HOOFDSTUK XXVII. LEGENDEN VAN DE ZEE.

"Ach! dat de witte golven,

Die Ise's zee beroeren,

Toch niets dan bloemen waren,

Opdat ik ze kon plukken,

Als gave voor mijn liefste."

_Prins Aki_ (Naar _W.G. Aston_).

Het Getijde der terugkeerende Geesten.

Op den laatsten dag van het Feest der Dooden is de zee bedekt

met tallooze _shoryobune_ (geestenschepen), immers op dien dag,

_Hotoke-umi_, wat Buddha-vloed beteekent, of het Getijde der

terugkeerende Geesten, gaan de geesten weer naar hun geestenwereld

terug. De zee glinstert van het licht der gestorven geesten, en van

over de golven komt het geluid van geesten, die samen fluisteren. Geen

sterfelijk wezen zou er een oogenblik aan denken, te midden van een

zoo heilig gezelschap zee te kiezen; immers dien nacht behoort de

zee de dooden toe; het is hun lange weg naar het rijk, waar Emma-O

oppermachtig regeert.

Somtijds echter geschiedt het, dat een schip de haven niet bereikt

vóór het vertrek der geestenschepen, en bij die gelegenheid komen de

dooden uit de diepte te voorschijn, steken hun armen uit, en smeeken,

dat hun emmers worden uitgereikt. De zeelieden geven aan dit verzoek

toe, maar geven de geesten een bodemloozen emmer, immers als zij de

dooden emmers geven met een bodem er in, zouden de booze geesten die

gebruiken, om het schip te doen zinken.

Urashima.

"Suminóye heeft lente; op zijn stranden,

Daar dalen de nevelen neer,

Ik sta aan den oever te peinzen,

En denk aan den tijd van weleer.

Ik denk aan de wereld van vroeger,

Bij het glijden van boot aan boot,

Aan den visschersknaap Urashima,

Die zoo van het visschen genoot."

Naar _B.H. Chamberlain_.

"De legende van Urashima," zoo schrijft Chamberlain in zijn _Japansche

poëzie_, "is één van de oudste Japansche legenden, en sporen daarvan

worden zelfs in de officieele gedenkboeken gevonden." In de populaire

lezing, die wij hieronder geven, komt het "Eeuwiggroene land", dat

genoemd wordt in de Japansche Ballade "De Visschersknaap Urashima",

voor als het Drakenpaleis. Chamberlain zegt: "Het woord Drakenpaleis is

in het Japansche _ryukyu_, ook wel _ryugu_, wat eveneens de Japansche

uitspraak is van den naam der eilanden, die wij Luchu, en de Chineezen

Liu-Kiu noemen, en men heeft ook wel beweerd, dat het Drakenpaleis niet

anders zou zijn dan een fantastischen naam, door den een of anderen

schipbreukeling gegeven aan die zonnige zuidelijke eilanden, waarvan

de bewoners zich nog altijd zelfs boven hun Japansche en Chineesche

naburen onderscheiden door hun groote liefde voor den draak als een

artistieke en bouwkundige versiering. Er is één ode in de _Man-Yoshu_,

die aan dit denkbeeld eenige waarschijnlijkheid geeft, daar die van

den sinaasappel zegt, dat deze het eerst in Japan zou zijn ingevoerd

uit het 'Eeuwiggroene Land', dat in het zuiden is gelegen."

Urashima en de Schildpad.

Urashima, die in een klein visschersdorp woonde, Midzunoe genaamd,

in de provincie Tango, ging eens uit visschen. Onder zijn vangst

behoorde ook een schildpad, en daar, naar men beweert, schildpadden

duizenden jaren leven, liet de bedachtzame Urashima het dier weder in

zee terugkeeren, deed nieuw aas aan zijn haak, en wachtte geduldig

af, totdat een visch toebeet. Doch alleen de zee deed zijn hengel

zachtkens op en neer gaan. De zon brandde op zijn hoofd, totdat

Urashima eindelijk in slaap viel.

Hij had nog niet lang geslapen, toen hij iemand hoorde

roepen: "Urashima, Urashima!"

Het was een zóó liefelijke, zóó verlokkende stem, dat de visschersknaap

in zijn boot opstond en in iedere richting rondkeek, totdat hij

dezelfde schildpad zag, die hij zoo vriendelijk aan haar vochtige

woning had teruggegeven. De schildpad, die de gave had, zeer vloeiend

te spreken, dankte Urashima uitbundig voor zijn vriendelijkheid,

en bood aan, hem te brengen naar de _ryukyu_, of het Paleis van den

Drakenkoning.

