"Ach! dat de witte golven,
Die Ise's zee beroeren,
Toch niets dan bloemen waren,
Opdat ik ze kon plukken,
Als gave voor mijn liefste."
_Prins Aki_ (Naar _W.G. Aston_).
Het Getijde der terugkeerende Geesten.
Op den laatsten dag van het Feest der Dooden is de zee bedekt
met tallooze _shoryobune_ (geestenschepen), immers op dien dag,
_Hotoke-umi_, wat Buddha-vloed beteekent, of het Getijde der
terugkeerende Geesten, gaan de geesten weer naar hun geestenwereld
terug. De zee glinstert van het licht der gestorven geesten, en van
over de golven komt het geluid van geesten, die samen fluisteren. Geen
sterfelijk wezen zou er een oogenblik aan denken, te midden van een
zoo heilig gezelschap zee te kiezen; immers dien nacht behoort de
zee de dooden toe; het is hun lange weg naar het rijk, waar Emma-O
oppermachtig regeert.
Somtijds echter geschiedt het, dat een schip de haven niet bereikt
vóór het vertrek der geestenschepen, en bij die gelegenheid komen de
dooden uit de diepte te voorschijn, steken hun armen uit, en smeeken,
dat hun emmers worden uitgereikt. De zeelieden geven aan dit verzoek
toe, maar geven de geesten een bodemloozen emmer, immers als zij de
dooden emmers geven met een bodem er in, zouden de booze geesten die
gebruiken, om het schip te doen zinken.
Urashima.
"Suminóye heeft lente; op zijn stranden,
Daar dalen de nevelen neer,
Ik sta aan den oever te peinzen,
En denk aan den tijd van weleer.
Ik denk aan de wereld van vroeger,
Bij het glijden van boot aan boot,
Aan den visschersknaap Urashima,
Die zoo van het visschen genoot."
Naar _B.H. Chamberlain_.
"De legende van Urashima," zoo schrijft Chamberlain in zijn _Japansche
poëzie_, "is één van de oudste Japansche legenden, en sporen daarvan
worden zelfs in de officieele gedenkboeken gevonden." In de populaire
lezing, die wij hieronder geven, komt het "Eeuwiggroene land", dat
genoemd wordt in de Japansche Ballade "De Visschersknaap Urashima",
voor als het Drakenpaleis. Chamberlain zegt: "Het woord Drakenpaleis is
in het Japansche _ryukyu_, ook wel _ryugu_, wat eveneens de Japansche
uitspraak is van den naam der eilanden, die wij Luchu, en de Chineezen
Liu-Kiu noemen, en men heeft ook wel beweerd, dat het Drakenpaleis niet
anders zou zijn dan een fantastischen naam, door den een of anderen
schipbreukeling gegeven aan die zonnige zuidelijke eilanden, waarvan
de bewoners zich nog altijd zelfs boven hun Japansche en Chineesche
naburen onderscheiden door hun groote liefde voor den draak als een
artistieke en bouwkundige versiering. Er is één ode in de _Man-Yoshu_,
die aan dit denkbeeld eenige waarschijnlijkheid geeft, daar die van
den sinaasappel zegt, dat deze het eerst in Japan zou zijn ingevoerd
uit het 'Eeuwiggroene Land', dat in het zuiden is gelegen."
Urashima en de Schildpad.
Urashima, die in een klein visschersdorp woonde, Midzunoe genaamd,
in de provincie Tango, ging eens uit visschen. Onder zijn vangst
behoorde ook een schildpad, en daar, naar men beweert, schildpadden
duizenden jaren leven, liet de bedachtzame Urashima het dier weder in
zee terugkeeren, deed nieuw aas aan zijn haak, en wachtte geduldig
af, totdat een visch toebeet. Doch alleen de zee deed zijn hengel
zachtkens op en neer gaan. De zon brandde op zijn hoofd, totdat
Urashima eindelijk in slaap viel.
Hij had nog niet lang geslapen, toen hij iemand hoorde
roepen: "Urashima, Urashima!"
Het was een zóó liefelijke, zóó verlokkende stem, dat de visschersknaap
in zijn boot opstond en in iedere richting rondkeek, totdat hij
dezelfde schildpad zag, die hij zoo vriendelijk aan haar vochtige
woning had teruggegeven. De schildpad, die de gave had, zeer vloeiend
te spreken, dankte Urashima uitbundig voor zijn vriendelijkheid,
en bood aan, hem te brengen naar de _ryukyu_, of het Paleis van den
Drakenkoning.
