Japansch Bijgeloof.
Het hier genoemde onderwerp is van bijzondere beteekenis,
daar het dient, ons aan te wijzen, langs welken weg een aantal
mythen en legenden en meer in het bijzonder folklore, zich hebben
ontwikkeld. Bijgeloof is als het ware het ruwe materiaal, waaruit
tallooze vreemde godsdienstige begrippen zich tot sprookjes hebben
ontwikkeld, en een onderzoek van het onderwerp zal ons doen zien,
hoe de geest van den landman bepaalde bovennatuurlijke krachten tracht
tegen te gaan of ze in het dagelijksch leven tot zijn voordeel tracht
te doen strekken. In deze bladzijden zijn reeds een aantal vormen van
bijgeloof vermeld, en in dit hoofdstuk zullen wij diegene bespreken,
welke nog niet elders behandeld zijn. Het is nauwelijks noodig er
op te wijzen, dat al die voorbeelden van bijgeloof, gekozen uit een
rijke bron van vreemde godsdienstige opvattingen, uit den aard der
zaak uiterst primitief zijn, misschien echter met uitzondering van
die, welke in betrekking staan met de classieke kunst van waarzeggen,
die eigen is aan de minder ontwikkelde standen van Japan.
Menschenoffers.
In voorhistorische tijden bezat de boog, naar men meende,
bovennatuurlijke macht. Op wonderbaarlijke wijze zou hij op het dak in
iemands huis komen, als een teeken, dat de oudste ongehuwde dochter
moest worden opgeofferd. Zij werd dus levend begraven, opdat haar
vleesch door de Godheid der Wilde Dieren kon worden verslonden. Later
echter was de boog niet langer de boodschap van een wreede godheid,
want hij verloor langzamerhand zijn afschuwelijke beteekenis, en is
nu het symbool van veiligheid geworden. Tot op onzen tijd kan men
hem bevestigd zien aan den nok van een dak, en wordt hij beschouwd
als een geluk brengend toovermiddel.
Wij kennen nog een tweede voorbeeld van menschenoffers in de oude
afstootende gewoonten, om iemand levend te begraven, in de meening, dat
hierdoor de stevigheid van een brug of een kasteel wordt vergroot. In
den ouden tijd, toen gedwongen arbeid aan de orde van den dag was,
had men ongelukkig slechts weinig ontzag voor de heiligheid van het
menschelijke leven. Zij die zonder belooning arbeidden, stonden onder
toezicht van een meedoogenloos opziener, die aan zijn bevelen kracht
bijzette door middel van een speer. Hij was ieder oogenblik gereed
allen te dooden, die lui of in eenig opzicht weerspannig waren, en
heel wat lijken werden in het metselwerk geworpen. Als een rivier
moest worden afgedamd, of een vesting met grooten spoed moest worden
gebouwd, was dit betreurenswaardige gebruik voortdurend in zwang.
Als een nieuwe brug gebouwd werd, waren haar nut en langdurig bestaan
verzekerd, niet alleen door menschenoffers of door smart, maar
somtijds ook door geluk. Het waren alleen menschen van een bijzonder
gelukkige gemoedsstemming, wien werd toegestaan, over een nieuwe brug
te loopen. Het verhaal is bekend, dat de Matsue-brug het eerst werd
overgetrokken door twee vroolijke, oude mannen, die ieder een gezin
van twaalf kinderen hadden, bij welken overtocht zij vergezeld waren
van hun vrouwen, kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Die
vroolijke optocht had plaats onder veel vreugdebetoon en het afsteken
van vuurwerk. Het denkbeeld, dat geluk bijdraagt tot den gelukkigen
bouw en de stevigheid van een Japansche brug, is een aardige gedachte,
maar ongelukkig is de oude brug van Matsue, die nu vervangen is door
een andere, die veel minder schilderachtig is, verbonden met een zeer
onaangename overlevering.
