De waterjuffer wordt dikwijls in de Japansche poëzie vermeld,
maar nergens meer pathetisch dan in de volgende regels, door Chiyo
geschreven na den dood van haar zoontje:
"Hoe ver zou hij wel hebben rondgedwaald,
En op zijn tocht de waterjuffer ingehaald?"
Chiyo geeft in die schoone regels veel te denken, want in haar
moederliefde is er geen droevige voorstelling van den Dood. Zij
beschouwt het toekomstige leven van haar kind als den gelukkigsten
speeltijd. Ook in deze regels vindt men het Japansche denkbeeld van
de terugkomst van de ziel.
De bekoorlijkste Japansche waterjuffer wordt _Tenshi-tombo_, "de
Waterjuffer van den Keizer" genoemd. Er is een grootere soort, die bij
voorkeur door kinderen wordt gezocht, en van die soort zijn er veel
meer wijfjes dan mannetjes. Jongens binden een wijfje aan een boom,
en zingen: "Gij, mannetje, Koning van Korea, schaamt gij u niet, om
van de Koningin van het Oosten weg te vluchten?" Dit vreemde gezang
is een toespeling op de verovering van Korea, zooals de legende,
waarnaar wij later zullen wijzen, vermeldt; het gevolg van dit gezang
is, dat het mannetje er op afkomt. Men gelooft ook, dat wanneer de
ééne of andere figuur in de lucht wordt geteekend, dit de macht heeft,
de waterjuffer te verlammen, die men wenscht te vangen.
De Terugkeer van Tama.
Kazariya Kyubei, een koopman, had een dienstbode, Tama genaamd. Tama
werkte goed en opgewekt, maar zij was slordig op haar kleeren. Op
zekeren dag, toen zij vijf jaren in dienst van Kyubei was geweest,
zeide haar meester tot haar: "Tama, hoe komt het, dat gij in afwijking
van de meeste meisjes geen verlangen schijnt te hebben, er op zijn
voordeeligst uit te zien? Als ge uitgaat, draagt ge uw werkkleeren. Bij
dergelijke gelegenheden moest ge eigenlijk een mooi gewaad dragen."
"Goede meester", zeide Tama, "gij hebt gelijk, dat gij mij berispt,
daar gij niet weet, waarom ik gedurende al die jaren oude kleeren
heb gedragen, en geen poging heb in het werk gesteld, mij zoo goed
mogelijk te kleeden. Toen mijn vader en mijn moeder stierven, was ik
nog een kind, en daar ik geen broers of zusters had, was het mijn
taak Buddhistische godsdienstplechtigheden te doen verrichten ten
behoeve van mijn ouders. Opdat dit zou kunnen geschieden, heb ik
het geld gespaard, dat gij mij hebt gegeven, en voor mij zelf zoo
weinig mogelijk uitgegeven. Nu zijn de grafsteenen in den Jorakuji
tempel geplaatst en daar ik de priesters mijn geld heb gegeven, zijn
de godsdienstige plechtigheden volbracht. Mijn wensch is vervuld,
en terwijl ik u om vergiffenis vraag, beloof ik u, dat ik mij in het
vervolg beter zal kleeden."
Voordat Tama stierf, vroeg zij haar meesteres, het overgebleven geld,
dat zij gespaard had, te bewaren. Korten tijd na haar dood kwam
een groote waterjuffer het huis van Kyubei binnen. Het was in dat
jaargetijde, het tijdperk der grootste koude, heel iets bijzonders,
als waterjuffers gezien werden, en de meester van het huis was dan ook
bijzonder verbaasd. Met de grootste zorg zette hij het insect buiten
de deur; maar onmiddellijk vloog het terug, en zoo dikwijls het werd
verwijderd, kwam het weer binnen. "Die waterjuffer", zoo sprak de vrouw
van Kyubei, "zou wel Tama kunnen zijn." Kyubei sneed een klein stukje
uit de vleugels van het insect, en droeg toen het diertje een heel eind
ver buiten zijn woning. Maar den volgenden dag keerde het weer terug,
waarop Kyubei de vleugels van het lichaam van het insect rood verfde,
en het nog veel verder buiten zijn woning droeg. Twee dagen later
kwam het insect weer terug, en de kerf in zijn vleugels, en het rood,
waarmede het bedekt was, lieten geen twijfel over den geest van Kyubei
en zijn vrouw, dat dit volhardende insect inderdaad Tama was.
"Ik meen", zeide de vrouw van Kyubei, "dat Tama naar ons is
teruggekeerd, omdat zij verlangt, dat wij iets voor haar zullen
doen. Ik heb het geld, dat zij mij verzocht te houden. Laten wij het
aan de priesters geven, opdat deze voor haar ziel kunnen bidden." Toen
zij deze woorden had gesproken, viel het insect dood op den grond.
Kyubei en zijn vrouw plaatsten de waterjuffer in een doos, en gingen
met het geld van Tama naar de priesters. Een _sutra_ werd over het
lijk van het insect uitgesproken, waarna het behoorlijk in den tuin
van tempel werd begraven.
Sanemori en Shiwan.
