De _Shojo_ is een zeemonster met vuurrood haar, en die bijzonder
gaarne groote hoeveelheden heilige witte saké drinkt. De volgende
legende zal ons een denkbeeld geven van dat schepsel en van den aard
van zijn geliefkoosden drank.
Wij hebben reeds melding gemaakt van de wonderbaarlijke verschijning
van den Fuji. [84] Op den dag, waarop dit wonder had plaats gegrepen,
werd een arm man, Yurine genaamd, die in de nabijheid woonde,
gevaarlijk ziek, en toen hij voelde, dat zijn dagen geteld waren,
wenschte hij vóór zijn dood nog een kop _saké_ te drinken. Maar in de
kleine hut was geen rijstwijn, en zijn jongen, Koyuri, die zoo mogelijk
den laatsten wensch van zijn vader wilde vervullen, liep langs het
strand met een flesch in zijn hand. Hij was nog niet ver van huis,
toen hij hoorde, dat iemand hem bij zijn naam riep. Toen hij rondzag,
ontdekte hij twee wezens, vreemd van uiterlijk, met lang rood haar
en een huid, die de kleur had van rooden kersenbloesem, terwijl zij
gordels van groen zeegras om de lendenen droegen. Toen hij naderbij
kwam, bemerkte hij, dat die wezens witte _saké_ dronken uit breede
platte kommen, die zij voortdurend uit een groote steenen kruik vulden.
"Mijn vader is stervende," zeide de knaap, "en hij zou vóór zijn
dood nog zoo gaarne een kop _saké_ willen drinken. Maar helaas! wij
zijn arm, en ik weet niet, hoe ik dien laatsten wensch van hem kan
vervullen."
"Ik zal uw flesch met deze witte _saké_ vullen," zoo sprak één der
beide schepsels, en toen hij dit gedaan had, ijlde Koyuri naar zijn
vader terug.
De oude man dronk gretig de witte _saké_. "Breng mij nog wat, want
dit is geen gewone wijn. De drank heeft mij kracht geschonken, en
reeds nu voel ik nieuw leven door mijn oude aderen stroomen."
Koyuri keerde dus naar het strand der zee terug, en de roodharige
wezens gaven hem gaarne nog meer van hun wijn, ja zelfs gaven zij
hem voldoende _saké_ voor vijf dagen, en toen die tijd verloopen was,
was Yurine weer geheel hersteld.
Yurine had echter een buurman, Mamikiko genaamd; toen deze hoorde,
dat Yurine onlangs een flinke hoeveelheid _saké_ had gekregen, werd hij
jaloersch, want hij hield zeer veel van een kop rijstwijn. Eens bezocht
hij Koyuri en ondervroeg hem naar aanleiding van die zaak, terwijl
hij zeide: "Laat mij de _saké_ proeven." Met ruwe hand ontrukte hij
den knaap de flesch, en begon te drinken, doch trok dadelijk bij het
drinken een vies gezicht. "Dit is geen _saké_", riep hij woedend uit:
"het is vuil water," en na die woorden te hebben gesproken, begon hij
den jongen te slaan, terwijl hij uitriep: "Breng mij naar dat roode
volk, waarvan ge mij verteld hebt. Ik wil van hen goede _saké_ hebben,
en laat het pak slaag, dat ik je gegeven heb, een waarschuwing voor
je zijn, om mij nooit meer voor den gek te houden."
Koyuri en Manikiko gingen samen langs het strand, en kwamen spoedig
op de plaats, waar de roodharige wezens bezig waren te drinken. Toen
Koyuri hen zag, begon hij te weenen.
"Waarom huilt gij?" sprak één der beide wezens. "Uw vader heeft toch
niet reeds al de _saké_ opgedronken?"
"Neen", antwoordde de knaap, "maar mij heeft een ongeluk getroffen. De
man, dien ik heb meegebracht, Mamikiko genaamd, dronk wat van
de _saké_, spuwde het onmiddellijk uit, en wierp het overige weg,
terwijl hij zeide, dat ik hem voor den gek hield en hem vuil water
te drinken had gegeven. Wees zoo goed, mij nog wat _saké_ voor mijn
vader mede te geven."