Toen Horio Yoshiharu _Daimio_ van Izumo werd, vatte hij het plan op een
brug te bouwen over de onstuimige rivier bij Matsue. Hoewel er heel wat
menschen aan werkzaam waren, om zijn wenschen ten uitvoer te brengen,
wilde het werk niet vlotten. Tallooze groote steenen werden in het
voortsnellende water geworpen met de bedoeling, daardoor een stevigen
grondslag te leggen, waarop de pijlers moesten worden opgetrokken,
maar een groot aantal steenen spoelden weg, en zoodra de brug een
tastbaren vorm begon aan te nemen, werd hij door den bruisenden stroom
vernield. Men meende, dat de geesten van den stroom vertoornd waren,
en men achtte het noodig, ten einde die te verzoenen, een menschenoffer
te brengen. Daarom werd een man levend begraven onder de middelsten
pijler, waar het water het onstuimigst was. Toen dat geschied was,
vorderde het werk voorspoedig, en gedurende driehonderd jaar bleef
de brug ongeschonden. Het ongelukkige slachtoffer was Gensuke, en dit
was dan ook de naam, aan den middelsten pijler gegeven. Men verhaalt,
dat in nachten, waarin de maan niet schijnt, een geheimzinnig rood
licht van dien pijler uitstraalt--de spookachtige uitstroomingen van
den armen Gensuke.
Classieke waarzeggerij.
Een der meest populaire vormen van Japansch bijgeloof hangt samen met
waarzeggerij, en de leer van Confucius heeft niet weinig bijgedragen
tot haar populariteit. De _Yih-King_, of "Boek der Veranderingen",
is de voornaamste bron dier kunst, en Confucius besteedde zóóveel
tijd aan de studie van dit geheimzinnige werk, dat, naar men verhaalt,
de lederen riemen, die gebruikt werden om de bladen bijeen te houden,
tijdens zijn leven driemaal moesten worden hernieuwd. Die _Yih-King_
werd begonnen door Fu Hsi, tweeduizend jaar vóór de geboorte van
Christus, en Confucius voegde daar veel nieuwe bouwstoffen aan
toe. Een meer ingewikkelde wijze, om de toekomst te lezen dan door
middel van een groot aantal verschillende figuren, kan men zich niet
voorstellen. Een zóó ingewikkeld stelsel van waarzeggen werd uit
den aard der zaak uitsluitend de wetenschap van enkele uitverkoren
geleerden, maar na verloop van tijd onderging het verschillende
wijzigingen. Het verloor tot op zekere hoogte zijn meest classiek
uiterlijk, en een groot aantal Japansche waarzeggers traden in het land
op, die voor een gering loon in de toekomst lazen, en dat wel zonder
den stempel te dragen van een diepe studie in den _Yih-King_. Een
betrekkelijk eenvoudige vorm van waarzeggen is die, waarbij vijftig
staafjes gebruikt worden, die op een bijzondere wijze worden
door elkander geschud, en de wijze, waarop ten slotte de staafjes
gerangschikt liggen, geeft het antwoord op de gestelde vragen. Een
aantal van de tegenwoordige waarzeggers in Japan zijn niets anders
dan kwakzalvers, die gebruik maken van de lichtgeloovigheid van hen,
die hun diensten inroepen, zonder dat zij goed op de hoogte zijn van de
kunst, die zij uitoefenen. Maar in oude tijden stond het waarzeggen met
gewijde ceremonies in verband. Het was voor den waarzegger, evenals
voor den ouden wapensmid, noodzakelijk zich voor zijn taak voor te
bereiden. Van hem werd geëischt, dat hij zijn lichaam met de grootste
zorg reinigde, dat hij in een afgezonderd vertrek ging zitten en
het ingewikkelde proces van het schudden der staafjes met eerbiedigen
geest volbracht. Op een bepaald oogenblik moest hij zijn oogen sluiten,
een tijdlang den adem inhouden en zijn gedachten concentreeren op het
waarzeggen; de oude waarzegger toch meende, evenals de oude Shinto
priester, dat hij het bovennatuurlijke te hulp riep.
Andere vormen van waarzeggerij.
