De Kappa.
De _Kappa_ is een riviermonster, een harig schepsel met het lichaam
van een schildpad en met schubbige beenderen. Zijn kop gelijkt
eenigszins op dien van een aap, en boven op den kop is een holte,
die een geheimzinnige vloeistof bevat, welke de bron moet zijn van
de groote macht van het schepsel. Het grootste genot van den _Kappa_
is, menschelijke wezens uit te dagen tot een tweegevecht, en de
ongelukkige man, die een zoodanige uitnoodiging krijgt, kan die niet
afslaan. Hoewel de _Kappa_ woest en twistziek is, is hij niettemin
uiterst beleefd. De reiziger, die zijn onverbiddelijke oproeping
krijgt, maakt voor het monster een diepe buiging. De beleefde Kappa
beantwoordt de buiging, en terwijl hij zijn kop buigt, stroomt
de vloeistof, die hem zijn kracht verleent, uit de holte in zijn
schedel, en daar hij dan zwak wordt, verdwijnen zijn oorlogszuchtige
karaktertrekken onmiddellijk. Maar het is even ongelukkig den _Kappa_
te overwinnen, als door hem te worden afgeranseld, immers de tijdelijke
roem der overwinning wordt spoedig gevolgd door het wegkwijnen van den
ongelukkigen reiziger. De _Kappa_ heeft de neigingen van een vampier,
want hij slaat de menschen in het water, als zij in de rivier of in
het meer baden, en zuigt hun bloed uit. In een bepaald gedeelte van
Japan heet het, dat hij ieder jaar twee slachtoffers eischt. Als hij
uit het water naar boven komt, wordt zijn huid bleek, en langzamerhand
verkwijnt hij, alsof hij lijdt aan een vreeselijke ziekte.
In Izuma noemen de dorpsbewoners den _Kappa_ gewoonlijk _Kawako_
("Het kind der Rivier"). Bij Matsue is een klein gehucht gelegen,
Kawachi-mura genoemd, en aan den oever der rivier is een kleine tempel,
bekend onder den naam van Kawako-no-miya, dat wil zeggen de tempel
van den _Kawako_ of _Kappa_, welke tempel een geschrift bevat, dat
door dat riviermonster onderteekend is. Omtrent dat geschrift wort
de volgende legende verhaald.
De belofte van den Kappa.
In oude tijden leefde in de rivier de Kawachi een _Kappa_, die er
zijn gewoonte van maakte, een aantal dorpsbewoners te pakken en te
dooden en bovendien een aantal van hun huisdieren. Op zekeren dag
ging een paard de rivier in, en de _Kappa_ verrekte op de één of
andere wijze zijn nek, toen hij het paard trachtte te pakken, maar
in weerwil van de ondragelijke pijn wilde hij zijn slachtoffer niet
loslaten. Het beangste paard sprong op den oever der rivier en holde
in een naburige weide, terwijl de _Kappa_ nog steeds het verschrikte
paard vasthield. De eigenaar van het paard bond, geholpen door een
aantal dorpsbewoners, het Kind der Rivier stevig vast. "Laat ons
dat afgrijselijke schepsel dooden," zoo spraken de boeren, "want hij
heeft zeker een aantal afschuwelijke misdaden gepleegd, en wij zouden
verstandig handelen, als wij ons van zulk een afschuwelijk monster
verlosten." "Neen," antwoordde de eigenaar van het paard, "wij zullen
hem niet dooden. Wij zullen hem laten zweren, dat hij nooit één van de
bewoners of van de huisdieren van dit dorp zal dooden." Een geschrift
werd dus gereedgemaakt, en den _Kappa_ werd gevraagd het door te lezen,
en na dit gedaan te hebben, het met zijn naam te onderteekenen. "Ik
kan niet schrijven," antwoordde de berouwvolle _Kappa_, "maar ik zal
mijn hand in inkt doopen en die op het geschrift drukken." Toen het
schepsel zijn merk op het stuk had gedrukt, werd hij losgelaten en
werd hem toegestaan naar de rivier terug te keeren, en van dien tijd
af tot heden toe is de _Kappa_ getrouw gebleven aan zijn belofte.
De Tengu.
