Oribe Shima had den grooten vorst Hojo Takatoki beleedigd en was
ten gevolge daarvan naar Kamishina, één der Oki-eilanden verbannen,
en gedwongen zijn schoone dochter Tokoyo te verlaten, die hij innig
lief had.
Eindelijk kon Tokoyo de scheiding niet langer uithouden, en besloot
zij haar vader op te zoeken. Daarom ondernam zij een groote reis,
en toen zij te Akasaki, in de provincie Hoki, was gekomen, van welke
kustplaats de Oki-eilanden bij helder weder zichtbaar waren, smeekte
zij verschillende visschers, haar naar haar bestemming te roeien. Maar
de visschers lachten haar uit, en raadden haar aan, haar dwaas plan
op te geven en naar huis terug te keeren. Het meisje wilde echter
niet naar hun raad luisteren, en tegen het invallen van den nacht
besteeg zij het kleinste vaartuig, dat zij kon vinden, en door middel
van een gunstigen wind en voortdurend roeien, kwam het dappere meisje
eindelijk in één der rotsachtige inhammen der Oki-eilanden.
Dien nacht sliep Tokoyo vast, en des morgens nam zij voedsel tot
zich. Toen zij haar maaltijd had geëindigd, vroeg zij een visscher,
waar zij haar vader kon vinden. "Ik heb nooit van Oribe Shima hooren
spreken", antwoordde de visscher, "en als hij verbannen is, raad ik
u aan, u van verder onderzoek te onthouden, daar het anders wel uw
beider dood ten gevolge zou kunnen hebben."
Dien nacht sliep de treurige Tokoyo aan den voet van een altaar, aan
Buddha gewijd. Haar slaap werd spoedig verstoord door handgeklap, en
toen zij opkeek, zag zij een weenend meisje gekleed in een wit gewaad,
terwijl een priester naast haar stond. Op het oogenblik waarop de
priester het meisje over de rotsen in de bulderende zee wilde werpen,
sprong Tokoyo op en hield het meisje bij den arm.
De priester vertelde, dat in dien nacht, den dertienden Juni, de
Slangengod, bekend onder den naam van Yofuné-Nushi, een jong meisje
als offer opeischte, en dat, als dit jaarlijksche offer niet werd
gebracht, de God vertoornd werd en vreeselijke stormen veroorzaakte.
"Goede Heer," zoo sprak Tokoyo, "ik ben blijde, dat ik de gelegenheid
heb gehad het leven van het arme meisje te redden. Gaarne bied ik
mij zelf in haar plaats aan, want ik ben droevig van gemoed, omdat ik
niet in staat ben geweest mijn vader te vinden. Geef hem dezen brief,
want mijn laatste woorden van liefde en afscheid zijn aan hem gewijd."
Na aldus te hebben gesproken, nam Tokoyo het witte gewaad van
het meisje, en hulde zich daarin, en nadat zij gebeden had tot
het beeld van Buddha, plaatste zij een kleinen dolk tusschen de
tanden en wierp zij zich in de stormachtige zee. Zij zonk neer in
het door de maan verlichte water, totdat zij kwam in een groot hol,
waar zij een standbeeld zag van Hojo Takatoki, die haar armen vader
in ballingschap had gezonden. Zij was op het punt het beeld op haar
rug te binden, toen een groote witte slang uit het hol kroop, met
nijdig glinsterende oogen. Tokoyo, die begreep, dat dit schepsel
niemand anders was dan Yofuné-Nushi, trok haar dolk en stak dien in
het rechter oog van den God. Die onverwachte aanval was oorzaak, dat
de slang zich in het hol terugtrok, maar de dappere Tokoyo ging de
slang achterna en bracht haar een tweeden steek toe, en wel nu in het
hart van het dier. Een oogenblik strompelde Yofuné-Nushi blindelings
voort, maar onmiddellijk daarna viel het dier met een kreet van pijn
dood op den bodem van het hol neer.
Tijdens dit avontuur stonden de priester en het meisje op de rotsen,
en keken naar de plek, waar Tokoyo verdwenen was, terwijl zij innig
baden voor den vrede van haar droevige ziel. Toen zij daar stonden
te bidden, zagen zij Tokoyo aan de oppervlakte van het water komen,
terwijl zij een beeld droeg en een ontzaglijk monster, dat op een
visch geleek. De priester kwam haastig het meisje te hulp, trok haar
op het strand, plaatste het beeld op een hooge rots en maakte zich
meester van het lichaam van de Witte Zeeslang.
