Vogels.
Wij hebben reeds gewezen op enkele vogels, waarvan in Japansche
legenden melding wordt gemaakt, den fazant in het verhaal van Momotaro,
den _Ho-Ho_ Vogel, de Brug van Eksters in het verhaal van Tanabata,
het geheimzinnige licht, dat van den blauwen reiger zou hebben
uitgestraald, den Dondervogel, enz. De _Sekirei_ of kwikstaartjes
zijn gewijd aan Izanagi en Izanami, immers het was door die vogels,
dat die godheden voor het eerst de kunst der liefde leerden kennen,
en zelfs niet de God der Vogelverschrikkers kan hen verschrikken. Toen
de groote held Yamato-take stierf, veranderde hij, naar men meent,
in een witten vogel, en wij lezen in de Ho-joki [68], dat Chomei
zich verbeeldde, dat hij in het geluid van een goudfazant de kreten
van zijn moeder hoorde. Mythische schepselen, zooals de _Tengu_,
hebben bepaalde eigenschappen van vogels, maar toch kunnen zij niet
onder de vogels gerangschikt worden, en om die reden worden zij op
een andere plaats in dit boek behandeld.
De Haan.
De God van Mionoseki heeft een hekel aan hanen en hennen en aan alles
wat met die vogels samenhangt, de bevolking eerbiedigt dien duidelijk
uitgesproken weerzin. Bij zekere gelegenheid werd een stoomboot,
kort nadat zij in volle zee was gekomen, door een hevigen storm
overvallen, en de meening was, dat de God van Mionoseki, die God
der zeelieden is, ernstig moet beleedigd zijn geweest. Ten slotte
ontdekte de kapitein, dat één van zijn passagiers een pijp rookte,
versierd met een afbeelding van een kraaienden haan. De pijp werd
onmiddellijk in zee geworpen, en de storm ging liggen.
Wij zijn in staat de reden van de haat van den God tegen den haan uit
de volgende legende af te leiden. In de _Kojiki_ lezen wij, dat de
zoon van de Godheid van Kitsuki menig uur in Mionoseki doorbracht
met het vangen van vogels en visschen. In die dagen was de haan
zijn vertrouwde vriend, en het was de plicht van dien vogel, hard te
kraaien, als de tijd voor den God was aangebroken, om van de jacht
terug te keeren. Eens op een keer vergat de haan echter te kraaien;
ten gevolge daarvan verloor de God, in zijn haast om in zijn boot
terug te keeren, één van zijn roeiriemen, zoodat hij verplicht was,
het schip met zijn handen voort te drijven, die hevig door visschen
gebeten werden.
Hoe Yoritomo door twee duiven werd gered.
Toen Yoritomo in een gevecht tegen Oba-Kage-chika verslagen was, werd
hij gedwongen zich met zes van zijn volgelingen terug te trekken. Zij
holden in volle vaart door een bosch, en toen zij een langen hollen
boom vonden, kropen zij daar in, om daar een schuilplaats in te vinden.
Te gelijker tijd zeide Oba Kage-chika aan zijn neef Oba Kagetoki:
"Ga naar Yoritomo zoeken, want ik heb alle reden te gelooven, dat
hij in dit bosch verborgen is. Ik zal mijn manschappen zóó opstellen,
dat het onmogelijk is voor onzen vijand, te vluchten."
Oba Kagetoki vertrok, volstrekt niet ingenomen met de zending, want
hij was eertijds met Yoritomo zeer bevriend geweest. Toen hij den
hollen boom bereikte en door een gat in den stam zag, dat zijn oude
vriend daarin verborgen was, kreeg hij medelijden met hem, en keerde
hij naar zijn neef terug, terwijl hij zeide: "Ik geloof, dat Yoritomo,
onze vijand, niet in het bosch is."
Toen Oba-Kage-chika die woorden hoorde, riep hij woedend: "Je
liegt! Hoe is het mogelijk, dat Yoritomo zoo spoedig is kunnen
ontsnappen, terwijl mijn manschappen om het bosch gelegerd waren en
op wacht stonden? Wijs mij den weg, en ik zal u met enkelen van mijn
manschappen volgen. Geen listen of kunsten dezen keer, beste neef,
of ge zult er streng voor gestraft worden."
