"Hoïchi zonder Ooren."
In de verhalen omtrent Yoshitsune en zijn trouwen dienaar Benkei
hebben wij reeds melding gemaakt van den slag bij Dan-no-ura, den
laatsten strijd tusschen de Taira en de Minamoto stammen. [76] In
dat groote zeegevecht kwamen de Taira om, en tevens hun jonge Keizer
Antoku Tenno. Het merkwaardige tafereel wordt in de _Heike Monogatari_
(vertaling van W.G. Aston) aldus beschreven:
"Deze wereld is het gebied der smart, een verwijderde plek, klein
als een gierstkorrel. Maar onder de golven is een prachtige stad,
het Reine Land van Volmaakt Geluk genoemd. Daarheen voer ik u." Met
zoodanige woorden kalmeerde zij hem. Het kind bond toen zijn strik
op het hoofd vast aan het Keizerlijke kleed dat de kleur had van een
bergduif en treurig vouwde hij zijn vriendelijke handjes samen. Eerst
wendde hij zich naar het Oosten, en nam afscheid van den tempel van
den grooten God van Ise en den tempel van Hachiman. Daarna wendde hij
zich naar het Westen, en riep den naam van Buddha aan. Toen hij dit
had gedaan, nam Niidono hem moedig in haar armen, en na hem te hebben
gevleid met de woorden, 'Er is een stad ver weg onder de golven,'
zonk zij op den bodem ter diepte van duizend vademen.
Men zegt, dat zevenhonderd jaar na dien grooten zeestrijd de zee en
de kust in de nabijheid door de geesten van den Taira stam werden
bezocht. Geheimzinnige vuren schenen op de golven, en de lucht was
gevuld met het geluid van strijd. Om de ongelukkige geesten tot
rust te brengen, werd de tempel van Amidaji te Akamagaséki gebouwd,
en werd er dichtbij een kerkhof aangelegd, en daarop verschillende
gedenksteenen geplaatst, waarop de namen van den verdronken keizer en
zijn voornaamste volgelingen waren gegrift. Die tempel en dat kerkhof
brachten de spookverschijningen tot op zekere hoogte tot rust, maar
van tijd tot tijd geschiedden er een aantal vreemde dingen, zooals
wij uit de volgende legende zullen zien.
Er leefde eens in den tempel van Amidaji een blinde priester Hoïchi
genaamd. Hij was beroemd om zijn voordragen en zijn wonderbaarlijke
bekwaamheid in het spelen op de _biwa_ (een luit met vier snaren),
en hij had er bijzonder veel genoegen in, verhalen voor te dragen,
die in verband stonden met den langdurigen oorlog tusschen de Taira
en de Minamoto stammen.
Eens op een avond was Hoïchi alleen in den tempel achtergelaten, en
daar het een zeer warme avond was, bleef hij op de veranda zitten,
waar hij herhaaldelijk op zijn _biwa_ speelde. Terwijl hij daarmede
druk bezig was, hoorde hij iemand naderen, die den kleinen achtertuin
van den tempel overstak.
Daarna riep een diepe stem van onder de veranda: "Hoïchi!" En nog
eens klonk de stem: "Hoichi!"
Hoïchi, die daardoor zeer ontsteld werd, antwoordde, dat hij blind was,
en gaarne wilde weten, wie zijn bezoeker was.
"Mijn meester," zoo sprak de vreemdeling, "houdt zich thans te
Akamagaséki op met een aantal volgelingen, en hij is daarheen gegaan,
om het tooneel van den slag bij Dan-no-ura te aanschouwen. Hij heeft
gehoord, hoe voortreffelijk gij het verhaal van den strijd voordraagt,
en heeft mij bevolen, u vóór hem te geleiden, opdat gij hem uw
bekwaamheid kunt toonen. Breng uw _biwa_ mede en volg mij. Mijn meester
en zijn doorluchtig gezelschap wachten op uw geëerde tegenwoordigheid."