De roodharige man vulde de flesch, en verkneuterde zich in de
onaangename ervaring, die Mamikiko had opgedaan.
"Ik zou ook wel een kop _saké_ willen hebben", zeide Mamikiko. "Wilt
gij mij ook wat laten nemen?"
Nadat hem daartoe verlof was gegeven, vulde Mamikiko den grootsten kop
dien hij kon vinden, terwijl hij genoot van den heerlijken geur. Maar
nauwelijks had hij de _saké_ geproefd, of hij werd misselijk en maakte
het wezen een vreeselijk standje.
De roode man antwoordde toen: "Gij weet zeker niet, dat ik een _Shojo_
ben, en dat ik woon naast het paleis van den Zeedraak. Toen ik hoorde
van de plotselinge verschijning van den Fuji, kwam ik hier om den berg
te zien, er van overtuigd, dat een zoodanige gebeurtenis een goed
voorteeken was en een voorspelling van den voorspoed en het eeuwig
bestaan van Japan. Toen ik genoot van de schoonheid van dien prachtigen
berg, ontmoette ik Koyuri en had het geluk het leven van zijn braven
vader te redden door hem wat te geven van onze heilige witte _saké_,
die de jeugd aan menschelijke wezens teruggeeft en hun een langer
leven schenkt, terwijl zij den _Shojo_ onsterfelijkheid schenkt. De
vader van Koyuri is een braaf man, en de _saké_ was dus in staat haar
volle weldadige werking op hem uit te oefenen; maar gij zijt gierig
en zelfzuchtig, en voor al dergelijke menschen is _saké_ vergif.
"_Vergif?_" kermde Mamikiko, die nu dood ongelukkig was. "Goede
_Shojo_, heb medelijden met mij en red mijn leven!"
De _Shojo_ gaf hem een poeder en zeide: "Neem dit in _saké_ in,
en heb berouw over uw slechtheid."
Mamikiko deed wat hem bevolen was, en vond de _saké_ nu
verrukkelijk. Hij liet geen tijd verloren gaan met vriendschap te
sluiten met Yurine, en eenige jaren later vestigden zij zich aan de
zuidelijke helling van den Fuji, brouwden de witte _saké_ van den
_Shojo,_ en leefden nog driehonderd jaar.
De Draak.
De Draak is ongetwijfeld het beroemdste der mythische dieren, maar
hoewel hij van Chineeschen oorsprong is, is hij langzamerhand nauw
verbonden met de Japansche mythologie. Het wezen leeft grootendeels in
een oceaan, rivier of meer, maar het heeft ook het vermogen te vliegen,
en heerscht over wolken en stormen. De Draak van China en die van
Japan gelijken op elkander, met dit verschil, dat de Japansche Draak
drie klauwen, en die van het hemelsche Rijk vijf klauwen heeft. Men
beweert, dat de Chineesche Keizer Yao de zoon van een draak was, en
zeer veel heerschers van dat rijk werden in overdrachtelijken zin
"van een drakengezicht voorzien" genoemd. De Draak heeft den kop
van een kameel, het gewei van een hert, de ooren van een haas, de
schubben van een karper, de pooten van een tijger, en klauwen, die
op die van een arend gelijken. Bovendien heeft hij bakkebaarden, een
schitterenden juweel onder zijn kin, en een toestel boven op den kop,
dat hem in staat stelt naar willekeur naar den Hemel op te stijgen. Dit
is slechts een algemeene beschrijving en is niet toepasselijk op
alle draken; sommige draken toch hebben zóó merkwaardige koppen,
dat zij niet kunnen worden vergeleken met iets, dat in het dierenrijk
gevonden wordt. De adem van den draak verandert in wolken, waaruit òf
regen òf vuur te voorschijn komt. Hij kan zijn lichaam uitzetten of
inkrimpen, en kan verschillende gedaanteverwisselingen ondergaan en
zich onzichtbaar maken. Zoowel in de Chineesche als in de Japansche
mythologie staat het water in nauw verband met den draak, zooals wij
reeds gezien hebben in de geschiedenis van Urashima, Keizerin Jingo
en de avonturen van Hoori.