Bij andere vormen van waarzeggerij, die geen deskundige verklaring
vereischen, meent men, dat de toekomst kan worden geopenbaard door
de barsten en lijnen van het bot van een eenigszins verbranden
reebout, een methode, die veel overeenkomst heeft met de oude
Engelsche gewoonte van voorspellen uit botten van dieren. Het was
niet altijd gemakkelijk, een reebout te krijgen, en daar de barsten
en andere teekenen van meer belang waren dan het bot zelf, gebruikte
men na verloop van tijd gebrande schalen van schildpadden. Daar
haarkammen meestal van dat materiaal waren vervaardigd, was een
vrouw, door haar kam te laten verkolen, in staat de lijnen te lezen
en zoo de trouw en andere eigenschappen van haar minnaar te leeren
kennen. Meisjes waren gewoon in de toekomst te lezen, en na te gaan,
wat deze voor haar in den schoot had, door laat in den avond uit
te gaan en de losse opmerkingen van voorbijgangers met elkander te
verbinden. Deze wijze van voorspellen is bekend onder den naam van
_tsuji-ura_, maar zij is volstrekt niet uitsluitend aan Japan eigen,
want zij wordt ook nog dikwijls in Europa, voornamelijk in Engeland,
door bijgeloovige menschen toegepast. Een verliefd meisje trachtte
te ontdekken, of haar liefde wel of niet beantwoord werd, door een
stok in den grond te plaatsen, en dien met verschillende offers
te omgeven, ter wijl zij lette op de gesprekken van reizigers,
welke dien kant uitkwamen. [81] Een latere en meer uitgewerkte
ontwikkeling van dien vorm van waarzeggen vereischte drie meisjes,
en de gebruikte methode was deze: De jonge meisjes gingen naar een
kruispunt van wegen, en herhaalden driemaal een smeekbede aan den
God der Wegen. Als zij die Godheid hadden aangeroepen, wierpen zij
rijst op den grond, immers rijst heeft de macht, kwade geesten te
verdrijven. De meisjes wreven daarna haar vingers tegen de tanden van
een borstel van beukenhout, omdat _tsuge_, het Japansche woord voor
beukenhout, tevens "vertellen" beteekent. Na die voorbereidselen ging
ieder van haar in een verschillenden stand staan, en voegden zij de
opmerkingen der voorbijgangers tot één geheel samen. Somtijds werd
ook een tijding omtrent de toekomst ontvangen, terwijl hij, die iets
omtrent de toekomst wilde weten, onder een brug stond en luisterde naar
het getrappel der voeten, en somtijds ook meende men, dat een priester
die al inademend floot, het ééne of andere voorteeken kon openbaren.
Ongelukkige Jaren en Dagen.
Men meent, dat bepaalde levensperioden bijzonder ongelukkig zijn. Het
vijf en twintigste, twee en veertigste en één en zestigste jaar in
het leven van een man worden als ongelukkig beschouwd, terwijl de
ongelukkige jaren van het leven eener vrouw het negentiende, drie en
dertigste en zeven en dertigste zijn. Ten einde gedurende die perioden
rampen te voorkomen, is het noodzakelijk veel tijd te besteden
aan godsdienstige oefeningen. Mannen en vrouwen wordt afgeraden,
een reis te ondernemen tijdens het zestiende, vijf en twintigste,
vier en dertigste, drie en veertigste, twee en vijftigste en één
en zestigste jaar. Als bijgeloovige vrouwen een nieuw kleedingstuk
wenschen te vervaardigen, spreken zij een tooverspreuk uit en strooien
zij later drie snuifjes zout op de mouw bij den schouder. Geen vrouw
kon zonder nadeel haar naald gebruiken op een "apen" dag, maar veel
liever moest zij daarvoor een "vogel" dag gebruiken. Indien het werk
op den eerstgenoemden dag ondernomen wordt, is er gevaar voor, dat het
kleed scheurt of verbrandt; maar als het gewaad op den laatstgenoemden
dag wordt vervaardigd, zal het de schoonheid en duurzaamheid hebben
van de veeren van een vogel.
Kinderen.
Als een tand van een kind uitvalt, wordt die onder de dakpannen
weggeworpen, met den wensch, dat hij vervangen wordt door dien van een
boozen geest. Somtijds wordt de tand van een kleinen jongen of een jong
meisje op den grond geworpen met het verzoek, dat die vervangen wordt
door dien van een rat. Kinderen zijn tegen nachtmerrie beveiligd,
als het woord "hondje" op hun voorhoofd wordt geschreven; en als
aan die voorzorg nog is toegevoegd een teekening van den _Baku_,
Eter van Droomen, zal het zeker zijn, dat de slaap van den kleinen
van rustigen aard zal zijn. Het woord "hond" op het voorhoofd van een
kind geschreven, is een beveiliging tegen de betoovering door vossen
en dassen.
