HOOFDSTUK XXVIII. BIJGELOOF.

Japansch Bijgeloof.

Het hier genoemde onderwerp is van bijzondere beteekenis,

daar het dient, ons aan te wijzen, langs welken weg een aantal

mythen en legenden en meer in het bijzonder folklore, zich hebben

ontwikkeld. Bijgeloof is als het ware het ruwe materiaal, waaruit

tallooze vreemde godsdienstige begrippen zich tot sprookjes hebben

ontwikkeld, en een onderzoek van het onderwerp zal ons doen zien,

hoe de geest van den landman bepaalde bovennatuurlijke krachten tracht

tegen te gaan of ze in het dagelijksch leven tot zijn voordeel tracht

te doen strekken. In deze bladzijden zijn reeds een aantal vormen van

bijgeloof vermeld, en in dit hoofdstuk zullen wij diegene bespreken,

welke nog niet elders behandeld zijn. Het is nauwelijks noodig er

op te wijzen, dat al die voorbeelden van bijgeloof, gekozen uit een

rijke bron van vreemde godsdienstige opvattingen, uit den aard der

zaak uiterst primitief zijn, misschien echter met uitzondering van

die, welke in betrekking staan met de classieke kunst van waarzeggen,

die eigen is aan de minder ontwikkelde standen van Japan.

Menschenoffers.

In voorhistorische tijden bezat de boog, naar men meende,

bovennatuurlijke macht. Op wonderbaarlijke wijze zou hij op het dak in

iemands huis komen, als een teeken, dat de oudste ongehuwde dochter

moest worden opgeofferd. Zij werd dus levend begraven, opdat haar

vleesch door de Godheid der Wilde Dieren kon worden verslonden. Later

echter was de boog niet langer de boodschap van een wreede godheid,

want hij verloor langzamerhand zijn afschuwelijke beteekenis, en is

nu het symbool van veiligheid geworden. Tot op onzen tijd kan men

hem bevestigd zien aan den nok van een dak, en wordt hij beschouwd

als een geluk brengend toovermiddel.

Wij kennen nog een tweede voorbeeld van menschenoffers in de oude

afstootende gewoonten, om iemand levend te begraven, in de meening, dat

hierdoor de stevigheid van een brug of een kasteel wordt vergroot. In

den ouden tijd, toen gedwongen arbeid aan de orde van den dag was,

had men ongelukkig slechts weinig ontzag voor de heiligheid van het

menschelijke leven. Zij die zonder belooning arbeidden, stonden onder

toezicht van een meedoogenloos opziener, die aan zijn bevelen kracht

bijzette door middel van een speer. Hij was ieder oogenblik gereed

allen te dooden, die lui of in eenig opzicht weerspannig waren, en

heel wat lijken werden in het metselwerk geworpen. Als een rivier

moest worden afgedamd, of een vesting met grooten spoed moest worden

gebouwd, was dit betreurenswaardige gebruik voortdurend in zwang.

Als een nieuwe brug gebouwd werd, waren haar nut en langdurig bestaan

verzekerd, niet alleen door menschenoffers of door smart, maar

somtijds ook door geluk. Het waren alleen menschen van een bijzonder

gelukkige gemoedsstemming, wien werd toegestaan, over een nieuwe brug

te loopen. Het verhaal is bekend, dat de Matsue-brug het eerst werd

overgetrokken door twee vroolijke, oude mannen, die ieder een gezin

van twaalf kinderen hadden, bij welken overtocht zij vergezeld waren

van hun vrouwen, kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Die

vroolijke optocht had plaats onder veel vreugdebetoon en het afsteken

van vuurwerk. Het denkbeeld, dat geluk bijdraagt tot den gelukkigen

bouw en de stevigheid van een Japansche brug, is een aardige gedachte,

maar ongelukkig is de oude brug van Matsue, die nu vervangen is door

een andere, die veel minder schilderachtig is, verbonden met een zeer

onaangename overlevering.