De Draak (_Tatsu_) is één der teekens van den Dierenriem, en de vier
zeeën, die volgens de oud-Chineesche opvatting de bewoonbare aarde
begrensden, werden geregeerd door vier Drakenkoningen. De Hemelsche
Draak heerschte over de verblijfplaatsen der Goden, de Onstoffelijke
Draak heerschte over den regen, de Aarddraak wees de rivieren haar
loop aan, en de Draak der Verborgen Schatten bewaakte de edele metalen
en edelgesteenten.
Een witte Draak, die in een vijver te Yamashiro verblijf hield,
veranderde zich om de vijftig jaar in een vogel, _O-Goncho_ genaamd,
met een stem, die geleek op het huilen van een wolf. Zoo dikwijls die
vogel verscheen, bracht hij een grooten hongersnood met zich mede. Bij
zekere gelegenheid bood de Gele Draak, Fuk Hi, terwijl deze aan de Gele
Rivier stond, hem een rol aan met geheimzinnige letterteekens. Volgens
die legende zou dit de oorsprong zijn van het Chineesche letterschrift.
HOOFDSTUK XXX. DE GEDAANTEVERWISSELING VAN ISSUNBOSHI, EN KINTARO,
DE GOUDEN KNAAP.
Een Gebed tot Keizerin Jingo.
Een oud gehuwd paar ging naar het altaar der tot godheid verheven
Keizerin Jingo [85], en bad, dat zij met een kind gezegend mochten
worden, zelfs al was het niet grooter dan één van hun vingers. Een
stem werd vernomen van achter het bamboegordijn van het altaar, en de
oude lieden kregen de mededeeling, dat hun wensch zou worden verhoord.
Na verloop van tijd bracht de oude vrouw een kind ter wereld, en
toen zij en haar echtgenoot ontdekten, dat dit miniatuurschepseltje
niet grooter was dan een lid van hun vinger, werden zij vreeselijk
boos en dachten, dat Keizerin Jingo hen zeer gemeen had behandeld,
hoewel deze inderdaad hun gebed letterlijk had verhoord.
Een "Één-Duims Priester".
De kleine knaap kreeg den naam van Issunboshi ("Één-Duims Priester"),
en dagelijks verwachtten zijn ouders, dat hij plotseling zou opgroeien
zooals andere jongens; maar op zijn dertiende jaar was hij nog even
klein als bij zijn geboorte. Langzamerhand werden zijn ouders razend,
daar het hun ijdelheid kwetste, als zij hoorden, hoe de buren hun zoon
Duimpje of Graankorrel noemden. Zij hadden er zóóveel verdriet van,
dat zij ten slotte besloten, Issunboshi weg te zenden.
De jongen klaagde volstrekt niet. Hij verzocht zijn moeder, hem een
naald, een soepkommetje en een eetstokje te geven, en met die zaken
ging hij op avontuur uit.
Issunboshi wordt page.
Zijn soepkommetje diende hem als boot, die hij met zijn eetstokje
voortstuurde langs de rivier. Op die wijze bereikte hij eindelijk
Kyoto. Issunboshi zwierf door die stad, totdat hij een groote overdekte
poort zag. Zonder de geringste aarzeling liep hij naar binnen, en
na den ingang van een huis te hebben bereikt, riep hij met een zwak
stemmetje: "Ik zou gaarne beleefd inlichtingen willen ontvangen."
Prins Sanjo hoorde zelf het stemmetje, en het duurde eenigen tijd,
eer hij kon ontdekken, waar het geluid van daan kwam. Zoodra dit het
geval was, was hij zeer verheugd met zijn ontdekking, en toen de kleine
man vroeg, of hij in het huis van den Prins mocht wonen, werd zijn
verzoek gaarne ingewilligd. De knaap werd spoedig ieders lieveling
en werd aangesteld als page van Prinses Sanjo. In die hoedanigheid
vergezelde hij zijn meesteres overal, en hoe klein hij ook was, hij
wist de eer en de waardigheid van zijn positie naar waarde te schatten.
Een ontmoeting met Oni.
