Een Japansche Gulliver. [86]

Shikaiya Wasobioye, was een inwoner van Nagasaki, en was ontzaglijk

geleerd, maar had een afschuw van bezoekers. In de achtste maand

vertrok hij in zijn boot om de bewonderaars der volle maan te

ontvluchten, en was reeds een eind ver voortgegaan, toen de lucht

een dreigend aanzien aannam; daarom trachtte hij terug te keeren,

maar de wind scheurde zijn zeilen en brak zijn mast. De arme man werd

gedurende drie maanden op de golven heen en weer bewogen, totdat hij

ten slotte aan de Modderzee kwam, waar hij bijna van honger omkwam,

daar in die buurt geen visschen konden worden gevangen.

Eindelijk bereikte hij een bergachtig land, waar de lucht liefelijk

was van den geur van verscheidene bloemen, en op dat eiland vond hij

een bron, waarvan de wateren hem nieuw leven schonken. Eindelijk

ontmoette Wasobioye Jofuku, die hem door de straten der hoofdstad

geleidde, waar al de bewoners hun tijd doorbrachten met het najagen

van genoegens. Op dat eiland bestond noch dood noch ziekte; maar het

feit, dat het leven hier eeuwig duurde, werd door velen als een last

beschouwd, dien zij trachtten van zich af te schudden door de magische

kunst van den dood te bestudeeren, en de macht van vergiftig voedsel,

zooals sommige vischsoorten, die besprenkeld waren met roet, en het

vleesch van meerminnen.

Nadat er twintig jaar verstreken waren, kreeg Wasobioye een tegenzin

tegen het eiland, en toen zijn pogingen, zich het leven te benemen,

geen resultaat hadden, ging hij op reis naar de Drie Duizend Werelden,

die in de Buddhistische Geschriften vermeld worden. Daarna bezocht

hij het Land van den Eindeloozen Overvloed, het Land van het Bedrog,

het Land van de Volgelingen van het Oude, het Land van de Paradoxen,

en ten slotte het Land van de Reuzen.

Nadat Wasobioye vijf maanden lang op den rug van een ooievaar in

volslagen duisternis was voortgetrokken, bereikte hij eindelijk een

land, waar de zon weer scheen, waar boomen honderd voet in omtrek

waren, waar het onkruid zoo hoog was als bamboe en de menschen zestig

voet hoog. In dat vreemde land nam een reus Wasobioye op, droeg hem

naar zijn huis, en voedde hem met één enkelen monsterachtig groote

rijstkorrel, door middel van eetstokjes, die zoo groot waren als een

kleine boom. Een paar weken lang trachtte Wasobioye zijn gastheer te

onderwijzen in de leerstellingen der oude wereld, waar hij van daan

kwam, maar de reus lachte hem uit en zeide hem, dat zulk een dwerg

niet kon geacht worden de gebruiken van groote menschen te begrijpen,

daar hun verstand in overeenstemming moest zijn met hun grootte.

De Juweelen-tranen van Samébito.

Toen Totaro eens de Lange Brug van Séta overtrok, zag hij een wezen,

dat er vreemd uitzag. Het had het lichaam van een man, met een huid

zwarter dan die van een neger; zijn oogen glinsterden als smaragden,

en zijn baard was als die van een draak. Totaro was niet weinig

verschrikt, toen hij zulk een buitengewoon monster zag; maar in zijn

groene oogen lag zóóveel pathos, dat Totaro het waagde, eenige vragen

tot hem te richten, waarop het vreemde wezen antwoordde:

"Ik ben Samébito" ("een Haaimensch"), "en tot voor korten tijd was

ik in dienst van de Acht Groote Drakenkoningen als een ondergeschikt

beambte van het Drakenpaleis. Ik werd om een kleine overtreding uit dat

heerlijke verblijf weggezonden, en werd zelfs uit de zee verbannen. Van

dat oogenblik af heb ik mij vreeselijk ongelukkig gevoeld, zonder

een schuilplaats, en niet in staat voedsel te krijgen. Heb medelijden

met mij, brave Heer! Vind een schuilplaats voor mij, en geef mij wat

te eten."

Het gemoed van Totaro werd bewogen door den ootmoed van Samébito,

en hij bracht hem naar een vijver in zijn tuin en gaf hem een ruimen

voorraad voedsel. Op die rustige en afgezonderde plek bleef het

vreemde wezen uit de zee omstreeks een halfjaar.

In den zomer van dat jaar was er een groote bedevaartstocht van

vrouwen naar den tempel van Miidera, gelegen in de naburige stad

Otsu. Totaro woonde het feest bij en zag daar een buitengewoon

bekoorlijk meisje. "Haar gelaat was schoon en rein als sneeuw; en

de liefelijkheid van haar lippen gaven den aanschouwer duidelijk te

kennen, dat wat over die lippen kwam, zoo zoet zou klinken als de

stem van een nachtegaal, die op een pruimenboom zingt."

