HOOFDSTUK XXIX. BOVENNATUURLIJKE WEZENS.

De Kappa.

De _Kappa_ is een riviermonster, een harig schepsel met het lichaam

van een schildpad en met schubbige beenderen. Zijn kop gelijkt

eenigszins op dien van een aap, en boven op den kop is een holte,

die een geheimzinnige vloeistof bevat, welke de bron moet zijn van

de groote macht van het schepsel. Het grootste genot van den _Kappa_

is, menschelijke wezens uit te dagen tot een tweegevecht, en de

ongelukkige man, die een zoodanige uitnoodiging krijgt, kan die niet

afslaan. Hoewel de _Kappa_ woest en twistziek is, is hij niettemin

uiterst beleefd. De reiziger, die zijn onverbiddelijke oproeping

krijgt, maakt voor het monster een diepe buiging. De beleefde Kappa

beantwoordt de buiging, en terwijl hij zijn kop buigt, stroomt

de vloeistof, die hem zijn kracht verleent, uit de holte in zijn

schedel, en daar hij dan zwak wordt, verdwijnen zijn oorlogszuchtige

karaktertrekken onmiddellijk. Maar het is even ongelukkig den _Kappa_

te overwinnen, als door hem te worden afgeranseld, immers de tijdelijke

roem der overwinning wordt spoedig gevolgd door het wegkwijnen van den

ongelukkigen reiziger. De _Kappa_ heeft de neigingen van een vampier,

want hij slaat de menschen in het water, als zij in de rivier of in

het meer baden, en zuigt hun bloed uit. In een bepaald gedeelte van

Japan heet het, dat hij ieder jaar twee slachtoffers eischt. Als hij

uit het water naar boven komt, wordt zijn huid bleek, en langzamerhand

verkwijnt hij, alsof hij lijdt aan een vreeselijke ziekte.

In Izuma noemen de dorpsbewoners den _Kappa_ gewoonlijk _Kawako_

("Het kind der Rivier"). Bij Matsue is een klein gehucht gelegen,

Kawachi-mura genoemd, en aan den oever der rivier is een kleine tempel,

bekend onder den naam van Kawako-no-miya, dat wil zeggen de tempel

van den _Kawako_ of _Kappa_, welke tempel een geschrift bevat, dat

door dat riviermonster onderteekend is. Omtrent dat geschrift wort

de volgende legende verhaald.

De belofte van den Kappa.

In oude tijden leefde in de rivier de Kawachi een _Kappa_, die er

zijn gewoonte van maakte, een aantal dorpsbewoners te pakken en te

dooden en bovendien een aantal van hun huisdieren. Op zekeren dag

ging een paard de rivier in, en de _Kappa_ verrekte op de één of

andere wijze zijn nek, toen hij het paard trachtte te pakken, maar

in weerwil van de ondragelijke pijn wilde hij zijn slachtoffer niet

loslaten. Het beangste paard sprong op den oever der rivier en holde

in een naburige weide, terwijl de _Kappa_ nog steeds het verschrikte

paard vasthield. De eigenaar van het paard bond, geholpen door een

aantal dorpsbewoners, het Kind der Rivier stevig vast. "Laat ons

dat afgrijselijke schepsel dooden," zoo spraken de boeren, "want hij

heeft zeker een aantal afschuwelijke misdaden gepleegd, en wij zouden

verstandig handelen, als wij ons van zulk een afschuwelijk monster

verlosten." "Neen," antwoordde de eigenaar van het paard, "wij zullen

hem niet dooden. Wij zullen hem laten zweren, dat hij nooit één van de

bewoners of van de huisdieren van dit dorp zal dooden." Een geschrift

werd dus gereedgemaakt, en den _Kappa_ werd gevraagd het door te lezen,

en na dit gedaan te hebben, het met zijn naam te onderteekenen. "Ik

kan niet schrijven," antwoordde de berouwvolle _Kappa_, "maar ik zal

mijn hand in inkt doopen en die op het geschrift drukken." Toen het

schepsel zijn merk op het stuk had gedrukt, werd hij losgelaten en

werd hem toegestaan naar de rivier terug te keeren, en van dien tijd

af tot heden toe is de _Kappa_ getrouw gebleven aan zijn belofte.

De Tengu.