Eens gingen Prinses Sanjo en haar page naar den Tempel van Kwannon, de
Godin der Barmhartigheid, "onder wier voeten draken van de elementen
en de lotussen der Reinheid geplaatst zijn." Toen zij den tempel
verlieten, sprongen twee _oni_ (booze geesten) op hen af. Issunboshi
nam zijn naald-zwaard uit het holle strootje, waarin het geplaatst
was, en na zoo luid mogelijk de _oni_ te hebben bedreigd, zwaaide
hij zijn kleine wapen voor hun leelijk gelaat heen en weer.
Één dier wezens lachte. "Wel", zoo sprak hij minachtend, "ik zou je
kunnen opslokken, zooals een vischdief een forel opslokt, en wat nog
meer zegt, mijn grappige kleine zaadkorrel, ik zal het werkelijk doen."
De _oni_ opende zijn mond, en Issunboshi gleed door een ontzaglijk
keelgat, totdat hij eindelijk was afgezakt in de groote donkere maag
van het schepsel. Issunboshi, volstrekt niet uit het veld geslagen,
begon met zijn zwaard in de maag te boren. De booze geest schreeuwde
het uit van de pijn en hoestte verschrikkelijk, waardoor de kleine
man weer in de zonnige wereld terugkeerde.
De tweede _oni_, die den nood van zijn makker had bijgewoond, was
vreeselijk boos, en trachtte ook den merkwaardigen kleinen page op
te slokken, maar dat lukte hem niet. Dezen keer klom Issunboshi in
één der neusgaten van het schepsel, en toen hij het einde had bereikt
van wat hem een groote en donkere tunnel toescheen, begon hij door de
oogen van den _oni_ heen te boren. Het schepsel liep woedend van pijn,
zoo hard hij loopen kon, weg, gevolgd door zijn gillenden makker.
Wij behoeven nauwelijks te zeggen, hoe verheugd de Prinses was
over de dapperheid van haar page, en het is niet te verwonderen,
dat zij hem zeide, er van overtuigd te zijn, dat haar vader hem zou
beloonen, zoodra hij de tijding van de vreeselijke ontmoeting zou
hebben vernomen.
De Tooverhamer.
Op weg naar huis nam de Prinses toevallig een houten hamertje
op. "O!" zeide zij, "dit moet één der booze _oni_ hebben laten vallen,
en het is ongetwijfeld een geluk brengende hamer. Gij hebt slechts
een wensch uit te spreken, en daarna met den hamer op den grond te
slaan, en welken wensch gij ook uitspreekt, die wensch wordt steeds
verhoord. Mijn dappere Issunboshi, zeg mij, wat gij het liefst zoudt
willen, en ik zal met den hamer op den grond slaan."
Na een oogenblik nadenken zeide de kleine man: "Edele Prinses, ik
zou wel zoo groot willen zijn als de andere menschen."
De Prinses sloeg met den hamer op den grond, terwijl zij den wensch
van haar page luide herhaalde. In een oogenblik tijd was Issunboshi
van een aardig dwergje veranderd in een knaap van dezelfde gestalte
als andere jongens van zijn leeftijd.
Die wonderbaarlijke gebeurtenissen wekten de belangstelling op van den
Keizer, en Issunboshi werd ontboden om vóór hem te verschijnen. De
Keizer was zóó ingenomen met den knaap, dat hij hem een aantal
geschenken gaf en hem een hoog staatsambt opdroeg. Na verloop van
tijd werd Issunboshi een aanzienlijk edelman en huwde hij met de
jongste dochter van Prins Sanjo.
Kintaro, de Gouden Knaap.
Sakata Kurando was officier van de lijfwacht des Keizers, en hoewel
hij een dapper man was, ten zeerste bekwaam in de krijgskunst, had
hij een bijzonder vriendelijk karakter; hij nu werd tijdens zijn
militaire loopbaan verliefd op een schoone dame, Yaégiri genaamd. Na
eenigen tijd viel Kurando in ongenade en was hij verplicht het Hof
te verlaten en een reizend koopman in tabak te worden. Het gelukte
Yaégiri, die zich de vlucht van haar minnaar zeer aantrok, uit haar
huis te ontvluchten, en zij reisde het land heen en weer, in de hoop
Kurando te ontmoeten. Eindelijk vond zij hem, maar de ongelukkige
man, die ongetwijfeld zijn vernedering diep gevoelde en zeer onder
den indruk was van het weinig deftige van zijn beroep, maakte aan
zijn vernedering een einde door zich het ongelukkige leven te benemen.