Hoïchi, die meende, dat de vreemdeling de één of andere edele _samurai_
was, gehoorzaamde onmiddellijk. Hij trok zijn sandalen aan en nam
zijn _biwa_ mede. Met ijzeren hand geleide hem de vreemdeling, en
zij liepen haastig voort. Hoïchi hoorde wapengekletter naast zich;
maar hij was geen oogenblik bevreesd, en hij verheugde zich in het
vooruitzicht van de eer, zijn bekwaamheid te kunnen toonen voor een
uitgezocht gezelschap.
Toen hij aan de poort kwam, riep de vreemdeling luide: "_Kaimon!_"
Onmiddellijk werden de grendels van de poort verwijderd en werd deze
geopend, waarna beide mannen naar binnen gingen. Daarna werd het
geluid gehoord van een aantal voeten, die naderden, en een geritsel
als van schermen, die geopend werden. Hoïchi werd geholpen bij het
beklimmen van een aantal trappen, en toen hij boven was gekomen,
werd hem bevolen, zijn sandalen achter te laten. Een vrouw leidde hem
toen bij de hand voort, totdat hij zich in een groot vertrek bevond,
waar hij meende, dat een groot gezelschap bijeen was. Hij hoorde het
onderdrukt gefluister van stemmen en de zachte beweging van zijden
gewaden. Toen Hoïchi had plaats genomen op een kussen, verzocht hem
de vrouw, die hem geleid had, de geschiedenis te vertellen van den
grooten slag bij Dan-no-ura.
Hoïchi begon te zingen onder begeleiding van zijn _biwa_. Zijn
bekwaamheid was zóó groot, dat de snaren van zijn muziekinstrument
het geluid van roeiriemen, de beweging van schepen, het geschreeuw
der bemanning, het geluid der zich verheffende baren en het snorren
van pijlen schenen na te bootsen. Een zacht gemompel van goedkeuring
begroette Hoïchi's prachtige voordracht. Aangemoedigd door die bewijzen
van tevredenheid, zong en speelde hij nog prachtiger en kunstiger
voort. Toen hij begon te zingen van den dood der vrouwen en kinderen,
het zich in zee storten van Niidono met den jeugdigen keizer in haar
armen, begon het gezelschap te weenen en te jammeren.
Toen Hoïchi geëindigd had, zeide hem de vrouw, die hem had geleid,
dat haar meester zeer ingenomen was met zijn voordracht, en dat hij
verlangde, dat hij ook de zes volgende nachten voor hem zou spelen. "De
bediende," voegde zij er aan toe, "die u van nacht hier bracht, zal
morgen op hetzelfde uur uw tempel bezoeken. Gij moet die bezoeken
geheim houden, en kunt nu naar huis terugkeeren".
Weer geleidde de vrouw Hoïchi door het vertrek, en na de trappen
bereikt te hebben, werd hij door denzelfden bediende teruggeleid naar
de veranda aan de achterzijde van den tempel waar hij woonde.
Den volgenden nacht werd Hoïchi weer weggeleid, om het gezelschap
te onderhouden, en weer werd zijn voordracht bewonderd. Maar nu werd
ook zijn afwezigheid ontdekt, en bij zijn terugkomst vroeg hem zijn
medepriester er naar. Hoïchi ontweek de vraag van zijn vriend, en
zeide hem, dat hij alleen maar even uit was geweest, om een private
aangelegenheid te behandelen.
Zijn collega was volstrekt niet voldaan. Hij betreurde de
stilzwijgendheid van Hoïchi en vreesde, dat er iets niet in den haak
was, en dat misschien wel de blinde priester door booze geesten
was betooverd geworden. Hij beval daarom de mannelijke bedienden,
streng de wacht te houden over Hoïchi, en hem te volgen, als hij den
volgenden nacht weer den tempel zou verlaten.