Wij hebben reeds vroeger melding gemaakt van den _Tengu_, en wel in

het verhaal van Yoshitsune en Benkei. [82] Men zal zich herinneren, dat

in die legende Yoshitsune, één der grootste krijgslieden van het Oude

Japan, de krijgskunst leerde van den Koning der _Tengu_. Chamberlain

beschrijft de _Tengu_ als "een soort van aardgeesten, die rondwaren

over de bergen en in de bosschen, en die een aantal guitenstreken

uithalen. Zij hebben eenige verwantschap met vogels; want zij

hebben vleugels en een snavel, en somtijds klauwen. Maar dikwijls

wordt de snavel een breede en ontzaglijk lange menschelijke neus,

en het geheele schepsel wordt als menschelijk voorgesteld, daar er

niets vogelachtigs overblijft dan de waaier van veeren, waarmede het

dier zich verkoelt. Dikwijls is het in bladeren gehuld, en draagt het

een kleine muts op zijn kop. In één woord, de _Tengu_ zijn goden van

minderen rang, en zijn volleerd in de schermkunst en in het gebruik van

wapenen in het algemeen. De teekens, waarmede de naam wordt geschreven,

beteekenen 'hemelsche hond', doch deze naam leidt op een dwaalspoor,

daar het schepsel geen gelijkenis heeft met een hond, en zooals wij

reeds beschreven hebben, voor een deel er uitziet als een mensch,

voor een deel als een vogel." Er zijn nog andere overleveringen

omtrent het woord _Tengu_, die van geheel anderen aard zijn; men

verhaalt immers, dat Keizer Jomei dien naam gaf aan een meteoor,

"die het luchtruim doorkliefde van oost naar west, onder een krachtige

ontploffing." Bovendien is er een nog oudere lezing, volgens welke de

_Tengu_ uitgevloeid waren uit Susa-no-o, den Ontstuimigen Jongeling,

en ook nog, dat er vrouwelijke booze geesten waren met koppen van

dieren en groote ooren en neuzen van een zóó ontzaglijke lengte,

dat zij daarop menschen konden voortdragen en met dien last duizenden

mijlen zonder vermoeienis konden voortvliegen, terwijl bovendien hun

tanden zóó sterk en zóó scherp waren, dat die vrouwelijke demonen

zwaarden en speren konden doorbijten. Nog steeds gelooft men, dat

de _Tengu_ bepaalde bosschen bewoont, en de schuilplaatsen van hooge

bergen. In het algemeen gesproken is de _Tengu_ geen kwaadaardig wezen,

want hij heeft een sterk gevoel voor humor en is er dol op, iemand

goedmoedig in het ootje te nemen. Somtijds echter verstopt de _Tengu_

menschelijke wezens op geheimzinnige wijze, en als zij eindelijk

naar huis terugkeeren, zijn zij volslagen krankzinnig geworden. Dit

vreemde verschijnsel is bekend onder den naam van _Tengu-kakushi_,

of door een _Tengu_ verstopt.

Tobikawa bootst een Tengu na.

Tobikawa, die in zijn jonge jaren een worstelaar geweest was en in

Matsue woonde, bracht zijn tijd door met het jagen en dooden van

vossen. Hij hechtte geen geloof aan de verschillende bijgeloovige

opvattingen omtrent het dier, en algemeen was men van meening, dat

zijn groote kracht hem beveiligde tegen de toovenarij van vossen. Er

waren echter onder de bewoners van Matsue enkelen, die voorspelden,

dat Tobikawa tot een ontijdig einde zou komen ten gevolge van zijn

vermetele daden en zijn ongeloof in bovennatuurlijke krachten. Tobikawa

hield er bijzonder van, de menschen voor den gek te houden; hij had

zelfs eens de brutaliteit de gedaante van een _Tengu_ in hoofdzaken na

te bootsen, zooals de veeren, den langen neus, de klauwen enz. Nadat

hij zich zoo had vermomd, klom hij in een boom, die in een heilig

boschje stond. Dadelijk zagen de boeren hem, en daar zij dachten,

dat het wezen, dat zij zagen, een _Tengu_ was, begonnen zij hem te

aanbidden, en heel wat offeranden rondom den boom te plaatsen. Doch

helaas! de treurige voorspelling werd vervuld, want terwijl de

vroolijke Tobikawa de acrobatische kluchten van een _Tengu_ nadeed,

gleed hij van een tak af en werd hij gedood.

