Het Meisje van Unai.
Het Meisje van Unai woonde bij haar ouders in het dorp Ashinóya. Zij
was bijzonder mooi, en zij had twee vurige en volhardende
minnaars--Mubara, die uit dezelfde landstreek afkomstig was, en Chinu,
die uit Izumi kwam. Die twee minnaars konden even goed tweelingen
geweest zijn, want zij kwamen met elkander overeen in leeftijd,
uiterlijk, gelaat en lichaamsbouw. Ongelukkig hadden beiden haar
met denzelfden hartstocht lief, zoodat het onmogelijk was, tusschen
beiden eenig verschil te ontdekken. Hun geschenken waren dezelfde,
en er scheen geen verschil te zijn in de wijze, waarop zij hun liefde
betuigden. Wij krijgen een goed denkbeeld van het geheele uiterlijk
van die twee minnaars, als wij kennis maken met het volgende fragment
uit het gedicht van Mushimaro over dit onderwerp:
"Jaloersch bemint dit dappere paar
De liefelijke maagd:
Elk met de hand op 't gevest van zijn zwaard
Terwijl hij een pijlkoker draagt.
"Die pijlkoker hangt op den rug van den held;
En een sneeuwwitte houten boog
Rust in beider krachtige, stevige hand;
Zoo hielden ze elkander vijandig in 't oog."
Naar _B.H. Chamberlain_.
Intusschen werd het Meisje van Unai droevig van gemoed. Zij nam de
gaven van Mubara of Chinu nooit aan, en toch deed het haar leed,
dat zij hen maand aan maand zag staan aan de poort, terwijl zij geen
oogenblik in de vurige uitdrukking van hun gevoelens van liefde voor
haar verslapten.
De ouders van het Meisje van Unai schenen het ingewikkelde van den
toestand niet te hebben ingezien, want zij zeiden haar: "Het is droevig
voor ons, om den last van uw ongepast gedrag te moeten dragen, nu gij
van maand tot maand en van jaar tot jaar op de meest zorgelooze wijze
anderen smart doet lijden. Als gij het aanzoek van den één aanneemt,
zal de liefde van den ander na korten tijd ophouden."
Die goed bedoelde woorden brachten het arme Meisje van Unai geen
troost of geen hulp; daarom ontboden de ouders de minnaars, legden
den treurigen toestand bloot en besloten, dat hij, die een watervogel
zou schieten, welke zwom in de rivier Ikuta, die langs het platvorm
stroomde, waarop het huis was gebouwd, hun dochter ten huwelijk
zou verkrijgen.
De minnaars waren met die beslissing ten zeerste ingenomen, en
verlangden er naar, dat er een einde zou komen aan die wreede
onzekerheid. Op hetzelfde oogenblik spanden zij hun bogen, en te
gelijk troffen hun pijlen den vogel, de ééne in den kop en de andere
in den staart, zoodat geen van beiden er zich op kon beroemen de
beste schutter te zijn. Toen het Meisje van Unai zag, hoe hopeloos
de zaak stond, riep zij uit:
"Het is genoeg! De golf, die ik ginds zie naken,
Zal aan mijn zielestrijd een droevig einde maken:
Wel noemt men Settsu's stroom den stroom van 't leven,
Maar mij zal die rivier een laatste rustplaats geven."
Naar _B.H. Chamberlain_.
Na die melodramatische woorden wierp zij zich van het platvorm in de
golvende wateren beneden haar.
De ouders van het meisje, die het tooneel bijwoonden, schreeuwden
en raasden op het platvorm, terwijl de trouwe minnaars in de rivier
sprongen. De één hield den voet van het meisje, de ander haar hand
vast, en oogenblikkelijk zonken alle drie in de diepte weg. Het meisje
werd daarna begraven tusschen haar beide minnaars, en tot op den
huidigen dag is de plaats bekend als "Het Graf van het Meisje". In
het graf van Mubara was een holle bamboe-stok gelegd, met een boog,
een pijlkoker en een lang zwaard; maar in het graf van Chinu was
niets geplaatst.
