HOOFDSTUK XX. WAAIERS.

De Beteekenis van den Japanschen Waaier.

"Hare wapenen zijn een glimlach en een kleine waaier." Die aanhaling

uit Yone Noguchi geeft slechts een beeld van één gedaante van den

Japanschen waaier, de gedaante, waarmede wij, Europeanen, bekend

zijn. De Japanschen waaier is niet alleen een sierlijk vrouwelijk

speelgoed, dat gebruikt moet worden te zamen met een glimlach

of met oogen, die van achter het ééne of andere voortreffelijk

bloemenpatroon te voorschijn gluren. De waaier van Nippon heeft

een bekoorlijke geschiedenis, die geheel valt buiten de innemende

kunst van coquetteeren, en zij die in dit onderwerp belangstellen,

doen goed, het werk van Mevrouw C.M. Salwey, _Japansche Waaiers_ te

bestudeeren. Daarin zal de lezer vinden, dat de waaier uit het Land

der Rijzende Zon een aantal belangrijke diensten heeft bewezen. Hij

is door oude krijgslieden op het slagveld gebruikt als een middel,

hun bevelen kracht bij te zetten. Bij één gelegenheid was hij het

mikpunt van den boog van Nasu no Yoichi, en hoewel de door de zon

duidelijk uitkomende waaier in den wind wapperde, gebonden aan een

stok, die aan den dolboord van één der schepen van de Taira bevestigd

was, wist Yoichi hem neer te halen.

"Helaas, de waaier!

Nu wrakhout op zee.

De naam van vorst Nasu

Yoichi, bekwaam met den boog.

Is overal verspreid."

Een bepaalde Japansche waaier van reusachtige grootte wordt gebruikt

bij het feest der Zonnegodin in Ise. Er wordt een aardige geschiedenis

verhaald omtrent de weduwe van Atsumori, die non was geworden, en die

een priester had genezen, door hem te verkoelen door middel van den

eersten dichtslaanden waaier, die door haar zou zijn uitgevonden. Één

der meest belangrijke gedeelten van de Japanschen waaiers, zooals

trouwens van de waaiers in het algemeen, is de haak, en daarover

is de volgende legende bekend. Kashima stak bij zekere gelegenheid

zijn zwaard door de aarde, met het doel de wereld te doen stilstaan,

en aldus aardbevingen te voorkomen, een verschijnsel, dat nog steeds

in Japan ontzettend veel voorkomt. Daarop veranderde het zwaard in

steenen, en werd het _Kanamé ishi_ of de Haakrots genoemd, en dit

zou de oorsprong zijn van den naam _Kanamé_, die op Japansche waaiers

wordt toegepast.

Mevrouw C.M. Salwey verhaalt ons in een artikel, dat tot titel draagt:

_Over symboliek en symbolische ceremoniën der Japanners_ [63], dat

de dichtslaande waaier een symbool is van het leven. Zij schrijft:

"De haak aan het uiteinde is het symbool van den aanvang, de daarvan

straalsgewijze uitgaande leden drukken den levensweg uit... De

uitwendige deelen van het raam stellen de ouders voor, de inwendige

de kinderen, om aan te toonen, dat kinderen hun geheele leven onder

toezicht moeten staan." Op het raam is dikwijls het oog van een kat

aangebracht, wat een beeld is van het snel voortschrijden van den

tijd, of ook wel vindt men er een reeks cirkels op, de ééne in den

anderen geschakeld--een niet volledig patroon, dat moet aantoonen,

dat "leven en wijsheid nooit kunnen worden uitgeput."

Er is een legende met betrekking tot den Japanschen waaier, die

allerliefst is, en waarbij noch van oorlog, noch van wijsbegeerte

sprake is. Hoewel de verhalen van den Japanschen waaier wijd verspreid

en van zeer afwisselenden aard zijn, de meer teedere zijde spreekt

het sterkst tot ons. De Japansche waaier, waarop een liefdedicht is

geschreven en waarbij een liefdeshistorie op den achtergrond staat,

is de waaier, die altijd het dierbaarst zal zijn voor hen, die nog

steeds in hun hart een plaatsje vrij hebben voor het romantische. De

volgende legende is ontleend aan _het Dagboek van een Winde_.