De uitnoodiging werd dankbaar aanvaard, en na op den rug van de
schildpad te zijn geklommen, gleed Urashima over de zee voort met een
geweldige vaart, en het merkwaardigste feit was, dat het hem bleek,
dat zijn kleeren volkomen droog bleven.
In het Paleis van den Zeekoning.
Toen hij in het Paleis van den Zeekoning gekomen was, kwamen brasem,
bot, tong en inktvisch naar buiten, om Urashima hartelijk welkom te
heeten. Nadat zij hun vreugde over zijn komst hadden te kennen gegeven,
geleidden die vazallen van den Drakenkoning den visschersknaap naar een
binnenvertrek, waar de schoone Prinses Otohime met haar dienststoet
gezeten was. De Prinses was gekleed in schitterende kleeren, rood en
goudgekleurd, alle tinten van golven, waarop het zonlicht schijnt.
De Prinses vertelde toen, dat zij de vorm van een schildpad had
aangenomen, om de vriendelijkheid van zijn gemoed op de proef te
stellen. Gelukkig was de proef uitnemend uitgevallen, en tot belooning
voor zijn deugd bood zij aan, zijn bruid te worden in een land,
waar eeuwige jeugd en voortdurende zomer heerschten.
Bedeesd aanvaardde Urashima de hooge eer, die hem ten deel
viel. Nauwelijks had hij zijn toestemming gegeven, of een groote
menigte visschen kwam voor den dag, gekleed in lange, plechtige
gewaden, terwijl hun vinnen groote koralen bakken droegen, die
met zeldzame lekkernijen waren beladen. Daarop dronk het gelukkige
bruidspaar den huwelijksbeker met saké gevuld, en terwijl zij dronken,
speelden sommige visschen een zachte en liefelijke muziek, terwijl
andere zongen, en een aantal van hen, met zilveren schubben en gouden
staarten, vreemde dansen uitvoerden op het witte strand.
Nadat de feestelijkheden geëindigd waren, liet Otohime haar echtgenoot
al de schoonheden en wonderen zien van het paleis haar vaders. Het
grootste wonder van alle was, dat daar een land was, waar alle
jaargetijden te zamen vertoefden. [78] Als hij den blik naar het
oosten sloeg, zag Urashima pruimen- en kersenboomen in vollen bloei,
terwijl vlinders met heldere vleugels over de bloesems heenstreken, en
in de verte scheen het, alsof de heldere bloemblaadjes en de vlinders
plotseling waren overgegaan in het gezang van een wonderschoonen
nachtegaal. In het zuiden zag hij boomen in de volle glorie van den
zomer, en hoorde hij het liefelijke geluid van den krekel. Sloeg hij
het oog naar het westen, dan glinsterden de ahornboomen in de takken
van den herfst, zoodat Urashima, als hij een ander geweest was dan
een eenvoudige, nederige visscher, zich het volgende gedicht zou
hebben voor den geest geroepen:
"O, zeg mij toch, Godin van 't vliedend najaarslicht,
Aan hoeveel weefgetouwen gij uw taak verricht,
Als gij bekwaam van hand, vuurroode blaadren weeft,
Van d' ahornboom in 't beeld, dat gij ons vriendlijk geeft,
En alle heuvelen met kleurenpracht bezaait,
Een wellust voor het oog, bij iedren wind, die waait!"
Naar _Clara A. Walsh_.
Het was inderdaad een "rijk borduurwerk", want toen Urashima zich naar
het noorden richtte, zag hij een groote uitgestrektheid, onder sneeuw
bedolven, en een ontzaglijken vijver, met ijs bedekt. Alle jaargetijden
vertoefden te gelijker tijd in het schoone land, waar de Natuur haar
onbegrensde rijkdommen aan schoonheid ten volle had ten toon gespreid.
Nadat Urashima drie dagen in het Paleis van den Zeekoning had vertoefd
en een aantal wonderbaarlijke zaken had gezien, herinnerde hij zich
plotseling zijn bejaarde ouders en gevoelde hij een sterk verlangen,
dezen te gaan opzoeken. Toen hij naar zijn vrouw toeging en haar op
de hoogte stelde van zijn verlangen, om naar huis terug te keeren,
begon Otohime te weenen, en trachtte zij hem te overreden, nog een
dag te wachten. Maar Urashima wilde in die zaak niet toegeven. "Ik
moet gaan," zeide hij, "maar ik zal u slechts één dag alleen laten. Ik
zal weer terugkomen, mijn lieve vrouw."
De thuiskomst van Urashima.