De Avonturen van Kiuchi Heizayemon.

Wij hebben reeds gesproken van den _Tengu-kakushi_, en de volgende

legende geeft een goed geteekende beschrijving van die bovennatuurlijke

gebeurtenis.

Op zekeren avond verdween plotseling een zekere ondergeschikte

bediende, Kiuchi Heizayemon. Toen de vrienden van Kiuchi gehoord

hadden, wat gebeurd was, gingen zij in alle richtingen naar hem

zoeken. Na langdurige nasporingen vonden zij zijn klompen, zijn scheede

en zijn zwaard; maar de scheede was gebogen als het gekromde hengsel

van een theeketel. Nauwelijks hadden zij die treurige ontdekking

gedaan, of zij zagen ook den gordel van Kiuchi, die in drie stukken

was gesneden. Tegen middernacht hoorden zij, die aan het zoeken

waren, een vreemd geschreeuw, een stem, die om hulp riep. Suzuki

Shichiro, één van den troep, zag juist op, toen hij een vreemd,

gevleugeld wezen zag staan op het dak van een tempel. Toen de overige

deelgenooten aan den tocht zich bij hun makker hadden gevoegd, zagen

zij allen op naar die vreemde figuur, waarop één zeide: "Ik geloof,

dat het niets anders is dan een zonnescherm, dat zich in den wind

heen en weer beweegt." "Laat ons trachten hieromtrent zekerheid te

krijgen", antwoordde Suzuki Shichiro, en na dit gezegd te hebben,

verhief hij zijn stem en riep hij zoo hard mogelijk: "Zijt gij de

verdwenen Kiuchi?" "Ja", was het antwoord, "en ik verzoek u, dat gij

mij zoo spoedig mogelijk van boven dezen tempel weghaalt".

Toen Kiuchi van het dak van den tempel naar beneden was gebracht, viel

hij flauw, en bleef drie dagen lang bewusteloos. Toen hij eindelijk

weer bij kennis was gekomen, gaf hij het volgende verslag van zijn

vreemd avontuur.

"Den avond waarop ik verdween, hoorde ik iemand herhaaldelijk hardop

mijn naam roepen, en toen ik naar buiten ging, ontdekte ik een monnik,

in het zwart gekleed, die luidkeels 'Heizayemon!' riep. Naast den

monnik stond een man van ontzaglijken lichaamsbouw; zijn gelaat was

rood, en zijn hangende haren vielen tot op den grond. 'Klim op gindsch

dak' riep hij woest. Ik weigerde een spitsboef met zulk een ongunstig

uiterlijk te gehoorzamen, en trok mijn zwaard, maar in een oogenblik

boog hij het lemmer om en brak hij de scheede in stukken. Daarna

werd mijn gordel ruw afgetrokken en in drie stukken gesneden. Toen

die zaken waren geschied, werd ik op een dak gedragen en daar hard

afgeranseld. Maar nog was het einde van mijn ellende niet bereikt,

want nadat ik was afgeranseld, werd ik gedwongen op een ronden bak

te gaan zitten. In een oogenblik werd ik in de lucht rondgedraaid,

en de bak droeg mij in razende vaart door een aantal landstreken

heen. Toen het mij bleek, dat ik tien dagen lang door het luchtruim

was voortgedreven, bad ik tot Buddha, en bevond mij, zooals ik dacht,

op den top van een berg, maar in werkelijkheid was het niet anders dan

het dak van den tempel, van waar gij, mijn makkers, mij hebt bevrijd."

Een geloof in den Tengu uit onzen tijd.

Kapitein Brinkley deelt ons in _Japan en China_ mede, dat tot zelfs nog

in het jaar 1860 de ambtenaren van het Gouvernement te Yedo openlijk

voor hun geloof in bovennatuurlijke wezens uitkwamen. Voordat de

_Shogun_ Nikko zou bezoeken, werd op hun bevel de volgende kennisgeving

aangeplakt in de nabijheid der praalgraven:

"_Aan den Tengu en overige Demonen_

"Daar onze _Shogun_ voornemens is in April van het volgende jaar

de praalgraven te Nikko te bezoeken, moeten gij, _Tengu_ en andere

Demonen, die op deze bergen woont, u van hier verwijderen totdat

de _Shogun_ zijn bezoek heeft volbracht.