Eenigen tijd daarna kwam een vreemdeling in de nabijheid van
het graf en werd plotseling opgeschrikt door het geluid van een
hevig gevecht. Hij zond zijn dienaren er heen, om de zaak te
onderzoeken, maar zij kwamen terug met de mededeeling, dat zij
niets buitengewoons konden hooren of zien. Terwijl de vreemdeling
over de liefdesgeschiedenis van het Meisje van Unai zat te peinzen,
viel hij in slaap. Dit was nauwelijks geschied, of hij zag vóór zich,
op den grond geknield, een man met bloed bevlekt, die hem mededeelde,
dat hij zeer lastig gevallen werd door de vervolgingen van een vijand,
en die hem vroeg, of de vreemdeling hem zijn zwaard wilde leenen. Met
eenige aarzeling werd dit verzoek toegestaan. Toen de vreemdeling
ontwaakte, helde hij over tot de meening, dat de geheele zaak een droom
was geweest; maar het was geen voorbijgaand nachtelijk droombeeld,
want niet alleen miste hij zijn zwaard, maar hoorde hij ook in zijn
onmiddellijke nabijheid het geraas van een hevig gevecht. Daarna hield
het wapengekletter plotseling op, en weer stond de met bloed bevlekte
man vóór hem, die aldus sprak: "Door uw welwillende hulp heb ik den
vijand verslagen, die mij al die jaren heeft onderdrukt." Hieruit
kunnen wij afleiden, dat in de geesteswereld Chinu zijn mededinger
bevocht en versloeg, en na een aantal jaren van bittere jaloezie was
hij eindelijk in staat het Meisje van Unai de zijne te noemen.
Het Graf van het Meisje Unai.
"Ik sta bij het graf, waar nu rust
Van Unai de lieflijke maagd,
Die een aantal jaloersche minnaars
Bij haar leven zoozeer had behaagd.
"Dat graf moet tot 't laatst van de jaren
Verkonden het lot van de maagd,
Die zelfs nog na eeuwen en eeuwen
Toekomstige mannen behaagt.
"En stapelt op den straatweg
Men steenen tot bergen zoo hoog,
Die zoolang als de wolken drijven,
Daar blijven voor ons oog.
"Als een pelgrim dit pad mocht betreden,
Laat hem dan naar die steenblokken zien,
En bij 't graf van de maagd droevig weenen;
De bewoners van 't dorp bovendien
"Nooit stillen hun bittere tranen
Maar scharen zich om haar graf.
Laat de eeuwen haar noodlot verkonden,
En de smart, die haar sterven ons gaf.
"Tot ook ik op het laatst hier zal staren
Op het graf, dat haar bergt voor mijn oog,
En ik droevig terug zal denken,
Aan den tijd, die zóó snel vervloog."
_Sakimaro_ (Naar _B.H. Chamberlain_).
Het Meisje van Katsushika.
"Daar waar in 't verre oostersch land,
Bij 't ochtendgloren kraait de haan,
Vertelt het landvolk een verhaal,
Uit tijden, dood en lang vergaan.
"Van 't meisje uit Katsushika,
Wier gordel, helderblauw,
Het grofste linnen kleed omsloot,
En rok van arme vrouw.
"Wier voet geen schoen ooit had omklemd
Of kam geraakt het haar.
Geen koningin, hoe rijk getooid
Te vergelijken waar.
"Met 't meisje, dat daar lachend stond,
Een bloem in lentetijd,
In schoonheid, liefheid zóó volmaakt
Als maanlichts heerlijkheid.
"Gelijk een zwerm van motten, die
Om 't helder kaarslicht dwaalt,
Gelijk een boot de haven zoekt,
Als 's avonds schaduw daalt.
"Zoo kwamen zwermen vrijers aan,
Doch zij sprak: 'Laat mij gaan,
k Ben slechts een nederige maagd
En kort is mijn bestaan'.
