Het Dooden van de Zeeslang. [80]

Oribe Shima had den grooten vorst Hojo Takatoki beleedigd en was

ten gevolge daarvan naar Kamishina, één der Oki-eilanden verbannen,

en gedwongen zijn schoone dochter Tokoyo te verlaten, die hij innig

lief had.

Eindelijk kon Tokoyo de scheiding niet langer uithouden, en besloot

zij haar vader op te zoeken. Daarom ondernam zij een groote reis,

en toen zij te Akasaki, in de provincie Hoki, was gekomen, van welke

kustplaats de Oki-eilanden bij helder weder zichtbaar waren, smeekte

zij verschillende visschers, haar naar haar bestemming te roeien. Maar

de visschers lachten haar uit, en raadden haar aan, haar dwaas plan

op te geven en naar huis terug te keeren. Het meisje wilde echter

niet naar hun raad luisteren, en tegen het invallen van den nacht

besteeg zij het kleinste vaartuig, dat zij kon vinden, en door middel

van een gunstigen wind en voortdurend roeien, kwam het dappere meisje

eindelijk in één der rotsachtige inhammen der Oki-eilanden.

Dien nacht sliep Tokoyo vast, en des morgens nam zij voedsel tot

zich. Toen zij haar maaltijd had geëindigd, vroeg zij een visscher,

waar zij haar vader kon vinden. "Ik heb nooit van Oribe Shima hooren

spreken", antwoordde de visscher, "en als hij verbannen is, raad ik

u aan, u van verder onderzoek te onthouden, daar het anders wel uw

beider dood ten gevolge zou kunnen hebben."

Dien nacht sliep de treurige Tokoyo aan den voet van een altaar, aan

Buddha gewijd. Haar slaap werd spoedig verstoord door handgeklap, en

toen zij opkeek, zag zij een weenend meisje gekleed in een wit gewaad,

terwijl een priester naast haar stond. Op het oogenblik waarop de

priester het meisje over de rotsen in de bulderende zee wilde werpen,

sprong Tokoyo op en hield het meisje bij den arm.

De priester vertelde, dat in dien nacht, den dertienden Juni, de

Slangengod, bekend onder den naam van Yofuné-Nushi, een jong meisje

als offer opeischte, en dat, als dit jaarlijksche offer niet werd

gebracht, de God vertoornd werd en vreeselijke stormen veroorzaakte.

"Goede Heer," zoo sprak Tokoyo, "ik ben blijde, dat ik de gelegenheid

heb gehad het leven van het arme meisje te redden. Gaarne bied ik

mij zelf in haar plaats aan, want ik ben droevig van gemoed, omdat ik

niet in staat ben geweest mijn vader te vinden. Geef hem dezen brief,

want mijn laatste woorden van liefde en afscheid zijn aan hem gewijd."

Na aldus te hebben gesproken, nam Tokoyo het witte gewaad van

het meisje, en hulde zich daarin, en nadat zij gebeden had tot

het beeld van Buddha, plaatste zij een kleinen dolk tusschen de

tanden en wierp zij zich in de stormachtige zee. Zij zonk neer in

het door de maan verlichte water, totdat zij kwam in een groot hol,

waar zij een standbeeld zag van Hojo Takatoki, die haar armen vader

in ballingschap had gezonden. Zij was op het punt het beeld op haar

rug te binden, toen een groote witte slang uit het hol kroop, met

nijdig glinsterende oogen. Tokoyo, die begreep, dat dit schepsel

niemand anders was dan Yofuné-Nushi, trok haar dolk en stak dien in

het rechter oog van den God. Die onverwachte aanval was oorzaak, dat

de slang zich in het hol terugtrok, maar de dappere Tokoyo ging de

slang achterna en bracht haar een tweeden steek toe, en wel nu in het

hart van het dier. Een oogenblik strompelde Yofuné-Nushi blindelings

voort, maar onmiddellijk daarna viel het dier met een kreet van pijn

dood op den bodem van het hol neer.

Tijdens dit avontuur stonden de priester en het meisje op de rotsen,

en keken naar de plek, waar Tokoyo verdwenen was, terwijl zij innig

baden voor den vrede van haar droevige ziel. Toen zij daar stonden

te bidden, zagen zij Tokoyo aan de oppervlakte van het water komen,

terwijl zij een beeld droeg en een ontzaglijk monster, dat op een

visch geleek. De priester kwam haastig het meisje te hulp, trok haar

op het strand, plaatste het beeld op een hooge rots en maakte zich

meester van het lichaam van de Witte Zeeslang.