"(Geteekend) _Mizuno_, Heer van Dewa.

"Juli 1860."

De plaatselijke autoriteiten waren nog niet tevreden met een dergelijke

kennisgeving. Nadat zij behoorlijk de _Tengu_ en overige demonen in

kennis hadden gesteld met de komst van den Shogun, werden de juiste

bergen, waar die wezens mochten verwijlen tijdens het bezoek van den

vorst, bij name aangeduid.

De Bergman en de Bergvrouw.

Het lichaam der Bergvrouw is bedekt met lange witte haren. Zij wordt

beschouwd als een menscheneetster (Kijo), en is als zoodanig bekend

in de Japansche mythen. Zij heeft behalve haar kannibalen-neigingen,

ook de eigenschap als een mot te kunnen rondvliegen en ongebaande

bergen gemakkelijk door te trekken.

De Bergman gelijkt, naar beweerd wordt, op een grooten, zwartharigen

aap. Hij is bijzonder sterk, en vindt er absoluut geen bezwaar

in, voedsel uit de dorpen te stelen. Hij is echter steeds gereed,

houthakkers te hulp te komen, en wil gaarne hout dragen in ruil voor

een baal rijst. Het is vergeefsche moeite, hem te pakken of te dooden,

want elken aanval, van welken aard ook, op den Bergman, brengt ongeluk,

en somtijds zelfs den dood aan de aanvallers.

Sennin.

De _Sennin_ zijn bergkluizenaars, en groot is het aantal legenden, dat

omtrent hen bekend is. Hoewel zij een menschelijke gedaante hebben,

zijn zij toch tevens onsterfelijk, en ingewijd in de tooverkunst. De

eerste groote Japansche _sennin_ was Yosho, die in het jaar 870 n.C. te

Noto geboren was. Even vóór zijn geboorte droomde zijn moeder, dat

zij de zon had ingeslikt, een droom, die de wonderbare macht van haar

kind voorspelde. Yosho was vlijtig en vroom, en bracht het grootste

gedeelte van zijn tijd door met het bestudeeren van de "Lotus van de

Wet". Hij leefde hoogst eenvoudig en wist zijn dagelijksch rantsoen

terug te brengen tot één gierstkorrel. Hij vertrok van de aarde in het

jaar 901, na groote bovennatuurlijke macht te hebben verkregen. Zijn

mantel liet hij aan den tak van een boom hangen met een rol, waarop

deze woorden geschreven waren: "Ik laat mijn mantel na aan Emmei

van Dogen-ji". Na verloop van tijd werd ook Emmei een _sennin_,

en was hij in staat, evenals zijn meester een aantal wonderen te

verrichten. Korten tijd na het verdwijnen van Yosho werd zijn vader

ernstig ziek, en hij bad vurig, dat hij zijn beminden zoon terug mocht

zien. Als antwoord op zijn gebeden, werd de stem van Yosho gehoord,

die de "Lotus van de Wet" opzegde. Toen hij daarmede klaar was,

zeide hij tot zijn diep bedroefden vader: "Indien op den 18_den_

van iedere maand bloemen worden geofferd en wierook wordt verbrand,

zal mijn geest neerdalen en u begroeten, aangetrokken door den geur

der bloemen en den blauwen rook van den wierook."

De Sennin en de Kunst.

Dikwijls worden de _Sennin_ in de Japansche kunst uitgebeeld: Chokoro,

die zijn tooverpaard van een reusachtigen pompoen losmaakt; Gama

met zijn tooverpadde; Tekkai, die zijn ziel in de ruimte wegblaast;

Roko, die zich op een vliegende schildpad in evenwicht houdt; en Kumé,

die van zijn wolkenwagen viel, omdat hij, in strijd met zijn heilig

beroep, het beeld van een schoon meisje liefhad, dat in de rivier

werd teruggekaatst.

Wonderbaarlijke Lichten.

Er zijn verschillende soorten van vuurverschijningen in Japan. Zoo

vindt men de geestenvlam, het demonenlicht, de vossenvlam, den

flikkerenden pilaar, de dassenvlam, de drakentoorts en de lamp van

Buddha. Bovendien zegt men, dat van sommige vogels, zooals de blauwe

reiger, bovennatuurlijk licht uitstraalt door de huid heen, uit den

mond en uit de oogen. Er zijn ook vuurwielen, of boden uit den Hades,

behalve de vlammen, die uit het kerkhof te voorschijn komen.