"Daar waar de golven met geweld
Luid beuken 't kale strand,
Heeft 't meisje van Katsushika
Voor goed haar vaderland.
"Ja! 't is een lied uit ouden tijd;
Maar als 't mijn ooren streelt,
Dan rijst voor mij of 't gisteren was,
Haar vriendlijk, lieflijk beeld."
Naar _B.H. Chamberlain_.
Chamberlain voegt de volgende opmerking bij de vertaling van deze
Japansche ballade: "Bij de weinig vaststaande overlevering, die echter
ongetwijfeld zeer oud is, en die in bovenstaande ballade is behouden
gebleven, kan uit authentieke bron niets worden gevoegd. De fantasie
van het volk heeft echter de leemten aangevuld, en voert een wreede
stiefmoeder ten tooneele, die, zonder dat zij iets gevoelt voor de
toewijding van het meisje, dat dagelijks water voor haar schept uit
de eenige bron, waarvan zij het water wenscht te drinken, zóó boos
op haar is, omdat zij door haar schitterende schoonheid minnaars
naar het huis lokt, dat het arme meisje zich ten slotte verdrinkt,
waarna de buren haar als een godin beschouwen en een tempel ter
harer eere oprichten. Zoowel de tempel als de bron behooren tot de
merkwaardigheden in de omstreken van Tokyo, die nog steeds worden
bezocht."
Het Meisje met de houten Kom.
In lang vervlogen tijden leefde een oud echtpaar met hun eenig kind,
een meisje van merkwaardige bekoorlijkheid en schoonheid. Toen de
oude man ziek werd en stierf, werd zijn weduwe hoe langer hoe meer
bezorgd over het toekomstige geluk van haar dochter.
Op zekeren dag riep zij haar kind bij zich en sprak: "Mijn lieve, uw
vader ligt op gindsch kerkhof, en ik moet, daar ik oud en zwak ben,
hem spoedig volgen. De gedachte, dat ik u alleen in de wereld moet
achterlaten, baart mij veel zorg, want gij zijt schoon, en schoonheid
is een verleiding en een verstrikking voor mannen. Al de reinheid
van een witte bloem kan niet beletten, dat zij wordt geplukt en in
het slijk wordt gescheurd. Mijn kind, uw gelaat is al te schoon. Het
moet voor de begeerige oogen der mannen verborgen worden, daar het
anders de oorzaak zal zijn, dat gij van uw goed en rein leven vervalt
in een leven van schande."
Na die woorden gesproken te hebben, plaatste zij een verlakte
kom op het hoofd van het meisje, zoodat het haar bekoorlijkheden
bedekte. "Draag die kom altijd, mijn lieve," sprak de moeder, "want
dit zal u beschermen als ik dood ben."
Korten tijd nadat zij die liefderijke daad had volbracht, stierf de
oude vrouw, en het meisje was verplicht haar brood te verdienen met op
de rijstvelden te werken. Het was een zwaar en onaangenaam werk, maar
het meisje hield zich dapper en zwoegde van den morgen tot den avond
zonder een oogenblik te morren. Telkens gaf haar vreemd uiterlijk
aanleiding tot veel besprekingen, en over het geheele land stond
zij bekend als het "Meisje met de Kom op het Hoofd." De jonge mannen
lachten haar uit en trachtten onder de kom te kijken, en niet weinigen
zelfs trachtten het houten hoofddeksel van haar hoofd te trekken,
maar het kon niet worden verwijderd, en de jongelieden moesten zich
onder gelach en spotternij tevreden stellen met een enkele blik op
het benedengedeelte van het gelaat. Het arme meisje verdroeg die ruwe
behandeling met een geduldig, maar bezwaard gemoed, daar zij meende,
dat door de liefde en de wijsheid van haar moeder later een dag van
vreugde zou aanbreken, die een ruime vergoeding zou zijn voor al
haar droefheid.