De uitnoodiging werd dankbaar aanvaard, en na op den rug van de

schildpad te zijn geklommen, gleed Urashima over de zee voort met een

geweldige vaart, en het merkwaardigste feit was, dat het hem bleek,

dat zijn kleeren volkomen droog bleven.

In het Paleis van den Zeekoning.

Toen hij in het Paleis van den Zeekoning gekomen was, kwamen brasem,

bot, tong en inktvisch naar buiten, om Urashima hartelijk welkom te

heeten. Nadat zij hun vreugde over zijn komst hadden te kennen gegeven,

geleidden die vazallen van den Drakenkoning den visschersknaap naar een

binnenvertrek, waar de schoone Prinses Otohime met haar dienststoet

gezeten was. De Prinses was gekleed in schitterende kleeren, rood en

goudgekleurd, alle tinten van golven, waarop het zonlicht schijnt.

De Prinses vertelde toen, dat zij de vorm van een schildpad had

aangenomen, om de vriendelijkheid van zijn gemoed op de proef te

stellen. Gelukkig was de proef uitnemend uitgevallen, en tot belooning

voor zijn deugd bood zij aan, zijn bruid te worden in een land,

waar eeuwige jeugd en voortdurende zomer heerschten.

Bedeesd aanvaardde Urashima de hooge eer, die hem ten deel

viel. Nauwelijks had hij zijn toestemming gegeven, of een groote

menigte visschen kwam voor den dag, gekleed in lange, plechtige

gewaden, terwijl hun vinnen groote koralen bakken droegen, die

met zeldzame lekkernijen waren beladen. Daarop dronk het gelukkige

bruidspaar den huwelijksbeker met saké gevuld, en terwijl zij dronken,

speelden sommige visschen een zachte en liefelijke muziek, terwijl

andere zongen, en een aantal van hen, met zilveren schubben en gouden

staarten, vreemde dansen uitvoerden op het witte strand.

Nadat de feestelijkheden geëindigd waren, liet Otohime haar echtgenoot

al de schoonheden en wonderen zien van het paleis haar vaders. Het

grootste wonder van alle was, dat daar een land was, waar alle

jaargetijden te zamen vertoefden. [78] Als hij den blik naar het

oosten sloeg, zag Urashima pruimen- en kersenboomen in vollen bloei,

terwijl vlinders met heldere vleugels over de bloesems heenstreken, en

in de verte scheen het, alsof de heldere bloemblaadjes en de vlinders

plotseling waren overgegaan in het gezang van een wonderschoonen

nachtegaal. In het zuiden zag hij boomen in de volle glorie van den

zomer, en hoorde hij het liefelijke geluid van den krekel. Sloeg hij

het oog naar het westen, dan glinsterden de ahornboomen in de takken

van den herfst, zoodat Urashima, als hij een ander geweest was dan

een eenvoudige, nederige visscher, zich het volgende gedicht zou

hebben voor den geest geroepen:

"O, zeg mij toch, Godin van 't vliedend najaarslicht,

Aan hoeveel weefgetouwen gij uw taak verricht,

Als gij bekwaam van hand, vuurroode blaadren weeft,

Van d' ahornboom in 't beeld, dat gij ons vriendlijk geeft,

En alle heuvelen met kleurenpracht bezaait,

Een wellust voor het oog, bij iedren wind, die waait!"

Naar _Clara A. Walsh_.

Het was inderdaad een "rijk borduurwerk", want toen Urashima zich naar

het noorden richtte, zag hij een groote uitgestrektheid, onder sneeuw

bedolven, en een ontzaglijken vijver, met ijs bedekt. Alle jaargetijden

vertoefden te gelijker tijd in het schoone land, waar de Natuur haar

onbegrensde rijkdommen aan schoonheid ten volle had ten toon gespreid.

Nadat Urashima drie dagen in het Paleis van den Zeekoning had vertoefd

en een aantal wonderbaarlijke zaken had gezien, herinnerde hij zich

plotseling zijn bejaarde ouders en gevoelde hij een sterk verlangen,

dezen te gaan opzoeken. Toen hij naar zijn vrouw toeging en haar op

de hoogte stelde van zijn verlangen, om naar huis terug te keeren,

begon Otohime te weenen, en trachtte zij hem te overreden, nog een

dag te wachten. Maar Urashima wilde in die zaak niet toegeven. "Ik

moet gaan," zeide hij, "maar ik zal u slechts één dag alleen laten. Ik

zal weer terugkomen, mijn lieve vrouw."

De thuiskomst van Urashima.

