De witte Saké van den Shojo. [83]

De _Shojo_ is een zeemonster met vuurrood haar, en die bijzonder

gaarne groote hoeveelheden heilige witte saké drinkt. De volgende

legende zal ons een denkbeeld geven van dat schepsel en van den aard

van zijn geliefkoosden drank.

Wij hebben reeds melding gemaakt van de wonderbaarlijke verschijning

van den Fuji. [84] Op den dag, waarop dit wonder had plaats gegrepen,

werd een arm man, Yurine genaamd, die in de nabijheid woonde,

gevaarlijk ziek, en toen hij voelde, dat zijn dagen geteld waren,

wenschte hij vóór zijn dood nog een kop _saké_ te drinken. Maar in de

kleine hut was geen rijstwijn, en zijn jongen, Koyuri, die zoo mogelijk

den laatsten wensch van zijn vader wilde vervullen, liep langs het

strand met een flesch in zijn hand. Hij was nog niet ver van huis,

toen hij hoorde, dat iemand hem bij zijn naam riep. Toen hij rondzag,

ontdekte hij twee wezens, vreemd van uiterlijk, met lang rood haar

en een huid, die de kleur had van rooden kersenbloesem, terwijl zij

gordels van groen zeegras om de lendenen droegen. Toen hij naderbij

kwam, bemerkte hij, dat die wezens witte _saké_ dronken uit breede

platte kommen, die zij voortdurend uit een groote steenen kruik vulden.

"Mijn vader is stervende," zeide de knaap, "en hij zou vóór zijn

dood nog zoo gaarne een kop _saké_ willen drinken. Maar helaas! wij

zijn arm, en ik weet niet, hoe ik dien laatsten wensch van hem kan

vervullen."

"Ik zal uw flesch met deze witte _saké_ vullen," zoo sprak één der

beide schepsels, en toen hij dit gedaan had, ijlde Koyuri naar zijn

vader terug.

De oude man dronk gretig de witte _saké_. "Breng mij nog wat, want

dit is geen gewone wijn. De drank heeft mij kracht geschonken, en

reeds nu voel ik nieuw leven door mijn oude aderen stroomen."

Koyuri keerde dus naar het strand der zee terug, en de roodharige

wezens gaven hem gaarne nog meer van hun wijn, ja zelfs gaven zij

hem voldoende _saké_ voor vijf dagen, en toen die tijd verloopen was,

was Yurine weer geheel hersteld.

Yurine had echter een buurman, Mamikiko genaamd; toen deze hoorde,

dat Yurine onlangs een flinke hoeveelheid _saké_ had gekregen, werd hij

jaloersch, want hij hield zeer veel van een kop rijstwijn. Eens bezocht

hij Koyuri en ondervroeg hem naar aanleiding van die zaak, terwijl

hij zeide: "Laat mij de _saké_ proeven." Met ruwe hand ontrukte hij

den knaap de flesch, en begon te drinken, doch trok dadelijk bij het

drinken een vies gezicht. "Dit is geen _saké_", riep hij woedend uit:

"het is vuil water," en na die woorden te hebben gesproken, begon hij

den jongen te slaan, terwijl hij uitriep: "Breng mij naar dat roode

volk, waarvan ge mij verteld hebt. Ik wil van hen goede _saké_ hebben,

en laat het pak slaag, dat ik je gegeven heb, een waarschuwing voor

je zijn, om mij nooit meer voor den gek te houden."

Koyuri en Manikiko gingen samen langs het strand, en kwamen spoedig

op de plaats, waar de roodharige wezens bezig waren te drinken. Toen

Koyuri hen zag, begon hij te weenen.

"Waarom huilt gij?" sprak één der beide wezens. "Uw vader heeft toch

niet reeds al de _saké_ opgedronken?"

"Neen", antwoordde de knaap, "maar mij heeft een ongeluk getroffen. De

man, dien ik heb meegebracht, Mamikiko genaamd, dronk wat van

de _saké_, spuwde het onmiddellijk uit, en wierp het overige weg,

terwijl hij zeide, dat ik hem voor den gek hield en hem vuil water

te drinken had gegeven. Wees zoo goed, mij nog wat _saké_ voor mijn

vader mede te geven."

