De "Wraak van Kanshiro. [69]

In het dorp Funakami woonde een godvruchtige oude boer, Kanshiro

genaamd. Ieder jaar deed de oude man verschillende bedevaarten

naar bepaalde tempels, waar hij bad en den zegen der goden

afsmeekte. Eindelijk echter werd hij zóó zwak en hulpeloos, dat

hij overtuigd was, dat zijn aardsche dagen geteld waren, en dat hij

waarschijnlijk nog juist de kracht zou hebben, om één bezoek te brengen

aan de groote tempels te Ise. Toen de dorpsbewoners dit edele besluit

vernamen, gaven zij hem met groote milddadigheid een som geld, opdat

de hooggewaardeerde oude boer die aan de heilige tempels zou schenken.

Kanshiro ging op zijn pelgrimstocht met het geld in een zak, dien

hij om zijn nek droeg. Het weer was bijzonder heet, en de hitte en

de vermoeienis van de reis maakten den ouden man zóó ziek, dat hij

verplicht was enkele dagen in het dorp Myojo te blijven. Hij ging naar

een kleine herberg en vroeg Jimpachi den herbergier, zijn geld voor

hem te bewaren, terwijl hij er bij voegde, dat het een offerande was,

die hij bracht aan de Goden te Ise. Jimpachi nam het geld, en beloofde

den ouden man, dat hij er goed voor zou waken, en dat hij bovendien

voor hem zou zorgen.

Den zesden dag betaalde de oude man, hoewel nog ver van hersteld,

zijn rekening, nam den zak van den herbergier terug, en ging verder op

reis. Daar Kanshiro een aantal bedevaartgangers in de nabijheid zag,

keek hij niet in den zak, maar verborg dien zorgvuldig in den grooten

zak, die een geringe hoeveelheid kleeren en voedsel bevatte.

Toen Kanshiro ten slotte onder een pijnboom ging rusten, haalde

hij den zak met geld te voorschijn en keek er in. Helaas! Het geld

was gestolen, en steenen van hetzelfde gewicht waren daarvoor in de

plaats gelegd. De oude man keerde snel naar den herbergier terug, en

verzocht hem het geld terug te geven. Jimpachi werd ontzettend boos,

en ranselde hem flink af.

De arme oude man kroop weg uit het dorp, en bereikte drie dagen

later met zeldzame krachtsinspanning de heilige tempels te Ise. Hij

verkocht zijn eigendommen, om het geld terug te betalen, dat zijn

brave buurlieden hem hadden gegeven, en met geld, dat overgebleven was,

zette hij zijn pelgrimstocht voort, totdat hij tenslotte verplicht was,

om voedsel te bedelen.

Drie jaar later ging Kanshiro naar het dorp Myoto, en vond dat de

herbergier, die hem zoo slecht had behandeld, er nu betrekkelijk goed

aan toe was, en in een groot huis woonde. De oude man ging naar hem

toe en zeide: "Gij hebt heilig geld van mij ontvangen, en ik heb mijn

geringe bezittingen verkocht, ten einde het terug te betalen aan hen,

die het mij hadden gegeven. Van dat oogenblik af ben ik een bedelaar

geweest, maar wees er zeker van, dat de wraak u zal bereiken!"

Jimpachi vervloekte den ouden man en vertelde hem, dat hij zijn

geld niet had gestolen. Toen de twist op zijn hevigst was, greep

een politieagent hem aan, en sleepte hem weg uit het huis, terwijl

hij hem zeide, dat hij gevangen genomen zou worden, als hij durfde

terug keeren. Aan het uiteinde van het dorp stierf de oude man, en

een vriendelijke priester bracht zijn lijk naar een tempel, verbrandde

het eerbiedig, en droeg een aantal heilige gebeden op voor zijn goede

en trouwe ziel.

Onmiddellijk na den dood van Kanshiro werd Jimpachi bang voor wat hij

had gedaan, en werd hij zóó ziek, dat hij gedwongen was het bed te

houden. Toen hij volkomen hulpeloos ter neder lag, vlogen een aantal

glimwormen uit het graf van den boer, en omgaven het muskieten-gordijn

van Jimpachi, terwijl zij het trachtten door te breken. Een aantal

dorpelingen kwamen Jimpachi te hulp en doodden vele glimwormen, maar

de stroom van glinsterende insecten, die uit het graf van Kanshiro

vlogen, verminderde in het geheel niet. Honderden werden gedood,

maar duizenden kwamen daarvoor in de plaats. De kamer was helder

verlicht door den glans der glimwormen, en het muskietengordijn zonk

onder voortdurend toenemende gewicht. Bij dit merkwaardigen gezicht

fluisterden sommigen der dorpsbewoners: "Jimpachi zal dan toch wel het

geld van den ouden man hebben gestolen. Dit is de wraak van Kanshiro."

Juist terwijl zij spraken, brak het gordijn door, en de glimwormen

vlogen in de oogen, ooren, mond en neus van den verschrikten

Jimpachi. Twintig dagen lang schreeuwde hij luid om vergiffenis; maar

hem werd geen vergiffenis geschonken. De stroom van glinsterende,

nijdige insecten werd al dikker en dikker, totdat zij ten slotte den

boosaardigen Jimpachi doodden; van dat oogenblik af verdwenen zij

voor goed.

Mythen & Legenden van Japan · 第 39 / 53 题