Kato Sayemon.
Kato Sayemon woonde in het paleis van den Shogun Ashikaga, waar hij
zijn afzonderlijke vertrekken had, en daar er in die dagen geen
oorlog was, leefde hij rustig met zijn vrouw en bijwijven. Kato
Sayemon was een man, die van weelde en gemak hield, en hij beschouwde
huiselijken vrede als de grootste van alle aardsche zegeningen. Hij
was in gemoede overtuigd, dat er onder al zijn lachende, wellevende
vrouwen niets dan harmonie was, en die gedachte maakte voor hem het
leven bijzonder aangenaam.
Op zekeren avond ging Kato Sayemon naar den tuin van het paleis en was
verrukt over de zich voortdurend voortbewegende wolk van glimwormen en
was nauwelijks minder verheugd over het liefelijke gezang van sommige
visschen. "Wat een bekoorlijk tafereel", mompelde Sayemon, "en wat
leven wij in een verrukkelijke wereld! Buigingen en glimlachjes en
slaafsche nederigheid bij mijn vrouwen. O, het is alles wonderschoon
en heerlijk! Ik wilde wel, dat het leven voortdurend zoo bleef."
Nadat hij zoo op de meest zelfvoldane wijze uiting had gegeven aan
zijn gedachten, kwam hij toevallig langs het vertrek van zijn vrouw,
en keek hij met een liefhebbend en welwillend oog naar binnen. Hij
zag, dat zijn vrouw _go_ speelde met één van zijn bijwijven. "Wat een
beleefde welvoegelijkheid," mompelde Sayemon. "Maar wacht even! Wat
is dit voor een vreemde geschiedenis? De haren van mijn vrouw en
die van mijn bijwijf zijn in slangen veranderd, die haar koppen in
woede opheffen en dooreenstrengelen. Voortdurend lachen en buigen die
vrouwen en bewegen zij haar stukken met goed gemanierde bekoorlijkheid
en gratie. Vriendelijke woorden komen van haar lippen, maar de slangen
van haar haren bespotten haar, immers die ineengestrengelde reptielen
spreken van bittere jaloezie in haar hart."
De schoone droom van huiselijk geluk was bij Sayemon voor goed uit. "Ik
zal weggaan", zoo sprak hij, "en een Buddhistisch priester worden. Ik
zal de woedende kwaadaardigheid en den nijd van mijn vrouw en bijwijven
achterlaten en ik zal in het onderwijs van den Gezegenden Buddha den
waren vrede vinden."
Den volgenden ochtend verliet Sayemon heimelijk het paleis, en hoewel
men overal naar hem zocht, kon hij niet worden gevonden. Omstreeks
een week later vereenvoudigde de vrouw van Sayemon de inrichting van
het huisgezin en bleef rustig wonen met haar zoontje, Ishidomaro. Twee
jaren gingen voorbij, zonder dat er tijding kwam van haar echtgenoot.
Eindelijk ging de vrouw van Sayemon met het kind uit, om den verdwenen
man te zoeken. Vijf jaar lang zwierven zij door het land, totdat
zij ten slotte in een dorpje in Kishu kwamen, waar een oude man de
vermoeide en door de reis vreeselijk uitgeputte reizigers mededeelde,
dat Sayemon tegenwoordig priester was, en dat hij een jaar geleden
nog altijd in den tempel van Kongobuji woonde op den Berg Koya.
Den volgenden dag, toen de vrouw en haar kind aan den tempel van
Kongobuji gekomen waren, bleek het, dat geen vrouwen den tempel mochten
binnentreden; daarom beklom Ishidomaro, na met zorg naar de bevelen
van zijn moeder te hebben geluisterd, alleen den berg. Toen de knaap
na een langen steilen tocht den tempel bereikte, zag hij een monnik en
zeide; "troont hier een priester, Kato Sayemon genaamd? Ik ben zijn
zoontje en mijn moeder wacht mij in gindsche vallei. Vijf jaar lang
hebben wij naar hem gezocht, en de liefde, die in onze harten leeft,
zal hem ons zeker doen vinden."
De priester, die niemand anders was dan Sayemon zelf, sprak zijn
zoon aldus aan: "Het spijt mij, dat ik u moet zeggen, dat uw reis
vergeefsch is geweest, want niemand van den naam van Kato Sayemon
woont in dezen tempel."
Sayemon sprak uiterlijk kalm, maar in zijn hart was er strijd tusschen
zijn godsdienst en de liefde voor zijn zoon.
Daar hij echter wist, dat hij zijn vrouw en kind goed verzorgd had
achtergelaten, onderwierp hij zich aan de leerstellingen van Buddha,
en onderdrukte hij zijn vaderlijk gevoel.
Ishidomaro was echter niet voldaan, want instinctmatig voelde hij,
dat de man, die vóór hem stond, in werkelijkheid zijn vader was, en
daarom sprak hij den priester nog eens aldus aan: "Goede priester,
op mijn linker oog is een wrat, en mijn moeder heeft mij verteld,
dat mijn vader op zijn linker oog een dergelijke wrat heeft, waaraan
ik hem onmiddellijk kan herkennen. Gij hebt diezelfde wrat, en in mijn
ziel ben ik overtuigd, dat gij mijn vader zijt." En na die woorden te
hebben gesproken, weende de knaap bitter, terwijl hij verlangde naar
de armen, die zich niet openden om het ongelukkige kind te liefkoozen
en te vertroetelen.