Weer verliet Hoïchi zijn woning. De mannelijke bedienden staken haastig
hun lantarens aan en volgden hem zoo haastig mogelijk; maar hoewel
zij snel liepen, overal rondzagen en voortdurend onderzoek deden,
gelukte het hun niet Hoïchi te ontdekken, of iets omtrent hem gewaar
te worden. Op hun terugtocht schrikten zij echter, toen zij het geluid
van een _biwa_ hoorden op het kerkhof van den tempel, en toen zij die
sombere plaats binnentraden, zagen zij den blinden priester zitten. Hij
zat op het graf van Antoku Tenno, den jeugdigen keizer, waar hij
zijn _biwa_ luid deed klinken en tegelijk met luider stem het verhaal
zong van den slag bij Dan-no-ura. Aan weerszijden van hem fonkelden
geheimzinnige vlammen, als een groote menigte brandende kaarsen.
"Hoïchi! Hoïchi!" riepen de mannen. "Houd onmiddellijk op met
spelen! Gij zijt betooverd, Hoïchi!" Maar de blinde priester bleef
doorspelen en zingen, naar het scheen, in een vreemden en ijselijken
droomtoestand verkeerend.
De mannelijke bedienden gingen toen tot krachtiger maatregelen
over. Zij schudden hem heen en weer, en riepen in zijn oor: "Hoïchi,
kom dadelijk met ons terug!"
De blinde priester berispte hen, en zeide, dat een dergelijke
stoornis door het aanzienlijke gezelschap, waar hij zich bevond,
niet zou worden geduld.
De mannen sleepten nu Hoïchi met geweld mede. Toen hij den tempel
bereikte, werden hem zijn natte kleeren uitgetrokken, en werd hem
spijs en drank voorgezet.
Hoïchi's ambtgenoot was toen vreeselijk boos, en volkomen terecht
drong hij aan op een volledige verklaring van zijn vreemd gedrag. Na
langdurige aarzeling verhaalde Hoïchi zijn vriend alles, wat hem
was overkomen. Toen hij zijn vreemde avonturen had verhaald, zeide
de priester:
"Arme vriend! Ge hadt mij dit eer moeten verteld hebben. Gij hebt
niet het deftige huis van een aanzienlijk man bezocht, maar gij
hebt op gindsch kerkhof gezeten voor het graf van Antoku Tenno. Uwe
groote gaven hebben de geesten van den Tairastam opgeroepen. Hoïchi,
gij verkeert in groot gevaar, want gij hebt u, door aan die geesten
te gehoorzamen, ongetwijfeld in hun macht geplaatst, en vroeg of
laat zullen zij u dooden. Het is ongelukkig, dat ik tegen den nacht
ontboden ben, om een godsdienstplechtigheid te vervullen, maar voordat
ik wegga, zal ik er voor zorgen, dat uw lichaam met heilige teksten
bedekt wordt."
Vóór het aanbreken van den nacht werd Hoïchi ontkleed, en een
tempeldienaar schreef met penseelen op zijn lichaam de tektsten van de
_sutra_, die bekend staat als _Hannya-Shin-Kyo_. Die tektsten werden
geschreven op zijn borst, hoofd, rug, gelaat, nek, beenen, armen en
voeten, ja zelfs op de zolen van zijn voeten. Daarna sprak de priester:
"Hoïchi, gij zult van nacht weer weggeroepen worden. Blijf stil zitten,
zeg niets, en blijf voortdurend peinzen. Als gij die dingen doet,
zal u geen kwaad overkomen."
Dien nacht zat Hoïchi alleen in de veranda, terwijl hij nauwelijks
een spier bewoog en zeer zacht adem haalde.
Weer hoorde hij het geluid van voetstappen. "Hoïchi!" riep een diepe
stem. Maar de blinde priester antwoordde niet. Hij bleef doodstil
zitten, in den grootsten angst.
Telkens werd zijn naam weer gehoord, doch zonder eenig resultaat. "Dit
geeft niets", bromde de vreemdeling. "Ik moet zien, waar de kerel
is". De vreemdeling sprong in de veranda en ging vóór Hoïchi staan,
die over zijn geheele lichaam beefde, ontzet over den toestand.
"Ha!" riep de vreemdeling. "Dit is de _biwa_, maar in plaats van den
speler zie ik--niets dan twee ooren! Nu begrijp ik, waarom hij niet
antwoordde. Hij heeft geen mond, alleen zijn beide ooren! die ooren
zal ik naar mijn meester brengen!"