Wij hebben reeds vroeger melding gemaakt van den _Tengu_, en wel in
het verhaal van Yoshitsune en Benkei. [82] Men zal zich herinneren, dat
in die legende Yoshitsune, één der grootste krijgslieden van het Oude
Japan, de krijgskunst leerde van den Koning der _Tengu_. Chamberlain
beschrijft de _Tengu_ als "een soort van aardgeesten, die rondwaren
over de bergen en in de bosschen, en die een aantal guitenstreken
uithalen. Zij hebben eenige verwantschap met vogels; want zij
hebben vleugels en een snavel, en somtijds klauwen. Maar dikwijls
wordt de snavel een breede en ontzaglijk lange menschelijke neus,
en het geheele schepsel wordt als menschelijk voorgesteld, daar er
niets vogelachtigs overblijft dan de waaier van veeren, waarmede het
dier zich verkoelt. Dikwijls is het in bladeren gehuld, en draagt het
een kleine muts op zijn kop. In één woord, de _Tengu_ zijn goden van
minderen rang, en zijn volleerd in de schermkunst en in het gebruik van
wapenen in het algemeen. De teekens, waarmede de naam wordt geschreven,
beteekenen 'hemelsche hond', doch deze naam leidt op een dwaalspoor,
daar het schepsel geen gelijkenis heeft met een hond, en zooals wij
reeds beschreven hebben, voor een deel er uitziet als een mensch,
voor een deel als een vogel." Er zijn nog andere overleveringen
omtrent het woord _Tengu_, die van geheel anderen aard zijn; men
verhaalt immers, dat Keizer Jomei dien naam gaf aan een meteoor,
"die het luchtruim doorkliefde van oost naar west, onder een krachtige
ontploffing." Bovendien is er een nog oudere lezing, volgens welke de
_Tengu_ uitgevloeid waren uit Susa-no-o, den Ontstuimigen Jongeling,
en ook nog, dat er vrouwelijke booze geesten waren met koppen van
dieren en groote ooren en neuzen van een zóó ontzaglijke lengte,
dat zij daarop menschen konden voortdragen en met dien last duizenden
mijlen zonder vermoeienis konden voortvliegen, terwijl bovendien hun
tanden zóó sterk en zóó scherp waren, dat die vrouwelijke demonen
zwaarden en speren konden doorbijten. Nog steeds gelooft men, dat
de _Tengu_ bepaalde bosschen bewoont, en de schuilplaatsen van hooge
bergen. In het algemeen gesproken is de _Tengu_ geen kwaadaardig wezen,
want hij heeft een sterk gevoel voor humor en is er dol op, iemand
goedmoedig in het ootje te nemen. Somtijds echter verstopt de _Tengu_
menschelijke wezens op geheimzinnige wijze, en als zij eindelijk
naar huis terugkeeren, zijn zij volslagen krankzinnig geworden. Dit
vreemde verschijnsel is bekend onder den naam van _Tengu-kakushi_,
of door een _Tengu_ verstopt.
Tobikawa bootst een Tengu na.
Tobikawa, die in zijn jonge jaren een worstelaar geweest was en in
Matsue woonde, bracht zijn tijd door met het jagen en dooden van
vossen. Hij hechtte geen geloof aan de verschillende bijgeloovige
opvattingen omtrent het dier, en algemeen was men van meening, dat
zijn groote kracht hem beveiligde tegen de toovenarij van vossen. Er
waren echter onder de bewoners van Matsue enkelen, die voorspelden,
dat Tobikawa tot een ontijdig einde zou komen ten gevolge van zijn
vermetele daden en zijn ongeloof in bovennatuurlijke krachten. Tobikawa
hield er bijzonder van, de menschen voor den gek te houden; hij had
zelfs eens de brutaliteit de gedaante van een _Tengu_ in hoofdzaken na
te bootsen, zooals de veeren, den langen neus, de klauwen enz. Nadat
hij zich zoo had vermomd, klom hij in een boom, die in een heilig
boschje stond. Dadelijk zagen de boeren hem, en daar zij dachten,
dat het wezen, dat zij zagen, een _Tengu_ was, begonnen zij hem te
aanbidden, en heel wat offeranden rondom den boom te plaatsen. Doch
helaas! de treurige voorspelling werd vervuld, want terwijl de
vroolijke Tobikawa de acrobatische kluchten van een _Tengu_ nadeed,
gleed hij van een tak af en werd hij gedood.