Sanemori, die een groot krijgsman was, was eens, op een paard gezeten,
bezig een vijand te bevechten. Tijdens het gevecht gleed zijn paard
uit en rolde in een rijstveld. Het gevolg van dit ongeluk was, dat
zijn tegenstander in de gelegenheid was hem te dooden, en van dat
oogenblik af werd Sanemori een insect, dat de rijst opat, en bekend was
onder de landbouwers van Izumo als Sanemori-San. Gedurende bepaalde
zomernachten steken de boeren in hun rijstvelden vuren aan, om het
insect aan te trekken; zij spelen op fluiten en slaan op tamboerijnen,
onder den uitroep: "O, eerwaardige Sanemori, verwaardig u, hierheen
te komen!" Daarna worden godsdienstige ceremonies volbracht, en een
nabootsing in stroo van een ruiter te paard wordt òf verbrand òf in
het water geworpen. Men gelooft, dat die ceremonie het gunstige gevolg
heeft, dat de velden verlost worden van het insect, dat de rijst opeet.
Van den _Skiwan_, een klein geel insect, dat leeft van komkommers,
wordt verhaald, dat hij eertijds een geneesheer is geweest. Die
geneesheer was, daar hij in een samenzwering betrokken was,
gedwongen zijn woonplaats te verlaten, maar toen hij trachtte te
ontsnappen, raakte zijn voet verward, in de kronkelende ranken van een
komkommerbed, en werd door zijn vervolgers gedood. Zijn vertoornde
geest werd een _shiwan_, en van dien dag af tot op onzen tijd leeft
dat insect van komkommers.
Glimwormen.
"Voor dezen wilgeboom schijnt de tijd van uitbotten in de de
duisternis te zijn teruggekeerd--zie naar de glimwormen."
In de oude dagen was het jachtmaken op glimwormen één van de
uitspanningen van aanzienlijke edelen, doch tegenwoordig is het
alleen het tijdverdrijf van kinderen. Maar die jachtpartijen hebben
niets van haar schilderachtigheid verloren, en dat lichtgevende
insect is het onderwerp geweest van menig schoon gedicht, zooals:
"O, die slimme glimwormen! als zij worden opgejaagd, verbergen zij
zich in het maanlicht!"
Maar ook volwassen personen gaan er met denzelfden ijver op uit,
glimwormen te bewonderen, als zij bloemen gaan bekijken. Voor den
geest van die groote minnaars der Natuur gelijken de glimwormen op
de schitterende bloemblaadjes van een vreemde lichtgevende bloem,
of op een aantal flikkerende sterren, die de lucht hebben verlaten,
om op aarde te wandelen. In den zomertijd bezoeken duizenden menschen
Uji, om de _Hotani-Kassen_, of strijd der glimwormen te zien. Van den
oever der rivier vliegen myriaden van die glinsterende insecten heen
en weer, en in een oogenblik vormen zij een groote zilverkleurige
wolk. De wolk breekt en de stroomende rivier, die een oogenblik te
voren zoo donker was als zwart fluweel, wordt een kronkelende streep
glinsterende juweelen. Het is dan ook geen wonder, dat de Japansche
dichter uitroept: "Zie ik alleen glimwormen, die met den stroom
wegdrijven? Of drijft de Nacht zelf weg, met zijn wemelende sterren?"
Er is een legende verbonden aan dit betooverende schouwspel. Men meent,
dat de Minamoto-Glimworm en de Taira-Glimworm de geesten zijn van de
oude krijgslieden der Minamoto- en Taira-stammen. In den nacht van
den twintigsten dag van de vierde maand leveren zij een hevig gevecht
op de Uji Rivier. In dien nacht worden alle opgesloten glimwormen
losgelaten, opdat zij weder de oude gevechten der stammen uit de
twaalfde eeuw zouden leveren. De beteekenis der glimwormen als
geesten wordt bovendien versterkt door het feit, dat die insecten
bij voorkeur ronddwalen rondom wilgeboomen--de boomen, die in Japan
het meest met geestverschijningen samenhangen. In oude tijden meende
men, dat glimwormen geneeskundige eigenschappen bezaten. Zalf van
glimwormen maakte, zoo beweerde men, alle vergiften onschadelijk,
en bovendien had die zalf de macht, booze geesten te verdrijven en
een woning te behoeden tegen de aanvallen van roovers.
Een vreemde Droom.
Een jonge man uit Matsue keerde van een bruiloft terug, toen hij vlak
voor zijn huis een glimworm zag. Hij bleef een oogenblik stilstaan,
verbaasd, dat hij in een kouden winternacht een dergelijk insect
zag, terwijl er sneeuw op den grond lag. Toen hij daar stond na te
denken, vloog een glimworm naar hem toe; de jonge man sloeg er naar
met zijn stok, maar het insect vloog weg en ging naar den tuin, die
aan den zijnen grensde. Den volgenden dag begaf hij zich naar het
huis van zijn buurman, en was hij op het punt zijn ervaringen van
den vorigen nacht te vertellen, toen de oudste dochter van het gezin
de kamer binnenkwam, en uitriep: "Ik had niet het minste vermoeden,
dat gij hier waart, en toch waart gij een oogenblik te voren in mijn
gedachten. Den vorigen nacht droomde ik, dat ik een glimworm werd. Het
leek alles heel echt en heel mooi, en terwijl ik heen en weer vloog,
zag ik u en vloog naar u toe, met het plan, u te vertellen, dat ik
had leeren vliegen, maar gij duwdet mij met uw stok op zij, en dat
voorval maakt mij nog altijd zenuwachtig."
Toen de jonge man die woorden van de lippen van zijn verloofde had
gehoord, zweeg hij over het voorgevallene.