Een Vuurbol.

Van het begin van Maart tot het einde van Juni kan men in de provincie

Settsu een vuurbol zien rusten op den top van een boom, en in dien

vuurbol is een menschelijk gelaat. In oude dagen leefde er in Nikaido,

een district van Settsu, een priester, Nikobo genaamd, beroemd om

zijn macht, kwade geesten en allerlei soorten van kwade invloeden

uit te bannen. Toen de vrouw van den plaatselijken gouverneur ziek

werd, werd Nikobo verzocht haar te bezoeken en te zien, wat hij kon

doen, om haar weer haar gezondheid terug te geven. Nikobo willigde

dit verzoek gaarne in, en bracht verscheidene dagen door naast het

bed der lijdende dame. Met grooten ijver paste hij zijn kunst van

geesten uitbannen toe, en na verloop van tijd genas de vrouw van den

gouverneur. Maar de vriendelijke en goedhartige Nikobo ontving geen

dank voor wat hij had gedaan; integendeel: de gouverneur werd jaloersch

op hem, beschuldigde hem van een lage misdaad en liet hem ter dood

brengen. De ziel van Nikobo vlamde in woede op en nam den vorm aan

van een wonderbaarlijken vuurbol, die bleef zweven over de woning van

den moordenaar. Het vreemde licht, met het terecht woedende gelaat,

dat daaruit voor den dag kwam, had de gewenschte uitwerking, daar de

gouverneur door een hevige koorts werd aangetast, die hem ten slotte

doodde. Ieder jaar, op den reeds genoemden tijd, brengt de geest van

Nikobo een bezoek aan de plaats van zijn lijden en zijn wraak.

De worstelende Geesten.

In de provincie Omi, aan den voet der Katadaheuvels, is een

meer. Tijdens de bewolkte nachten in het begin van den herfst verrijst

een vuurbol aan den oever van het meer, die zich, als hij naar de

heuvelen drijft, uitzet en weer inkrimpt. Als hij tot manshoogte

gestegen is, vertoont hij twee lichtgevende gezichten, die zich

langzaam ontwikkelen tot de lichamen van twee naakte worstelaars,

die aan elkander zijn vastgehecht en die woedend strijden. De vuurbol

met zijn woeste worstelaars drijft langzaam weg naar een eenzame plek

in de Katada-heuvels. Hij is volkomen onschadelijk zoolang niemand

er zich mede bemoeit, maar hij duldt niet, dat hij in zijn voortgang

wordt gestuit. Volgens een legende in verband met dit verschijnsel

zou een zekere worstelaar, die nooit een nederlaag had geleden,

tegen middernacht de komst van dien vuurbol hebben afgewacht. Toen

de vuurbol hem bereikte, trachtte hij dien met geweld naar beneden

te halen, maar de lichtende bol vervolgde zijn weg, en sleepte den

dwazen worstelaar een heel eind met zich mede.

Baku.

Bijgeloovige menschen in Japan zijn er van overtuigd, dat booze

droomen het gevolg zijn van booze geesten, en het bovennatuurlijke

wezen, _Baku_ genoemd, staat bekend als de Eter van Droomen. De _Baku_

is, zooals zooveel mythologische wezens, een merkwaardig mengsel van

verschillende diersoorten. Hij heeft den kop van een leeuw, den romp

van een paard, den staart van een koe en de pooten van een tijger. In

een oud Japansch boek vindt men een aantal booze droomen vermeld,

zooals twee slangen, ineengestrengeld, een vos met de stem van een

man, kleeren met bloed bevlekt, een sprekenden rijstpot en nog meer

andere. Als een Japansche boer uit een nare nachtmerrie wakker wordt,

roept hij: "O _Baku!_ verslind mijn boozen droom." Er was een tijd,

dat men afbeeldingen van den _Baku_ in de Japansche huizen ophing en

diens naam op de kussens schreef. Men geloofde, dat, als de _Baku_

er toe kon gebracht worden, een naren droom op te eten, het wezen de

macht had, dien in geluk te veranderen.

Mythen & Legenden van Japan · 第 47 / 53 题