"Toen hij stierf, was het alsof een helder licht in het midden
van een donkeren nacht was uitgegaan."
_Namudaishi_ (Naar _Arthur Lloyd)_.
De "Namudaishi".
Kobo Daishi [58] ("Eer aan den Grooten Leeraar"), die in het jaar
774 na Christus geboren was, was de heiligste en beroemdste van de
Japansche Buddhistische heiligen. Hij stichtte de Shingon-Shu, een
Buddhistische secte, die bekend was om haar tooverformulieren en om
haar duistere en geheimzinnige leerstellingen, en men verhaalt ook,
dat hij de uitvinder is van het _Hiragana_ lettergrepenschrift, een
vorm van loopend schrift. In de _Namudaishi_, een Japansch gedicht
over het leven van dien grooten heilige, lezen wij, dat Kobo Daishi
uit China een molensteen medebracht, en enkele zaden van de theeplant,
en zoo weer het gebruik van dien drank deed herleven, die in onbruik
was geraakt. In hetzelfde gedicht wordt ook vermeld, dat het Kobo
Daishi was, die de wereld het gebruik van steenkool leerde. Hij was
vermaard als een groot prediker, maar was niet minder beroemd als
schoonschrijver, schilder, beeldhouwer en reiziger.
"Een Goddelijk Wonder."
Kobo Daishi is echter voornamelijk bekend wegens de buitengewone
wonderen, die hij volbracht heeft, en talloos is het aantal legenden,
waarbij hij betrokken is. Reeds bij zijn geboorte werden wonderen
waargenomen, immers toen hij geboren werd, scheen er een helder licht,
en hij kwam ter wereld, met gevouwen handen, als in gebed. Toen hij
slechts vijf jaar oud was, zat hij reeds onder de lotusbloemen en
hield hij gesprekken met Buddha en hij hield alle wijsheid, die hij zoo
verwierf, geheim. Zijn hart werd bewogen door de droefheid en pijnen
der menschheid. Toen hij op den berg Shashin stond, trachtte hij zijn
eigen leven op te offeren als zoenoffer, maar werd daarin verhinderd
door een aantal engelen, die niet wilden, dat die vurige ziel door
den dood onderging, voordat hij zijn bestemming had bereikt. Bij
zekere gelegenheid bouwde hij een pagode van klei, en onmiddellijk
werd hij omringd door de Vier Hemelsche Koningen (oorspronkelijk
Hindu-godheden). De Keizerlijke Bode, die juist voorbijkwam, toen dit
wonder geschiedde, was uiterst verbaasd, en beschreef den jongen Kobo
Daishi als "een goddelijk wonder". Terwijl hij te Muroto was in Tosa,
en met zijn gebeden bezig was, viel, zooals ons in de _Namudaishi_
wordt medegedeeld, een heldere ster uit den Hemel en kwam in zijn
mond, terwijl tegen middernacht een kwaadaardige draak op hem aanviel,
"maar hij spuwde daarop, en doodde hem met zijn speeksel."
In zijn negentiende jaar droeg hij de zwarte zijden kleeren van
een Buddhistenpriester, en met een ijver, die hem nooit in den steek
liet, zocht hij naar meer licht. "Velen zijn de wegen", zoo sprak hij,
"maar het Buddhisme is de beste weg van alle." Gedurende zijn mystieke
studiën kreeg hij een boek in handen, dat de Shingon-leer bevatte,
een leer, die treffende overeenkomst heeft met oude Egyptische
bespiegelingen. Het boek was zóó duister, dat het zelfs Kobo Daishi
niet gelukte, het volkomen meester te worden; maar volstrekt niet
afgeschrikt, kreeg hij van den Keizer verlof naar China te reizen,
waar hij ten slotte de diepe geheimen van dat boek ontwarde,
en een zóódanigen trap van heiligheid bereikte, dat deze aan het
wonderbaarlijke grensde.
Gohitsu-Osho.
Toen Kobo Daishi in China was, ontbood hem de Keizer, die van zijn
roem gehoord had, en vroeg hem, of hij den naam van één der kamers
in het Keizerlijk paleis nog eens wilde schrijven, daar die naam
was weggevaagd door den uitwisschenden vinger van den Tijd. Kobo
Daishi schreef, met een penseel in iedere hand, één in zijn mond en
twee tusschen de teenen, de verlangde letters op den muur, en naar
aanleiding van die buitengewone verrichting noemde de Keizer hem
Gohitsu-Osho ("De Priester, die met vijf penseelen schrijft").
Het schrijven op de Lucht en op het Water.
Terwijl Kobo Daishi nog in China was, ontmoette hij een jongen knaap,
die aan den oever van een rivier stond. "Als gij Kobo Daishi zijt",
zoo sprak deze, "wees dan wel zoo goed en schrijf op de lucht, want
ik heb gehoord dat geen wonder boven uw macht is."
