegen zij haar stukken met goed gemanierde bekoorlijkheid

en gratie. Vriendelijke woorden komen van haar lippen, maar de slangen

van haar haren bespotten haar, immers die ineengestrengelde reptielen

spreken van bittere jaloezie in haar hart."

De schoone droom van huiselijk geluk was bij Sayemon voor goed uit. "Ik

zal weggaan", zoo sprak hij, "en een Buddhistisch priester worden. Ik

zal de woedende kwaadaardigheid en den nijd van mijn vrouw en bijwijven

achterlaten en ik zal in het onderwijs van den Gezegenden Buddha den

waren vrede vinden."

Den volgenden ochtend verliet Sayemon heimelijk het paleis, en hoewel

men overal naar hem zocht, kon hij niet worden gevonden. Omstreeks

een week later vereenvoudigde de vrouw van Sayemon de inrichting van

het huisgezin en bleef rustig wonen met haar zoontje, Ishidomaro. Twee

jaren gingen voorbij, zonder dat er tijding kwam van haar echtgenoot.

Eindelijk ging de vrouw van Sayemon met het kind uit, om den verdwenen

man te zoeken. Vijf jaar lang zwierven zij door het land, totdat

zij ten slotte in een dorpje in Kishu kwamen, waar een oude man de

vermoeide en door de reis vreeselijk uitgeputte reizigers mededeelde,

dat Sayemon tegenwoordig priester was, en dat hij een jaar geleden

nog altijd in den tempel van Kongobuji woonde op den Berg Koya.

Den volgenden dag, toen de vrouw en haar kind aan den tempel van

Kongobuji gekomen waren, bleek het, dat geen vrouwen den tempel mochten

binnentreden; daarom beklom Ishidomaro, na met zorg naar de bevelen

van zijn moeder te hebben geluisterd, alleen den berg. Toen de knaap

na een langen steilen tocht den tempel bereikte, zag hij een monnik en

zeide; "troont hier een priester, Kato Sayemon genaamd? Ik ben zijn

zoontje en mijn moeder wacht mij in gindsche vallei. Vijf jaar lang

hebben wij naar hem gezocht, en de liefde, die in onze harten leeft,

zal hem ons zeker doen vinden."

De priester, die niemand anders was dan Sayemon zelf, sprak zijn

zoon aldus aan: "Het spijt mij, dat ik u moet zeggen, dat uw reis

vergeefsch is geweest, want niemand van den naam van Kato Sayemon

woont in dezen tempel."

Sayemon sprak uiterlijk kalm, maar in zijn hart was er strijd tusschen

zijn godsdienst en de liefde voor zijn zoon.

Daar hij echter wist, dat hij zijn vrouw en kind goed verzorgd had

achtergelaten, onderwierp hij zich aan de leerstellingen van Buddha,

en onderdrukte hij zijn vaderlijk gevoel.

Ishidomaro was echter niet voldaan, want instinctmatig voelde hij,

dat de man, die vóór hem stond, in werkelijkheid zijn vader was, en

daarom sprak hij den priester nog eens aldus aan: "Goede priester,

op mijn linker oog is een wrat, en mijn moeder heeft mij verteld,

dat mijn vader op zijn linker oog een dergelijke wrat heeft, waaraan

ik hem onmiddellijk kan herkennen. Gij hebt diezelfde wrat, en in mijn

ziel ben ik overtuigd, dat gij mijn vader zijt." En na die woorden te

hebben gesproken, weende de knaap bitter, terwijl hij verlangde naar

de armen, die zich niet openden om het ongelukkige kind te liefkoozen

en te vertroetelen.

Sayemons gevoelens werden weer op de proef gesteld, maar met een

krachtige poging om zijn aandoening te bedwingen, zeide hij: "Het

kenteeken, waarvan gij spreekt, komt zeer algemeen voor. Ik ben bepaald

uw vader niet, gij zoudt verstandig doen uw tranen te drogen en hem

ergens anders te zoeken." Na die woorden te hebben gesproken, liet

de priester den knaap achter, ten einde een avonddienst te verrichten.

Sayemon bleef in den tempel leven. Hij had in den dienst van Buddha

vrede gevonden, en wat er met zijn vrouw en kind gebeurde, liet

hem koud.

Hoe een oud Man zijn gezwel verloor.

Er was eens een oud man, die een gezwel op zijn rechter wang

had. Dat gezwel, dat hem zeer mismaakte, veroorzaakte hem heel

wat onaangenaamheid, en hij had dan ook veel geld besteed, om er

van verlost te worden. Hij nam verschillende geneesmiddelen in en

gebruikte heel wat waschwatertjes, maar in plaats dat het gezwel

verdween of zelfs kleiner werd, nam het in grootte toe.