Toen Horio Yoshiharu _Daimio_ van Izumo werd, vatte hij het plan op een

brug te bouwen over de onstuimige rivier bij Matsue. Hoewel er heel wat

menschen aan werkzaam waren, om zijn wenschen ten uitvoer te brengen,

wilde het werk niet vlotten. Tallooze groote steenen werden in het

voortsnellende water geworpen met de bedoeling, daardoor een stevigen

grondslag te leggen, waarop de pijlers moesten worden opgetrokken,

maar een groot aantal steenen spoelden weg, en zoodra de brug een

tastbaren vorm begon aan te nemen, werd hij door den bruisenden stroom

vernield. Men meende, dat de geesten van den stroom vertoornd waren,

en men achtte het noodig, ten einde die te verzoenen, een menschenoffer

te brengen. Daarom werd een man levend begraven onder de middelsten

pijler, waar het water het onstuimigst was. Toen dat geschied was,

vorderde het werk voorspoedig, en gedurende driehonderd jaar bleef

de brug ongeschonden. Het ongelukkige slachtoffer was Gensuke, en dit

was dan ook de naam, aan den middelsten pijler gegeven. Men verhaalt,

dat in nachten, waarin de maan niet schijnt, een geheimzinnig rood

licht van dien pijler uitstraalt--de spookachtige uitstroomingen van

den armen Gensuke.

Classieke waarzeggerij.

Een der meest populaire vormen van Japansch bijgeloof hangt samen met

waarzeggerij, en de leer van Confucius heeft niet weinig bijgedragen

tot haar populariteit. De _Yih-King_, of "Boek der Veranderingen",

is de voornaamste bron dier kunst, en Confucius besteedde zóóveel

tijd aan de studie van dit geheimzinnige werk, dat, naar men verhaalt,

de lederen riemen, die gebruikt werden om de bladen bijeen te houden,

tijdens zijn leven driemaal moesten worden hernieuwd. Die _Yih-King_

werd begonnen door Fu Hsi, tweeduizend jaar vóór de geboorte van

Christus, en Confucius voegde daar veel nieuwe bouwstoffen aan

toe. Een meer ingewikkelde wijze, om de toekomst te lezen dan door

middel van een groot aantal verschillende figuren, kan men zich niet

voorstellen. Een zóó ingewikkeld stelsel van waarzeggen werd uit

den aard der zaak uitsluitend de wetenschap van enkele uitverkoren

geleerden, maar na verloop van tijd onderging het verschillende

wijzigingen. Het verloor tot op zekere hoogte zijn meest classiek

uiterlijk, en een groot aantal Japansche waarzeggers traden in het land

op, die voor een gering loon in de toekomst lazen, en dat wel zonder

den stempel te dragen van een diepe studie in den _Yih-King_. Een

betrekkelijk eenvoudige vorm van waarzeggen is die, waarbij vijftig

staafjes gebruikt worden, die op een bijzondere wijze worden

door elkander geschud, en de wijze, waarop ten slotte de staafjes

gerangschikt liggen, geeft het antwoord op de gestelde vragen. Een

aantal van de tegenwoordige waarzeggers in Japan zijn niets anders

dan kwakzalvers, die gebruik maken van de lichtgeloovigheid van hen,

die hun diensten inroepen, zonder dat zij goed op de hoogte zijn van de

kunst, die zij uitoefenen. Maar in oude tijden stond het waarzeggen met

gewijde ceremonies in verband. Het was voor den waarzegger, evenals

voor den ouden wapensmid, noodzakelijk zich voor zijn taak voor te

bereiden. Van hem werd geëischt, dat hij zijn lichaam met de grootste

zorg reinigde, dat hij in een afgezonderd vertrek ging zitten en

het ingewikkelde proces van het schudden der staafjes met eerbiedigen

geest volbracht. Op een bepaald oogenblik moest hij zijn oogen sluiten,

een tijdlang den adem inhouden en zijn gedachten concentreeren op het

waarzeggen; de oude waarzegger toch meende, evenals de oude Shinto

priester, dat hij het bovennatuurlijke te hulp riep.

Andere vormen van waarzeggerij.