De roodharige man vulde de flesch, en verkneuterde zich in de

onaangename ervaring, die Mamikiko had opgedaan.

"Ik zou ook wel een kop _saké_ willen hebben", zeide Mamikiko. "Wilt

gij mij ook wat laten nemen?"

Nadat hem daartoe verlof was gegeven, vulde Mamikiko den grootsten kop

dien hij kon vinden, terwijl hij genoot van den heerlijken geur. Maar

nauwelijks had hij de _saké_ geproefd, of hij werd misselijk en maakte

het wezen een vreeselijk standje.

De roode man antwoordde toen: "Gij weet zeker niet, dat ik een _Shojo_

ben, en dat ik woon naast het paleis van den Zeedraak. Toen ik hoorde

van de plotselinge verschijning van den Fuji, kwam ik hier om den berg

te zien, er van overtuigd, dat een zoodanige gebeurtenis een goed

voorteeken was en een voorspelling van den voorspoed en het eeuwig

bestaan van Japan. Toen ik genoot van de schoonheid van dien prachtigen

berg, ontmoette ik Koyuri en had het geluk het leven van zijn braven

vader te redden door hem wat te geven van onze heilige witte _saké_,

die de jeugd aan menschelijke wezens teruggeeft en hun een langer

leven schenkt, terwijl zij den _Shojo_ onsterfelijkheid schenkt. De

vader van Koyuri is een braaf man, en de _saké_ was dus in staat haar

volle weldadige werking op hem uit te oefenen; maar gij zijt gierig

en zelfzuchtig, en voor al dergelijke menschen is _saké_ vergif.

"_Vergif?_" kermde Mamikiko, die nu dood ongelukkig was. "Goede

_Shojo_, heb medelijden met mij en red mijn leven!"

De _Shojo_ gaf hem een poeder en zeide: "Neem dit in _saké_ in,

en heb berouw over uw slechtheid."

Mamikiko deed wat hem bevolen was, en vond de _saké_ nu

verrukkelijk. Hij liet geen tijd verloren gaan met vriendschap te

sluiten met Yurine, en eenige jaren later vestigden zij zich aan de

zuidelijke helling van den Fuji, brouwden de witte _saké_ van den

_Shojo,_ en leefden nog driehonderd jaar.

De Draak.

De Draak is ongetwijfeld het beroemdste der mythische dieren, maar

hoewel hij van Chineeschen oorsprong is, is hij langzamerhand nauw

verbonden met de Japansche mythologie. Het wezen leeft grootendeels in

een oceaan, rivier of meer, maar het heeft ook het vermogen te vliegen,

en heerscht over wolken en stormen. De Draak van China en die van

Japan gelijken op elkander, met dit verschil, dat de Japansche Draak

drie klauwen, en die van het hemelsche Rijk vijf klauwen heeft. Men

beweert, dat de Chineesche Keizer Yao de zoon van een draak was, en

zeer veel heerschers van dat rijk werden in overdrachtelijken zin

"van een drakengezicht voorzien" genoemd. De Draak heeft den kop

van een kameel, het gewei van een hert, de ooren van een haas, de

schubben van een karper, de pooten van een tijger, en klauwen, die

op die van een arend gelijken. Bovendien heeft hij bakkebaarden, een

schitterenden juweel onder zijn kin, en een toestel boven op den kop,

dat hem in staat stelt naar willekeur naar den Hemel op te stijgen. Dit

is slechts een algemeene beschrijving en is niet toepasselijk op

alle draken; sommige draken toch hebben zóó merkwaardige koppen,

dat zij niet kunnen worden vergeleken met iets, dat in het dierenrijk

gevonden wordt. De adem van den draak verandert in wolken, waaruit òf

regen òf vuur te voorschijn komt. Hij kan zijn lichaam uitzetten of

inkrimpen, en kan verschillende gedaanteverwisselingen ondergaan en

zich onzichtbaar maken. Zoowel in de Chineesche als in de Japansche

mythologie staat het water in nauw verband met den draak, zooals wij

reeds gezien hebben in de geschiedenis van Urashima, Keizerin Jingo

en de avonturen van Hoori.