Een oogenblik later werden Hoïchi de ooren van het hoofd getrokken,
maar in weerwil van de vreeselijke pijn gaf de blinde priester geen
geluid. Daarna vertrok de vreemdeling, en toen zijn voetstappen
waren weggestorven, was het eenige geluid, dat Hoïchi hoorde, het
druppelen van het bloed op de veranda, en zoo vond de priester bij
zijn terugkomst den ongelukkigen man.
"Arme Hoïchi!" riep de priester. "Het is mijn eigen schuld. Ik
vertrouwde erop, dat mijn tempeldienaar heilige teksten op ieder deel
van uw lichaam zou schrijven. Hij verzuimde dit echter op uw ooren
te doen. Ik had er op moeten letten, dat hij mijn bevelen behoorlijk
uitvoerde. Maar gij zult in het vervolg niet meer door die geesten
gehinderd worden." Sedert dien tijd was de blinde priester bekend
onder den naam van _Mimi-nashi-Hoïchi_, "Hoïchi de Man zonder ooren."
De Lijken-eter.
Muso Kokushi, een priester, verdwaalde, toen hij door de provincie
Mino zwierf. Daar hij er aan wanhoopte, een menschelijke woning te
vinden, was hij op het punt, in de open lucht te gaan slapen, toen
hij toevallig een kleine kluizenaarswoning (_anjitsu_) ontdekte.
Een oude priester begroette hem, en Muso verzocht, dat hij hem voor
één nacht een schuilplaats zou willen geven. "Neen", antwoordde de
oude priester nijdig, "ik verleen nooit iemand een schuilplaats. In
gindsche vallei zult gij een gehucht vinden; zoek daar een schuilplaats
voor één nacht."
Met deze tamelijk onbeleefde woorden vertrok Muso, en toen hij het
gehucht bereikt had, werd hij gastvrij opgenomen in de woning van
het dorpshoofd. Zoodra hij het voornaamste vertrek binnentrad, zag
de priester, dat daar een aantal menschen verzameld waren. Hem werd
een afzonderlijk vertrek aangewezen, en hij was op het punt in slaap
te vallen, toen hij klagende geluiden hoorde, en korten tijd daarna
verscheen een jonge man vóór hem, die een lantaarn in zijn hand hield.
"Goede priester", zeide deze, "ik moet u zeggen, dat mijn vader
onlangs gestorven is. Wij wilden u dit niet bij uw komst mededeelen,
omdat gij vermoeid waart en veel rust noodig hadt. Al de menschen,
die gij in het voornaamste vertrek bijeen zaagt, waren gekomen,
om den doode eer te bewijzen. Nu moeten wij allen weggaan, want
dit is de gewoonte in ons dorp als iemand sterft, omdat vreemde en
vreeselijke dingen met lijken gebeuren, als zij alleen gelaten worden;
maar misschien zult gij, die een priester zijt, niet bang zijn om
achter te blijven bij het lijk van mijn armen vader."
Muso antwoordde, dat hij volstrekt niet bang was, en zeide den jongen
man, dat hij een lijkdienst zou houden en bij den gestorvene den
wacht zou houden, zoolang het gezelschap afwezig was. Daarop verliet
de jonge man te zamen met de overige rouwdragers het huis, en Muso
bleef achter, om zijn eenzame nachtwake te houden.
Nadat Muso den lijkdienst had verricht, bleef hij verscheidene uren
peinzen. Toen de nacht ver gevorderd was, zag hij, dat een vreemde
gedaante in het vertrek was, die er zóó verschrikkelijk uitzag, dat
de priester zich noch kon bewegen noch kon spreken. De gedaante kwam
naderbij, tilde het lijk op en verslond het snel. Niet tevreden met dit
afgrijselijke maal, at de geheimzinnige gedaante ook de doodenoffers
op, en verdween daarna.
Den volgenden morgen keerden de dorpsbewoners terug, en zij waren
volstrekt niet verbaasd, toen zij hoorden, dat het lijk verdwenen
was. Nadat Muso zijn vreemd avontuur had verhaald, vroeg hij, of de
priester op den heuvel niet somtijds den lijkdienst verrichtte. "Ik
bezocht hem den vorigen nacht in zijn _anjitsu_, en hoewel hij mij
een onderkomen weigerde, zeide hij mij, waar ik een rustplaats zou
kunnen vinden."