De Liefde van Asagao.

"De morgenstralen

Hebben met bloemblad en bloemkelk in 't ronde

Het hengsel van mijn emmer omwonden.

Ik wil niet gaarne verbreken de banden

Van die zachte lieflijke handen.

Den put en den emmer liet ik dus staan,

Ach, bied mij, beroofde, wat water aan".

_Uit het Japansch_. (Naar _Sir Edward Arnold_.)

Komagawa Miyagi, een onderhoorige van één der _daimio's_, kwam in een

voorstad van Kyoto. Daar het een warme zomeravond was, huurde hij een

boot, en terwijl hij al zijn zorgen op zijde zette, volgde hij met den

blik een aantal meisjes met licht gekleurde kleeren, die bezig waren

glimwormen te vangen. Die heldere insecten glinsterden in de lucht en

op het gras, zoodat de lachende meisjes gelegenheid te over hadden,

die levende juweelen te vangen, en ze een oogenblik in het haar te

plaatsen, op haar opgehouden vinger, of tegen een zijden bloem op

een _kimono_.

Terwijl Komagawa dit aardige tooneel gadesloeg, zag hij, dat één

der dames moeite had met haar boot. Komagawa kwam haar onmiddellijk

te hulp en dadelijk werd hij smoorlijk op haar verliefd. Zij bleven

samen in een koelen inham der rivier toeven, en bekommerden zich niet

langer om glimwormen, daar beiden vurig begeerden elkander hun liefde

te betuigen.

Om hun huwelijksbeloften te bezegelen, ruilden beide gelieven,

volgens een oud gebruik, hun waaiers. Op den waaier van Miyuki was

een winde geteekend. Komagawa schreef een gedicht over die liefelijke

bloem op zijn eigen waaier, voordat hij dien aanbood aan het meisje,

dat hij beminde. Zoo wisselden zij niet alleen hun huwelijksbeloften,

maar ook hun waaiers, en de winde zoowel in beeld als in vers werd

het pand van hun trouw.

Na een tijd gingen de gelieven van elkander weg, om eenige dagen

later elkander weer te Akasha te ontmoeten, waar hun booten toevallig

vlak langs elkander heen voeren. Toen zij heel wat vriendelijke en

lieve woordjes hadden gewisseld, keerden zij ieder naar hun eigen

woning terug.

Toen Miyuki haar woning bereikte, nog stralend van geluk bij het

denken aan haar trouwe liefde, ontdekte zij, dat haar ouders reeds

een huwelijk voor haar hadden in orde gemaakt met iemand, dien het

arme meisje nooit te voren had gezien.

Miyuki hoorde dat bericht met een droevig hart. Zij wist, dat

kinderen verplicht waren, hun ouders te gehoorzamen, en toen zij

op haar _futon_ neerlag, deed zij haar uiterste best aan den wensen

harer ouders te gehoorzamen. Maar de strijd bleek vruchteloos te zijn,

immers het beeld van haar minnaar kwam haar voortdurend voor den geest,

en evenzoo de rivier en de flikkerende glimwormen. Zij stond dus op,

kroop het huis uit en wandelde naar een bepaalde stad, in de hoop

Komagawa te vinden, doch bij haar aankomst bleek het haar, dat hij

vertrokken was, niemand wist waarheen.

Die bittere teleurstelling trof Miyuki ontzettend, en dagen achtereen

weende zij. Haar zilte tranen stroomden zóó aanhoudend, dat zij

spoedig stekeblind werd, een even hulpeloos wezen als "een vogel

zonder veeren of een visch zonder vinnen".