De Draak (_Tatsu_) is één der teekens van den Dierenriem, en de vier

zeeën, die volgens de oud-Chineesche opvatting de bewoonbare aarde

begrensden, werden geregeerd door vier Drakenkoningen. De Hemelsche

Draak heerschte over de verblijfplaatsen der Goden, de Onstoffelijke

Draak heerschte over den regen, de Aarddraak wees de rivieren haar

loop aan, en de Draak der Verborgen Schatten bewaakte de edele metalen

en edelgesteenten.

Een witte Draak, die in een vijver te Yamashiro verblijf hield,

veranderde zich om de vijftig jaar in een vogel, _O-Goncho_ genaamd,

met een stem, die geleek op het huilen van een wolf. Zoo dikwijls die

vogel verscheen, bracht hij een grooten hongersnood met zich mede. Bij

zekere gelegenheid bood de Gele Draak, Fuk Hi, terwijl deze aan de Gele

Rivier stond, hem een rol aan met geheimzinnige letterteekens. Volgens

die legende zou dit de oorsprong zijn van het Chineesche letterschrift.

HOOFDSTUK XXX. DE GEDAANTEVERWISSELING VAN ISSUNBOSHI, EN KINTARO,

DE GOUDEN KNAAP.

Een Gebed tot Keizerin Jingo.

Een oud gehuwd paar ging naar het altaar der tot godheid verheven

Keizerin Jingo [85], en bad, dat zij met een kind gezegend mochten

worden, zelfs al was het niet grooter dan één van hun vingers. Een

stem werd vernomen van achter het bamboegordijn van het altaar, en de

oude lieden kregen de mededeeling, dat hun wensch zou worden verhoord.

Na verloop van tijd bracht de oude vrouw een kind ter wereld, en

toen zij en haar echtgenoot ontdekten, dat dit miniatuurschepseltje

niet grooter was dan een lid van hun vinger, werden zij vreeselijk

boos en dachten, dat Keizerin Jingo hen zeer gemeen had behandeld,

hoewel deze inderdaad hun gebed letterlijk had verhoord.

Een "Één-Duims Priester".

De kleine knaap kreeg den naam van Issunboshi ("Één-Duims Priester"),

en dagelijks verwachtten zijn ouders, dat hij plotseling zou opgroeien

zooals andere jongens; maar op zijn dertiende jaar was hij nog even

klein als bij zijn geboorte. Langzamerhand werden zijn ouders razend,

daar het hun ijdelheid kwetste, als zij hoorden, hoe de buren hun zoon

Duimpje of Graankorrel noemden. Zij hadden er zóóveel verdriet van,

dat zij ten slotte besloten, Issunboshi weg te zenden.

De jongen klaagde volstrekt niet. Hij verzocht zijn moeder, hem een

naald, een soepkommetje en een eetstokje te geven, en met die zaken

ging hij op avontuur uit.

Issunboshi wordt page.

Zijn soepkommetje diende hem als boot, die hij met zijn eetstokje

voortstuurde langs de rivier. Op die wijze bereikte hij eindelijk

Kyoto. Issunboshi zwierf door die stad, totdat hij een groote overdekte

poort zag. Zonder de geringste aarzeling liep hij naar binnen, en

na den ingang van een huis te hebben bereikt, riep hij met een zwak

stemmetje: "Ik zou gaarne beleefd inlichtingen willen ontvangen."

Prins Sanjo hoorde zelf het stemmetje, en het duurde eenigen tijd,

eer hij kon ontdekken, waar het geluid van daan kwam. Zoodra dit het

geval was, was hij zeer verheugd met zijn ontdekking, en toen de kleine

man vroeg, of hij in het huis van den Prins mocht wonen, werd zijn

verzoek gaarne ingewilligd. De knaap werd spoedig ieders lieveling

en werd aangesteld als page van Prinses Sanjo. In die hoedanigheid

vergezelde hij zijn meesteres overal, en hoe klein hij ook was, hij

wist de eer en de waardigheid van zijn positie naar waarde te schatten.

Een ontmoeting met Oni.

