De Zeekwal en de Aap. [67]

Rin-Jin, de Koning der Zee, koos als vrouw een jonge, schoone

Drakenprinses. Zij waren nog niet lang getrouwd, toen de schoone

Koningin ziek werd, en alle adviezen en alle zorgen van de beste

geneeskundigen van het land waren vruchteloos.

"Ach", snikte de Koningin, "er is maar één ding, dat mij van mijn

ziekte kan genezen".

"Wat is dat?" vroeg Rin-Jin.

"Als ik de lever van een levenden aap eet, zal ik onmiddellijk

genezen. Zie, wat ik u bidden mag, dat gij een lever van een aap voor

mij krijgt, want ik weet, dat niets anders mijn leven zal redden."

Daarom riep Rin-Jin een zeekwal naar zich toe, en zeide: "Ik wensch,

dat gij aan land zwemt en met een levenden aap op uw rug terugkeert,

want ik wil zijn lever gebruiken, opdat onze Koningin haar gezondheid

herkrijge. Gij zijt het eenige schepsel, dat die taak kan volbrengen,

want gij alleen hebt voeten en zijt in staat op het strand te

loopen. Om den aap te overreden, te komen, moet gij hem vertellen

van de wonderen der diepte en van de zeldzame schoonheden van mijn

groot paleis, met zijn parelen op den bodem en zijn muren van koraal".

De zeekwal, die zich verheugde, dat de gezondheid en het geluk van

haar meesteres van den goeden uitslag van haar onderneming afhing,

verloor geen tijd met naar een eiland te zwemmen. Nauwelijks was zij

aan land gestapt, of zij zag een prachtigen aap, die in de takken

van een pijnboom speelde.

"Zeg eens!" sprak de zeekwal, "ik vind dit eiland erg leelijk. Wat

een vervelend en ellendig leven moet gij hier leiden! Ik kom uit

het Rijk der Zee, waar Rin-Jin regeert in een groot en prachtig

paleis. Misschien zoudt gij er lust in hebben, een nieuw land te

zien, waar overvloed van vruchten is en waar het altijd prachtig weer

is. Als gij dat prettig vindt, klim dan op mijn rug, en ik zal u met

veel genoegen naar het Rijk der Zee medenemen".

"Ik neem gaarne uw uitnoodiging aan", zeide de aap, terwijl hij uit

den boom nederdaalde, en rustig op den rug van de zeekwal ging zitten.

"Tusschen twee haakjes", zeide de zeekwal, toen hij ongeveer de helft

van de terugreis had afgelegd, "Ik onderstel, dat gij uw lever hebt

medegebracht, niet waar?"

"Wat een persoonlijke vraag!" antwoordde de aap. "Waarom vraagt

gij dit?"

"Onze Zeekoningin is gevaarlijk ziek", zeide de dwaze zeekwal,

"en alleen de lever van een levenden aap kan haar leven redden. Als

wij in het paleis komen, zal een dokter uw lever gebruiken en mijn

meesteres zal weer herstellen".

"Ach kom!" riep de aap uit, "ik had gewild, dat gij mij dit hadt

medegedeeld, voordat wij het eiland hadden verlaten. Geloof mij, gij

vergist u, waarde zeekwal. Ik heb een aantal levers op een pijnboom

hangen, en ik had u gaarne een willen afstaan, om het leven van uw

Koningin te sparen. Als gij mij naar het eiland wilt terugbrengen,

zal ik er een halen. Het is bijzonder ongelukkig, dat ik vergeten

heb een lever mede te brengen."

De lichtgeloovige zeekwal draaide om en zwom weer naar het eiland

terug. Oogenblikkelijk nadat de zeekwal het strand had bereikt,

sprong de aap van haar rug en sprong rond op de takken van een boom.

"_Lever_", zeide de aap grinnikend, "spraakt ge van _lever_? Jij,

dwaze oude zeekwal, je zult nooit mijn lever krijgen!"

Eindelijk bereikte de zeekwal het paleis, en vertelde Rin-Jin zijn

treurig verhaal. De Zeekoning werd razend van drift. "Slaat haar

murw!" riep hij tot zijn omgeving. "Slaat die dwaze kwal zóólang,

totdat zij geen bot meer in haar lichaam heeft!"

Zoo verloor de zeekwal na dat ongelukkige uur haar schaal, en alle

zeekwallen, die na haar dood in zee geboren zijn, missen haar schaal,

en zijn tot op den huidigen dag niets anders dan gelei gebleven.

Het Bronzen Paard.

Op den feestdag van de _Minige_, of "Het ontsnappen van het Lichaam",

rijdt, zooals men zegt, de Godheid van Kitzuki, Oho-Kuninushi, door de

straten op het Bronzen Paard. De ceremonies, aan dat feest verbonden,

zijn van een zóó geheimzinnigen aard, dat alleen de dienstdoende

priester het geheim na zijn dood aan zijn zoon kan mededeelen door

tusschenkomst van den geest van den overledene. De groote gesneden

draak van Kitzuki kroop, naar men meende, bij zekere gelegenheid

over de daken van een aantal huizen, maar toen zijn houten strot was

doorgesneden, bleef hij eenvoudig een kunstwerk, dat de bewoners niet

langer last veroorzaakte. Ook bronzen wild uit Matsue, een hert en een

hinde, had wonderbaarlijke macht, en kon des nachts door de straten

rennen. Die bezoeken waren zóó talrijk en zóó lastig, dat eindelijk

hun koppen werden afgesneden, en zoo kwamen hun dolle sprongen tot een

einde. De reusachtige schildpad van den Gesshoji tempel, een steenen

kolos, omstreeks zestien voet hoog, werd herhaaldelijk aangetroffen,

terwijl zij pogingen aanwendde, een vijver, met lotus bedekt, over te

zwemmen. Dit wezen werd evenals dat, wat wij zooeven hebben vermeld,

verminkt, en zijn middernachtelijke tochten werden voor goed gestuit.

Mythen & Legenden van Japan · 第 36 / 53 题