Totaro ontbrandde plotseling in liefde voor het meisje. Hij ontdekte,

dat zij Tamana heette, dat zij ongehuwd was, en dit zou blijven, totdat

een jonge man haar als huwelijksgift een mandje met niet minder dan

tienduizend juweelen zou aanbieden. Toen Totaro vernam, dat dit schoone

meisje alleen kon worden gewonnen door wat hem een onmogelijk geschenk

toescheen, keerde hij met een bezwaard gemoed naar huis terug. Hoe

meer hij echter over de schoone Tamana nadacht, des te meer werd hij

op haar verliefd. Maar helaas! niemand, minder rijk dan een prins,

kon zulk een huwelijksgift bij elkander krijgen--tienduizend juweelen!

Totaro tobde zóó lang, totdat hij ziek werd, en toen een dokter hem

kwam bezoeken, schudde deze het hoofd en zeide: "Ik kan niets voor

u doen, want geen geneesmiddel is in staat de ziekte der liefde te

genezen." En na die woorden te hebben gesproken, verliet hij hem.

Samébito ontving het bericht van de ziekte van zijn meester; zoodra

hem nu dat treurige nieuws bereikte, verliet hij den vijver in den

tuin en kwam de kamer van Totaro binnen.

Totaro sprak niet meer over zijn eigen ellende. Hij was vol

belangstelling voor het heil van dat schepsel uit de zee.

"Wie zal u, Samébito, voedsel geven, als ik dood ben?" zoo sprak

hij droevig.

Toen Samébito zag, dat zijn brave meester stervende was, slaakte hij

een vreemden kreet en begon hij te weenen. Hij weende groote tranen

bloed, maar zoodra deze den grond hadden aangeraakt, veranderden zij

plotseling in glinsterende robijnen.

Toen Totaro die juweelen-tranen zag, schreeuwde hij het uit van

vreugde, en van dat uur af keerde nieuw leven in hem terug. "Ik

zal in het leven blijven! Ik zal in het leven blijven!" zoo riep

hij opgewonden van vreugde, uit. "Mijn beste vriend, gij hebt mij

ruimschoots het voedsel en de beschutting vergoed, die ik u heb

gegeven. Uw wonderbaarlijke tranen hebben mij onbeschrijfelijk veel

geluk gebracht."

Daarop hield Samébito op met weenen, en hij vroeg zijn meester,

hem wel de oorzaak van zijn spoedig herstel te willen mededeelen.

Daarop vertelde Totaro den Haaimensch zijn liefdesgeschiedenis

en deelde hij hem mede, welke huwelijksgift de familie van Tamana

eischte. "Ik dacht," zoo voegde Totaro er aan toe, "dat ik nooit

in staat zou zijn, tienduizend juweelen bijeen te krijgen, en het

was die gedachte, die mij zoozeer den dood nabij heeft gebracht. Nu

zijn uw tranen in juweelen veranderd, en daarmede zal het meisje mijn

vrouw worden."

Totaro ging gretig voort met het tellen der juweelen. "Niet

genoeg! Niet genoeg!" riep hij met ontzaglijke teleurstelling

uit. "Ach, Samébito, wees zoo goed en huil nog wat langer!"

Die woorden maakten Samébito boos. "Denkt ge, dat ik als een vrouw kan

huilen, zoo dikwijls als ik wil? Mijn tranen komen uit mijn hart en

zijn het uiterlijke teeken van diepe en ware droefenis. Ik kan niet

meer huilen, want ge zijt genezen. De tijd is thans aangebroken om

te lachen en vroolijk te zijn, niet om te huilen."

"Als ik geen tienduizend juweelen heb, kan ik de schoone Tamana

niet huwen," sprak Totaro. "Wat moet ik beginnen? Ach, beste vriend,

huil voor mij, huil!"

Samébito was een vriendelijk schepsel. Na een korte tusschenpooze

zeide hij: "Ik kan van daag geen tranen meer storten; laat ons morgen

naar de lange brug van Séta gaan, en een goeden voorraad wijn en

visch mede nemen. Misschien dat ik, als ik op de brug zit en naar het

Drakenpaleis staar, weer zal weenen, als ik aan mijn verloren woning

denk, waarheen ik zoo gaarne zou willen terugkeeren."

Den volgenden morgen gingen zij naar de brug van Séta, en nadat

Samébito een groote hoeveelheid wijn had medegenomen, staarde hij in

de richting van het Drakenrijk. Terwijl hij dit deed, vulden zijn

oogen zich met tranen, roode tranen, die in robijnen veranderden,

zoodra zij de brug aanraakten. Totaro raapte, zonder zich ernstig

om de smart van zijn vriend te bekommeren, de juweelen op, en vond

eindelijk, dat hij tienduizend schitterende robijnen bij elkander had.

Op datzelfde oogenblik hoorden zij den klank van liefelijke muziek,

en uit het water verrees een op wolken gelijkend paleis, waarop al

de kleuren der ondergaande zon schitterden. Samébito gaf een kreet

van vreugde en sprong op de leuning van de brug, terwijl hij zeide:

"Vaarwel mijn meester! De Drakenkoningen roepen mij"! Met die woorden

sprong hij van de brug, en keerde weer naar zijn oude woning terug.

Totaro liet geen tijd voorbijgaan met het aanbieden van het mandje

met tienduizend juweelen aan de ouders van Tamana, en na eenigen tijd

trouwde hij met hun liefelijke dochter.

Mythen & Legenden van Japan · 第 50 / 53 题