Eens gingen Prinses Sanjo en haar page naar den Tempel van Kwannon, de

Godin der Barmhartigheid, "onder wier voeten draken van de elementen

en de lotussen der Reinheid geplaatst zijn." Toen zij den tempel

verlieten, sprongen twee _oni_ (booze geesten) op hen af. Issunboshi

nam zijn naald-zwaard uit het holle strootje, waarin het geplaatst

was, en na zoo luid mogelijk de _oni_ te hebben bedreigd, zwaaide

hij zijn kleine wapen voor hun leelijk gelaat heen en weer.

Één dier wezens lachte. "Wel", zoo sprak hij minachtend, "ik zou je

kunnen opslokken, zooals een vischdief een forel opslokt, en wat nog

meer zegt, mijn grappige kleine zaadkorrel, ik zal het werkelijk doen."

De _oni_ opende zijn mond, en Issunboshi gleed door een ontzaglijk

keelgat, totdat hij eindelijk was afgezakt in de groote donkere maag

van het schepsel. Issunboshi, volstrekt niet uit het veld geslagen,

begon met zijn zwaard in de maag te boren. De booze geest schreeuwde

het uit van de pijn en hoestte verschrikkelijk, waardoor de kleine

man weer in de zonnige wereld terugkeerde.

De tweede _oni_, die den nood van zijn makker had bijgewoond, was

vreeselijk boos, en trachtte ook den merkwaardigen kleinen page op

te slokken, maar dat lukte hem niet. Dezen keer klom Issunboshi in

één der neusgaten van het schepsel, en toen hij het einde had bereikt

van wat hem een groote en donkere tunnel toescheen, begon hij door de

oogen van den _oni_ heen te boren. Het schepsel liep woedend van pijn,

zoo hard hij loopen kon, weg, gevolgd door zijn gillenden makker.

Wij behoeven nauwelijks te zeggen, hoe verheugd de Prinses was

over de dapperheid van haar page, en het is niet te verwonderen,

dat zij hem zeide, er van overtuigd te zijn, dat haar vader hem zou

beloonen, zoodra hij de tijding van de vreeselijke ontmoeting zou

hebben vernomen.

De Tooverhamer.

Op weg naar huis nam de Prinses toevallig een houten hamertje

op. "O!" zeide zij, "dit moet één der booze _oni_ hebben laten vallen,

en het is ongetwijfeld een geluk brengende hamer. Gij hebt slechts

een wensch uit te spreken, en daarna met den hamer op den grond te

slaan, en welken wensch gij ook uitspreekt, die wensch wordt steeds

verhoord. Mijn dappere Issunboshi, zeg mij, wat gij het liefst zoudt

willen, en ik zal met den hamer op den grond slaan."

Na een oogenblik nadenken zeide de kleine man: "Edele Prinses, ik

zou wel zoo groot willen zijn als de andere menschen."

De Prinses sloeg met den hamer op den grond, terwijl zij den wensch

van haar page luide herhaalde. In een oogenblik tijd was Issunboshi

van een aardig dwergje veranderd in een knaap van dezelfde gestalte

als andere jongens van zijn leeftijd.

Die wonderbaarlijke gebeurtenissen wekten de belangstelling op van den

Keizer, en Issunboshi werd ontboden om vóór hem te verschijnen. De

Keizer was zóó ingenomen met den knaap, dat hij hem een aantal

geschenken gaf en hem een hoog staatsambt opdroeg. Na verloop van

tijd werd Issunboshi een aanzienlijk edelman en huwde hij met de

jongste dochter van Prins Sanjo.

Kintaro, de Gouden Knaap.

Sakata Kurando was officier van de lijfwacht des Keizers, en hoewel

hij een dapper man was, ten zeerste bekwaam in de krijgskunst, had

hij een bijzonder vriendelijk karakter; hij nu werd tijdens zijn

militaire loopbaan verliefd op een schoone dame, Yaégiri genaamd. Na

eenigen tijd viel Kurando in ongenade en was hij verplicht het Hof

te verlaten en een reizend koopman in tabak te worden. Het gelukte

Yaégiri, die zich de vlucht van haar minnaar zeer aantrok, uit haar

huis te ontvluchten, en zij reisde het land heen en weer, in de hoop

Kurando te ontmoeten. Eindelijk vond zij hem, maar de ongelukkige

man, die ongetwijfeld zijn vernedering diep gevoelde en zeer onder

den indruk was van het weinig deftige van zijn beroep, maakte aan

zijn vernedering een einde door zich het ongelukkige leven te benemen.

