"De eerste kop bevochtigt mijn lippen en keel, de tweede kop
verbreekt mijn eenzaamheid, de derde kop doorzoekt het diepste
van mijn wezen.... De vierde kop wekt een lichte uitwaseming
op--al het kwade van het leven gaat door mijn poriën weg. Bij den
vijfden kop ben ik gezuiverd; de zesde kop roept mij naar het
rijk der onsterfelijken. De zevende kop--ach, maar ik kon niet
meer tot mij nemen! Ik voel alleen den adem van den koelen wind,
die in mijn mouwen opstijgt. Waar is Horaisan [71] Laat mij op
die zachte bries voortrijden en daarheen voortdrijven."
_Lotung._
Theedrinken in Europa en in Japan.
In Europa beschouwen wij de thee eenvoudig als een drank, een
verfrisschend en zacht opwekkingsmiddel, waarbij dames met haar
vriendinnen plegen te babbelen. Er is niets romantisch in onze
theepotten en theeketels en lepeltjes; zij komen uit de keuken
en worden weer in de keuken teruggebracht met voorgeschreven
regelmatigheid. Wij maken eenige stereotiepe opmerkingen over thee,
en kunnen nauwkeurig den prijs opgeven, dien onze grootouders voor
dien drank betaalden. Wij hebben onze vaste meening, in hoeverre
thee liever met of zonder suiker moet genomen worden, en hebben het
dikwijls een krachtig middel gevonden, om hoofdpijn te verdrijven.
Toen de thee omstreeks 1650 tot Europa doordrong, werd er melding
van gemaakt als van "dien uitstekenden en door alle geneesheeren
aanbevolen Chineeschen drank, door de Chineezen Tcha, en door andere
naties Tay, ook wel Tee genaamd." In 1711 merkte de Spectator op:
"Ik zou deze mijn overpeinzingen op een bij zondere wijze aanbevelen
aan alle ordelijke gezinnen, die elken morgen een uur aan hun thee,
brood en boter besteden; en zou hen ernstig willen aanraden in hun
eigen belang, om te bevelen, dat dit blad hun stipt wordt uitgereikt
en door hen als een deel van hunne uitrusting bij de thee wordt
beschouwd." Dr. Johnson gaf van zich zelf een beschrijving als van een
"verstokt en schaamteloos theedrinker, die gedurende twintig jaar zijn
maaltijden verdunde alleen met dit afgietsel van den betooverenden
drank; die zijn avonden met thee verkortte, in den middernacht troost
vond in thee, en met thee den ochtend verwelkomde." Maar er is niets
romantisch, geen oude traditie aan ons theedrinken verbonden. Misschien
is het maar goed, dat de dames, die in onze deftige salons zitten,
niet bekend zijn met de sombere en pathetische legende, die verhaalt
hoe een Buddhistische priester tijdens zijn overpeinzingen in slaap
viel. Toen hij wakker werd, sneed hij zijn oogleden af, die zoozeer
gezondigd hadden, en wierp ze op den grond, waar zij onmiddellijk
veranderden in de eerste theeplant.
In Japan is het theedrinken een godsdienstige handeling geworden. Het
is evenzeer een maatschappelijke handeling als een tijd voor
rustige overpeinzing. De uitgewerkte ceremonies bij de thee,
_cha-no-yu_, hebben haar thee-ceremoniemeesters, etiquette en talrijke
plechtigheden. Een kop Japansche thee is verbonden met geestelijke
en artistieke beschaving. Maar voordat wij deze zeer belangwekkende
ceremonies bespreken, moeten wij iets leeren omtrent de beteekenis
van thee in China, want het drinken van dien drank in het Hemelsche
Rijk, verbonden met het kostbaarste en zeldzaamste porcelein en met
aesthetische en godsdienstige gedachten, heeft tot de vereering van
de thee in het Land der Goden geleid.
Thee in China.
