HOOFDSTUK XIX. KOBO DAISHI, NICHIREN, EN SHODO SHOHIN.

"Toen hij stierf, was het alsof een helder licht in het midden

van een donkeren nacht was uitgegaan."

_Namudaishi_ (Naar _Arthur Lloyd)_.

De "Namudaishi".

Kobo Daishi [58] ("Eer aan den Grooten Leeraar"), die in het jaar

774 na Christus geboren was, was de heiligste en beroemdste van de

Japansche Buddhistische heiligen. Hij stichtte de Shingon-Shu, een

Buddhistische secte, die bekend was om haar tooverformulieren en om

haar duistere en geheimzinnige leerstellingen, en men verhaalt ook,

dat hij de uitvinder is van het _Hiragana_ lettergrepenschrift, een

vorm van loopend schrift. In de _Namudaishi_, een Japansch gedicht

over het leven van dien grooten heilige, lezen wij, dat Kobo Daishi

uit China een molensteen medebracht, en enkele zaden van de theeplant,

en zoo weer het gebruik van dien drank deed herleven, die in onbruik

was geraakt. In hetzelfde gedicht wordt ook vermeld, dat het Kobo

Daishi was, die de wereld het gebruik van steenkool leerde. Hij was

vermaard als een groot prediker, maar was niet minder beroemd als

schoonschrijver, schilder, beeldhouwer en reiziger.

"Een Goddelijk Wonder."

Kobo Daishi is echter voornamelijk bekend wegens de buitengewone

wonderen, die hij volbracht heeft, en talloos is het aantal legenden,

waarbij hij betrokken is. Reeds bij zijn geboorte werden wonderen

waargenomen, immers toen hij geboren werd, scheen er een helder licht,

en hij kwam ter wereld, met gevouwen handen, als in gebed. Toen hij

slechts vijf jaar oud was, zat hij reeds onder de lotusbloemen en

hield hij gesprekken met Buddha en hij hield alle wijsheid, die hij zoo

verwierf, geheim. Zijn hart werd bewogen door de droefheid en pijnen

der menschheid. Toen hij op den berg Shashin stond, trachtte hij zijn

eigen leven op te offeren als zoenoffer, maar werd daarin verhinderd

door een aantal engelen, die niet wilden, dat die vurige ziel door

den dood onderging, voordat hij zijn bestemming had bereikt. Bij

zekere gelegenheid bouwde hij een pagode van klei, en onmiddellijk

werd hij omringd door de Vier Hemelsche Koningen (oorspronkelijk

Hindu-godheden). De Keizerlijke Bode, die juist voorbijkwam, toen dit

wonder geschiedde, was uiterst verbaasd, en beschreef den jongen Kobo

Daishi als "een goddelijk wonder". Terwijl hij te Muroto was in Tosa,

en met zijn gebeden bezig was, viel, zooals ons in de _Namudaishi_

wordt medegedeeld, een heldere ster uit den Hemel en kwam in zijn

mond, terwijl tegen middernacht een kwaadaardige draak op hem aanviel,

"maar hij spuwde daarop, en doodde hem met zijn speeksel."

In zijn negentiende jaar droeg hij de zwarte zijden kleeren van

een Buddhistenpriester, en met een ijver, die hem nooit in den steek

liet, zocht hij naar meer licht. "Velen zijn de wegen", zoo sprak hij,

"maar het Buddhisme is de beste weg van alle." Gedurende zijn mystieke

studiën kreeg hij een boek in handen, dat de Shingon-leer bevatte,

een leer, die treffende overeenkomst heeft met oude Egyptische

bespiegelingen. Het boek was zóó duister, dat het zelfs Kobo Daishi

niet gelukte, het volkomen meester te worden; maar volstrekt niet

afgeschrikt, kreeg hij van den Keizer verlof naar China te reizen,

waar hij ten slotte de diepe geheimen van dat boek ontwarde,

en een zóódanigen trap van heiligheid bereikte, dat deze aan het

wonderbaarlijke grensde.

Gohitsu-Osho.

Toen Kobo Daishi in China was, ontbood hem de Keizer, die van zijn

roem gehoord had, en vroeg hem, of hij den naam van één der kamers

in het Keizerlijk paleis nog eens wilde schrijven, daar die naam

was weggevaagd door den uitwisschenden vinger van den Tijd. Kobo

Daishi schreef, met een penseel in iedere hand, één in zijn mond en

twee tusschen de teenen, de verlangde letters op den muur, en naar

aanleiding van die buitengewone verrichting noemde de Keizer hem

Gohitsu-Osho ("De Priester, die met vijf penseelen schrijft").

Het schrijven op de Lucht en op het Water.