Sayemons gevoelens werden weer op de proef gesteld, maar met een
krachtige poging om zijn aandoening te bedwingen, zeide hij: "Het
kenteeken, waarvan gij spreekt, komt zeer algemeen voor. Ik ben bepaald
uw vader niet, gij zoudt verstandig doen uw tranen te drogen en hem
ergens anders te zoeken." Na die woorden te hebben gesproken, liet
de priester den knaap achter, ten einde een avonddienst te verrichten.
Sayemon bleef in den tempel leven. Hij had in den dienst van Buddha
vrede gevonden, en wat er met zijn vrouw en kind gebeurde, liet
hem koud.
Hoe een oud Man zijn gezwel verloor.
Er was eens een oud man, die een gezwel op zijn rechter wang
had. Dat gezwel, dat hem zeer mismaakte, veroorzaakte hem heel
wat onaangenaamheid, en hij had dan ook veel geld besteed, om er
van verlost te worden. Hij nam verschillende geneesmiddelen in en
gebruikte heel wat waschwatertjes, maar in plaats dat het gezwel
verdween of zelfs kleiner werd, nam het in grootte toe.
Op zekeren avond laat, toen de oude man naar huis terugkeerde,
met brandhout beladen, werd hij door een vreeselijke onweersbui
overvallen en was hij verplicht, een schuilplaats te zoeken in een
hollen boom. Toen de storm was gaan liggen en toen hij juist op
het punt was, zijn reis voort te zetten, was hij verbaasd, toen hij
een vroolijk gejuich in zijn onmiddellijke nabijheid hoorde. Nadat
hij uit zijn schuilplaats naar buiten keek, zag hij tot zijn groote
verbazing een aantal demonen dansen en zingen en drinken. Hun dansen
was zóó vreemdsoortig, dat de oude man alle voorzichtigheid uit het
oog verliezend, begon te lachen, en eindelijk den boom verliet, om
de uitvoering des te beter te kunnen zien. Terwijl hij daar stond
toe te zien, zag hij, dat een der geesten alleen stond te dansen,
en bovendien, dat de aanvoerder van het gezelschap volstrekt niet
ingenomen was met zijn lompe hansworsterijen. Eindelijk sprak de
aanvoerder dier geesten: "Genoeg! Is er dan niemand, die beter kan
dansen dan die kerel?"
Toen de oude man die woorden hoorde, scheen het alsof zijn jeugd
weer terugkeerde, en daar hij in vroeger dagen een volleerd danser
geweest was, bood hij zich aan, om zijn bekwaamheid te toonen. Zoo
danste de oude man dan voor die vreemde verzameling van demonen, die
hem met zijn uitvoering gelukwenschten, hem een kop saké aanboden,
en verzochten, dat hij hun het genoegen zou doen, nog een aantal
andere dansen te vertoonen.
De oude man was bijzonder verheugd over de wijze, waarop hij was
ontvangen, en toen de aanvoerder der geesten hem verzocht den volgenden
nacht nog eens weer voor hem te dansen, stemde hij daar bereidwillig
in toe. "Dat is goed", zeide de aanvoerder, "maar gij moet een pand
achterlaten. Ik zie, dat gij een gezwel op uw rechter wang hebt,
en dat is een uitnemend pand. Laat mij het van u wegnemen." Zonder
eenige pijn te veroorzaken, verwijderde het hoofd der troep het gezwel,
en na dat buitengewone kunststuk te hebben verricht, verdwenen hij
en zijn makkers plotseling.
Toen de oude man naar zijn huis terugkeerde, voelde hij telkens met
zijn hand naar zijn rechter wang, en kon zich nauwelijks voorstellen,
dat hij ten slotte, na jaren lang mismaakt te zijn geweest,
zoo gelukkig was, van zijn lastig en onooglijk gezwel bevrijd te
zijn. Eindelijk trad hij zijn nederige woning binnen, en zijn oude
vrouw was niet minder gelukkig met wat er gebeurd was.
Een booze en norsche oude man woonde vlak naast dit oude
paar. Jarenlang had hij een gezwel op zijn linker wang gehad, dat
voor geen enkele geneeskundige behandeling had willen wijken. Toen hij
van het fortuintje van zijn buurman hoorde, ging hij naar hem toe en
luisterde naar diens vreemde avonturen bij de geesten. De goede oude
man deelde zijn buurman mede, waar hij den hollen boom kon vinden,
en raadde hem aan, zich daar vóór zonsondergang in te verbergen.
De booze oude man vond den hollen boom en ging daar binnen in. Hij
was daar nauwelijks langer dan enkele minuten in verborgen geweest,
toen hij met vreugde de geesten zag verschijnen. Dadelijk zeide één
van het gezelschap: "Het duurt lang, eer de oude man komt. Ik was er
anders van overtuigd geweest, dat hij zijn belofte zou houden."
Bij die woorden kroop de oude man uit zijn schuilplaats, bewoog zijn
waaier op en neer en begon te dansen, maar, ongelukkig, kon hij
volstrekt niet dansen, en zijn gekke bokkesprongen wekten dan ook
de ontevredenheid der geesten ten zeerste op. "Gij danst vreeselijk
slecht", zeide één van den troep, "en hoe eer gij ophoudt, hoe liever
het ons zal zijn; maar voordat gij vertrekt, zullen wij u het pand
teruggeven, dat gij gisteren avond bij ons hebt achtergelaten." Na die
woorden te hebben gesproken, wierp de geest het gezwel naar den rechter
wang van den ouden man, waar het dadelijk stevig bleef vastzitten,
en niet meer kon worden verwijderd. Zoo ging de slechte oude man,
die de demonen had trachten te bedriegen, weg, met een gezwel op
iederen kant van zijn gelaat.