De theeplant, afkomstig uit Zuidelijk China, werd oorspronkelijk als
een geneesmiddel beschouwd. Bij de classieke schrijvers komt zij voor
onder de namen _Tou_, _Tseh_, _Chung_, _Kha_ en _Ming_, en werd op
hoogen prijs gesteld om haar geneeskrachtige eigenschappen. Zij werd
als een uitnemend waschmiddel beschouwd, om de oogen te versterken, en
zij had bovendien de macht, vermoeienis te bannen, den wil te sterken,
en de ziel te verheugen. Somtijds werd er een deeg van gemaakt,
en men meende, dat het een afdoend middel was tegen rheumatische
pijnen. De Taoïsten gingen zelfs zóóver, dat zij beweerden, dat
thee één van de bestanddeelen was van het Levenselixer, terwijl de
Buddhistenpriesters die dronken, zoo dikwijls zij het noodig achtten
om gedurende de lange uren van den nacht te peinzen en te overdenken.
Luwuh en de Chaking.
In de vierde en vijfde eeuw blijkt de thee een zeer geliefkoosde
drank te zijn geweest onder de bevolking der Yangtse-Kiang Vallei. In
dien tijd ook werden de dichters welsprekend bij het verkondigen
van haar lof. Maar in die dagen was de thee een walgelijk brouwsel,
want het werd gekookt met rijst, zout, gember, sinaasappel-schillen,
en niet zelden met uien! Lawuh echter, die in de achtste eeuw leefde,
keurde het vreemde brouwsel af, dat wij zooeven genoemd hebben. Hij
was de eerste Chineesche theemeester, en niet alleen, dat hij de thee
idealiseerde, maar met een helder poëtisch inzicht begreep hij, dat
de plechtigheden bij het drinken bevorderlijk waren aan de harmonie
en de orde in het het dagelijksch leven.
In zijn _Chaking_ ("De Heilige Schrift van Thee") beschrijft hij den
aard der theeplant, en hoe haar bladeren moeten worden verzameld en
uitgezocht. Hij was van oordeel, dat de beste bladeren plooien moesten
hebben als de leeren laarzen van Tartaarsche ruiters, gekruld moesten
zijn als de keellap van een krachtigen os, moesten worden losgevouwen
als een nevel, die uit een ravijn opstijgt, moesten glinsteren als
een meer, door den westenwind bewogen, en vochtig en zacht moesten
zijn als fijne aarde, juist te voren door den regen bespoeld. Luwuh
beschrijft de verschillende gereedschappen, die met de plechtigheid
van het theedrinken verbonden zijn, en beweert, dat de groene drank
moet worden gedronken uit blauwe porceleinen koppen. Hij behandelt in
bijzonderheden de keuze van het water, en de wijze, hoe het gekookt
moet worden. In poëtische bewoordingen beschrijft hij de drie trappen
van koken. Hij vergelijkt de kleine belletjes bij het begin van het
koken met de oogen van visschen, de kleine belletjes bij het tweede
koken met een fontein, gekroond met opgehoopte kristallenknopjes, en
het laatste kooksel wordt beschreven als gelijkend op het verrijzen
van kleine golven. De laatste hoofdstukken van de _Chaking_ behandelen
de gewone en niet-orthodoxe methoden van theedrinken, en de vurige
meester geeft een lijst van beroemde theedrinkers, en somt de beroemde
Chineesche theeplantages op. Het bekoorlijke werk van Luwuh werd als
een meesterstuk beschouwd. Hij was in hoog aanzien bij Keizer Taisung,
trok een aantal leerlingen naar zich toe, en werd beschouwd als de
grootste autoriteit op het gebied van thee en theedrinken. Zijn roem
hield niet op bij zijn dood, immers sedert zijn dood is hij door
Chineesche handelaars in thee als een beschermgod vereerd.
De Japansche Theeceremonies.
Men meent, dat de groote Buddhistische heilige, Dengyo Daishi, de thee
uit China in Japan invoerde in het jaar 805. In ieder geval stond het
theedrinken in Nippon in verband met het Buddhisme, en voornamelijk
met de Zen-secte, die zoovele van de Taoïstische leerstellingen had
overgenomen. De priesters van die orde dronken thee uit één enkelen
kom voor het beeld van Bodhi Dharma (Daruma). Zij deden dit in den
geest van aanbidding en beschouwden het theedrinken als een heilig
sacrament. Het was die plechtigheid bij de Zen-secte, die uitsluitend
van godsdienstigen aard was, welke zich ten slotte ontwikkelde tot
de Japansche theeceremonies.