Op zekeren dag sloeg een rijke landbouwer het meisje gade, dat op
zijn rijstvelden werkte. Hij werd getroffen door haar ijver en de
snelle en uitnemende wijze, waarop zij haar taak volbracht. Hij had
schik in die gebogen en vlijtige kleine gestalte, en lachte niet om
de houten kom op haar hoofd. Na haar gedurende korten tijd te hebben
gadegeslagen, kwam hij op het meisje af en sprak: "Ge werkt goed en
babbelt niet met uw makkers. Ik wensch, dat ge op mijn rijstvelden
werkt tot aan het einde van den oogst."
Toen de oogst was binnengehaald en de winter was aangebroken, vroeg
haar de rijke landbouwer, die een hoe langer hoe gunstiger indruk van
het meisje had gekregen, en die verlangde haar van dienst te zijn, zijn
huisgenoote te willen worden. "Mijn vrouw is ziek," voegde hij er aan
toe, "en ik zou gaarne willen, dat gij haar voor mij kwaamt oppassen."
Het meisje nam dankbaar dit voor haar zoo geschikte aanbod aan. Zij
verpleegde de zieke vrouw met de grootste zorg, want dezelfde
rustige ijver, dien zij op het rijstveld openbaarde, kenmerkte ook
haar vriendelijk werk in de ziekenkamer. Daar de landbouwer en zijn
vrouw geen dochter hadden, hechtten zij zich zeer aan die wees en
beschouwden zij haar als hun eigen kind.
Na eenigen tijd keerde de oudste zoon van den landbouwer naar zijn oude
woning terug. Hij was een verstandig jongmensch, die in het vroolijke
Kyoto ijverig had gestudeerd en een afkeer had van een vroolijk leven
vol feesten en lichtzinnige vermaken. Zijn vader en moeder verwachtten,
dat hun zoon zich spoedig in het ouderlijke huis en in die omgeving
zou vervelen, en dagelijks vreesden zij, dat hij bij hen zou komen,
om afscheid te nemen en weer terug te keeren naar de residentie van
den Mikado. Maar tot ieders verbazing gaf de zoon van den landbouwer
volstrekt niet het verlangen te kennen, zijn oude woning te verlaten.
Op zekeren dag kwam de jonge man bij zijn vader en vroeg: "Wie is
dat meisje in ons huis, en waarom draagt zij een leelijke kom op
het hoofd?"
Toen de landbouwer het droevige verhaal van het meisje had gedaan,
was zijn zoon diep bewogen; maar toch kon hij niet nalaten, een weinig
om de kom te lachen. Het lachen van den jongen man duurde echter
niet lang. Dag aan dag werd hij meer door het meisje bekoord. Telkens
gluurde hij naar het half verborgen gelaat van het meisje, en kwam hij
al meer en meer onder den indruk van haar vriendelijke manieren en haar
edel karakter. Het duurde niet lang, of zijn bewondering ging in liefde
over, en hij besloot dat hij zou trouwen met het "Meisje met de Kom op
het Hoofd". De meesten van zijn familieleden verzetten zich tegen die
verbintenis. Zij zeiden: "Zij is in haar soort inderdaad uitstekend,
maar zij is niets anders dan een gewone dienstbode. Zij draagt die
kom, om hen die onverstandig zijn, te verlokken, en wij gelooven niet,
dat die kom schoone gelaatstrekken bedekt, maar juist dient, om haar
leelijkheid te verbergen. Zoek ergens anders een vrouw, want wij zullen
dat eerzuchtige en intrigeerende meisje niet in onzen kring toelaten."
Van dat oogenblik af had het meisje veel te lijden. Bittere
en hatelijke toespelingen kreeg zij te hooren, en zelfs haar
meesteres, die vóór dien tijd zoo lief en vriendelijk was geweest,
koos tegen haar partij. Maar de landbouwer veranderde niet in zijn
goede gezindheid jegens haar. Hij hield nog altijd van het meisje,
en had er volstrekt niets op tegen, dat zij de vrouw van zijn zoon zou
worden, maar ten gevolge van de heftige opmerkingen van zijn vrouw en
zijn bloedverwanten durfde hij zijn wenschen in die zaak niet bekend
te maken.