Na verloop van tijd bereikte de troep den hollen boom, en Kage-chika
was op het punt, den boom binnen te gaan, toen zijn neef uitriep:
"Blijf hier staan! Wat is dat voor dwaasheid? Kunt ge niet zien,
dat er een spinneweb over de opening gesponnen is? Hoe zou iemand
in den boom kunnen zijn gekropen, zonder het web te breken? Laat ons
ergens anders onzen tijd nuttiger besteden".
Maar Kage-chika was nog altijd achterdochtig tegenover zijn neef,
en hij stak zijn boog in den hollen stam. Deze raakte bijna den
ineengedoken Yorikomo aan, toen twee witte duiven plotseling uit de
holte vlogen.
"Helaas!" riep Kage-chika uit, "gij hebt gelijk, onze vijand kan
hier niet verborgen zijn, want duiven en een spinneweb zouden dit
niet mogelijk maken".
Door de tijdige hulp van twee duiven en een spinneweb was het den
grooten held Yoritomo mogelijk gemaakt, te ontsnappen, en toen hij
in latere jaren Shogun werd, liet hij tempels bouwen voor Hachiman,
den Oorlogsgod, uit dankbaarheid voor zijn bevrijding, immers de
duiven worden in Japan beschouwd als de boden van den oorlog en niet
van den vrede, zooals dit bij ons het geval is.
De Hototogisu.
Een eenzame stem!
Riep soms de maan?
't Was slechts de _Hototogisu._
_Uit het Japansch_.
Er is een geheimzinnige vogel, de _Hototogisu_, die op klagenden toon
zijn eigen naam roept, terwijl hij dien aldus in losse lettergrepen
verdeelt: _ho-to-to-gi-su_. Volgens de legende is het geen aardsche
vogel, maar trekt hij weg uit het Rijk van den Dood op het einde van
Mei, en waarschuwt alle boeren, die hem zien, dat de tijd gekomen
is, de rijst te zaaien. Sommigen verklaren het geluid van den
vogel als beteekende het: "Is de _Kakemono_ opgehangen?" anderen,
dat het zachtkens herhaalt: "Het is nu bepaald beter naar huis terug
te keeren." Die laatste verklaring is typisch Japansch, want als men
meent, dat de zielen in den zomer terugkeeren, dan is het niet vreemd
te meenen, dat ten minste één der vogels naar de oude bosschen en
stroomen en heuvelen van Nippon terugvliegt.
De Musch, waarvan de tong is uitgesneden.
Een nijdige oude vrouw was aan haar waschtobbe, toen de lievelingsmusch
van haar buurman al de stijfsel opat, daar zij die voor gewoon
voedsel aanzag. De oude vrouw was zóó boos over het gebeurde, dat
zij de tong van de musch uitsneed, en de ongelukkige vogel vloog weg
naar een berg. Toen het oude paar, aan hetwelk de musch toebehoorde,
vernomen had, wat geschied was, verlieten zij hun huis en ondernamen
zij een groote reis, totdat de fortuin hun zóó gunstig was, dat zij
hun lievelingsmusch terugvonden.
De musch was niet minder verheugd, toen zij haar meester en meesteres
had terugvonden, en verzocht hen, haar woning binnen te treden. Toen
zij dit gedaan hadden, werden zij onthaald op een groote hoeveelheid
visch en _saké_, en werden zij bediend door de vrouw, de kinderen
en kleinkinderen van de musch, en niet tevreden met die daden van
gastvrijheid, danste het gevederde dier een hopsasa, de Musschendans
genaamd.
Toen het tijd was voor het oude paar, om naar huis terug te keeren,
bracht de musch twee rieten manden en zeide: "De ééne is zwaar,
en de andere is licht. Welke zoudt gij liefst willen hebben?"
"O, de lichte", antwoordde het oude paar, "want wij zijn oud en de
reis is lang".
Toen de oude lieden hun huis hadden bereikt, openden zij de mand, en
tot hun vreugde en verbazing ontdekten zij goud en zilver, juweelen
en zijde. Zoo snel konden zij de kostbare zaken niet uit de mand
halen, of een onuitputtelijke voorraad kwam daarvoor in de plaats,
zoodat de wonderbaarlijke mand met schatten niet kon geledigd worden;
het gelukkige oude paar werd rijk en voorspoedig.
Het duurde niet lang, of de oude vrouw, die de tong van de musch had
uitgesneden, hoorde van den voorspoed van haar buren; zij haastte zich
dan ook te informeeren, waar die wonderbaarlijke musch te zien was.