"De theeceremonies", zoo schrijft Professor B.H. Chamberlain,
"hebben gedurende de zes of zeven honderd jaren van haar bestaan
drie gedaanteverwisselingen ondergaan. Zij hebben een geneeskundig
godsdienstigen trap, een wellustigen, en ten slotte een aesthetischen
trap doorloopen. Op den godsdienstigen trap schreef de Buddhistische
priester Eisai een korte verhandeling, die tot titel droeg _De
Heilige Invloed van het Theedrinken_, waarin hij beweerde, dat
die drank de macht had, kwade geesten te verdrijven. Hij voerde
een godsdienstige plechtigheid in, in verband met de vereering der
voorouders, vergezeld met het slaan van trommen en het verbranden
van vuurwerk. Eisai schreef zijn verhandeling met de bedoeling,
Minamoto-no-Sanetomo te bekeeren van zijn misdadige liefde voor den
wijnbeker, en trachtte de voortreffelijkheid der theeplant boven het
druivensap aan te toonen." Het blijkt dat de theeceremonies in den
loop der tijden haar godsdienstige beteekenis verloren. "De Daimio's",
zoo schrijft Chamberlain, "die daaraan deelnamen lagen op rustbanken,
bedekt met tijgervellen en vellen van luipaarden. De muren der ruime
vertrekken, waarin de gasten waren verzameld, waren niet alleen
behangen met Buddhistische teekeningen, maar met damasten brokaat,
met gouden en zilveren vaatwerk, en zwaarden met schitterende
scheeden. Kostbare reukwerken werden gebrand, zeldzame visschen
en vreemde vogels werden opgedischt met suikerwerk en wijn, en de
aardigheid van het feest bestond hierin, dat men moest raden, waar
de grondstof voor iederen kop thee was voortgebracht; want er werden
zooveel mogelijk soorten binnengebracht, om als _gezelschapsspel_
of als raadsel dienst te doen.... Voor iederen keer, dat men goed
geraden had, ontving de oplosser één der schatten ten geschenke, die
rondom het vertrek hingen. Maar hij mocht die niet zelf medenemen. De
regels der theeceremonies, zooals zij toen beoefend werden, eischten,
dat alle kostbare en zeldzame dingen, die tentoongesteld waren, door
de winners ten geschenke werden gegeven aan de zang- en dansmeisjes,
van wie steeds een groot aantal tegenwoordig waren, om het gezelschap
bij hun feest bij te staan."
Die vorm van theeceremonies, die inderdaad een vreeselijk onzedelijke
slemppartij blijkt geweest te zijn, gaf een beeld van het weelderige
en losbandige tijdperk, waarin die theeceremonies plaats hadden. De
theeceremonie, in haar meer blijvenden en karakteristieken vorm,
was bestemd, alle gemeene vertooningen op zijde te zetten, een
zeker bedrag aan godsdienst en wijsbegeerte te omvatten, en bovenal
een middel te schenken, om de kunst en de schoonheid der Natuur te
bestudeeren. De theesalon werd niet een plaats voor drinkgelagen,
maar een plaats, waar de reiziger vrede zou kunnen vinden in plechtige
overpeinzing. Zelfs het tuinpad, dat naar de theekamer leidt, had
zijn symbolische beteekenis, want het beteekende den eersten trap
naar zelf-verlichting. De volgende regels geven een denkbeeld van de
voorstelling, die Kobori Enshiu zich maakt van het pad, dat naar de
theekamer leidt:
"Een groep zomerboomen,
Een deel van de zee,
Een bleeke avondmaan".