Terwijl Kobo Daishi nog in China was, ontmoette hij een jongen knaap,

die aan den oever van een rivier stond. "Als gij Kobo Daishi zijt",

zoo sprak deze, "wees dan wel zoo goed en schrijf op de lucht, want

ik heb gehoord dat geen wonder boven uw macht is."

Kobo Daishi tilde zijn penseel op; dit bewoog zich snel in de lucht,

en in de blauwe lucht werd schrift gezien, en wel letterteekens,

volmaakt van vorm en verwonderlijk schoon.

Toen de knaap eveneens op de lucht had geschreven en daarbij geen

mindere vaardigheid had getoond, zeide hij tot Kobo Daishi: "Wij

hebben beiden op de lucht geschreven. Nu verzoek ik u, te willen

schrijven op die stroomende rivier."

Kobo Daishi stemde onmiddellijk toe. Weer bewoog zich het penseel,

en nu kwam er een gedicht op het water te voorschijn, en wel een

gedicht tot lof van die bijzondere rivier. De letters bleven een

oogenblik staan en werden toen door den snellen stroom weggevoerd.

Er schijnt een wedstrijd in tooverkracht te hebben bestaan tusschen

de beide bewerkers van wonderen, immers nauwelijks waren de letters

uit het gezicht verdwenen, of ook de knaap schreef op het stroomende

water het teeken van den Draak en dit bleef stil staan.

Kobo Daishi, die een groot geleerde was, bemerkte onmiddellijk,

dat de knaap de _ten_ had vergeten, een punt, die bij dit teeken

behoorde. Toen Kobo Daishi hem op die vergissing opmerkzaam maakte,

erkende de knaap, dat hij de _ten_ had vergeten, en vroeg, of de

beroemde heilige die er in wilde plaatsen. Nauwelijks had Kobo Daishi

dit gedaan, of het teeken van den Draak veranderde in een werkelijken

Draak. Zijn staart zweepte de wateren, donderwolken ijlden door de

lucht en de bliksem flikkerde. Een volgend oogenblik rees de Draak

uit het water op en steeg ten hemel.

Hoewel de toovermacht van Kobo Daishi die van den knaap overtrof,

vroeg hij hem, wie hij toch was en de knaap antwoordde: "Ik ben Monju

Bosatu, de Meester der Wijsheid". Na die woorden te hebben gesproken,

werd hij verlicht door een stralend licht; de schoonheid der Goden

scheen op zijn gelaat, en evenals de Draak steeg hij ten hemel.

Hoe Kobo Daishi de Ten schilderde.

Bij zekere gelegenheid vergat Kobo Daishi de _ten_ op een tegel,

die boven één der poorten van het paleis des Keizers was geplaatst

[59]. De keizer beval, dat ladders zouden worden gebracht, maar Kobo

Daishi bleef op den grond staan, zonder van de ladders gebruik te

maken en wierp zijn penseel in de hoogte, dat de _ten_ teekende en

toen weer in zijn hand terugviel.

Kino Momoye en Onomo Toku.

Kino Momoye maakte zich eens vroolijk over enkele van de letterteekens

van Kobo Daishi, en zeide, dat één van die karakters geleek op

een verwaanden worstelaar. Den nacht, nadat hij die flauwe grap

had verteld, droomde Momoye, dat een worstelaar hem slag op slag

toediende, en zelfs dat zijn tegenstander op zijn lichaam sprong en

hem vreeselijke pijnen berokkende. Momoye werd wakker, en schreeuwde

hard in zijn doodsangst; terwijl hij schreeuwde, zag hij, dat de

worstelaar plotseling veranderde in het letterteeken, waarover hij

zoo onverstandig had gelachen. Het steeg in de lucht en keerde terug

naar de plaats, waar het vandaan was gekomen.

Momoye was niet de eenige, die onvoorzichtig spotte met het werk van

den grooten Kobo Daishi. De legende verhaalt, dat een zekere Onomu Toku

zeide, dat het letterteeken _Shu_ van den heilige veel meer had van het

letterteeken "rijst". Dien nacht was er voor Onomu Toku alle reden,

berouw te hebben over zijn dwaasheid, immers in zijn droom kreeg het

letterteeken _Shu_ een menschelijke gedaante en werd het een reiniger

van rijst, die het lichaam van den boosdoener op en neer bewoog op de

wijze van hamers, die gebruikt werden om de rijst te kloppen. Toen

Onomu Toku ontwaakte, bleek het, dat zijn lichaam met builen bedekt

was, en dat zijn vleesch op verschillende plaatsen bloedde.

De Terugkeer van Kobo Daishi.

