In het dorp Funakami woonde een godvruchtige oude boer, Kanshiro
genaamd. Ieder jaar deed de oude man verschillende bedevaarten
naar bepaalde tempels, waar hij bad en den zegen der goden
afsmeekte. Eindelijk echter werd hij zóó zwak en hulpeloos, dat
hij overtuigd was, dat zijn aardsche dagen geteld waren, en dat hij
waarschijnlijk nog juist de kracht zou hebben, om één bezoek te brengen
aan de groote tempels te Ise. Toen de dorpsbewoners dit edele besluit
vernamen, gaven zij hem met groote milddadigheid een som geld, opdat
de hooggewaardeerde oude boer die aan de heilige tempels zou schenken.
Kanshiro ging op zijn pelgrimstocht met het geld in een zak, dien
hij om zijn nek droeg. Het weer was bijzonder heet, en de hitte en
de vermoeienis van de reis maakten den ouden man zóó ziek, dat hij
verplicht was enkele dagen in het dorp Myojo te blijven. Hij ging naar
een kleine herberg en vroeg Jimpachi den herbergier, zijn geld voor
hem te bewaren, terwijl hij er bij voegde, dat het een offerande was,
die hij bracht aan de Goden te Ise. Jimpachi nam het geld, en beloofde
den ouden man, dat hij er goed voor zou waken, en dat hij bovendien
voor hem zou zorgen.
Den zesden dag betaalde de oude man, hoewel nog ver van hersteld,
zijn rekening, nam den zak van den herbergier terug, en ging verder op
reis. Daar Kanshiro een aantal bedevaartgangers in de nabijheid zag,
keek hij niet in den zak, maar verborg dien zorgvuldig in den grooten
zak, die een geringe hoeveelheid kleeren en voedsel bevatte.
Toen Kanshiro ten slotte onder een pijnboom ging rusten, haalde
hij den zak met geld te voorschijn en keek er in. Helaas! Het geld
was gestolen, en steenen van hetzelfde gewicht waren daarvoor in de
plaats gelegd. De oude man keerde snel naar den herbergier terug, en
verzocht hem het geld terug te geven. Jimpachi werd ontzettend boos,
en ranselde hem flink af.
De arme oude man kroop weg uit het dorp, en bereikte drie dagen
later met zeldzame krachtsinspanning de heilige tempels te Ise. Hij
verkocht zijn eigendommen, om het geld terug te betalen, dat zijn
brave buurlieden hem hadden gegeven, en met geld, dat overgebleven was,
zette hij zijn pelgrimstocht voort, totdat hij tenslotte verplicht was,
om voedsel te bedelen.
Drie jaar later ging Kanshiro naar het dorp Myoto, en vond dat de
herbergier, die hem zoo slecht had behandeld, er nu betrekkelijk goed
aan toe was, en in een groot huis woonde. De oude man ging naar hem
toe en zeide: "Gij hebt heilig geld van mij ontvangen, en ik heb mijn
geringe bezittingen verkocht, ten einde het terug te betalen aan hen,
die het mij hadden gegeven. Van dat oogenblik af ben ik een bedelaar
geweest, maar wees er zeker van, dat de wraak u zal bereiken!"
Jimpachi vervloekte den ouden man en vertelde hem, dat hij zijn
geld niet had gestolen. Toen de twist op zijn hevigst was, greep
een politieagent hem aan, en sleepte hem weg uit het huis, terwijl
hij hem zeide, dat hij gevangen genomen zou worden, als hij durfde
terug keeren. Aan het uiteinde van het dorp stierf de oude man, en
een vriendelijke priester bracht zijn lijk naar een tempel, verbrandde
het eerbiedig, en droeg een aantal heilige gebeden op voor zijn goede
en trouwe ziel.
Onmiddellijk na den dood van Kanshiro werd Jimpachi bang voor wat hij
had gedaan, en werd hij zóó ziek, dat hij gedwongen was het bed te
houden. Toen hij volkomen hulpeloos ter neder lag, vlogen een aantal
glimwormen uit het graf van den boer, en omgaven het muskieten-gordijn
van Jimpachi, terwijl zij het trachtten door te breken. Een aantal
dorpelingen kwamen Jimpachi te hulp en doodden vele glimwormen, maar
de stroom van glinsterende insecten, die uit het graf van Kanshiro
vlogen, verminderde in het geheel niet. Honderden werden gedood,
maar duizenden kwamen daarvoor in de plaats. De kamer was helder
verlicht door den glans der glimwormen, en het muskietengordijn zonk
onder voortdurend toenemende gewicht. Bij dit merkwaardigen gezicht
fluisterden sommigen der dorpsbewoners: "Jimpachi zal dan toch wel het
geld van den ouden man hebben gestolen. Dit is de wraak van Kanshiro."
Juist terwijl zij spraken, brak het gordijn door, en de glimwormen
vlogen in de oogen, ooren, mond en neus van den verschrikten
Jimpachi. Twintig dagen lang schreeuwde hij luid om vergiffenis; maar
hem werd geen vergiffenis geschonken. De stroom van glinsterende,
nijdige insecten werd al dikker en dikker, totdat zij ten slotte den
boosaardigen Jimpachi doodden; van dat oogenblik af verdwenen zij
voor goed.