Nadat Miyuki eenigen tijd aan haar smart had toegegeven, kwam zij tot

de overtuiging, dat zij, als zij niet van gebrek wilde omkomen, iets

moest doen, om in haar levensonderhoud te voorzien. Zij besloot gebruik

te maken van haar uitstekende stem, en op straat of in theehuizen te

zingen. Haar stem, verbonden met haar schoon en roerend gelaat, vond

onmiddellijk erkenning. Het publiek weende over haar droevig gezang

zonder te weten waarom. Zij zong met voorliefde het kleine gedicht

over de winde, dat Komagawa op zijn waaier had geschreven, daarom

noemde het publiek, dat haar hoorde zingen, haar Asagao ("Winde").

Het blinde meisje werd van de ééne plaats naar de andere geleid door

haar vriendin Asaka ("Zachte Geur") totdat deze door iemand vermoord

werd, en Asayo dus alleen achterbleef, om haar duistere tochten te

volbrengen, zonder een vriendelijke hand om haar te geleiden. Er

was slechts één gedachte, die Asagao troostte, en dat was deze,

dat zij misschien tijdens haar zwerftochten toevallig haar minnaar

zou ontmoeten.

Toen een paar jaren voorbij waren gegaan, wilde het toeval,

dat Komagawa, vergezeld van Iwashiro Takita, door zijn Daimio

voor zaken was uitgezonden. Op hun reis kwamen zij een theehuis

binnen. Iwashiro Takita was knorrig en uit zijn humeur, en zat in

somber stilzwijgen neder, zonder dat hij zich verwaardigde, op zijn

omgeving te letten. Komagawa echter keek rond, en zag op een scherm

het gedicht, dat hij op de winde had vervaardigd, hetzelfde gedicht,

dat hij zoo liefdevol voor Asagao had opgeteekend. Terwijl hij over

die zaak nadacht, kwam de eigenaar van het theehuis het vertrek

binnen. Komagawa ondervroeg hem over dit kleine minnedicht, en de

eigenaar van het theehuis deed het volgende verhaal:

"Het is een uiterst treurige geschiedenis", zoo sprak hij. "Het gedicht

werd gezongen door een arm blind meisje. Zij liep weg uit haar huis,

omdat zij niet kon huwen met den man, dien haar ouders voor haar hadden

gekozen. Zij was niet in staat in die verbintenis toe te stemmen,

omdat zij reeds een minnaar had 'en dien minnaar' zoekt zij over het

geheele land, steeds dit liedje over de winde zingend, in de hoop,

dat zij te eeniger tijd het geluk mag hebben, hem te ontmoeten. Edele

Heer, zij is juist op dit oogenblik in mijn theetuin!"

Komawaga kon nauwelijks zijn vreugde verbergen, terwijl hij verzocht,

dat de eigenaar van het theehuis de blinde vrouw zou binnen brengen.

Een oogenblik later stond Asagao vóór hem. Hij zag in haar fijn en

teer gelaat nog een nieuwe schoonheid, en wel die van de hoop, de

schoonheid van een liefde, die helder en rein was gebleven gedurende

de lange, droevige jaren van wachten.

Asagao tokkelde de _samisen_ [64]. Liefelijk en zacht zong zij:

"De stroom van zilvren regen viel, zij bevochtigde d'arme winde,

De zachte dauw op de blaadjes en bloemen werd door de afgunstige

zonne verwijderd."

Komagawa luisterde gespannen toe, verlangend te mogen spreken,

verlangend zijn liefde te openbaren, maar hij bleef zwijgen, omdat

zijn slecht opgevoede reisgenoot in de kamer bleef. Hij keek naar

haar donkere oogen, die naar hem toe gekeerd waren, maar zij waren

zonder uitdrukking, daar zij niets konden zien. Nog steeds tokkelde

zij de _samisen_, en nog steeds klonk haar stem liefelijk en zacht

en onuitsprekelijk aandoenlijk in het vertrek. Met een diep bedroefd

hart en zonder een woord van liefde stuurde hij haar weg met de

gebruikelijke gave. Zij vertrok uit het vertrek, als het ware

bewust van een nieuwe, bittere smart. Er was iets in de stem van

haar begunstiger, dat bijzonder teeder was, iets dat haar diep trof,

en dit deed haar hart pijn, en deed haar smartelijk aan, zonder dat

zij wist waarom.