Toen Kobo Daishi op het punt stond China te verlaten en naar zijn

eigen vaderland terug te keeren, ging hij naar het strand der zee en

wierp hij zijn _vajra_ [60] over de golven der zee, en men vond die

later hangen aan den tak van een pijnboom te Takano, in Japan.

Wij weten geen bijzonderheden omtrent de reis van Kobo Daishi naar zijn

eigen land; maar onmiddellijk na zijn aankomst bracht hij dankoffers

voor de goddelijke bescherming, die hij gedurende zijn reizen had

genoten. Op den Naakten Berg maakte hij gebruik van zóó krachtige

tooverformulieren, dat de vroeger geheel dorre berg overdekt werd

met bloemen en boomen.

Kobo Daishi werd, naarmate de tijd voortschreed, voortdurend

heiliger. Gedurende een godsdienstig twistgesprek vloeide het

Goddelijke Licht van hem uit, en steeds bleef hij voortgaan, een

aantal wonderen te volbrengen. Hij maakte brak water zuiver, gaf de

dooden het leven weder, en bleef in gemeenschap en in overleg met

enkele goden. Bij een zekere gelegenheid verscheen Inari [61], de

God van de Rijst, op den berg Fushimé, en nam uit de handen van den

grooten heilige het offer in ontvangst, dat hij opdroeg. "Wij samen,

gij en ik", zoo sprak Kobo Daishi, "zullen dit volk beschermen".

De Dood van Kobo Daishi.

Die merkwaardige heilige stierf in het jaar 834 na Christus, en volgens

de berichten weende een groote menigte, zoowel leeken als priesters,

op het kerkhof te Okunoin, in Koya, waar hij begraven is. Zijn dood

maakte echter volstrekt niet plotseling een einde aan de wonderen,

die door hem werden verricht; immers toen Keizer Saga stierf,

"werd zijn doodkist op geheimzinnige wijze door de lucht naar Koya

gebracht en Kobo zelf verrichtte, na uit zijn graf te zijn verrezen,

de begrafenis-ceremoniën." En ook dit was nog niet het einde van

de door hem verrichte wonderen, immers Keizer Uda ontving van Kobo

Daishi den heiligen Doop. Toen de Keizerlijke Boodschapper, die den

tempel bezocht, waar Kobo Daishi vereerd werd, niet in staat was,

het gelaat van dien grooten heilige te zien, "leidde Kobo de hand

van den aanbidder, en liet hem zijn knie aanraken. Nooit, zoolang

hij leefde, vergat de Boodschapper dat gevoel!"

Het Wonderdadige Beeld.

In Kawasaki is een tempel, aan Kobo Daishi gewijd. De legende van die

plaats schrijft haar roep van heiligheid toe aan een beeld van Kobo

Daishi, dat door dien heilige zelf was gesneden tijdens zijn verblijf

in China, en dat door hem aan de golven was toevertrouwd. Het dreef

naar de kust, waar het gevangen werd in het net van een visscher, en

verrichtte, toen het aan land was gebracht, een aantal buitengewone

wonderen. De boomen in het park om den tempel, die gekweekt zijn in de

gedaante van jonken onder zeil, zijn een getuigenis van de vereering,

door de zeelieden aan dit heilige beeld bewezen. [62]

Nichiren.

Nichiren was de stichter der Buddhistische secte, die naar

hem heet. Zijn naam beteekent Zonnelotus, en werd hem gegeven,

omdat zijn moeder droomde, dat de zon op een lotus rustte, toen

hij verwekt werd. Nichiren was een beeldenstormer van een zeer

geprononceerd karakter. Hij had door openbaring een volledige

kennis van Buddhistische mysteriën gekregen, hoewel men, als men

de geschiedenis van zijn leven leest, zou hebben ondersteld, dat

hij zijn merkwaardige godsdienstige kennis door inspannende studie

had verworven. Tijdens zijn leven werd Japan geteisterd door een

vreeselijke aardbeving, gevolgd door een verwoestenden orkaan, door

pest en hongersnood. Die rampen waren zóó verschrikkelijk, dat men

bad, liever te mogen sterven dan te midden van zulk een algemeene

ellende te moeten leven. Nichiren zag in die groote rampen de hand

van het Noodlot. Hij zag, dat godsdienst en politiek verdorven waren

geworden, en dat de Natuur in opstand was gekomen tegen het groote

aantal ongerechtigheden, die toen bestonden. Nichiren zag in, dat

het Buddhisme niet langer uit de eenvoudige leerstellingen van Buddha

bestond. Hij had zóó ijverig gestudeerd in de boeken der verschillende

Buddhistische secten, dat het hem bleek, dat de priesters Shaka Muni

(den Buddha) hadden verwaarloosd en in zijn plaats Amida aanbaden,

een vorm, waarin zich Buddha openbaarde. En dit was nog niet het einde

van hun ketterij, want het bleek hem, dat priesters en bevolking ook

Kwannon en andere godheden aanbaden. Nichiren wenschte die godheden aan

kant te zetten en het Buddhisme in zijn oude zuiverheid en eenvoud van

opvatting te herstellen. Hij riep in één van zijn leerredenen uit:

"Ontwaakt, mannen, ontwaakt! Ontwaakt en ziet om u heen. Niemand

is geboren met twee vaders of met twee moeders. Ziet naar den hemel

boven u: er zijn geen twee zonnen aan den hemel. Ziet naar de aarde

aan uw voeten: geen twee koningen kunnen gelijktijdig over een land

regeeren." Met andere woorden, hij duidde hiermede aan, dat niemand

twee meesters kan dienen, en de eenige meester, dien hij waardig

achtte gediend en aanbeden te worden, was Buddha zelf. Door dit

geloof trachtte hij de gewone _mantra_, _Namu Amida Butsu_ weer te

vervangen door _Namu Myoho Renge Kyo_ ("O, de Schrift van den Lotus

der Wonderbaarlijke Wet!")

Nichiren schreef _Rissho Ankoku Ron_ ("Boek om het Land tot Rust te

Brengen"), dat de voorspelling bevatte van een Mongoolschen inval

en een aantal heftige aanvallen tegen de andere Buddhistische

secten. Eindelijk was Hojo Tokiyori verplicht hem voor den tijd

van dertig jaar naar Ito te verbannen. Hij ontsnapte echter en

hernieuwde zijn heftige aanvallen op de andere secten. De vijanden

van Nichiren zochten hulp bij den Regent Tokimune, die besloot, dat

de monnik onthoofd moest worden, en de wraakgierige Nichiren werd

ten slotte naar de kust van Koshigoye gezonden, om ter dood te worden

gebracht. Terwijl hij den noodlottigen slag afwachtte, bad Nichiren

tot Buddha en het zwaard brak, toen het zijn hals aanraakte. En dit was

niet het eenige wonder, want onmiddellijk na het breken van het zwaard

trof een bliksemschicht het paleis te Kamakura, en een hemelsch licht

omgaf den heiligen Nichiren. De beambte, die met de terechtstelling

was belast, kwam sterk onder den indruk van die bovennatuurlijke

gebeurtenissen, en hij zond een bode naar den Regent, om uitstel

der terechtstelling te vragen. Tokimune had echter reeds iemand te

paard gezonden, die het bericht bracht, dat aan Nichiren genade was

geschonken, en beide mannen kwamen elkaar te gemoet bij een rivier,

die thans Yukiai genoemd wordt ("Ontmoetingsplaats.")

De wondervolle redding van Nichiren werd gevolgd door een nog heviger

aanval op hen, die hij beschouwde als niet tot den waren godsdienst

te behooren. Weer werd hij verbannen, en eindelijk koos hij den berg

Minobu tot verblijfplaats. Men zegt, dat een schoone vrouw naar dien

berg kwam, terwijl Nichiren bezig was te bidden. Toen de groote heilige

haar zag, zeide hij: "Neem weer uw natuurlijke gedaante aan." Nadat de

vrouw water had gedronken, veranderde zij in een slang van omstreeks

twintig voet lengte, met ijzeren tanden en gouden schubben.

Shodo Shonin.

Shodo Shonin was de stichter van den eersten Buddhistischen tempel te

Nikko, en de volgende legende heeft, naar men meent, geleid tot den

bouw der heilige brug van Nikko. Toen Shodo Shonin op zekeren dag op

reis was, zag hij vier wolken van een vreemden vorm van de aarde in

de lucht opstijgen. Hij haastte zich voort, ten einde ze duidelijker

te kunnen zien, maar kon niet ver voorttrekken, daar het hem bleek,

dat zijn weg versperd werd door een woesten bergstroom. Terwijl

hij bad om een middel, om zijn reis voort te zetten, verscheen een

reusachtige gestalte vóór hem, gekleed in blauwe en zwarte kleederen,

met een halsband van doodshoofden. Het geheimzinnige wezen schreeuwde

hem van den overkant deze woorden toe: "Ik zal u helpen, zooals

ik vroeger Hiuen heb geholpen." Na die woorden te hebben gesproken,

wierp de Godheid twee blauwe en groene slangen over de rivier heen en

zoo was de priester in staat over de brug van slangen den bergstroom

over te trekken. Toen Shodo Shonin de andere oever had bereikt,

verdwenen de God en zijn blauwe en groene slangen.

Mythen & Legenden van Japan · 第 32 / 53 题