De dorpsbewoners waren over die woorden zeer verbaasd, en vertelden
Muso, dat er volstrekt geen priester of _anjitsu_ op gindschen heuvel
was. Zij waren zoo positief mogelijk in hun beweringen, en verzekerden,
dat Muso door den één of anderen boozen geest hieromtrent moest zijn
bedrogen. Muso antwoordde niet, en korten tijd later vertrok hij,
vast besloten zoo mogelijk het geheim te onthullen.
Het kostte Muso volstrekt geen moeite de _anjitsu_ terug te vinden. De
oude priester kwam naar buiten, en trad hem tegemoet, boog, en zeide,
dat hij spijt had van zijn vroegere onbeleefdheid. "Ik schaam mij,"
voegde hij er aan toe, "niet alleen, omdat ik u geen schuilplaats heb
verleend, maar ook omdat gij mij in mijn ware gedaante hebt gezien. Gij
hebt mij een lijk en de doodenoffers zien verslinden. Ik ben, helaas,
goede man, een _jikininki_ (menschenetend spook), en als gij mij wilt
aanhooren, zal ik u mijn ellendigen toestand duidelijk maken.
"Jaren geleden was ik in dit district priester, en ik volbracht een
groot aantal lijkdiensten; maar ik was geen trouwe priester, want
het was niet uit waren godsdienstzin, dat ik mijn taak verrichtte,
en ik dacht alleen aan de goede en schoone kleeren, die ik door mijn
beroep kon verdienen. Om die reden werd ik als _jikininki_ herboren,
en heb daarom de lijken verslonden van allen, die in dit district
gestorven zijn. Ik smeek u, heb toch medelijden met mijn ellendig lot,
en zeg ten mijnen behoeve enkele gebeden op, opdat ik spoedig weer
vrede vinde en opdat mijn groote slechtheid een einde neme."
Onmiddellijk nadat die woorden gesproken waren, verdwenen de kluizenaar
en zijn kluis plotseling, en Muso bleek geknield te zijn voor een met
mos bedekt graf, dat waarschijnlijk het graf was van den ongelukkigen
priester.
De Spookmoeder.
Een bleeke vrouw strompelde een straat af, Nakabaramachi genaamd; zij
ging een winkel binnen en kocht een geringe hoeveelheid _midzu-ame_
[77]. Elken avond kwam zij tegen den nacht terug, steeds bleek
en verwilderd, en zonder ooit een woord te zeggen. De winkelier,
die een welwillende belangstelling voor haar koesterde, volgde haar
eens op een avond, maar toen hij zag, dat zij een kerkhof binnenging,
keerde hij terug, verbaasd en beangst.
Weer kwam de geheimzinnige vrouw in den kleinen winkel, maar nu
kocht zij geen _midsu-ame_, maar wenkte zij den winkelier haar
te volgen. De bleeke vrouw liep de straat af, gevolgd door den
koopman in barnsteenstroop en enkelen van zijn vrienden. Toen zij
het kerkhof bereikten, verdween de vrouw in een graf, en zij, die
er buiten stonden, hoorden kindergehuil. Toen het graf geopend was,
zagen zij het lijk van de vrouw, die zij gevolgd hadden, en naast
haar lag een levend kind, dat lachte bij het licht van de lantarens,
en dat zijn kleine handjes uitstrekte naar een kop _midzu-ame_. De
vrouw was in der tijd te vroeg begraven en haar kind in het graf
geboren. Iederen avond ging de stilzwijgende moeder van het kerkhof
weg, om voedsel voor haar kind te halen.
De Futon van Tottori.