Na verloop van tijd werd die merkwaardige geschiedenis ter kennis
gebracht van Tameyoshi, den bestuurder van dit eiland, die op zijn
beurt het vreemde avontuur aan Hojo Takatoki mededeelde. Takatoki
echter had geruimen tijd geleden aan een ziekte, die de bekwaamheid
der geleerdste geneesheeren had getart; het bleek nu, dat hij zijn
gezondheid terugkreeg juist op het oogenblik, waarop zijn beeld,
dat door den één of anderen balling was vervloekt geworden en in zee
geworpen, weer te voorschijn was gekomen. Toen Hojo Takatoki vernam,
dat het dappere meisje de dochter was van den verbannen Oribe Shima,
zond hij hem met den grootsten spoed naar zijn eigen woonplaats terug,
waar hij nog langen tijd met zijn dochter in vrede en voorspoed leefde.
De Geest van het Zwaard.
In zekeren nacht ging een jonk voor anker liggen bij Kaap Fudo, en
nadat verschillende voorbereidselen gemaakt waren, vielen zoowel de
kapitein, Tarada genaamd, als de bemanning op dek in slaap. Tegen het
uur van middernacht werd Tarada gewekt door een vreemd stommelend
geluid, dat van den bodem der zee scheen voort te komen. Toen hij
toevallig keek in de richting van den boeg van het schip, zag hij
een mooi meisje, gekleed in het wit, terwijl van haar een glinsterend
licht uitstraalde.
Toen Tarada zijn bemanning had gewekt, naderde hij het meisje, dat
zeide: "Mijn eenige wensch is weer naar de aarde terug te keeren." Na
die woorden te hebben gesproken, verdween zij tusschen de golven.
Den volgenden dag ging Tarada aan land, en vroeg aan verscheidene
personen, die in Amakura woonden, of zij wel eens gehoord hadden van
een prachtig meisje, als het ware badend in een phosphoresceerend
licht. Één der dorpsbewoners antwoordde het volgende: "Wij hebben het
meisje, dat gij beschrijft, nooit gezien, maar eenigen tijd geleden
werden wij verontrust door stommelende geluiden, die afkomstig schenen
te zijn van Kaap Fudo, en van dat oogenblik af hebben die geheimzinnige
geluiden veroorzaakt, dat geen visch onze baai is binnengekomen. Het
is mogelijk, dat het meisje, dat gij gezien hebt, de geest van het
ééne of andere arme meisje is geweest, dat in zee is verdronken,
en dat het geluid, dat wij hoorden, niets anders is dan de toorn van
den Zeegod over het feit, dat een lijk of menschelijke beenderen het
water verontreinigen".
Daarop werd besloten, dat de stomme Sankichi in zee zou duiken, en elk
lijk, dat hij daar zou vinden, naar boven zou brengen. Daarop ging
Sankichi aan boord van de jonk van Tarada, en na van zijn vrienden
afscheid te hebben genomen, dook hij in het water onder. Hij zocht
nauwlettend, maar kon geen spoor van een lijk of van menschelijke
beenderen ontdekken. Eindelijk echter ontdekte hij iets, dat geleek op
een zwaard, in zijde gewikkeld, en toen hij het omhulsel losmaakte,
vond hij, dat het inderdaad een zwaard was, schitterend helder
en zonder een enkele vlek of eenig gebrek. Sankichi kwam naar de
oppervlakte terug en werd dadelijk aan boord opgenomen. De arme man
werd voorzichtig op het dek gelegd, maar hij viel van uitputting
flauw. Zijn koud lichaam werd haastig gewreven en vuren werden
aangestoken. Na zeer korten tijd kwam Sankichi weer bij kennis,
en kon hij het zwaard laten zien, en bijzonderheden omtrent zijn
avonturen mededeelen.
Een ambtenaar, Naruse Tsushimanokami genaamd, was van meening, dat het
zwaard een heilige schat was, en op zijn aanbeveling werd het geplaatst
in een tempel, en aan Fudo gewijd. Sankichi bewaakte het kostbare wapen
met de grootste trouw, en Kaap Fudo werd bekend onder den naam van de
Kaap van het Zwaard der Vrouw. Tot vreugde der visschersbevolking,
kwamen de visschen, nu de geest van het wapen was tevreden gesteld,
weer in de baai terug.
De Liefde van O Cho San.
"'t Is vandaag de tiende Juni. Vall' in stroomen neer de regen!