Dieren als Makkers.
Toen Yaégiri haar minnaar had begraven, ging zij naar den Berg
Ashigara, waar zij het leven schonk aan een kind, Kintaro of
de Gouden Knaap genaamd. Nu had Kintaro een merkwaardig groote
lichaamkracht. Toen hij nog slechts een paar jaar oud was, schonk zijn
moeder hem een bijl, waarmede hij even snel en even gemakkelijk boomen
velde als de meest geoefende houthakker. De Ashigara was een eenzame
troostelooze plek, en daar er geen kinderen waren, met wie Kintaro
kon spelen, koos hij zich de beren, herten, hazen en apen tot makkers,
en in korten tijd was hij in staat hun vreemde taal te spreken.
Toen Kintaro eens op den berg zat met zijn gunstelingen om zich
heen, trachtte hij zijn makkers te overreden om onderling een
vriendschappelijken worstelwedstrijd te houden. Een vriendelijke oude
beer was met dit voorstel ten zeerste ingenomen, en begon onmiddellijk
den grond uit te graven, en de aarde op te hoopen tot een soort
kleinen troonhemel. Toen dit geschied was, worstelden een haas en een
aap samen, terwijl een hert er bij stond om beiden aan te moedigen en
toe te zien, dat de strijd op eerlijke wijze geleverd werd. Het bleek,
dat beide dieren tegen elkander waren opgewassen, en Kintaro beloonde
hen beiden op tactvolle wijze met aanlokkelijke rijstkoeken.
Na op die wijze een heerlijken namiddag te hebben doorgebracht,
nam Kintaro den terugtocht aan, gevolgd door zijn verknochte
vrienden. Eindelijk kwamen zij aan een rivier, doch nu waren de
dieren nieuwsgierig, hoe zij een zoo breede strook water zouden
overtrekken; maar zie, Kintara sloeg zijn krachtige armen om een
boom, die aan den oever groeide, en sloeg dien zóó over de rivier,
dat hij een brug vormde. Toevallig was de beroemde held Yorimitsu met
zijn onderhoorigen getuige van dit bewijs van ongeloofelijke kracht;
het is dus niet te verwonderen, dat hij aan Watanabé Isuna zeide:
"Die knaap is iets heel bijzonders. Tracht uit te vinden waar hij
woont, en zie alles omtrent hem te weten te komen."
Een beroemd Krijgsman.
Watanabé Isuna volgde na dit bevel Kintaro en trad het huis binnen,
waar hij met zijn moeder woonde. "Mijn meester", zoo sprak hij
"de edele Yorimitsu, draagt mij op te trachten te weten te komen,
wie uw zoo bewonderenswaardige zoon eigenlijk is." Toen Yaégiri haar
levensgeschiedenis had verhaald en haar bezoeker had medegedeeld,
dat haar jongen de zoon was van Sakata Kurando, vertrok de dienaar
van Yorimitsu en vertelde zijn meester al wat hij had gehoord.
Yorimitsu was zóózeer ingenomen met wat Watanabé Isuna hem had
verteld, dat hij zelf naar Yaégiri ging en zeide: "Als gij mij uw
jongen afstaat, zal ik hem in mijn dienst nemen." De vrouw stemde
gaarne daarin toe, en de Gouden Knaap ging met den grooten held weg,
die hem den naam gaf van Sakata Kintoki. Hij werd na verloop van tijd
een beroemd krijgsman, en zijn bewonderenswaardige daden zijn nog
altijd een geliefkoosd onderwerp voor verhalen. De kinderen beschouwen
hem als hun geliefkoosden held, en de kleine jongens, die zoo gaarne
de kracht en de dapperheid van Sakata Kintoki zouden willen evenaren,
dragen zijn portret bij zich.