Na verloop van tijd werd die merkwaardige geschiedenis ter kennis

gebracht van Tameyoshi, den bestuurder van dit eiland, die op zijn

beurt het vreemde avontuur aan Hojo Takatoki mededeelde. Takatoki

echter had geruimen tijd geleden aan een ziekte, die de bekwaamheid

der geleerdste geneesheeren had getart; het bleek nu, dat hij zijn

gezondheid terugkreeg juist op het oogenblik, waarop zijn beeld,

dat door den één of anderen balling was vervloekt geworden en in zee

geworpen, weer te voorschijn was gekomen. Toen Hojo Takatoki vernam,

dat het dappere meisje de dochter was van den verbannen Oribe Shima,

zond hij hem met den grootsten spoed naar zijn eigen woonplaats terug,

waar hij nog langen tijd met zijn dochter in vrede en voorspoed leefde.

De Geest van het Zwaard.

In zekeren nacht ging een jonk voor anker liggen bij Kaap Fudo, en

nadat verschillende voorbereidselen gemaakt waren, vielen zoowel de

kapitein, Tarada genaamd, als de bemanning op dek in slaap. Tegen het

uur van middernacht werd Tarada gewekt door een vreemd stommelend

geluid, dat van den bodem der zee scheen voort te komen. Toen hij

toevallig keek in de richting van den boeg van het schip, zag hij

een mooi meisje, gekleed in het wit, terwijl van haar een glinsterend

licht uitstraalde.

Toen Tarada zijn bemanning had gewekt, naderde hij het meisje, dat

zeide: "Mijn eenige wensch is weer naar de aarde terug te keeren." Na

die woorden te hebben gesproken, verdween zij tusschen de golven.

Den volgenden dag ging Tarada aan land, en vroeg aan verscheidene

personen, die in Amakura woonden, of zij wel eens gehoord hadden van

een prachtig meisje, als het ware badend in een phosphoresceerend

licht. Één der dorpsbewoners antwoordde het volgende: "Wij hebben het

meisje, dat gij beschrijft, nooit gezien, maar eenigen tijd geleden

werden wij verontrust door stommelende geluiden, die afkomstig schenen

te zijn van Kaap Fudo, en van dat oogenblik af hebben die geheimzinnige

geluiden veroorzaakt, dat geen visch onze baai is binnengekomen. Het

is mogelijk, dat het meisje, dat gij gezien hebt, de geest van het

ééne of andere arme meisje is geweest, dat in zee is verdronken,

en dat het geluid, dat wij hoorden, niets anders is dan de toorn van

den Zeegod over het feit, dat een lijk of menschelijke beenderen het

water verontreinigen".

Daarop werd besloten, dat de stomme Sankichi in zee zou duiken, en elk

lijk, dat hij daar zou vinden, naar boven zou brengen. Daarop ging

Sankichi aan boord van de jonk van Tarada, en na van zijn vrienden

afscheid te hebben genomen, dook hij in het water onder. Hij zocht

nauwlettend, maar kon geen spoor van een lijk of van menschelijke

beenderen ontdekken. Eindelijk echter ontdekte hij iets, dat geleek op

een zwaard, in zijde gewikkeld, en toen hij het omhulsel losmaakte,

vond hij, dat het inderdaad een zwaard was, schitterend helder

en zonder een enkele vlek of eenig gebrek. Sankichi kwam naar de

oppervlakte terug en werd dadelijk aan boord opgenomen. De arme man

werd voorzichtig op het dek gelegd, maar hij viel van uitputting

flauw. Zijn koud lichaam werd haastig gewreven en vuren werden

aangestoken. Na zeer korten tijd kwam Sankichi weer bij kennis,

en kon hij het zwaard laten zien, en bijzonderheden omtrent zijn

avonturen mededeelen.

Een ambtenaar, Naruse Tsushimanokami genaamd, was van meening, dat het

zwaard een heilige schat was, en op zijn aanbeveling werd het geplaatst

in een tempel, en aan Fudo gewijd. Sankichi bewaakte het kostbare wapen

met de grootste trouw, en Kaap Fudo werd bekend onder den naam van de

Kaap van het Zwaard der Vrouw. Tot vreugde der visschersbevolking,

kwamen de visschen, nu de geest van het wapen was tevreden gesteld,

weer in de baai terug.

De Liefde van O Cho San.

"'t Is vandaag de tiende Juni. Vall' in stroomen neer de regen!