In Tottori was een kleine en eenvoudige herberg. Het was een nieuwe
herberg, en daar de herbergier arm was, was hij verplicht, die te
voorzien van goederen, die afkomstig waren uit een tweedehandswinkel
in de buurt. Zijn eerste gast was een koopman, die met buitengewone
beleefdheid werd behandeld, en die veel warme _saké_ kreeg. Toen de
koopman den verfrisschenden rijstwijn had gedronken, ging hij rusten
en viel hij in slaap. Hij had nog niet lang gesluimerd, of hij hoorde
het geluid van kinderstemmen in zijn kamer en hoorde hen op treurigen
toon roepen: "Is mijn oudste Broeder niet erg koud?" "Neen, jij bent
zeker koud?" Telkens herhaalden de kinderen die klagende woorden. De
koopman, die dacht, dat bij ongeluk kinderen in zijn kamer verdwaald
waren, berispte hen zachtmoedig en maakte zich gereed weer in slaap
te gaan. Na een oogenblik stilte riepen de kinderen weer: "Is mijn
oudste Broeder niet erg koud?" "Neen, jij bent zeker koud?" Die
woorden werden telkens herhaald en de gast bemerkte verstijfd van
schrik, dat de stemmen uit zijn _futon_ (deken) afkomstig waren.
Haastig ging hij den trap af en vertelde den herbergier, wat geschied
was. De herbergier was boos. "Gij hebt te veel warme _saké_ gedronken,"
zeide hij. "De warme _saké_ heeft u kwade droomen gebracht." Maar de
gast betaalde zijn rekening en zocht ergens anders een onderkomen.
Den volgenden nacht sliep een andere gast in de betooverde kamer,
en ook hij hoorde dezelfde geheimzinnige stemmen, betaalde den
herbergier en vertrok haastig. De herbergier kwam toen zelf het vertrek
binnen. Hij hoorde de treurige kinderkreten, die uit de _futon_ te
voorschijn kwamen, en was nu wel verplicht de vreemde geschiedenis
te gelooven, die zijn twee gasten hem hadden verteld.
Den volgenden dag ging de herbergier naar de tweedehandswinkel, waar
hij de _futon_ had gekregen, en deed navraag naar de zaak. Nadat hij
van den eenen winkel naar den anderen was gegaan, hoorde hij eindelijk
het volgende verhaal over de geheimzinnige _futon_:
Er woonde eens in Tottori een arme man, met zijn vrouw en twee
kinderen, die zes en acht jaar oud waren. De ouders stierven, en de
arme kinderen waren verplicht hun weinige bezittingen te verkoopen,
totdat zij eindelijk niets anders over hadden dan een dunne en
versleten _futon_, om hen des nachts te dekken. Ten slotte hadden
zij geen geld om de huishuur te betalen, of zich eenig voedsel te
verschaffen.
Toen de tijd der ergste koude was gekomen, hoopte de sneeuw zich zóó
dik om de nederige woning op, dat de kinderen niets anders wisten
te doen, dan de _futon_ om zich heen te trekken, en elkander op
hun gewone vriendelijke, pathetische wijze toe te fluisteren: "Is
mijn oudste Broeder niet erg koud?" "Neen, jij bent zeker koud?" En
terwijl zij snikkend die woorden spraken, omvatten zij elkander,
bevreesd voor de duisternis en den snerpenden, ijskouden wind.
Terwijl hun arme lichaampjes elkander omvat hielden, ten einde elkander
te verwarmen, kwam de hardvochtige huisheer binnen, en toen hij zag,
dat er niemand was, om de huishuur te betalen, joeg hij de kinderen
het huis uit, met niet anders gedekt dan met een dunne _kimono_. Zij
trachtten den tempel van Kwannon te bereiken, maar de sneeuw lag
te dik, en zij verborgen zich achter hun oud huis. Een deken van
sneeuw bedekte hen, en zij vielen in slaap aan den barmhartigen
boezem der Goden, en werden begraven op het kerkhof van den Tempel
van Kwannon-met-de-Duizend-Armen.
Toen de herbergier die droevige geschiedenis had gehoord, gaf hij de
_futon_ aan de priesters van den tempel van Kwannon, gebeden werden
opgezegd voor de zielen der kinderen, en van dat uur af hield de
_futon_ op, de genoemde klagende geluiden voort te brengen.