Toen gaf Otohime haar echtgenoot een geschenk ter herinnering aan

hun liefde. Het heette de _Tamate-Bako_ ("Doos van de Juweelen

Hand"). Zij zeide hem, dat hij onder geen omstandigheden de doos

mocht openen, en Urashima nam afscheid, na beloofd te hebben haar

wensch te volbrengen, besteeg een groote schildpad, en was spoedig in

zijn eigen land teruggekeerd. Te vergeefs zag hij uit naar het huis

van zijn vader. Geen spoor was daarvan meer te bekennen. De hut was

verdwenen, alleen de kleine rivier was overgebleven.

Zeer verbaasd vroeg Urashima een voetganger naar bijzonderheden,

en hij vernam van dezen, dat een visschersknaap, Urashima genaamd,

drie honderd jaar geleden in zee was gevallen en was verdronken, en

dat zijn vader, broeders en hun kleinkinderen reeds lang ter ruste

gegaan waren. Daarna herinnerde zich Urashima plotseling, dat het

rijk van den zeekoning een goddelijk land was, waar een dag naar

menschelijke berekening drie honderd jaar duurde.

De gedachten van Urashima waren uiterst somber, want allen, die hij op

aarde had liefgehad, waren gestorven. Daarna hoorde hij het ruischen

der zee, en herinnerde zich de liefelijke Otohime, en het land, waar

de jaargetijden zich vereenigden en een viervoudig praalvertoon van

hun schoonheid maakten--het land, waar boomen smaragden tot bladeren

en robijnen tot bessen hadden, waar de visschen lange gewaden droegen

en zongen, dansten en speelden. De zee klonk luider in de ooren van

Urashima. Riep Otohime hem? Maar geen weg opende zich voor hem, geen

welwillende schildpad kwam op het tooneel, om hem te dragen naar

de plaats, waar zijn vrouw hem wachtte. "De doos! de doos!" zeide

Urashima zacht, "als ik dat geheimzinnige geschenk van mijn vrouw open,

kan het misschien wel den weg openbaren."

Urashima maakte den roodzijden draad los, en langzaam, met vrees in

het hart, tilde hij het deksel van de doos op. Plotseling kwam er

een kleine witte wolk uit; deze bleef een oogenblik toeven, en rolde

toen ver weg over de zee. Maar een heilige belofte was verbroken,

en Urashima veranderde van een schoonen jongeling in een gerimpelden

grijsaard. Hij strompelde vooruit, terwijl zijn witte haren en baard

in den wind fladderden. Hij keek uit naar de zee, en viel toen dood

op het strand.

Chamberlain schrijft: "Het graf van Urashima, met zijn hengel, de

doos, hem door het meisje geschonken, en twee steenen, die groote

waarde moeten bezitten, worden nog altijd in één der tempels te

Kanagawa vertoond."

Het Land van de Ochtendkalmte.

Chosen, het Land van de Ochtendkalmte, was de oude naam voor Korea

[79], en hoe poëtisch die naam moge zijn, zij was volstrekt niet van

toepassing op den feitelijken toestand. In zijn vroegere geschiedenis

was het een land, tegen zich zelf verdeeld, en later ondervond het de

ellende van de invallende legers van China en Japan, daargelaten nog

de kleine schermutselingen met andere landen. Ongetwijfeld is er een

zekere pathetische kalmte in het Korea van onzen tijd, maar het is

de kalmte van een reeds lang overwonnen en vervolgde natie. Het ligt

nu in de hand van Japan, of de Koreanen weer uit de lijfeigenschap

zullen verrijzen en weer iets van die oude kloekmoedigheid zullen

terugkrijgen, die eertijds een zoo op den voorgrond tredend kenmerk

was van de mannen uit het noorden van dat land.

Reeds lang geleden kwam Korea onder de betoovering van de Chineesche

beschaving, en nog steeds gevoelt het volk de nawerking daarvan. Japan

ontleende aan Korea, wat Korea aan China had ontleend. Omdat Japan,

toen het alles had uitgeput, wat het van Korea en China kon leeren,

zijn blikken naar het westen richtte, werd het na verloop van tijd,

nu ook de voortgaande stroom van gedachten en daden krachtig door de

Japanners bleef vloeien, een wereldmacht, terwijl Korea een rampzalig

voorbeeld bleef van een bijna volkomen stilstaand land.