Toen gaf Otohime haar echtgenoot een geschenk ter herinnering aan
hun liefde. Het heette de _Tamate-Bako_ ("Doos van de Juweelen
Hand"). Zij zeide hem, dat hij onder geen omstandigheden de doos
mocht openen, en Urashima nam afscheid, na beloofd te hebben haar
wensch te volbrengen, besteeg een groote schildpad, en was spoedig in
zijn eigen land teruggekeerd. Te vergeefs zag hij uit naar het huis
van zijn vader. Geen spoor was daarvan meer te bekennen. De hut was
verdwenen, alleen de kleine rivier was overgebleven.
Zeer verbaasd vroeg Urashima een voetganger naar bijzonderheden,
en hij vernam van dezen, dat een visschersknaap, Urashima genaamd,
drie honderd jaar geleden in zee was gevallen en was verdronken, en
dat zijn vader, broeders en hun kleinkinderen reeds lang ter ruste
gegaan waren. Daarna herinnerde zich Urashima plotseling, dat het
rijk van den zeekoning een goddelijk land was, waar een dag naar
menschelijke berekening drie honderd jaar duurde.
De gedachten van Urashima waren uiterst somber, want allen, die hij op
aarde had liefgehad, waren gestorven. Daarna hoorde hij het ruischen
der zee, en herinnerde zich de liefelijke Otohime, en het land, waar
de jaargetijden zich vereenigden en een viervoudig praalvertoon van
hun schoonheid maakten--het land, waar boomen smaragden tot bladeren
en robijnen tot bessen hadden, waar de visschen lange gewaden droegen
en zongen, dansten en speelden. De zee klonk luider in de ooren van
Urashima. Riep Otohime hem? Maar geen weg opende zich voor hem, geen
welwillende schildpad kwam op het tooneel, om hem te dragen naar
de plaats, waar zijn vrouw hem wachtte. "De doos! de doos!" zeide
Urashima zacht, "als ik dat geheimzinnige geschenk van mijn vrouw open,
kan het misschien wel den weg openbaren."
Urashima maakte den roodzijden draad los, en langzaam, met vrees in
het hart, tilde hij het deksel van de doos op. Plotseling kwam er
een kleine witte wolk uit; deze bleef een oogenblik toeven, en rolde
toen ver weg over de zee. Maar een heilige belofte was verbroken,
en Urashima veranderde van een schoonen jongeling in een gerimpelden
grijsaard. Hij strompelde vooruit, terwijl zijn witte haren en baard
in den wind fladderden. Hij keek uit naar de zee, en viel toen dood
op het strand.
Chamberlain schrijft: "Het graf van Urashima, met zijn hengel, de
doos, hem door het meisje geschonken, en twee steenen, die groote
waarde moeten bezitten, worden nog altijd in één der tempels te
Kanagawa vertoond."
Het Land van de Ochtendkalmte.
Chosen, het Land van de Ochtendkalmte, was de oude naam voor Korea
[79], en hoe poëtisch die naam moge zijn, zij was volstrekt niet van
toepassing op den feitelijken toestand. In zijn vroegere geschiedenis
was het een land, tegen zich zelf verdeeld, en later ondervond het de
ellende van de invallende legers van China en Japan, daargelaten nog
de kleine schermutselingen met andere landen. Ongetwijfeld is er een
zekere pathetische kalmte in het Korea van onzen tijd, maar het is
de kalmte van een reeds lang overwonnen en vervolgde natie. Het ligt
nu in de hand van Japan, of de Koreanen weer uit de lijfeigenschap
zullen verrijzen en weer iets van die oude kloekmoedigheid zullen
terugkrijgen, die eertijds een zoo op den voorgrond tredend kenmerk
was van de mannen uit het noorden van dat land.
Reeds lang geleden kwam Korea onder de betoovering van de Chineesche
beschaving, en nog steeds gevoelt het volk de nawerking daarvan. Japan
ontleende aan Korea, wat Korea aan China had ontleend. Omdat Japan,
toen het alles had uitgeput, wat het van Korea en China kon leeren,
zijn blikken naar het westen richtte, werd het na verloop van tijd,
nu ook de voortgaande stroom van gedachten en daden krachtig door de
Japanners bleef vloeien, een wereldmacht, terwijl Korea een rampzalig
voorbeeld bleef van een bijna volkomen stilstaand land.