Bij andere vormen van waarzeggerij, die geen deskundige verklaring

vereischen, meent men, dat de toekomst kan worden geopenbaard door

de barsten en lijnen van het bot van een eenigszins verbranden

reebout, een methode, die veel overeenkomst heeft met de oude

Engelsche gewoonte van voorspellen uit botten van dieren. Het was

niet altijd gemakkelijk, een reebout te krijgen, en daar de barsten

en andere teekenen van meer belang waren dan het bot zelf, gebruikte

men na verloop van tijd gebrande schalen van schildpadden. Daar

haarkammen meestal van dat materiaal waren vervaardigd, was een

vrouw, door haar kam te laten verkolen, in staat de lijnen te lezen

en zoo de trouw en andere eigenschappen van haar minnaar te leeren

kennen. Meisjes waren gewoon in de toekomst te lezen, en na te gaan,

wat deze voor haar in den schoot had, door laat in den avond uit

te gaan en de losse opmerkingen van voorbijgangers met elkander te

verbinden. Deze wijze van voorspellen is bekend onder den naam van

_tsuji-ura_, maar zij is volstrekt niet uitsluitend aan Japan eigen,

want zij wordt ook nog dikwijls in Europa, voornamelijk in Engeland,

door bijgeloovige menschen toegepast. Een verliefd meisje trachtte

te ontdekken, of haar liefde wel of niet beantwoord werd, door een

stok in den grond te plaatsen, en dien met verschillende offers

te omgeven, ter wijl zij lette op de gesprekken van reizigers,

welke dien kant uitkwamen. [81] Een latere en meer uitgewerkte

ontwikkeling van dien vorm van waarzeggen vereischte drie meisjes,

en de gebruikte methode was deze: De jonge meisjes gingen naar een

kruispunt van wegen, en herhaalden driemaal een smeekbede aan den

God der Wegen. Als zij die Godheid hadden aangeroepen, wierpen zij

rijst op den grond, immers rijst heeft de macht, kwade geesten te

verdrijven. De meisjes wreven daarna haar vingers tegen de tanden van

een borstel van beukenhout, omdat _tsuge_, het Japansche woord voor

beukenhout, tevens "vertellen" beteekent. Na die voorbereidselen ging

ieder van haar in een verschillenden stand staan, en voegden zij de

opmerkingen der voorbijgangers tot één geheel samen. Somtijds werd

ook een tijding omtrent de toekomst ontvangen, terwijl hij, die iets

omtrent de toekomst wilde weten, onder een brug stond en luisterde naar

het getrappel der voeten, en somtijds ook meende men, dat een priester

die al inademend floot, het ééne of andere voorteeken kon openbaren.

Ongelukkige Jaren en Dagen.

Men meent, dat bepaalde levensperioden bijzonder ongelukkig zijn. Het

vijf en twintigste, twee en veertigste en één en zestigste jaar in

het leven van een man worden als ongelukkig beschouwd, terwijl de

ongelukkige jaren van het leven eener vrouw het negentiende, drie en

dertigste en zeven en dertigste zijn. Ten einde gedurende die perioden

rampen te voorkomen, is het noodzakelijk veel tijd te besteden

aan godsdienstige oefeningen. Mannen en vrouwen wordt afgeraden,

een reis te ondernemen tijdens het zestiende, vijf en twintigste,

vier en dertigste, drie en veertigste, twee en vijftigste en één

en zestigste jaar. Als bijgeloovige vrouwen een nieuw kleedingstuk

wenschen te vervaardigen, spreken zij een tooverspreuk uit en strooien

zij later drie snuifjes zout op de mouw bij den schouder. Geen vrouw

kon zonder nadeel haar naald gebruiken op een "apen" dag, maar veel

liever moest zij daarvoor een "vogel" dag gebruiken. Indien het werk

op den eerstgenoemden dag ondernomen wordt, is er gevaar voor, dat het

kleed scheurt of verbrandt; maar als het gewaad op den laatstgenoemden

dag wordt vervaardigd, zal het de schoonheid en duurzaamheid hebben

van de veeren van een vogel.

Kinderen.

Als een tand van een kind uitvalt, wordt die onder de dakpannen

weggeworpen, met den wensch, dat hij vervangen wordt door dien van een

boozen geest. Somtijds wordt de tand van een kleinen jongen of een jong

meisje op den grond geworpen met het verzoek, dat die vervangen wordt

door dien van een rat. Kinderen zijn tegen nachtmerrie beveiligd,

als het woord "hondje" op hun voorhoofd wordt geschreven; en als

aan die voorzorg nog is toegevoegd een teekening van den _Baku_,

Eter van Droomen, zal het zeker zijn, dat de slaap van den kleinen

van rustigen aard zal zijn. Het woord "hond" op het voorhoofd van een

kind geschreven, is een beveiliging tegen de betoovering door vossen

en dassen.