Nadat zij daaromtrent zekerheid had gekregen, kostte het haar geen
moeite de musch te vinden. Toen de vogel haar zag, vroeg hij, welke
der twee manden zij het liefst zou willen medenemen, de zware of de
lichte. De wreede en hebzuchtige oude vrouw koos de zware, daar zij
meende, dat daarin meer schatten waren dan in de lichte; maar toen
zij, hijgende van inspanning haar huis had bereikt, en de mand opende,
sprongen duivels op haar toe, die haar in stukken trokken.
Een edel Offer.
Er was eens een man, die er dol op was, vogels te schieten. Hij
had twee dochters, trouwe volgelingen van Buddha, en ieder op haar
beurt wees op de dwaasheid van die wreede liefhebberij van haar
vader, en smeekte hem niet roekeloos het leven van een schepsel te
verwoesten. Maar de man was koppig en wilde niet luisteren naar
de smeekingen van zijn dochters. Eens verzocht een buurman hem,
twee ooievaars te schieten, en hij beloofde dit te doen. Toen de
vrouwen hoorden, wat haar vader voornemens was te doen, zeiden zij:
"Laten wij ons in heldere witte kleeren kleeden en van nacht naar
het strand gaan, want het is een plaats, die druk door ooievaars
bezocht wordt. Indien vader één van ons bij ongeluk doodt in plaats
van de ooievaars, zal het een goede les voor hem zijn, en zal hij
zeker berouw hebben over zijn snood gedrag, dat in strijd is met de
zachtmoedige leerstellingen van Buddha."
Dien nacht ging de man naar het strand, en de bewolkte lucht maakte
het voor hem moeilijk, ooievaars te herkennen. Eindelijk zag hij
echter twee witte voorwerpen in de verte. Hij schoot; onmiddellijk
vielen de lichamen neer, en hij liep naar de plaats waar zij lagen,
maar hij ontdekte, dat hij zijn beide edele, zelfopofferende dochters
had getroffen. Door smart terneergeslagen, richtte hij een brandstapel
op en verbrandde hij de lijken van zijn arme kinderen. Na dit alles
verricht te hebben, schoor hij zijn hoofd, ging in de bosschen en
werd een kluizenaar.
Een paar vogels Phoenix.
Een handig meisje, Saijosen genaamd, was bezig met borduren. Op
zekeren dag bezocht haar een oud man, en zeide: "Borduur voor mij
op een stuk doek een paar vogels phoenix". Saijosen willigde gaarne
dit verzoek in; toen nu de vogels geborduurd waren, sloot de oude
man zijn oogen en wees met zijn vinger naar de vogels. Onmiddellijk
werden de vogels levend, en het meisje en de oude man stegen op hun
rug en verdwenen in de lucht.
Insecten.
Er is reeds veel geschreven over de Japansche _Semi_, of
boomkrekeltjes, en het lijkt ons vreemd, dat die kleine schepseltjes
zouden worden gekocht en in kleine kooien geplaatst, waar zij op
bijzonder liefelijke wijze zingen. Lafcadio Hearn doet ons in Kotto
een pathetisch verhaal over één van die insecten. Hij vertelt ons,
dat zijn bediende vergat het diertje voedsel te geven, en dat het
langzamerhand ophield te zingen, en ten slotte genoodzaakt was zijn
eigen teere ledematen op te eten.
Het gezang van de _minminzemi_ gelijkt op dat van een Buddhistischen
priester, terwijl de groene _Semi_ of _higurashi_ een geluid maakt
als van een zacht klinkend klokje. Als men een gedroogden kever bij
zich draagt, neemt, zoo meent men, iemands voorraad kleeren toe. Bij
de legenden, die hier volgen, moet men er aan denken, dat naar de
leerstellingen der Buddhisten ieder leven heilig is, en bovendien
dat de Buddhisten gelooven, dat de ziel van een man of vrouw om de
ééne of andere zonde zelfs in het kleine lichaam van een insect kan
binnentreden.
Waterjuffers.
"De gouden middagzon, die licht en warmte geeft,
Zij werpt haar stralen, waar de waterjuffer zweeft,
Die, roodgekleurd, doorklieft de ijle lucht,
Waar niets verstoort der dagen kalme vlucht!"