Al die tegenwerking, die daarenboven op zeer onvriendelijke
wijze werd geuit, maakte den jongen man nog begeeriger zijn doel
te bereiken. Eindelijk gaven zijn moeder en zijn bloedverwanten,
toen zij zagen, dat op hun wenschen geen acht geslagen werd, hun
toestemming tot het huwelijk, maar op onvriendelijke wijze.
De jonge man, die meende, dat nu alle moeilijkheden waren uit den weg
geruimd, ging verheugd naar het meisje met de Kom op het Hoofd toe,
en zeide: "Alle lastige tegenwerking is geëindigd, en nu verhindert
ons niets, te trouwen."
"Neen", antwoordde het vrome meisje, terwijl zij bitter weende, "ik
kan niet met u trouwen. Ik ben niets dan een dienstbode in het huis
van uw vader, en daarom zou het ongepast zijn, als ik uw bruid werd."
De jonge man sprak vriendelijk met haar. Herhaaldelijk gaf hij uiting
aan zijn zoo vurige liefde voor haar, hij trachtte haar te overreden,
hij smeekte; maar het meisje wilde niet toegeven. Haar houding maakte
de bloedverwanten erg boos. Zij zeiden, dat het meisje hen allen voor
den gek had gehouden, daar zij volstrekt niet begrepen, dat zij den
zoon van den landbouwer innig liefhad, en dat zij in haar trouw hart
overtuigd was, dat dit huwelijk alleen tweedracht kon brengen in het
gezin, dat haar in haar armoede een schuilplaats had aangeboden.
Dien nacht huilde het meisje zich in slaap, en in haar slaap verscheen
haar moeder vóór haar, en sprak: "Mijn lief kind, laat uw goed hart
niet langer verdriet hebben. Trouw met den zoon van den landbouwer,
en alles zal weer in orde komen." Het meisje ontwaakte de volgenden
morgen, het hart vol vreugde, en toen haar minnaar bij haar kwam en
haar nog eens vroeg, of zij zijn bruid wilde worden, stemde zij er
met een liefelijken glimlach in toe.
Er werden groote toebereidselen voor de bruiloft gemaakt, en toen de
gasten bijeengekomen waren, meende men, dat het hoog tijd was, dat
zij de houten kom van haar hoofd verwijderde. Zij zelf trachtte die
af te nemen, maar de kom bleef op haar hoofd vastzitten. Toen enkelen
van de familieleden met herhaalde onvriendelijke opmerkingen haar
te hulp kwamen, uitte de kom vreemde kreten en zuchtte. Ten slotte
naderde de bruidegom het meisje en zeide: "Laat die behandeling u
geen verdriet aandoen. Gij zijt mij even lief met als zonder kom",
en na die woorden te hebben gesproken, beval hij, dat de plechtigheid
voortgang zou hebben.
Daarna werden de bekers met wijn in het met gasten gevulde vertrek
gebracht, en in overeenstemming met de gebruiken werd van de bruid
en den bruidegom verwacht, dat zij samen de "Driemaal drie" zouden
drinken ter eere van hun verbintenis. Op het oogenblik waarop het
meisje den beker aan haar lippen bracht, brak de kom op haar hoofd
met groot geraas, en viel er goud en zilver uit, en tevens allerlei
soorten van edelgesteenten, zoodat het meisje, dat eens doodarm was
geweest, nu een rijke huwelijksgift bezat. De gasten waren verbaasd,
toen zij de groote hoeveelheid schitterende juweelen, goud en zilver
zagen, maar nog meer verbaasd waren zij, toen zij opkeken en zagen,
dat de bruid het mooiste meisje uit geheel Japan was.