HOOFDSTUK XXIII. LEGENDEN OMTRENT VOGELS EN INSECTEN.

Vogels.

Wij hebben reeds gewezen op enkele vogels, waarvan in Japansche

legenden melding wordt gemaakt, den fazant in het verhaal van Momotaro,

den _Ho-Ho_ Vogel, de Brug van Eksters in het verhaal van Tanabata,

het geheimzinnige licht, dat van den blauwen reiger zou hebben

uitgestraald, den Dondervogel, enz. De _Sekirei_ of kwikstaartjes

zijn gewijd aan Izanagi en Izanami, immers het was door die vogels,

dat die godheden voor het eerst de kunst der liefde leerden kennen,

en zelfs niet de God der Vogelverschrikkers kan hen verschrikken. Toen

de groote held Yamato-take stierf, veranderde hij, naar men meent,

in een witten vogel, en wij lezen in de Ho-joki [68], dat Chomei

zich verbeeldde, dat hij in het geluid van een goudfazant de kreten

van zijn moeder hoorde. Mythische schepselen, zooals de _Tengu_,

hebben bepaalde eigenschappen van vogels, maar toch kunnen zij niet

onder de vogels gerangschikt worden, en om die reden worden zij op

een andere plaats in dit boek behandeld.

De Haan.

De God van Mionoseki heeft een hekel aan hanen en hennen en aan alles

wat met die vogels samenhangt, de bevolking eerbiedigt dien duidelijk

uitgesproken weerzin. Bij zekere gelegenheid werd een stoomboot,

kort nadat zij in volle zee was gekomen, door een hevigen storm

overvallen, en de meening was, dat de God van Mionoseki, die God

der zeelieden is, ernstig moet beleedigd zijn geweest. Ten slotte

ontdekte de kapitein, dat één van zijn passagiers een pijp rookte,

versierd met een afbeelding van een kraaienden haan. De pijp werd

onmiddellijk in zee geworpen, en de storm ging liggen.

Wij zijn in staat de reden van de haat van den God tegen den haan uit

de volgende legende af te leiden. In de _Kojiki_ lezen wij, dat de

zoon van de Godheid van Kitsuki menig uur in Mionoseki doorbracht

met het vangen van vogels en visschen. In die dagen was de haan

zijn vertrouwde vriend, en het was de plicht van dien vogel, hard te

kraaien, als de tijd voor den God was aangebroken, om van de jacht

terug te keeren. Eens op een keer vergat de haan echter te kraaien;

ten gevolge daarvan verloor de God, in zijn haast om in zijn boot

terug te keeren, één van zijn roeiriemen, zoodat hij verplicht was,

het schip met zijn handen voort te drijven, die hevig door visschen

gebeten werden.

Hoe Yoritomo door twee duiven werd gered.

Toen Yoritomo in een gevecht tegen Oba-Kage-chika verslagen was, werd

hij gedwongen zich met zes van zijn volgelingen terug te trekken. Zij

holden in volle vaart door een bosch, en toen zij een langen hollen

boom vonden, kropen zij daar in, om daar een schuilplaats in te vinden.

Te gelijker tijd zeide Oba Kage-chika aan zijn neef Oba Kagetoki:

"Ga naar Yoritomo zoeken, want ik heb alle reden te gelooven, dat

hij in dit bosch verborgen is. Ik zal mijn manschappen zóó opstellen,

dat het onmogelijk is voor onzen vijand, te vluchten."

Oba Kagetoki vertrok, volstrekt niet ingenomen met de zending, want

hij was eertijds met Yoritomo zeer bevriend geweest. Toen hij den

hollen boom bereikte en door een gat in den stam zag, dat zijn oude

vriend daarin verborgen was, kreeg hij medelijden met hem, en keerde

hij naar zijn neef terug, terwijl hij zeide: "Ik geloof, dat Yoritomo,

onze vijand, niet in het bosch is."

Toen Oba-Kage-chika die woorden hoorde, riep hij woedend: "Je

liegt! Hoe is het mogelijk, dat Yoritomo zoo spoedig is kunnen

ontsnappen, terwijl mijn manschappen om het bosch gelegerd waren en

op wacht stonden? Wijs mij den weg, en ik zal u met enkelen van mijn

manschappen volgen. Geen listen of kunsten dezen keer, beste neef,

of ge zult er streng voor gestraft worden."