De Avonturen van Kiuchi Heizayemon.
Wij hebben reeds gesproken van den _Tengu-kakushi_, en de volgende
legende geeft een goed geteekende beschrijving van die bovennatuurlijke
gebeurtenis.
Op zekeren avond verdween plotseling een zekere ondergeschikte
bediende, Kiuchi Heizayemon. Toen de vrienden van Kiuchi gehoord
hadden, wat gebeurd was, gingen zij in alle richtingen naar hem
zoeken. Na langdurige nasporingen vonden zij zijn klompen, zijn scheede
en zijn zwaard; maar de scheede was gebogen als het gekromde hengsel
van een theeketel. Nauwelijks hadden zij die treurige ontdekking
gedaan, of zij zagen ook den gordel van Kiuchi, die in drie stukken
was gesneden. Tegen middernacht hoorden zij, die aan het zoeken
waren, een vreemd geschreeuw, een stem, die om hulp riep. Suzuki
Shichiro, één van den troep, zag juist op, toen hij een vreemd,
gevleugeld wezen zag staan op het dak van een tempel. Toen de overige
deelgenooten aan den tocht zich bij hun makker hadden gevoegd, zagen
zij allen op naar die vreemde figuur, waarop één zeide: "Ik geloof,
dat het niets anders is dan een zonnescherm, dat zich in den wind
heen en weer beweegt." "Laat ons trachten hieromtrent zekerheid te
krijgen", antwoordde Suzuki Shichiro, en na dit gezegd te hebben,
verhief hij zijn stem en riep hij zoo hard mogelijk: "Zijt gij de
verdwenen Kiuchi?" "Ja", was het antwoord, "en ik verzoek u, dat gij
mij zoo spoedig mogelijk van boven dezen tempel weghaalt".
Toen Kiuchi van het dak van den tempel naar beneden was gebracht, viel
hij flauw, en bleef drie dagen lang bewusteloos. Toen hij eindelijk
weer bij kennis was gekomen, gaf hij het volgende verslag van zijn
vreemd avontuur.
"Den avond waarop ik verdween, hoorde ik iemand herhaaldelijk hardop
mijn naam roepen, en toen ik naar buiten ging, ontdekte ik een monnik,
in het zwart gekleed, die luidkeels 'Heizayemon!' riep. Naast den
monnik stond een man van ontzaglijken lichaamsbouw; zijn gelaat was
rood, en zijn hangende haren vielen tot op den grond. 'Klim op gindsch
dak' riep hij woest. Ik weigerde een spitsboef met zulk een ongunstig
uiterlijk te gehoorzamen, en trok mijn zwaard, maar in een oogenblik
boog hij het lemmer om en brak hij de scheede in stukken. Daarna
werd mijn gordel ruw afgetrokken en in drie stukken gesneden. Toen
die zaken waren geschied, werd ik op een dak gedragen en daar hard
afgeranseld. Maar nog was het einde van mijn ellende niet bereikt,
want nadat ik was afgeranseld, werd ik gedwongen op een ronden bak
te gaan zitten. In een oogenblik werd ik in de lucht rondgedraaid,
en de bak droeg mij in razende vaart door een aantal landstreken
heen. Toen het mij bleek, dat ik tien dagen lang door het luchtruim
was voortgedreven, bad ik tot Buddha, en bevond mij, zooals ik dacht,
op den top van een berg, maar in werkelijkheid was het niet anders dan
het dak van den tempel, van waar gij, mijn makkers, mij hebt bevrijd."
Een geloof in den Tengu uit onzen tijd.
Kapitein Brinkley deelt ons in _Japan en China_ mede, dat tot zelfs nog
in het jaar 1860 de ambtenaren van het Gouvernement te Yedo openlijk
voor hun geloof in bovennatuurlijke wezens uitkwamen. Voordat de
_Shogun_ Nikko zou bezoeken, werd op hun bevel de volgende kennisgeving
aangeplakt in de nabijheid der praalgraven:
"_Aan den Tengu en overige Demonen_
"Daar onze _Shogun_ voornemens is in April van het volgende jaar
de praalgraven te Nikko te bezoeken, moeten gij, _Tengu_ en andere
Demonen, die op deze bergen woont, u van hier verwijderen totdat
de _Shogun_ zijn bezoek heeft volbracht.