Toen Japan er in geslaagd was Korea te overtuigen, dat alleen
Japan haar trouwe gids kon zijn, kwam Rusland als een dief in den
nacht en plaatste een militaire voorpost te Wiju. Daaruit kwam de
Russisch-Japansche oorlog voort, en Korea werd een Japansche kolonie,
een proefveld voor sociale en politieke hervormingen. Japan had
langen tijd op Korea gewacht. Moge het tenslotte blijken, niet een
woelig en oproerig land, maar inderdaad het Land van de Ochtendkalmte
te zijn. Korea heeft in het verleden meegewerkt aan de grootheid
van Japan, door het in aanraking te brengen met den godsdienst,
de kunst en de letterkunde van China. Het is nu de beurt van Japan,
een verarmd land te helpen, en als de Ochtendkalmte verbonden is met
de Rijzende Zon, moet er vrede en voorspoed in het nieuwe grondgebied
van Japan heerschen.
Longford schrijft in _De Geschiedenis van Korea_ met betrekking tot
den inval van Keizerin Jingo: "Dr Aston.... zet met minachting het
geheele verhaal als een mythe op zijde, en zegt, dat het berust
op twee geheel verschillende geschiedkundige feiten--dat er ten
tijde van den beweerden inval een Keizerin van Japan was, een vrouw
met een krachtigen wil en met groote bekwaamheid, en dat er niet
één, maar verschillende Japansche invallen in Korea plaats grepen,
hoewel in latere tijdperken, toen de Japanners niet meer steeds zoo
voortreffelijk slaagden, als zij beweren, dat bij die Keizerin het
geval was." Wij geven hier de schilderachtige legende van Japans
eersten inval in Korea.
De getijde-juweelen.
In zekeren nacht had Keizerin Jingo, toen zij in haar tent lag te
slapen, een vreemden droom. Zij droomde, dat een geest haar naderde
en haar vertelde van een wonderbaarlijk land, een land in het westen,
dat rijk was aan schatten van goud en zilver, een oogverblindend land,
schoon te aanschouwen, als een prachtige vrouw. De geest vertelde
haar, dat de naam van dat land Chosen (Korea) was, en dat het aan
Japan zou kunnen toebehooren, als dit wilde optrekken en dat rijke
land wilde veroveren.
Den volgenden dag stelde Keizerin Jingo haar echtgenoot op de hoogte
van haar droom; maar de Keizer, een onverstandig man, en laag bij den
grond, geloofde niet in droomen. Daar zijn vrouw hem echter bleef
voortdrijven in de richting van dat in zijn oog dwaze plan, beklom
hij een hoogen berg, en ziende in de richting der ondergaande zon,
zag hij in het westen geen land. Toen de Keizer van den berg was
neergedaald, deelde hij zijn vrouw mede, dat hij in geen geval zijn
toestemming wilde geven, om een inval te doen in een land en dat te
trachten te veroveren, waarvan het bestaan alleen zou moeten blijken
uit een verwarden droom. Maar de Goden waren vertoornd op den Keizer,
en spoedig nadat hij zijn toestemming had geweigerd, sneuvelde hij
in een veldslag.
Het Geschenk van Drakenkoning.
Toen de Keizerin Jingo alleenheerscheres werd, besloot zij het land
op te zoeken, waarvan zij in haar droom had gehoord; maar daar zij
besloten was haar krijgstocht niet tot een onbeduidende en tamme zaak
te maken, deed zij een beroep op den Berggeest, om haar hout en ijzer
voor haar schepen te leveren. De Geest der Velden schonk haar rijst
en granen voor haar leger, terwijl de Geest van het Gras haar hennep
voor touwen schonk. De God van den Wind was haar plan welgezind,
en beloofde, haar schepen naar Korea te blazen. Al de geesten kwamen
voor den dag in overeenstemming met de wenschen van Keizerin Jingo,
behalve Isora, de Geest van het Zeestrand.
Isora was een luie knaap, en toen hij eindelijk boven de golven der zee
voor den dag kwam, deed hij dit zonder een rijke toerusting, want hij
was bedekt met slijk en schelpen, en zeegras bedekte zijn onoogelijke
persoonlijkheid. Toen de Keizerin hem zag, beval zij hem, naar den
Drakenkoning te gaan en hem te vragen, haar de Getijde-Juweelen
te schenken.
Isora gehoorzaamde, dook in het water neer, en stond dadelijk voor
den Drakenkoning, wien hij zijn verzoek deed. De Drakenkoning nam de
Getijde-Juweelen uit een mand, plaatste die op een groote schelp,
en beval Isora, dadelijk met dit kostbare geschenk naar Keizerin
Jingo terug te keeren.
Isora sprong uit het paleis van zijn meester naar de oppervlakte der
zee, en Keizerin Jingo plaatste de Getijde-Juweelen in haar gordel.
De Tocht.