Want ik zou mijn teer beminde O Cho San zoo gaarne ontmoeten."

Naar _R. Gordon Smith_.

Op het afgezonderde eiland Hatsushima, dat beroemd is om zijn _suisenn_

(narcissen), leefde eens een prachtig schoon meisje, Cho genaamd, en al

de jongelieden van het eiland verlangden vurig, met haar te huwen. Op

zekeren dag ging de schoone Shinsaku, die vrijmoediger was dan de

overige jongelieden, naar Gisuke, den broeder van Cho, en zeide hem,

dat hij zoo vurig verlangde, diens schoone zuster te huwen. Gisuke

maakte geen tegenwerpingen, en nadat de vrijer vertrokken was, liet

hij Cho bij zich komen en zeide: "Shinsaku wenscht uw echtgenoot te

worden. Ik houd van den visscher en ben van meening, dat ge, als gij

met hem trouwt, een goed huwelijk zult doen. Ge zijt nu achttien jaar

oud, en het is dus hoog tijd dat ge trouwt."

O Cho San kon zich volkomen vereenigen met de meening van haar broeder,

en afgesproken werd, dat het huwelijk drie dagen later zou worden

voltrokken. Ongelukkig waren die dagen juist dagen van tweedracht

op het eiland, immers toen de overige vrijers onder de visschers het

nieuws hoorden, begonnen zij den vroeger zoo populairen Shinsaku te

haten, en bovendien verwaarloosden zij hun werk door hun voortdurende

onderlinge gevechten. Die betreurenswaardige tooneelen wierpen een

zóó donkere schaduw op het eertijds zoo gelukkige eiland Hatsushima,

dat O Cho San en haar minnaar besloten, dat zij ter wille van den

algemeenen vrede liever niet zouden trouwen.

Dit edele offer had echter niet de gewenschte uitwerking, immers de

dertig minnaars bleven elkander nog bevechten en verwaarloosden nog

altijd hun beroep. O Cho San besloot toen, een nog grooter offer te

brengen. Zij schreef teedere afscheidsbrieven aan haar broeder en aan

Shinsaku, en na dien bij den slapenden Gisuke te hebben achtergelaten,

sloop zij stil het huis uit in een stormachtigen nacht op den 10_den_

Juni. Zij deed groote steenen in haar schoone mouwen, en wierp zich

toen in zee.

Den volgenden dag lazen Gisuke en Shinsaku de brieven, die zij van

O Cho San hadden ontvangen, en door smart overweldigd, zochten zij

het strand af, waar zij de strooien sandalen van Cho vonden. De beide

mannen waren toen overtuigd, dat het schoone meisje zich werkelijk van

het leven had beroofd, en korten tijd daarna werd haar lichaam uit

de zee aangespoeld, waarna het begraven werd. Op haar graf plaatste

Shinsaku veel bloemen, terwijl hij voortdurend weende.

Op zekeren avond besloot Shinsaku, die niet in staat was langer zijn

smart te dragen, zich van het leven te berooven in de meening, dat hij

dan den geest van O Cho San zou ontmoeten. Terwijl hij een tijd lang

toefde bij het graf van het meisje, meende hij haar witten geest te

zien, en terwijl hij herhaaldelijk haar naam fluisterde, rende hij

naar haar toe. Op dit oogenblik kwam Gisuke, door het leven wakker

geschrikt het huis uit, en vond hij Shinsaku, die zich vastklemde

aan het graf van zijn geliefde.

Toen Shinsaku zijn vriend verhaald had, dat hij den geest van O Cho

San had gezien, en van plan was zich van het leven te berooven, ten

einde voor eeuwig met haar vereenigd te zijn, antwoordde Gisuke aldus:

"Shinsaku, uw liefde voor mijn arme zuster is groot, maar gij kunt haar

het best beminnen, door haar in deze wereld te dienen. Als de groote

Goden u roepen, zult gij haar ontmoeten, maar wacht met vertrouwen en

moed dat oogenblik af, want alleen een dapper en tevens liefhebbend

hart is O Cho San waardig. Laat ons samen een tempel bouwen en dien

aan mijn zuster wijden, en houd uw liefde krachtig en rein, door

nooit met iemand anders te huwen."

De dertig vrijers, die zoo weinig mannelijk gevoel hadden getoond,

kwamen nu tot het volle bewustzijn van de smart, die zij hadden

veroorzaakt, en om hun berouw te toonen, hielpen zij mede aan den

bouw van den tempel voor het ongelukkige meisje, waar nog tot heden

ten dage den 10_den_ Juni een plechtigheid plaats heeft, waarbij de

geest van O Cho San in den regen verschijnt.