De Terugkeer.
In het dorp Mochida-no-ura woonde een boer. Hij was vreeselijk arm,
maar toch bracht zijn vrouw zes kinderen ter wereld. Onmiddellijk
nadat een kind was geboren, wierp de wreede vader het in de rivier
en beweerde, dat het bij de geboorte gestorven was, zoodat al zijn
zes kinderen op die verschrikkelijke manier vermoord werden.
Na verloop van jaren geraakte de boer in betere omstandigheden,
en toen hem een zevende kind, een jongen, geboren werd, was hij
bijzonder gelukkig en had hij het kind innig lief.
Op zekeren avond nam de vader het kind in zijn armen, en wandelde
er mede in den tuin, terwijl hij in verrukking fluisterde: "Wat een
heerlijke zomeravond!"
Het kind, dat toen eerst vijf maanden oud was, nam een oogenblik de
wijze van uitdrukking van een volwassene over, en zeide: "De maan
schijnt precies zóó, als toen gij mij laatst in het water wierpt!"
Toen het kind die woorden had gesproken, werd hij weer gelijk aan
andere kinderen; maar de boer, die nu eerst doordrongen was van het
verschrikkelijke van zijn misdaad, werd onmiddellijk daarna priester.
De Liefde op de proef gesteld.
Er was eens een mooi meisje, wie, in strijd met de Japansche
gewoonte, was toegestaan, haar eigen echtgenoot te kiezen. Een
aantal vrijers dongen naar haar hand, en brachten haar geschenken
en schoone gedichten, en spraken veel lieve woordjes tot haar. Zij
sprak vriendelijk tot iederen vrijer en zeide: "Ik zal trouwen met
den man, die dapper genoeg is, om een bepaalde proef te doorstaan,
die ik hem zal opleggen, en wat die proef ook moge zijn, ik verwacht,
dat hij, op de onschendbare eer van een _samurai_, het geheim niet
zal openbaren." De vrijers aanvaardden onmiddellijk die voorwaarden,
maar één voor één verlieten zij haar, met afschuw op hun gelaat,
lieten hun vrijerij in den steek, maar repten met geen enkel woord
van het vreemde en vreeselijke geheim.
Eindelijk kwam een arme _samurai_, wiens eenige rijkdom in zijn zwaard
bestond, bij het meisje, en zeide haar, dat hij bereid was, iedere
proef te doorstaan, hoe zwaar ook, om haar als zijn vrouw te krijgen.
Toen zij 's avonds het avondmaal hadden gebruikt, verliet het meisje
het vertrek, en keerde lang na middernacht terug, in een wit gewaad
gekleed. Zij gingen samen het huis uit, door tallooze straten, waar
honden blaften, en toen naar buiten, totdat zij op een groot kerkhof
kwamen. Hier ging het meisje vooraan, terwijl de _samurai_ volgde,
met de hand op zijn zwaard.
Toen de vrijer in staat was, door de duisternis heen te zien, zag hij,
dat het meisje den grond met een spade weggroef. Zij groef met groote
haast, en tilde eindelijk het deksel op van een kist. Het volgende
oogenblik haalde zij het lijk van een kind er uit, trok er een arm
af, brak dien, en begon er een stuk van op te eten, terwijl zij haar
vrijer een ander stuk toewierp en uitriep: "Als gij mij lief hebt,
eet dan wat ik eet!"
Zonder een oogenblik te aarzelen, ging de _samurai_ aan den
rand van het graf zitten, en begon zijn helft van den arm op te
eten. "Heerlijk!" riep hij uit, "geef mij nog een stukje!" Op dit
punt verdwijnt gelukkig plotseling het huiveringwekkende der legende,
want noch de _samurai_ noch het meisje hadden van een lijk gegeten--de
arm was gemaakt van het heerlijkste gebak!
Het meisje sprong met een kreet van vreugde overeind, en zeide:
"Eindelijk heb ik een dapper man gevonden! Ik zal met u trouwen,
want gij zijt de echtgenoot, naar wien ik altijd heb verlangd, en
dien ik tot van nacht nooit heb gevonden."