Shikaiya Wasobioye, was een inwoner van Nagasaki, en was ontzaglijk
geleerd, maar had een afschuw van bezoekers. In de achtste maand
vertrok hij in zijn boot om de bewonderaars der volle maan te
ontvluchten, en was reeds een eind ver voortgegaan, toen de lucht
een dreigend aanzien aannam; daarom trachtte hij terug te keeren,
maar de wind scheurde zijn zeilen en brak zijn mast. De arme man werd
gedurende drie maanden op de golven heen en weer bewogen, totdat hij
ten slotte aan de Modderzee kwam, waar hij bijna van honger omkwam,
daar in die buurt geen visschen konden worden gevangen.
Eindelijk bereikte hij een bergachtig land, waar de lucht liefelijk
was van den geur van verscheidene bloemen, en op dat eiland vond hij
een bron, waarvan de wateren hem nieuw leven schonken. Eindelijk
ontmoette Wasobioye Jofuku, die hem door de straten der hoofdstad
geleidde, waar al de bewoners hun tijd doorbrachten met het najagen
van genoegens. Op dat eiland bestond noch dood noch ziekte; maar het
feit, dat het leven hier eeuwig duurde, werd door velen als een last
beschouwd, dien zij trachtten van zich af te schudden door de magische
kunst van den dood te bestudeeren, en de macht van vergiftig voedsel,
zooals sommige vischsoorten, die besprenkeld waren met roet, en het
vleesch van meerminnen.
Nadat er twintig jaar verstreken waren, kreeg Wasobioye een tegenzin
tegen het eiland, en toen zijn pogingen, zich het leven te benemen,
geen resultaat hadden, ging hij op reis naar de Drie Duizend Werelden,
die in de Buddhistische Geschriften vermeld worden. Daarna bezocht
hij het Land van den Eindeloozen Overvloed, het Land van het Bedrog,
het Land van de Volgelingen van het Oude, het Land van de Paradoxen,
en ten slotte het Land van de Reuzen.
Nadat Wasobioye vijf maanden lang op den rug van een ooievaar in
volslagen duisternis was voortgetrokken, bereikte hij eindelijk een
land, waar de zon weer scheen, waar boomen honderd voet in omtrek
waren, waar het onkruid zoo hoog was als bamboe en de menschen zestig
voet hoog. In dat vreemde land nam een reus Wasobioye op, droeg hem
naar zijn huis, en voedde hem met één enkelen monsterachtig groote
rijstkorrel, door middel van eetstokjes, die zoo groot waren als een
kleine boom. Een paar weken lang trachtte Wasobioye zijn gastheer te
onderwijzen in de leerstellingen der oude wereld, waar hij van daan
kwam, maar de reus lachte hem uit en zeide hem, dat zulk een dwerg
niet kon geacht worden de gebruiken van groote menschen te begrijpen,
daar hun verstand in overeenstemming moest zijn met hun grootte.
De Juweelen-tranen van Samébito.
Toen Totaro eens de Lange Brug van Séta overtrok, zag hij een wezen,
dat er vreemd uitzag. Het had het lichaam van een man, met een huid
zwarter dan die van een neger; zijn oogen glinsterden als smaragden,
en zijn baard was als die van een draak. Totaro was niet weinig
verschrikt, toen hij zulk een buitengewoon monster zag; maar in zijn
groene oogen lag zóóveel pathos, dat Totaro het waagde, eenige vragen
tot hem te richten, waarop het vreemde wezen antwoordde:
"Ik ben Samébito" ("een Haaimensch"), "en tot voor korten tijd was
ik in dienst van de Acht Groote Drakenkoningen als een ondergeschikt
beambte van het Drakenpaleis. Ik werd om een kleine overtreding uit dat
heerlijke verblijf weggezonden, en werd zelfs uit de zee verbannen. Van
dat oogenblik af heb ik mij vreeselijk ongelukkig gevoeld, zonder
een schuilplaats, en niet in staat voedsel te krijgen. Heb medelijden
met mij, brave Heer! Vind een schuilplaats voor mij, en geef mij wat
te eten."
Het gemoed van Totaro werd bewogen door den ootmoed van Samébito,
en hij bracht hem naar een vijver in zijn tuin en gaf hem een ruimen
voorraad voedsel. Op die rustige en afgezonderde plek bleef het
vreemde wezen uit de zee omstreeks een halfjaar.
In den zomer van dat jaar was er een groote bedevaartstocht van
vrouwen naar den tempel van Miidera, gelegen in de naburige stad
Otsu. Totaro woonde het feest bij en zag daar een buitengewoon
bekoorlijk meisje. "Haar gelaat was schoon en rein als sneeuw; en
de liefelijkheid van haar lippen gaven den aanschouwer duidelijk te
kennen, dat wat over die lippen kwam, zoo zoet zou klinken als de
stem van een nachtegaal, die op een pruimenboom zingt."