Sommige kunstmiddeltjes, die den roep hebben kinderziekten te
genezen, zijn hoogst merkwaardig. Bloed, uit een hanekam getapt,
geneest een slechte spijsvertering, terwijl uitslag op het hoofd
kan verdreven worden door herhaaldelijk de volgende woorden uit te
spreken: "In de lange lentedagen kan het onkruid verwijderd worden,
maar in den tuin moet het oogenblikkelijk uitgeroeid worden." Zelfs
een Japansche zuigeling huilt van tijd tot tijd, maar als een rood
zakje, dat hondenhaar bevat, aan zijn rug is vastgemaakt, zal het
oogenblikkelijk ophouden te huilen en zal het klagende geween plaats
maken voor glimlachjes. Blindheid is dikwijls het gevolg van pokken,
maar die ramp kan vermeden worden, door zeven erwten in een put te
werpen, onder het opzeggen van zeven gebeden, en daarna al het water
uit den put te scheppen.
Toovermiddelen.
Een groot aantal Japansche toovermiddelen bestaan uit stukjes
papier, die een opschrift dragen, dat ten doel heeft rampen af te
weren. Een ander middel is een papier, beschreven met den naam van
een godheid. Men geeft het den vorm van een lange strook, die door
de arme lieden aan den buitenkant van hun woningen wordt bevestigd,
terwijl zij, die niet tegen armoede hebben te kampen, het beschouwen
als een deel van het huiselijk altaar. De afdruk van de hand van
een kind, die, zooals Chamberlain schrijft, verkregen wordt door
de hand eerst met inkt te bevochtigen en haar daarna op een vel
papier te drukken, weert, zooals gezegd wordt, kwade invloeden
af. Brokstukken van tempels, rijstkorrels, die zóó gesneden zijn,
dat zij de Geluksgoden voorstellen, kleine _sutra's_, copieën van
den voetafdruk, van Buddha, en een aantal ander vreemde invallen,
behooren tot de veelvuldige Japansche toovermiddelen.
Het wenkende Blad.
Er is een zekere Japansche boom, _tegashiwa_ genaamd, waarvan de
bladeren in vorm eenige overeenkomst hebben met een hand. In oude
tijden kreeg een _samurai_, als hij verplicht was zijn huis te
verlaten, onmiddellijk vóór zijn vertrek een _tai_ (baars), die
werd opgediend op een blad van een _tegashiwa_-boom. Dit was zijn
afscheidsmaal, en als de _samurai_ den visch had gegeten, werd het
blad boven de deur gehangen, waarbij de gedachte voorzat, dat dit hem
op reis zou doen behouden blijven en hem weer veilig naar huis zou
doen terugkeeren. Het was niet zoozeer de vorm als wel de beweging
van het _tegashiwa_-blad, die aanleiding gaf tot die aardige gedachte,
want het blad scheen, als het door den wind werd bewogen, op de gewone
bekoorlijke Japansche wijze te wenken.
Bimbogami.
Gewoonlijk ziet men, dat droge erwten een afdoend middel zijn om booze
geesten te verdrijven, maar Bimbogami, de God der Armoede, is niet
zoo gemakkelijk te overwinnen. Er is iets pathetisch in het denkbeeld,
dat de armoede beschouwd moet worden als een koppige en ongewenschte
knaap, want hier komen wij op het terrein der werkelijkheid. Hoewel
Bimbogami geen aandacht slaat op de droge erwten, kan hij toch door
andere middelen verjaagd worden.
Het houtskoolvuur in een Japansche keuken wordt tot een heerlijken
gloed aangeblazen door middel van een werktuig, _hifukidake_ genaamd,
een bamboebuis--een meer artistieken en eenvoudigen vorm van blaasbalg,
waar de opgeblazen wangen de plaats innemen van onzen door de
hand bewogen leeren zak. Spoedig reeds knapt de bamboebuis door de
ontzettende hitte. Zoodra dit het geval is, wordt een koperen munt
binnen in de buis geplaatst, een tooverformulier wordt uitgesproken,
en daarna wordt de "blaaspijp" òf op de straat òf in een rivier
geworpen. Men meent steeds, dat het wegwerpen van de onbruikbare
bamboebuis het gedwongen vertrek van Bimbogami beteekent. De meesten
van ons kennen wel het Doodskloppertje, dat als een horloge in onze
meubels tikt. In Japan wordt het _Bimbomushi_, of "Armoede-Insect"
genoemd. Zijn tikken voorspelt niet den naderenden dood, zooals in
ons land het geval is, maar het is een teeken van de ongewenschte
aanwezigheid van den God der Armoede in de Japansche woning.