Sommige kunstmiddeltjes, die den roep hebben kinderziekten te

genezen, zijn hoogst merkwaardig. Bloed, uit een hanekam getapt,

geneest een slechte spijsvertering, terwijl uitslag op het hoofd

kan verdreven worden door herhaaldelijk de volgende woorden uit te

spreken: "In de lange lentedagen kan het onkruid verwijderd worden,

maar in den tuin moet het oogenblikkelijk uitgeroeid worden." Zelfs

een Japansche zuigeling huilt van tijd tot tijd, maar als een rood

zakje, dat hondenhaar bevat, aan zijn rug is vastgemaakt, zal het

oogenblikkelijk ophouden te huilen en zal het klagende geween plaats

maken voor glimlachjes. Blindheid is dikwijls het gevolg van pokken,

maar die ramp kan vermeden worden, door zeven erwten in een put te

werpen, onder het opzeggen van zeven gebeden, en daarna al het water

uit den put te scheppen.

Toovermiddelen.

Een groot aantal Japansche toovermiddelen bestaan uit stukjes

papier, die een opschrift dragen, dat ten doel heeft rampen af te

weren. Een ander middel is een papier, beschreven met den naam van

een godheid. Men geeft het den vorm van een lange strook, die door

de arme lieden aan den buitenkant van hun woningen wordt bevestigd,

terwijl zij, die niet tegen armoede hebben te kampen, het beschouwen

als een deel van het huiselijk altaar. De afdruk van de hand van

een kind, die, zooals Chamberlain schrijft, verkregen wordt door

de hand eerst met inkt te bevochtigen en haar daarna op een vel

papier te drukken, weert, zooals gezegd wordt, kwade invloeden

af. Brokstukken van tempels, rijstkorrels, die zóó gesneden zijn,

dat zij de Geluksgoden voorstellen, kleine _sutra's_, copieën van

den voetafdruk, van Buddha, en een aantal ander vreemde invallen,

behooren tot de veelvuldige Japansche toovermiddelen.

Het wenkende Blad.

Er is een zekere Japansche boom, _tegashiwa_ genaamd, waarvan de

bladeren in vorm eenige overeenkomst hebben met een hand. In oude

tijden kreeg een _samurai_, als hij verplicht was zijn huis te

verlaten, onmiddellijk vóór zijn vertrek een _tai_ (baars), die

werd opgediend op een blad van een _tegashiwa_-boom. Dit was zijn

afscheidsmaal, en als de _samurai_ den visch had gegeten, werd het

blad boven de deur gehangen, waarbij de gedachte voorzat, dat dit hem

op reis zou doen behouden blijven en hem weer veilig naar huis zou

doen terugkeeren. Het was niet zoozeer de vorm als wel de beweging

van het _tegashiwa_-blad, die aanleiding gaf tot die aardige gedachte,

want het blad scheen, als het door den wind werd bewogen, op de gewone

bekoorlijke Japansche wijze te wenken.

Bimbogami.

Gewoonlijk ziet men, dat droge erwten een afdoend middel zijn om booze

geesten te verdrijven, maar Bimbogami, de God der Armoede, is niet

zoo gemakkelijk te overwinnen. Er is iets pathetisch in het denkbeeld,

dat de armoede beschouwd moet worden als een koppige en ongewenschte

knaap, want hier komen wij op het terrein der werkelijkheid. Hoewel

Bimbogami geen aandacht slaat op de droge erwten, kan hij toch door

andere middelen verjaagd worden.

Het houtskoolvuur in een Japansche keuken wordt tot een heerlijken

gloed aangeblazen door middel van een werktuig, _hifukidake_ genaamd,

een bamboebuis--een meer artistieken en eenvoudigen vorm van blaasbalg,

waar de opgeblazen wangen de plaats innemen van onzen door de

hand bewogen leeren zak. Spoedig reeds knapt de bamboebuis door de

ontzettende hitte. Zoodra dit het geval is, wordt een koperen munt

binnen in de buis geplaatst, een tooverformulier wordt uitgesproken,

en daarna wordt de "blaaspijp" òf op de straat òf in een rivier

geworpen. Men meent steeds, dat het wegwerpen van de onbruikbare

bamboebuis het gedwongen vertrek van Bimbogami beteekent. De meesten

van ons kennen wel het Doodskloppertje, dat als een horloge in onze

meubels tikt. In Japan wordt het _Bimbomushi_, of "Armoede-Insect"

genoemd. Zijn tikken voorspelt niet den naderenden dood, zooals in

ons land het geval is, maar het is een teeken van de ongewenschte

aanwezigheid van den God der Armoede in de Japansche woning.

Mythen & Legenden van Japan · 第 46 / 53 题