Totaro ontbrandde plotseling in liefde voor het meisje. Hij ontdekte,
dat zij Tamana heette, dat zij ongehuwd was, en dit zou blijven, totdat
een jonge man haar als huwelijksgift een mandje met niet minder dan
tienduizend juweelen zou aanbieden. Toen Totaro vernam, dat dit schoone
meisje alleen kon worden gewonnen door wat hem een onmogelijk geschenk
toescheen, keerde hij met een bezwaard gemoed naar huis terug. Hoe
meer hij echter over de schoone Tamana nadacht, des te meer werd hij
op haar verliefd. Maar helaas! niemand, minder rijk dan een prins,
kon zulk een huwelijksgift bij elkander krijgen--tienduizend juweelen!
Totaro tobde zóó lang, totdat hij ziek werd, en toen een dokter hem
kwam bezoeken, schudde deze het hoofd en zeide: "Ik kan niets voor
u doen, want geen geneesmiddel is in staat de ziekte der liefde te
genezen." En na die woorden te hebben gesproken, verliet hij hem.
Samébito ontving het bericht van de ziekte van zijn meester; zoodra
hem nu dat treurige nieuws bereikte, verliet hij den vijver in den
tuin en kwam de kamer van Totaro binnen.
Totaro sprak niet meer over zijn eigen ellende. Hij was vol
belangstelling voor het heil van dat schepsel uit de zee.
"Wie zal u, Samébito, voedsel geven, als ik dood ben?" zoo sprak
hij droevig.
Toen Samébito zag, dat zijn brave meester stervende was, slaakte hij
een vreemden kreet en begon hij te weenen. Hij weende groote tranen
bloed, maar zoodra deze den grond hadden aangeraakt, veranderden zij
plotseling in glinsterende robijnen.
Toen Totaro die juweelen-tranen zag, schreeuwde hij het uit van
vreugde, en van dat uur af keerde nieuw leven in hem terug. "Ik
zal in het leven blijven! Ik zal in het leven blijven!" zoo riep
hij opgewonden van vreugde, uit. "Mijn beste vriend, gij hebt mij
ruimschoots het voedsel en de beschutting vergoed, die ik u heb
gegeven. Uw wonderbaarlijke tranen hebben mij onbeschrijfelijk veel
geluk gebracht."
Daarop hield Samébito op met weenen, en hij vroeg zijn meester,
hem wel de oorzaak van zijn spoedig herstel te willen mededeelen.
Daarop vertelde Totaro den Haaimensch zijn liefdesgeschiedenis
en deelde hij hem mede, welke huwelijksgift de familie van Tamana
eischte. "Ik dacht," zoo voegde Totaro er aan toe, "dat ik nooit
in staat zou zijn, tienduizend juweelen bijeen te krijgen, en het
was die gedachte, die mij zoozeer den dood nabij heeft gebracht. Nu
zijn uw tranen in juweelen veranderd, en daarmede zal het meisje mijn
vrouw worden."
Totaro ging gretig voort met het tellen der juweelen. "Niet
genoeg! Niet genoeg!" riep hij met ontzaglijke teleurstelling
uit. "Ach, Samébito, wees zoo goed en huil nog wat langer!"
Die woorden maakten Samébito boos. "Denkt ge, dat ik als een vrouw kan
huilen, zoo dikwijls als ik wil? Mijn tranen komen uit mijn hart en
zijn het uiterlijke teeken van diepe en ware droefenis. Ik kan niet
meer huilen, want ge zijt genezen. De tijd is thans aangebroken om
te lachen en vroolijk te zijn, niet om te huilen."
"Als ik geen tienduizend juweelen heb, kan ik de schoone Tamana
niet huwen," sprak Totaro. "Wat moet ik beginnen? Ach, beste vriend,
huil voor mij, huil!"
Samébito was een vriendelijk schepsel. Na een korte tusschenpooze
zeide hij: "Ik kan van daag geen tranen meer storten; laat ons morgen
naar de lange brug van Séta gaan, en een goeden voorraad wijn en
visch mede nemen. Misschien dat ik, als ik op de brug zit en naar het
Drakenpaleis staar, weer zal weenen, als ik aan mijn verloren woning
denk, waarheen ik zoo gaarne zou willen terugkeeren."
Den volgenden morgen gingen zij naar de brug van Séta, en nadat
Samébito een groote hoeveelheid wijn had medegenomen, staarde hij in
de richting van het Drakenrijk. Terwijl hij dit deed, vulden zijn
oogen zich met tranen, roode tranen, die in robijnen veranderden,
zoodra zij de brug aanraakten. Totaro raapte, zonder zich ernstig
om de smart van zijn vriend te bekommeren, de juweelen op, en vond
eindelijk, dat hij tienduizend schitterende robijnen bij elkander had.
Op datzelfde oogenblik hoorden zij den klank van liefelijke muziek,
en uit het water verrees een op wolken gelijkend paleis, waarop al
de kleuren der ondergaande zon schitterden. Samébito gaf een kreet
van vreugde en sprong op de leuning van de brug, terwijl hij zeide:
"Vaarwel mijn meester! De Drakenkoningen roepen mij"! Met die woorden
sprong hij van de brug, en keerde weer naar zijn oude woning terug.
Totaro liet geen tijd voorbijgaan met het aanbieden van het mandje
met tienduizend juweelen aan de ouders van Tamana, en na eenigen tijd
trouwde hij met hun liefelijke dochter.