Na verloop van tijd bereikte de troep den hollen boom, en Kage-chika

was op het punt, den boom binnen te gaan, toen zijn neef uitriep:

"Blijf hier staan! Wat is dat voor dwaasheid? Kunt ge niet zien,

dat er een spinneweb over de opening gesponnen is? Hoe zou iemand

in den boom kunnen zijn gekropen, zonder het web te breken? Laat ons

ergens anders onzen tijd nuttiger besteden".

Maar Kage-chika was nog altijd achterdochtig tegenover zijn neef,

en hij stak zijn boog in den hollen stam. Deze raakte bijna den

ineengedoken Yorikomo aan, toen twee witte duiven plotseling uit de

holte vlogen.

"Helaas!" riep Kage-chika uit, "gij hebt gelijk, onze vijand kan

hier niet verborgen zijn, want duiven en een spinneweb zouden dit

niet mogelijk maken".

Door de tijdige hulp van twee duiven en een spinneweb was het den

grooten held Yoritomo mogelijk gemaakt, te ontsnappen, en toen hij

in latere jaren Shogun werd, liet hij tempels bouwen voor Hachiman,

den Oorlogsgod, uit dankbaarheid voor zijn bevrijding, immers de

duiven worden in Japan beschouwd als de boden van den oorlog en niet

van den vrede, zooals dit bij ons het geval is.

De Hototogisu.

Een eenzame stem!

Riep soms de maan?

't Was slechts de _Hototogisu._

_Uit het Japansch_.

Er is een geheimzinnige vogel, de _Hototogisu_, die op klagenden toon

zijn eigen naam roept, terwijl hij dien aldus in losse lettergrepen

verdeelt: _ho-to-to-gi-su_. Volgens de legende is het geen aardsche

vogel, maar trekt hij weg uit het Rijk van den Dood op het einde van

Mei, en waarschuwt alle boeren, die hem zien, dat de tijd gekomen

is, de rijst te zaaien. Sommigen verklaren het geluid van den

vogel als beteekende het: "Is de _Kakemono_ opgehangen?" anderen,

dat het zachtkens herhaalt: "Het is nu bepaald beter naar huis terug

te keeren." Die laatste verklaring is typisch Japansch, want als men

meent, dat de zielen in den zomer terugkeeren, dan is het niet vreemd

te meenen, dat ten minste één der vogels naar de oude bosschen en

stroomen en heuvelen van Nippon terugvliegt.

De Musch, waarvan de tong is uitgesneden.

Een nijdige oude vrouw was aan haar waschtobbe, toen de lievelingsmusch

van haar buurman al de stijfsel opat, daar zij die voor gewoon

voedsel aanzag. De oude vrouw was zóó boos over het gebeurde, dat

zij de tong van de musch uitsneed, en de ongelukkige vogel vloog weg

naar een berg. Toen het oude paar, aan hetwelk de musch toebehoorde,

vernomen had, wat geschied was, verlieten zij hun huis en ondernamen

zij een groote reis, totdat de fortuin hun zóó gunstig was, dat zij

hun lievelingsmusch terugvonden.

De musch was niet minder verheugd, toen zij haar meester en meesteres

had terugvonden, en verzocht hen, haar woning binnen te treden. Toen

zij dit gedaan hadden, werden zij onthaald op een groote hoeveelheid

visch en _saké_, en werden zij bediend door de vrouw, de kinderen

en kleinkinderen van de musch, en niet tevreden met die daden van

gastvrijheid, danste het gevederde dier een hopsasa, de Musschendans

genaamd.

Toen het tijd was voor het oude paar, om naar huis terug te keeren,

bracht de musch twee rieten manden en zeide: "De ééne is zwaar,

en de andere is licht. Welke zoudt gij liefst willen hebben?"

"O, de lichte", antwoordde het oude paar, "want wij zijn oud en de

reis is lang".

Toen de oude lieden hun huis hadden bereikt, openden zij de mand, en

tot hun vreugde en verbazing ontdekten zij goud en zilver, juweelen

en zijde. Zoo snel konden zij de kostbare zaken niet uit de mand

halen, of een onuitputtelijke voorraad kwam daarvoor in de plaats,

zoodat de wonderbaarlijke mand met schatten niet kon geledigd worden;

het gelukkige oude paar werd rijk en voorspoedig.

Het duurde niet lang, of de oude vrouw, die de tong van de musch had

uitgesneden, hoorde van den voorspoed van haar buren; zij haastte zich

dan ook te informeeren, waar die wonderbaarlijke musch te zien was.