Want ik zou mijn teer beminde O Cho San zoo gaarne ontmoeten."
Naar _R. Gordon Smith_.
Op het afgezonderde eiland Hatsushima, dat beroemd is om zijn _suisenn_
(narcissen), leefde eens een prachtig schoon meisje, Cho genaamd, en al
de jongelieden van het eiland verlangden vurig, met haar te huwen. Op
zekeren dag ging de schoone Shinsaku, die vrijmoediger was dan de
overige jongelieden, naar Gisuke, den broeder van Cho, en zeide hem,
dat hij zoo vurig verlangde, diens schoone zuster te huwen. Gisuke
maakte geen tegenwerpingen, en nadat de vrijer vertrokken was, liet
hij Cho bij zich komen en zeide: "Shinsaku wenscht uw echtgenoot te
worden. Ik houd van den visscher en ben van meening, dat ge, als gij
met hem trouwt, een goed huwelijk zult doen. Ge zijt nu achttien jaar
oud, en het is dus hoog tijd dat ge trouwt."
O Cho San kon zich volkomen vereenigen met de meening van haar broeder,
en afgesproken werd, dat het huwelijk drie dagen later zou worden
voltrokken. Ongelukkig waren die dagen juist dagen van tweedracht
op het eiland, immers toen de overige vrijers onder de visschers het
nieuws hoorden, begonnen zij den vroeger zoo populairen Shinsaku te
haten, en bovendien verwaarloosden zij hun werk door hun voortdurende
onderlinge gevechten. Die betreurenswaardige tooneelen wierpen een
zóó donkere schaduw op het eertijds zoo gelukkige eiland Hatsushima,
dat O Cho San en haar minnaar besloten, dat zij ter wille van den
algemeenen vrede liever niet zouden trouwen.
Dit edele offer had echter niet de gewenschte uitwerking, immers de
dertig minnaars bleven elkander nog bevechten en verwaarloosden nog
altijd hun beroep. O Cho San besloot toen, een nog grooter offer te
brengen. Zij schreef teedere afscheidsbrieven aan haar broeder en aan
Shinsaku, en na dien bij den slapenden Gisuke te hebben achtergelaten,
sloop zij stil het huis uit in een stormachtigen nacht op den 10_den_
Juni. Zij deed groote steenen in haar schoone mouwen, en wierp zich
toen in zee.
Den volgenden dag lazen Gisuke en Shinsaku de brieven, die zij van
O Cho San hadden ontvangen, en door smart overweldigd, zochten zij
het strand af, waar zij de strooien sandalen van Cho vonden. De beide
mannen waren toen overtuigd, dat het schoone meisje zich werkelijk van
het leven had beroofd, en korten tijd daarna werd haar lichaam uit
de zee aangespoeld, waarna het begraven werd. Op haar graf plaatste
Shinsaku veel bloemen, terwijl hij voortdurend weende.
Op zekeren avond besloot Shinsaku, die niet in staat was langer zijn
smart te dragen, zich van het leven te berooven in de meening, dat hij
dan den geest van O Cho San zou ontmoeten. Terwijl hij een tijd lang
toefde bij het graf van het meisje, meende hij haar witten geest te
zien, en terwijl hij herhaaldelijk haar naam fluisterde, rende hij
naar haar toe. Op dit oogenblik kwam Gisuke, door het leven wakker
geschrikt het huis uit, en vond hij Shinsaku, die zich vastklemde
aan het graf van zijn geliefde.
Toen Shinsaku zijn vriend verhaald had, dat hij den geest van O Cho
San had gezien, en van plan was zich van het leven te berooven, ten
einde voor eeuwig met haar vereenigd te zijn, antwoordde Gisuke aldus:
"Shinsaku, uw liefde voor mijn arme zuster is groot, maar gij kunt haar
het best beminnen, door haar in deze wereld te dienen. Als de groote
Goden u roepen, zult gij haar ontmoeten, maar wacht met vertrouwen en
moed dat oogenblik af, want alleen een dapper en tevens liefhebbend
hart is O Cho San waardig. Laat ons samen een tempel bouwen en dien
aan mijn zuster wijden, en houd uw liefde krachtig en rein, door
nooit met iemand anders te huwen."
De dertig vrijers, die zoo weinig mannelijk gevoel hadden getoond,
kwamen nu tot het volle bewustzijn van de smart, die zij hadden
veroorzaakt, en om hun berouw te toonen, hielpen zij mede aan den
bouw van den tempel voor het ongelukkige meisje, waar nog tot heden
ten dage den 10_den_ Juni een plechtigheid plaats heeft, waarbij de
geest van O Cho San in den regen verschijnt.