Op zekeren avond laat, toen de oude man naar huis terugkeerde,

met brandhout beladen, werd hij door een vreeselijke onweersbui

overvallen en was hij verplicht, een schuilplaats te zoeken in een

hollen boom. Toen de storm was gaan liggen en toen hij juist op

het punt was, zijn reis voort te zetten, was hij verbaasd, toen hij

een vroolijk gejuich in zijn onmiddellijke nabijheid hoorde. Nadat

hij uit zijn schuilplaats naar buiten keek, zag hij tot zijn groote

verbazing een aantal demonen dansen en zingen en drinken. Hun dansen

was zóó vreemdsoortig, dat de oude man alle voorzichtigheid uit het

oog verliezend, begon te lachen, en eindelijk den boom verliet, om

de uitvoering des te beter te kunnen zien. Terwijl hij daar stond

toe te zien, zag hij, dat een der geesten alleen stond te dansen,

en bovendien, dat de aanvoerder van het gezelschap volstrekt niet

ingenomen was met zijn lompe hansworsterijen. Eindelijk sprak de

aanvoerder dier geesten: "Genoeg! Is er dan niemand, die beter kan

dansen dan die kerel?"

Toen de oude man die woorden hoorde, scheen het alsof zijn jeugd

weer terugkeerde, en daar hij in vroeger dagen een volleerd danser

geweest was, bood hij zich aan, om zijn bekwaamheid te toonen. Zoo

danste de oude man dan voor die vreemde verzameling van demonen, die

hem met zijn uitvoering gelukwenschten, hem een kop saké aanboden,

en verzochten, dat hij hun het genoegen zou doen, nog een aantal

andere dansen te vertoonen.

De oude man was bijzonder verheugd over de wijze, waarop hij was

ontvangen, en toen de aanvoerder der geesten hem verzocht den volgenden

nacht nog eens weer voor hem te dansen, stemde hij daar bereidwillig

in toe. "Dat is goed", zeide de aanvoerder, "maar gij moet een pand

achterlaten. Ik zie, dat gij een gezwel op uw rechter wang hebt,

en dat is een uitnemend pand. Laat mij het van u wegnemen." Zonder

eenige pijn te veroorzaken, verwijderde het hoofd der troep het gezwel,

en na dat buitengewone kunststuk te hebben verricht, verdwenen hij

en zijn makkers plotseling.

Toen de oude man naar zijn huis terugkeerde, voelde hij telkens met

zijn hand naar zijn rechter wang, en kon zich nauwelijks voorstellen,

dat hij ten slotte, na jaren lang mismaakt te zijn geweest,

zoo gelukkig was, van zijn lastig en onooglijk gezwel bevrijd te

zijn. Eindelijk trad hij zijn nederige woning binnen, en zijn oude

vrouw was niet minder gelukkig met wat er gebeurd was.

Een booze en norsche oude man woonde vlak naast dit oude

paar. Jarenlang had hij een gezwel op zijn linker wang gehad, dat

voor geen enkele geneeskundige behandeling had willen wijken. Toen hij

van het fortuintje van zijn buurman hoorde, ging hij naar hem toe en

luisterde naar diens vreemde avonturen bij de geesten. De goede oude

man deelde zijn buurman mede, waar hij den hollen boom kon vinden,

en raadde hem aan, zich daar vóór zonsondergang in te verbergen.

De booze oude man vond den hollen boom en ging daar binnen in. Hij

was daar nauwelijks langer dan enkele minuten in verborgen geweest,

toen hij met vreugde de geesten zag verschijnen. Dadelijk zeide één

van het gezelschap: "Het duurt lang, eer de oude man komt. Ik was er

anders van overtuigd geweest, dat hij zijn belofte zou houden."

Bij die woorden kroop de oude man uit zijn schuilplaats, bewoog zijn

waaier op en neer en begon te dansen, maar, ongelukkig, kon hij

volstrekt niet dansen, en zijn gekke bokkesprongen wekten dan ook

de ontevredenheid der geesten ten zeerste op. "Gij danst vreeselijk

slecht", zeide één van den troep, "en hoe eer gij ophoudt, hoe liever

het ons zal zijn; maar voordat gij vertrekt, zullen wij u het pand

teruggeven, dat gij gisteren avond bij ons hebt achtergelaten." Na die

woorden te hebben gesproken, wierp de geest het gezwel naar den rechter

wang van den ouden man, waar het dadelijk stevig bleef vastzitten,

en niet meer kon worden verwijderd. Zoo ging de slechte oude man,

die de demonen had trachten te bedriegen, weg, met een gezwel op

iederen kant van zijn gelaat.

Mythen & Legenden van Japan · 第 49 / 53 题