Dieren als Makkers.

Toen Yaégiri haar minnaar had begraven, ging zij naar den Berg

Ashigara, waar zij het leven schonk aan een kind, Kintaro of

de Gouden Knaap genaamd. Nu had Kintaro een merkwaardig groote

lichaamkracht. Toen hij nog slechts een paar jaar oud was, schonk zijn

moeder hem een bijl, waarmede hij even snel en even gemakkelijk boomen

velde als de meest geoefende houthakker. De Ashigara was een eenzame

troostelooze plek, en daar er geen kinderen waren, met wie Kintaro

kon spelen, koos hij zich de beren, herten, hazen en apen tot makkers,

en in korten tijd was hij in staat hun vreemde taal te spreken.

Toen Kintaro eens op den berg zat met zijn gunstelingen om zich

heen, trachtte hij zijn makkers te overreden om onderling een

vriendschappelijken worstelwedstrijd te houden. Een vriendelijke oude

beer was met dit voorstel ten zeerste ingenomen, en begon onmiddellijk

den grond uit te graven, en de aarde op te hoopen tot een soort

kleinen troonhemel. Toen dit geschied was, worstelden een haas en een

aap samen, terwijl een hert er bij stond om beiden aan te moedigen en

toe te zien, dat de strijd op eerlijke wijze geleverd werd. Het bleek,

dat beide dieren tegen elkander waren opgewassen, en Kintaro beloonde

hen beiden op tactvolle wijze met aanlokkelijke rijstkoeken.

Na op die wijze een heerlijken namiddag te hebben doorgebracht,

nam Kintaro den terugtocht aan, gevolgd door zijn verknochte

vrienden. Eindelijk kwamen zij aan een rivier, doch nu waren de

dieren nieuwsgierig, hoe zij een zoo breede strook water zouden

overtrekken; maar zie, Kintara sloeg zijn krachtige armen om een

boom, die aan den oever groeide, en sloeg dien zóó over de rivier,

dat hij een brug vormde. Toevallig was de beroemde held Yorimitsu met

zijn onderhoorigen getuige van dit bewijs van ongeloofelijke kracht;

het is dus niet te verwonderen, dat hij aan Watanabé Isuna zeide:

"Die knaap is iets heel bijzonders. Tracht uit te vinden waar hij

woont, en zie alles omtrent hem te weten te komen."

Een beroemd Krijgsman.

Watanabé Isuna volgde na dit bevel Kintaro en trad het huis binnen,

waar hij met zijn moeder woonde. "Mijn meester", zoo sprak hij

"de edele Yorimitsu, draagt mij op te trachten te weten te komen,

wie uw zoo bewonderenswaardige zoon eigenlijk is." Toen Yaégiri haar

levensgeschiedenis had verhaald en haar bezoeker had medegedeeld,

dat haar jongen de zoon was van Sakata Kurando, vertrok de dienaar

van Yorimitsu en vertelde zijn meester al wat hij had gehoord.

Yorimitsu was zóózeer ingenomen met wat Watanabé Isuna hem had

verteld, dat hij zelf naar Yaégiri ging en zeide: "Als gij mij uw

jongen afstaat, zal ik hem in mijn dienst nemen." De vrouw stemde

gaarne daarin toe, en de Gouden Knaap ging met den grooten held weg,

die hem den naam gaf van Sakata Kintoki. Hij werd na verloop van tijd

een beroemd krijgsman, en zijn bewonderenswaardige daden zijn nog

altijd een geliefkoosd onderwerp voor verhalen. De kinderen beschouwen

hem als hun geliefkoosden held, en de kleine jongens, die zoo gaarne

de kracht en de dapperheid van Sakata Kintoki zouden willen evenaren,

dragen zijn portret bij zich.

Mythen & Legenden van Japan · 第 48 / 53 题