De Geest van den Grooten Awabi.
Den ochtend nadat een groote aardbeving het visschersdorp Nanao had
geteisterd, bleek het, dat op een afstand van enkele mijlen van de kust
een rots was te voorschijn gekomen als het resultaat van de beroering
in de aardkorst, en dat bovendien de zee vreeselijk modderachtig
was geworden. In zekeren nacht voeren een aantal visschers langs de
rots, toen zij vlak bij zich een hoogst merkwaardig licht zagen, dat
scheen naar boven te komen van den bodem der zee, met een glans, die de
helderheid der zon evenaarde. De visschers haalden de roeiriemen binnen
en staarden met ontzaglijke verbazing op het wonderbare schouwspel,
maar toen het licht plotseling vergezeld werd van een dof gerommel,
werden de zeelieden beangst voor een nieuwe aardbeving en keerden
zij met grooten spoed naar Nanao terug.
Den derden dag daarna namen de prachtige stralen uit de diepte in
helderheid toe, zoodat zij, die op het strand van Nanao stonden, ze
duidelijk konden zien, en de bijgeloovige visschers werden al meer
en meer bevreesd. Alleen Kansuke en zijn zoon Matakichi waren moedig
genoeg, om uit visschen te gaan. Op den terugweg bereikten zij het
Rotseiland, en trokken hun vischnet in, toen Kansuki zijn evenwicht
verloor en in zee viel.
Hoewel de oude Kansuke een goed zwemmer was, zakte hij als een steen en
kwam hij niet meer aan de oppervlakte. Matakichi, die dit vreemd vond,
dook in het water, bijna verblind door de geheimzinnige stralen, die
wij reeds beschreven hebben. Toen hij eindelijk den bodem bereikte,
ontdekte hij tallooze _awabi_ (parelschelpen), en in het midden der
groep één van zeer groote afmeting. Van al die schelpen straalde
een schitterend licht uit, en hoewel het onder water even helder
was als in het volle daglicht, kon Matakichi geen spoor van zijn
vader vinden. Eindelijk was hij gedwongen weer naar de oppervlakte
op te stijgen, doch ontdekte toen, dat de ruwe zee zijn boot had
gebroken. Ten slotte echter bereikte hij, zich voortwerkend op een stuk
wrakhout, met behulp van een gunstigen wind en een gunstige strooming,
de kust van Nanao, en deed hij de dorpsbewoners een verslag van zijn
merkwaardige avonturen en van het verlies van zijn ouden vader.
Matakichi, die diep bedroefd was over den dood van zijn vader, ging
naar den ouden dorpspriester en verzocht dien waardigen geestelijke,
dat hij hem als één van zijn leerlingen zou aannemen, opdat hij
met des te beter resultaat voor den geest van zijn vader zou kunnen
bidden. De priester stemde daarin gaarne toe, en ongeveer drie weken
later stevenden zij naar het Rotseiland, waar beiden vurig baden voor
de ziel van Kansuke.
Dien nacht werd de oude priester met een schok wakker en zag hij
een ouden man naast zijn bed zitten. Met een diepe buiging sprak de
vreemdeling aldus: "Ik ben de geest van den Grooten Awabi, en ik ben
meer dan duizend jaar oud. Ik woon in de zee naast het Rotseiland, en
van morgen hoorde ik u bidden voor de ziel van Kansuke. Helaas! goede
priester, uw gebeden hebben een diepen indruk op mij gemaakt, maar
met schaamte en smart beken ik, dat ik Kansuke heb verslonden. Ik
heb mijn volgelingen bevolen ergens anders heen te trekken, en ten
einde te boeten voor mijn misdaad, zal ik mij van mijn ellendig leven
berooven, opdat de parel, die binnen in mij zit, aan Matakichi kan
worden gegeven." Na die woorden te hebben gesproken, verdween de
geest van den Grooten Awabi plotseling.
Toen Matakichi den volgenden morgen ontwaakte en de blinden opende,
ontdekte hij den ontzaglijken _awabi_, dien hij bij het Rotseiland
had gezien. Hij nam dien mede naar den ouden priester, die, na het
verhaal van zijn leerling te hebben aangehoord, een verslag gaf van
zijn eigen ondervindingen. De groote parel en de schelp van den _awabi_
werden in den tempel geplaatst, en het lichaam werd eerbiedig begraven.