Toen Japan er in geslaagd was Korea te overtuigen, dat alleen

Japan haar trouwe gids kon zijn, kwam Rusland als een dief in den

nacht en plaatste een militaire voorpost te Wiju. Daaruit kwam de

Russisch-Japansche oorlog voort, en Korea werd een Japansche kolonie,

een proefveld voor sociale en politieke hervormingen. Japan had

langen tijd op Korea gewacht. Moge het tenslotte blijken, niet een

woelig en oproerig land, maar inderdaad het Land van de Ochtendkalmte

te zijn. Korea heeft in het verleden meegewerkt aan de grootheid

van Japan, door het in aanraking te brengen met den godsdienst,

de kunst en de letterkunde van China. Het is nu de beurt van Japan,

een verarmd land te helpen, en als de Ochtendkalmte verbonden is met

de Rijzende Zon, moet er vrede en voorspoed in het nieuwe grondgebied

van Japan heerschen.

Longford schrijft in _De Geschiedenis van Korea_ met betrekking tot

den inval van Keizerin Jingo: "Dr Aston.... zet met minachting het

geheele verhaal als een mythe op zijde, en zegt, dat het berust

op twee geheel verschillende geschiedkundige feiten--dat er ten

tijde van den beweerden inval een Keizerin van Japan was, een vrouw

met een krachtigen wil en met groote bekwaamheid, en dat er niet

één, maar verschillende Japansche invallen in Korea plaats grepen,

hoewel in latere tijdperken, toen de Japanners niet meer steeds zoo

voortreffelijk slaagden, als zij beweren, dat bij die Keizerin het

geval was." Wij geven hier de schilderachtige legende van Japans

eersten inval in Korea.

De getijde-juweelen.

In zekeren nacht had Keizerin Jingo, toen zij in haar tent lag te

slapen, een vreemden droom. Zij droomde, dat een geest haar naderde

en haar vertelde van een wonderbaarlijk land, een land in het westen,

dat rijk was aan schatten van goud en zilver, een oogverblindend land,

schoon te aanschouwen, als een prachtige vrouw. De geest vertelde

haar, dat de naam van dat land Chosen (Korea) was, en dat het aan

Japan zou kunnen toebehooren, als dit wilde optrekken en dat rijke

land wilde veroveren.

Den volgenden dag stelde Keizerin Jingo haar echtgenoot op de hoogte

van haar droom; maar de Keizer, een onverstandig man, en laag bij den

grond, geloofde niet in droomen. Daar zijn vrouw hem echter bleef

voortdrijven in de richting van dat in zijn oog dwaze plan, beklom

hij een hoogen berg, en ziende in de richting der ondergaande zon,

zag hij in het westen geen land. Toen de Keizer van den berg was

neergedaald, deelde hij zijn vrouw mede, dat hij in geen geval zijn

toestemming wilde geven, om een inval te doen in een land en dat te

trachten te veroveren, waarvan het bestaan alleen zou moeten blijken

uit een verwarden droom. Maar de Goden waren vertoornd op den Keizer,

en spoedig nadat hij zijn toestemming had geweigerd, sneuvelde hij

in een veldslag.

Het Geschenk van Drakenkoning.

Toen de Keizerin Jingo alleenheerscheres werd, besloot zij het land

op te zoeken, waarvan zij in haar droom had gehoord; maar daar zij

besloten was haar krijgstocht niet tot een onbeduidende en tamme zaak

te maken, deed zij een beroep op den Berggeest, om haar hout en ijzer

voor haar schepen te leveren. De Geest der Velden schonk haar rijst

en granen voor haar leger, terwijl de Geest van het Gras haar hennep

voor touwen schonk. De God van den Wind was haar plan welgezind,

en beloofde, haar schepen naar Korea te blazen. Al de geesten kwamen

voor den dag in overeenstemming met de wenschen van Keizerin Jingo,

behalve Isora, de Geest van het Zeestrand.

Isora was een luie knaap, en toen hij eindelijk boven de golven der zee

voor den dag kwam, deed hij dit zonder een rijke toerusting, want hij

was bedekt met slijk en schelpen, en zeegras bedekte zijn onoogelijke

persoonlijkheid. Toen de Keizerin hem zag, beval zij hem, naar den

Drakenkoning te gaan en hem te vragen, haar de Getijde-Juweelen

te schenken.

Isora gehoorzaamde, dook in het water neer, en stond dadelijk voor

den Drakenkoning, wien hij zijn verzoek deed. De Drakenkoning nam de

Getijde-Juweelen uit een mand, plaatste die op een groote schelp,

en beval Isora, dadelijk met dit kostbare geschenk naar Keizerin

Jingo terug te keeren.

Isora sprong uit het paleis van zijn meester naar de oppervlakte der

zee, en Keizerin Jingo plaatste de Getijde-Juweelen in haar gordel.

De Tocht.