Zulk een tafereel was bestemd, den reiziger een denkbeeld te geven van
geestelijk licht. De boomen, de zee en de maan wekten oude droomen,
en hun aanwezigheid was de reden, dat de gast verlangend was, over te
gaan naar de grootere vreugden van den theesalon. Geen _samurai_ mocht
met zijn zwaard in het geurige heiligdom van den vrede binnentreden,
en in een aantal theesalons was er een lage deur, waardoor de gasten
binnenkwamen met gebogen hoofd, als een teeken van nederigheid. In
stilte maakten de gasten een diepe buiging vóór een _kakomono_ of
vóór een eenvoudige schoone bloem op de _tokonoma_ (alkoof), en gingen
dan op de matten zitten. Als zij dit gedaan hadden, kwam de gastheer
binnen, en hoorde men het water in den ketel met een muzikaal geluid
koken, het gevolg van enkele stukken ijzer, die daarin lagen. Zelfs
het koken van het water in den ketel was verbonden met een poëtische
gedachte, want het gezang van water en metaal moest een voorstelling
geven van "de echo's van een waterval, door wolken bedekt, van een
verwijderde zee, die tegen de rotsen breekt, van een regenvlaag, die
door een bamboebosch vliegt, of van het suizen van pijnboomen op den
één of anderen verwijderden heuvel". Er was een gevoel van harmonie
in den theesalon. Het licht was als het zachte licht van den avond,
en de kleederen van het gezelschap waren even rustig en stemmig als de
grijze vleugels van een nachtvlinder. In dat rustige vertrek dronken
de gasten hun thee en peinsden, en keerden weder beter en krachtiger
in de wereld terug, nadat zij in stilte het schoone en het edele in
godsdienst, kunst en natuur hadden overdacht en beschouwd. "Daar zij
voortdurend in harmonie trachtten te zijn met den grooten rhythmus der
natuur, waren zij steeds voorbereid, het onbekende binnen te treden."
De Dood van Rikiu.
Rikiu was één der grootste theemeesters, en langen tijd bleef hij de
vriend van Taiko-Hideyoshi; maar de tijd waarin hij leefde, was vol
verraad. Er waren velen, die afgunstig waren op Rikiu, velen, die op
zijn dood loerden. Toen een verkoeling ontstond tusschen Hideyoshi en
Rikiu, maakten de vijanden van den grooten theemeester gebruik van
die verkoeling en verspreidden het gerucht, dat Rikiu van plan was,
vergif te doen in een kop thee, en dat aan zijn edelen beschermer
aan te bieden. Spoedig vernam Hideyoshi dat gerucht, en zonder de
moeite te nemen, de zaak nader te onderzoeken, veroordeelde hij Rikiu,
zelfmoord te plegen.
Den laatsten dag, dat de beroemde theemeester leefde, noodigde hij
een aantal van zijn leerlingen uit, hem te bezoeken bij zijn laatste
theeceremonie. Terwijl zij in het tuinpad wandelden, leek het, alsof
geesten in de ritselende paden fluisterden. Toen de leerlingen den
theesalon binnentraden, zagen zij een _kakemono_ in de _tokonoma_
hangen, en toen zij hun bedroefde oogen ophieven, zagen zij, dat
het geschrift het voorbijgaan van alle aardsche dingen beschreef. Er
was poëzie in het gezang van den theeketel, maar het was een droevig
gezang, als het klagende geluid van een insect. Rikiu kwam kalm en
waardig in den theesalon, volgens de gewoonte liet hij den voornaamsten
gast de verschillende voorwerpen bewonderen, die met de thee-ceremonie
in verband stonden. Toen alle gasten die hadden beschouwd, met een
bloedend hart hun schoonheid bewonderend, bood Rikiu iederen leerling
een aandenken aan. Hij nam zijn eigen theekop in de hand en zeide:
"Nooit meer zal die kop, bezoedeld door de lippen van het ongeluk,
door een mensch gebruikt worden". Na die woorden gesproken te hebben,
brak hij den kop ten bewijze, dat de thee-ceremonie geëindigd was,
en de gasten namen een droevig afscheid. Slechts één bleef achter,
om getuige te zijn, niet van het drinken van nog een kop thee, maar
van den dood van Rikiu. De groote meester trok zijn bovenkleeren uit,
en toen kwam het reine witte Doodskleed voor den dag. Nog altijd even
kalm en waardig, keek hij naar zijn dolk, en zeide hij met onbewogen
stem het volgende vers op:
"Een welkom zij u gewijd,
O zwaard der eeuwigheid!
Door Buddha
En ook door Daruma
Hebt gij uw weg gebaand."
Hij, die het oude gedicht placht aan te halen, "aan hen, die alleen
naar bloemen verlangen, zou ik gaarne de in vollen bloei staande
lente willen laten zien, die woont in de zwellende knoppen op de
heuvelen met sneeuw bedekt", heeft de Japansche thee-ceremonie met
een onsterfelijke bloem gekroond.