De Geest van den Grooten Awabi.

Den ochtend nadat een groote aardbeving het visschersdorp Nanao had

geteisterd, bleek het, dat op een afstand van enkele mijlen van de kust

een rots was te voorschijn gekomen als het resultaat van de beroering

in de aardkorst, en dat bovendien de zee vreeselijk modderachtig

was geworden. In zekeren nacht voeren een aantal visschers langs de

rots, toen zij vlak bij zich een hoogst merkwaardig licht zagen, dat

scheen naar boven te komen van den bodem der zee, met een glans, die de

helderheid der zon evenaarde. De visschers haalden de roeiriemen binnen

en staarden met ontzaglijke verbazing op het wonderbare schouwspel,

maar toen het licht plotseling vergezeld werd van een dof gerommel,

werden de zeelieden beangst voor een nieuwe aardbeving en keerden

zij met grooten spoed naar Nanao terug.

Den derden dag daarna namen de prachtige stralen uit de diepte in

helderheid toe, zoodat zij, die op het strand van Nanao stonden, ze

duidelijk konden zien, en de bijgeloovige visschers werden al meer

en meer bevreesd. Alleen Kansuke en zijn zoon Matakichi waren moedig

genoeg, om uit visschen te gaan. Op den terugweg bereikten zij het

Rotseiland, en trokken hun vischnet in, toen Kansuki zijn evenwicht

verloor en in zee viel.

Hoewel de oude Kansuke een goed zwemmer was, zakte hij als een steen en

kwam hij niet meer aan de oppervlakte. Matakichi, die dit vreemd vond,

dook in het water, bijna verblind door de geheimzinnige stralen, die

wij reeds beschreven hebben. Toen hij eindelijk den bodem bereikte,

ontdekte hij tallooze _awabi_ (parelschelpen), en in het midden der

groep één van zeer groote afmeting. Van al die schelpen straalde

een schitterend licht uit, en hoewel het onder water even helder

was als in het volle daglicht, kon Matakichi geen spoor van zijn

vader vinden. Eindelijk was hij gedwongen weer naar de oppervlakte

op te stijgen, doch ontdekte toen, dat de ruwe zee zijn boot had

gebroken. Ten slotte echter bereikte hij, zich voortwerkend op een stuk

wrakhout, met behulp van een gunstigen wind en een gunstige strooming,

de kust van Nanao, en deed hij de dorpsbewoners een verslag van zijn

merkwaardige avonturen en van het verlies van zijn ouden vader.

Matakichi, die diep bedroefd was over den dood van zijn vader, ging

naar den ouden dorpspriester en verzocht dien waardigen geestelijke,

dat hij hem als één van zijn leerlingen zou aannemen, opdat hij

met des te beter resultaat voor den geest van zijn vader zou kunnen

bidden. De priester stemde daarin gaarne toe, en ongeveer drie weken

later stevenden zij naar het Rotseiland, waar beiden vurig baden voor

de ziel van Kansuke.

Dien nacht werd de oude priester met een schok wakker en zag hij

een ouden man naast zijn bed zitten. Met een diepe buiging sprak de

vreemdeling aldus: "Ik ben de geest van den Grooten Awabi, en ik ben

meer dan duizend jaar oud. Ik woon in de zee naast het Rotseiland, en

van morgen hoorde ik u bidden voor de ziel van Kansuke. Helaas! goede

priester, uw gebeden hebben een diepen indruk op mij gemaakt, maar

met schaamte en smart beken ik, dat ik Kansuke heb verslonden. Ik

heb mijn volgelingen bevolen ergens anders heen te trekken, en ten

einde te boeten voor mijn misdaad, zal ik mij van mijn ellendig leven

berooven, opdat de parel, die binnen in mij zit, aan Matakichi kan

worden gegeven." Na die woorden te hebben gesproken, verdween de

geest van den Grooten Awabi plotseling.

Toen Matakichi den volgenden morgen ontwaakte en de blinden opende,

ontdekte hij den ontzaglijken _awabi_, dien hij bij het Rotseiland

had gezien. Hij nam dien mede naar den ouden priester, die, na het

verhaal van zijn leerling te hebben aangehoord, een verslag gaf van

zijn eigen ondervindingen. De groote parel en de schelp van den _awabi_

werden in den tempel geplaatst, en het lichaam werd eerbiedig begraven.

Mythen & Legenden van Japan · 第 45 / 53 题