Toen nu de Keizerin den Juweel van het Rijzende Water en dien van
het Vallende Water had gekregen, liet zij drieduizend schepen bouwen
en van stapel loopen, en aanvaardde zij in de tiende maand haar
grooten tocht. Haar vloot was nog niet ver van de kust, toen een
hevige storm opstak, zoodat de schepen tegen elkander botsten en
naar alle waarschijnlijkheid op den bodem der zee zouden zinken. De
Drakenkoning beval echter groote zeemonsters, ter hulp te snellen;
sommigen tilden de schepen op hun groote ruggen, anderen stutten
hun koppen tegen de achterstevens van een aantal schepen, of duwden
ze zoo door een bewogen zee voort, die de schepen bijna zou hebben
teruggedreven naar de plaats van vertrek. Machtige drakenvisschen
verleenden daarbij hun hulp, door van achteren te duwen en te blazen,
door de scheepskabels in hun bek te houden en zoo de schepen met
verbazende snelheid voort te sleepen. Zoodra de storm bedaard was,
verdwenen de zeemonsters en de drakenvisschen.
Het wegwerpen der Getijde-Juweelen.
Eindelijk zagen Keizerin Jingo en haar leger de verwijderde bergen
van Korea boven den horizon verrijzen. Toen zij de kust naderden,
bemerkten zij, dat het geheele Koreaansche leger op het strand
stond met hun schepen, gereed om van stapel te loopen op het eerste
bevel. Zoodra de Koreaansche schildwachten de Japansche vloot zagen,
gaven zij bevel aan boord te gaan, en onmiddellijk schoot een groote
menigte oorlogsschepen over het water.
De Keizerin zag dit alles met ongestoorde kalmte aan. Zij wist,
dat de overwinning of de nederlaag van haar leger geheel in haar
macht lag. Toen de Koreaansche schepen haar vloot naderden, wierp
zij den juweel van het Vallende Water in zee. Zoodra deze het water
had aangeraakt, liep het water van onder de kielen der Koreaansche
schepen weg, zoodat zij op droog land strandden. De Koreanen, die aan
geen toovenarij dachten en die meenden, dat hun toestand het gevolg
was van de eb, en bovendien, dat de Japansche schepen moesten te
gronde gaan, sprongen van hun schepen en vlogen over het zand. Doch
nu spanden de Japansche boogschutters hun bogen, en een dichte wolk
van pijlen vloog door de lucht, en doodde honderden vijanden. Toen
de Koreanen in de onmiddellijke nabijheid van de Japansche schepen
gekomen waren, wierp de Keizerin den Juweel van het Rijzende
Water in het water. Onmiddellijk kwam een groote golf aanrollen,
en verwoestte bijna het geheele Koreaansche leger. Het was nu voor
de Japanners gemakkelijk, te landen en het land te veroveren. De
koning van Korea gaf zich over, en de keizerin keerde naar haar eigen
land terug, beladen met zijde en juweelen, boeken en schilderijen,
tijgervellen en kostbare gewaden. Toen de Getijde-Juweelen door de
Keizerin waren weggeworpen, bleven zij niet lang op den bodem van
den oceaan liggen. Isora nam ze haastig op en bracht ze terug naar
den Drakenkoning.
Prins Ojin.
Kort na den terugkeer van Keizerin Jingo, schonk zij het leven aan
een zoon, Ojin genaamd. Toen Ojin was opgegroeid tot een schoonen
en verstandigen jongen, deed zijn moeder hem het verhaal van de
wonderbaarlijke Getijde-Juweelen, en drukte den wensch uit, dat ook
hij ze in zijn bezit zou krijgen, opdat hij eer en roem aan Japan
zou brengen.
Op zekeren dag nam de Eerste Minister, van wien verhaald werd, dat
hij driehonderd zestig jaar oud was en de raadgever van niet minder
dan vijf Mikado's was geweest, Ojin met zich mede in een keizerlijk
oorlogsschip. Het schip gleed over de zee met zijn goudzijden
zeilen. De Eerste Minister riep met luider stem den Drakenkoning toe,
den jeugdigen Ojin de Getijde-Juweelen te geven.
Onmiddellijk begonnen de golven rondom het schip vreeselijk te
schuimen, en onder donderend geweld verscheen de Drakenkoning
zelf, met een levend schepsel van een vervaarlijk uiterlijk, tot
helm. Daarna verrees uit het water een ontzaglijke schelp, waarin de
Getijde-Juweelen in de diepte glinsterden. Na die juweelen te nebben
aangeboden onder het houden van een korte toespraak, keerde hij weer
naar zijn machtig groen koninkrijk terug.