Den volgenden dag gaf Komagawa den eigenaar van het theehuis een

waaier, terwijl hij zeide: "Geef dezen waaier met dit geld aan

Asagao. Zij zal het wel begrijpen." Na die woorden gesproken te hebben,

vervolgde Komagawa met zijn metgezel zijn reis.

Toen Asagao den waaier had ontvangen, betastte zij dien heftig met

haar kleine, witte vingers. "Wie heeft mij dien waaier en dat geld

gegeven?" vroeg zij. "Ach, vertel mij, hoe de waaier er uit ziet. Is

er ook een teekening van een winde op?"

De eigenaar van het theehuis keek haar vriendelijk aan. "Hij, voor

wien gij gisterenavond gezongen hebt, gaf u dien waaier," zeide

hij. "Er is een teekening van een winde op".

Asagao gaf een kreet van vreugde. "Gisterenavond," sprak zij zacht,

"was ik weer samen met mijn minnaar! En nu, en nu ......"

Op datzelfde oogenblik kwam een bediende uit de oude woning van Asagao,

die zeide, dat hij door haar ouders was gezonden, om haar weer terug

te brengen. Maar Asagao, die haar oude liefde getrouw bleef, besloot

ook nu nog in haar tegenstand te volharden.

Nu wilde het toeval, dat de eigenaar van dit theehuis vroeger in dienst

was geweest bij den vader van Asagao. Hij had in die hoedanigheid een

groote misdaad gedaan, die den dood verdiende; maar de vader van Asagao

had medelijden met hem gehad. Hij had hem met een som gelds ontslagen,

waardoor de misdadiger in staat werd gesteld, een zaak voor zichzelf

op te zetten. Bij deze gelegenheid dacht de eigenaar van het theehuis

na over de goedheid, die hem betoond was, en besloot hij _seppuki_

te plegen, opdat het kind van zijn vroegeren meester haar gezicht

zou herkrijgen door middel van zijn lever. [65]

Zoo pleegde dus de eigenaar van het theehuis zelfmoord, en Asagao

kreeg haar gezicht weer terug. Dienzelfden nacht trok zij, hoewel een

vreeselijke storm was losgebroken, op weg, om haar minnaar te zoeken,

vergezeld door een trouwe kleine schaar bedienden. Den geheelen nacht

reisde het meisje over ruwe en hobbelige wegen. Zij lette nauwelijks op

den heftigen regen of op haar bloedende voeten. Zij werd aangezet door

een gelukkige liefde, door de zoete hoop, haar minnaar terug te zien.

Toen zij een berg beklom, die nu in het zonlicht baadde, verbeeldde

zij zich een stem te hooren, die haar naam riep. Zij keek om zich

heen en ontdekte Komagawa. Toen daalde vrede over haar neer. Al de

ellende van een langdurig zoeken en bijna eindeloos wachten was

voorgoed vergeten, en binnen korten tijd huwden de gelieven. De

winde, of de glorie van den morgen, is een bloem, die slechts enkele

uren bloeit; maar de liefde van Asagao had de schoonheid der winde,

verbonden met de kracht en den langen levensduur van den pijnboom. In

hun huwelijksleven bleven zij trouw aan de gelofte, die zij op hun

waaiers hadden afgelegd, en na haar blindheid en na veel lijden kon

Asagao haar liefelijk hoofd opheffen naar den dauw en den zonneschijn

der beschermende armen van haar minnaar.

Mythen & Legenden van Japan · 第 33 / 53 题