Nadat zij daaromtrent zekerheid had gekregen, kostte het haar geen

moeite de musch te vinden. Toen de vogel haar zag, vroeg hij, welke

der twee manden zij het liefst zou willen medenemen, de zware of de

lichte. De wreede en hebzuchtige oude vrouw koos de zware, daar zij

meende, dat daarin meer schatten waren dan in de lichte; maar toen

zij, hijgende van inspanning haar huis had bereikt, en de mand opende,

sprongen duivels op haar toe, die haar in stukken trokken.

Een edel Offer.

Er was eens een man, die er dol op was, vogels te schieten. Hij

had twee dochters, trouwe volgelingen van Buddha, en ieder op haar

beurt wees op de dwaasheid van die wreede liefhebberij van haar

vader, en smeekte hem niet roekeloos het leven van een schepsel te

verwoesten. Maar de man was koppig en wilde niet luisteren naar

de smeekingen van zijn dochters. Eens verzocht een buurman hem,

twee ooievaars te schieten, en hij beloofde dit te doen. Toen de

vrouwen hoorden, wat haar vader voornemens was te doen, zeiden zij:

"Laten wij ons in heldere witte kleeren kleeden en van nacht naar

het strand gaan, want het is een plaats, die druk door ooievaars

bezocht wordt. Indien vader één van ons bij ongeluk doodt in plaats

van de ooievaars, zal het een goede les voor hem zijn, en zal hij

zeker berouw hebben over zijn snood gedrag, dat in strijd is met de

zachtmoedige leerstellingen van Buddha."

Dien nacht ging de man naar het strand, en de bewolkte lucht maakte

het voor hem moeilijk, ooievaars te herkennen. Eindelijk zag hij

echter twee witte voorwerpen in de verte. Hij schoot; onmiddellijk

vielen de lichamen neer, en hij liep naar de plaats waar zij lagen,

maar hij ontdekte, dat hij zijn beide edele, zelfopofferende dochters

had getroffen. Door smart terneergeslagen, richtte hij een brandstapel

op en verbrandde hij de lijken van zijn arme kinderen. Na dit alles

verricht te hebben, schoor hij zijn hoofd, ging in de bosschen en

werd een kluizenaar.

Een paar vogels Phoenix.

Een handig meisje, Saijosen genaamd, was bezig met borduren. Op

zekeren dag bezocht haar een oud man, en zeide: "Borduur voor mij

op een stuk doek een paar vogels phoenix". Saijosen willigde gaarne

dit verzoek in; toen nu de vogels geborduurd waren, sloot de oude

man zijn oogen en wees met zijn vinger naar de vogels. Onmiddellijk

werden de vogels levend, en het meisje en de oude man stegen op hun

rug en verdwenen in de lucht.

Insecten.

Er is reeds veel geschreven over de Japansche _Semi_, of

boomkrekeltjes, en het lijkt ons vreemd, dat die kleine schepseltjes

zouden worden gekocht en in kleine kooien geplaatst, waar zij op

bijzonder liefelijke wijze zingen. Lafcadio Hearn doet ons in Kotto

een pathetisch verhaal over één van die insecten. Hij vertelt ons,

dat zijn bediende vergat het diertje voedsel te geven, en dat het

langzamerhand ophield te zingen, en ten slotte genoodzaakt was zijn

eigen teere ledematen op te eten.

Het gezang van de _minminzemi_ gelijkt op dat van een Buddhistischen

priester, terwijl de groene _Semi_ of _higurashi_ een geluid maakt

als van een zacht klinkend klokje. Als men een gedroogden kever bij

zich draagt, neemt, zoo meent men, iemands voorraad kleeren toe. Bij

de legenden, die hier volgen, moet men er aan denken, dat naar de

leerstellingen der Buddhisten ieder leven heilig is, en bovendien

dat de Buddhisten gelooven, dat de ziel van een man of vrouw om de

ééne of andere zonde zelfs in het kleine lichaam van een insect kan

binnentreden.

Waterjuffers.

"De gouden middagzon, die licht en warmte geeft,

Zij werpt haar stralen, waar de waterjuffer zweeft,

Die, roodgekleurd, doorklieft de ijle lucht,

Waar niets verstoort der dagen kalme vlucht!"

Mythen & Legenden van Japan · 第 37 / 53 题