Toen nu de Keizerin den Juweel van het Rijzende Water en dien van

het Vallende Water had gekregen, liet zij drieduizend schepen bouwen

en van stapel loopen, en aanvaardde zij in de tiende maand haar

grooten tocht. Haar vloot was nog niet ver van de kust, toen een

hevige storm opstak, zoodat de schepen tegen elkander botsten en

naar alle waarschijnlijkheid op den bodem der zee zouden zinken. De

Drakenkoning beval echter groote zeemonsters, ter hulp te snellen;

sommigen tilden de schepen op hun groote ruggen, anderen stutten

hun koppen tegen de achterstevens van een aantal schepen, of duwden

ze zoo door een bewogen zee voort, die de schepen bijna zou hebben

teruggedreven naar de plaats van vertrek. Machtige drakenvisschen

verleenden daarbij hun hulp, door van achteren te duwen en te blazen,

door de scheepskabels in hun bek te houden en zoo de schepen met

verbazende snelheid voort te sleepen. Zoodra de storm bedaard was,

verdwenen de zeemonsters en de drakenvisschen.

Het wegwerpen der Getijde-Juweelen.

Eindelijk zagen Keizerin Jingo en haar leger de verwijderde bergen

van Korea boven den horizon verrijzen. Toen zij de kust naderden,

bemerkten zij, dat het geheele Koreaansche leger op het strand

stond met hun schepen, gereed om van stapel te loopen op het eerste

bevel. Zoodra de Koreaansche schildwachten de Japansche vloot zagen,

gaven zij bevel aan boord te gaan, en onmiddellijk schoot een groote

menigte oorlogsschepen over het water.

De Keizerin zag dit alles met ongestoorde kalmte aan. Zij wist,

dat de overwinning of de nederlaag van haar leger geheel in haar

macht lag. Toen de Koreaansche schepen haar vloot naderden, wierp

zij den juweel van het Vallende Water in zee. Zoodra deze het water

had aangeraakt, liep het water van onder de kielen der Koreaansche

schepen weg, zoodat zij op droog land strandden. De Koreanen, die aan

geen toovenarij dachten en die meenden, dat hun toestand het gevolg

was van de eb, en bovendien, dat de Japansche schepen moesten te

gronde gaan, sprongen van hun schepen en vlogen over het zand. Doch

nu spanden de Japansche boogschutters hun bogen, en een dichte wolk

van pijlen vloog door de lucht, en doodde honderden vijanden. Toen

de Koreanen in de onmiddellijke nabijheid van de Japansche schepen

gekomen waren, wierp de Keizerin den Juweel van het Rijzende

Water in het water. Onmiddellijk kwam een groote golf aanrollen,

en verwoestte bijna het geheele Koreaansche leger. Het was nu voor

de Japanners gemakkelijk, te landen en het land te veroveren. De

koning van Korea gaf zich over, en de keizerin keerde naar haar eigen

land terug, beladen met zijde en juweelen, boeken en schilderijen,

tijgervellen en kostbare gewaden. Toen de Getijde-Juweelen door de

Keizerin waren weggeworpen, bleven zij niet lang op den bodem van

den oceaan liggen. Isora nam ze haastig op en bracht ze terug naar

den Drakenkoning.

Prins Ojin.

Kort na den terugkeer van Keizerin Jingo, schonk zij het leven aan

een zoon, Ojin genaamd. Toen Ojin was opgegroeid tot een schoonen

en verstandigen jongen, deed zijn moeder hem het verhaal van de

wonderbaarlijke Getijde-Juweelen, en drukte den wensch uit, dat ook

hij ze in zijn bezit zou krijgen, opdat hij eer en roem aan Japan

zou brengen.

Op zekeren dag nam de Eerste Minister, van wien verhaald werd, dat

hij driehonderd zestig jaar oud was en de raadgever van niet minder

dan vijf Mikado's was geweest, Ojin met zich mede in een keizerlijk

oorlogsschip. Het schip gleed over de zee met zijn goudzijden

zeilen. De Eerste Minister riep met luider stem den Drakenkoning toe,

den jeugdigen Ojin de Getijde-Juweelen te geven.

Onmiddellijk begonnen de golven rondom het schip vreeselijk te

schuimen, en onder donderend geweld verscheen de Drakenkoning

zelf, met een levend schepsel van een vervaarlijk uiterlijk, tot

helm. Daarna verrees uit het water een ontzaglijke schelp, waarin de

Getijde-Juweelen in de diepte glinsterden. Na die juweelen te nebben

aangeboden onder het houden van een korte toespraak, keerde hij weer

naar zijn machtig groen koninkrijk terug.

Mythen & Legenden van Japan · 第 44 / 53 题