"(Geteekend) _Mizuno_, Heer van Dewa.
"Juli 1860."
De plaatselijke autoriteiten waren nog niet tevreden met een dergelijke
kennisgeving. Nadat zij behoorlijk de _Tengu_ en overige demonen in
kennis hadden gesteld met de komst van den Shogun, werden de juiste
bergen, waar die wezens mochten verwijlen tijdens het bezoek van den
vorst, bij name aangeduid.
De Bergman en de Bergvrouw.
Het lichaam der Bergvrouw is bedekt met lange witte haren. Zij wordt
beschouwd als een menscheneetster (Kijo), en is als zoodanig bekend
in de Japansche mythen. Zij heeft behalve haar kannibalen-neigingen,
ook de eigenschap als een mot te kunnen rondvliegen en ongebaande
bergen gemakkelijk door te trekken.
De Bergman gelijkt, naar beweerd wordt, op een grooten, zwartharigen
aap. Hij is bijzonder sterk, en vindt er absoluut geen bezwaar
in, voedsel uit de dorpen te stelen. Hij is echter steeds gereed,
houthakkers te hulp te komen, en wil gaarne hout dragen in ruil voor
een baal rijst. Het is vergeefsche moeite, hem te pakken of te dooden,
want elken aanval, van welken aard ook, op den Bergman, brengt ongeluk,
en somtijds zelfs den dood aan de aanvallers.
Sennin.
De _Sennin_ zijn bergkluizenaars, en groot is het aantal legenden, dat
omtrent hen bekend is. Hoewel zij een menschelijke gedaante hebben,
zijn zij toch tevens onsterfelijk, en ingewijd in de tooverkunst. De
eerste groote Japansche _sennin_ was Yosho, die in het jaar 870 n.C. te
Noto geboren was. Even vóór zijn geboorte droomde zijn moeder, dat
zij de zon had ingeslikt, een droom, die de wonderbare macht van haar
kind voorspelde. Yosho was vlijtig en vroom, en bracht het grootste
gedeelte van zijn tijd door met het bestudeeren van de "Lotus van de
Wet". Hij leefde hoogst eenvoudig en wist zijn dagelijksch rantsoen
terug te brengen tot één gierstkorrel. Hij vertrok van de aarde in het
jaar 901, na groote bovennatuurlijke macht te hebben verkregen. Zijn
mantel liet hij aan den tak van een boom hangen met een rol, waarop
deze woorden geschreven waren: "Ik laat mijn mantel na aan Emmei
van Dogen-ji". Na verloop van tijd werd ook Emmei een _sennin_,
en was hij in staat, evenals zijn meester een aantal wonderen te
verrichten. Korten tijd na het verdwijnen van Yosho werd zijn vader
ernstig ziek, en hij bad vurig, dat hij zijn beminden zoon terug mocht
zien. Als antwoord op zijn gebeden, werd de stem van Yosho gehoord,
die de "Lotus van de Wet" opzegde. Toen hij daarmede klaar was,
zeide hij tot zijn diep bedroefden vader: "Indien op den 18_den_
van iedere maand bloemen worden geofferd en wierook wordt verbrand,
zal mijn geest neerdalen en u begroeten, aangetrokken door den geur
der bloemen en den blauwen rook van den wierook."
De Sennin en de Kunst.
Dikwijls worden de _Sennin_ in de Japansche kunst uitgebeeld: Chokoro,
die zijn tooverpaard van een reusachtigen pompoen losmaakt; Gama
met zijn tooverpadde; Tekkai, die zijn ziel in de ruimte wegblaast;
Roko, die zich op een vliegende schildpad in evenwicht houdt; en Kumé,
die van zijn wolkenwagen viel, omdat hij, in strijd met zijn heilig
beroep, het beeld van een schoon meisje liefhad, dat in de rivier
werd teruggekaatst.
Wonderbaarlijke Lichten.
Er zijn verschillende soorten van vuurverschijningen in Japan. Zoo
vindt men de geestenvlam, het demonenlicht, de vossenvlam, den
flikkerenden pilaar, de dassenvlam, de drakentoorts en de lamp van
Buddha. Bovendien zegt men, dat van sommige vogels, zooals de blauwe
reiger, bovennatuurlijk licht uitstraalt door de huid heen, uit den
mond en uit de oogen. Er zijn ook vuurwielen, of boden uit den Hades,
behalve de vlammen, die uit het kerkhof te voorschijn komen.
Een Vuurbol.
Van het begin van Maart tot het einde van Juni kan men in de provincie
Settsu een vuurbol zien rusten op den top van een boom, en in dien
vuurbol is een menschelijk gelaat. In oude dagen leefde er in Nikaido,
een district van Settsu, een priester, Nikobo genaamd, beroemd om
zijn macht, kwade geesten en allerlei soorten van kwade invloeden
uit te bannen. Toen de vrouw van den plaatselijken gouverneur ziek
werd, werd Nikobo verzocht haar te bezoeken en te zien, wat hij kon
doen, om haar weer haar gezondheid terug te geven. Nikobo willigde
dit verzoek gaarne in, en bracht verscheidene dagen door naast het
bed der lijdende dame. Met grooten ijver paste hij zijn kunst van
geesten uitbannen toe, en na verloop van tijd genas de vrouw van den
gouverneur. Maar de vriendelijke en goedhartige Nikobo ontving geen
dank voor wat hij had gedaan; integendeel: de gouverneur werd jaloersch
op hem, beschuldigde hem van een lage misdaad en liet hem ter dood
brengen. De ziel van Nikobo vlamde in woede op en nam den vorm aan
van een wonderbaarlijken vuurbol, die bleef zweven over de woning van
den moordenaar. Het vreemde licht, met het terecht woedende gelaat,
dat daaruit voor den dag kwam, had de gewenschte uitwerking, daar de
gouverneur door een hevige koorts werd aangetast, die hem ten slotte
doodde. Ieder jaar, op den reeds genoemden tijd, brengt de geest van
Nikobo een bezoek aan de plaats van zijn lijden en zijn wraak.
De worstelende Geesten.
In de provincie Omi, aan den voet der Katadaheuvels, is een
meer. Tijdens de bewolkte nachten in het begin van den herfst verrijst
een vuurbol aan den oever van het meer, die zich, als hij naar de
heuvelen drijft, uitzet en weer inkrimpt. Als hij tot manshoogte
gestegen is, vertoont hij twee lichtgevende gezichten, die zich
langzaam ontwikkelen tot de lichamen van twee naakte worstelaars,
die aan elkander zijn vastgehecht en die woedend strijden. De vuurbol
met zijn woeste worstelaars drijft langzaam weg naar een eenzame plek
in de Katada-heuvels. Hij is volkomen onschadelijk zoolang niemand
er zich mede bemoeit, maar hij duldt niet, dat hij in zijn voortgang
wordt gestuit. Volgens een legende in verband met dit verschijnsel
zou een zekere worstelaar, die nooit een nederlaag had geleden,
tegen middernacht de komst van dien vuurbol hebben afgewacht. Toen
de vuurbol hem bereikte, trachtte hij dien met geweld naar beneden
te halen, maar de lichtende bol vervolgde zijn weg, en sleepte den
dwazen worstelaar een heel eind met zich mede.
Baku.
Bijgeloovige menschen in Japan zijn er van overtuigd, dat booze
droomen het gevolg zijn van booze geesten, en het bovennatuurlijke
wezen, _Baku_ genoemd, staat bekend als de Eter van Droomen. De _Baku_
is, zooals zooveel mythologische wezens, een merkwaardig mengsel van
verschillende diersoorten. Hij heeft den kop van een leeuw, den romp
van een paard, den staart van een koe en de pooten van een tijger. In
een oud Japansch boek vindt men een aantal booze droomen vermeld,
zooals twee slangen, ineengestrengeld, een vos met de stem van een
man, kleeren met bloed bevlekt, een sprekenden rijstpot en nog meer
andere. Als een Japansche boer uit een nare nachtmerrie wakker wordt,
roept hij: "O _Baku!_ verslind mijn boozen droom." Er was een tijd,
dat men afbeeldingen van den _Baku_ in de Japansche huizen ophing en
diens naam op de kussens schreef. Men geloofde, dat, als de _Baku_
er toe kon gebracht worden, een naren droom op te eten, het wezen de
macht had, dien in geluk te veranderen.