Kobo Daishi tilde zijn penseel op; dit bewoog zich snel in de lucht,
en in de blauwe lucht werd schrift gezien, en wel letterteekens,
volmaakt van vorm en verwonderlijk schoon.
Toen de knaap eveneens op de lucht had geschreven en daarbij geen
mindere vaardigheid had getoond, zeide hij tot Kobo Daishi: "Wij
hebben beiden op de lucht geschreven. Nu verzoek ik u, te willen
schrijven op die stroomende rivier."
Kobo Daishi stemde onmiddellijk toe. Weer bewoog zich het penseel,
en nu kwam er een gedicht op het water te voorschijn, en wel een
gedicht tot lof van die bijzondere rivier. De letters bleven een
oogenblik staan en werden toen door den snellen stroom weggevoerd.
Er schijnt een wedstrijd in tooverkracht te hebben bestaan tusschen
de beide bewerkers van wonderen, immers nauwelijks waren de letters
uit het gezicht verdwenen, of ook de knaap schreef op het stroomende
water het teeken van den Draak en dit bleef stil staan.
Kobo Daishi, die een groot geleerde was, bemerkte onmiddellijk,
dat de knaap de _ten_ had vergeten, een punt, die bij dit teeken
behoorde. Toen Kobo Daishi hem op die vergissing opmerkzaam maakte,
erkende de knaap, dat hij de _ten_ had vergeten, en vroeg, of de
beroemde heilige die er in wilde plaatsen. Nauwelijks had Kobo Daishi
dit gedaan, of het teeken van den Draak veranderde in een werkelijken
Draak. Zijn staart zweepte de wateren, donderwolken ijlden door de
lucht en de bliksem flikkerde. Een volgend oogenblik rees de Draak
uit het water op en steeg ten hemel.
Hoewel de toovermacht van Kobo Daishi die van den knaap overtrof,
vroeg hij hem, wie hij toch was en de knaap antwoordde: "Ik ben Monju
Bosatu, de Meester der Wijsheid". Na die woorden te hebben gesproken,
werd hij verlicht door een stralend licht; de schoonheid der Goden
scheen op zijn gelaat, en evenals de Draak steeg hij ten hemel.
Hoe Kobo Daishi de Ten schilderde.
Bij zekere gelegenheid vergat Kobo Daishi de _ten_ op een tegel,
die boven één der poorten van het paleis des Keizers was geplaatst
[59]. De keizer beval, dat ladders zouden worden gebracht, maar Kobo
Daishi bleef op den grond staan, zonder van de ladders gebruik te
maken en wierp zijn penseel in de hoogte, dat de _ten_ teekende en
toen weer in zijn hand terugviel.
Kino Momoye en Onomo Toku.
Kino Momoye maakte zich eens vroolijk over enkele van de letterteekens
van Kobo Daishi, en zeide, dat één van die karakters geleek op
een verwaanden worstelaar. Den nacht, nadat hij die flauwe grap
had verteld, droomde Momoye, dat een worstelaar hem slag op slag
toediende, en zelfs dat zijn tegenstander op zijn lichaam sprong en
hem vreeselijke pijnen berokkende. Momoye werd wakker, en schreeuwde
hard in zijn doodsangst; terwijl hij schreeuwde, zag hij, dat de
worstelaar plotseling veranderde in het letterteeken, waarover hij
zoo onverstandig had gelachen. Het steeg in de lucht en keerde terug
naar de plaats, waar het vandaan was gekomen.
Momoye was niet de eenige, die onvoorzichtig spotte met het werk van
den grooten Kobo Daishi. De legende verhaalt, dat een zekere Onomu Toku
zeide, dat het letterteeken _Shu_ van den heilige veel meer had van het
letterteeken "rijst". Dien nacht was er voor Onomu Toku alle reden,
berouw te hebben over zijn dwaasheid, immers in zijn droom kreeg het
letterteeken _Shu_ een menschelijke gedaante en werd het een reiniger
van rijst, die het lichaam van den boosdoener op en neer bewoog op de
wijze van hamers, die gebruikt werden om de rijst te kloppen. Toen
Onomu Toku ontwaakte, bleek het, dat zijn lichaam met builen bedekt
was, en dat zijn vleesch op verschillende plaatsen bloedde.
De Terugkeer van Kobo Daishi.
Toen Kobo Daishi op het punt stond China te verlaten en naar zijn
eigen vaderland terug te keeren, ging hij naar het strand der zee en
wierp hij zijn _vajra_ [60] over de golven der zee, en men vond die
later hangen aan den tak van een pijnboom te Takano, in Japan.
Wij weten geen bijzonderheden omtrent de reis van Kobo Daishi naar zijn
eigen land; maar onmiddellijk na zijn aankomst bracht hij dankoffers
voor de goddelijke bescherming, die hij gedurende zijn reizen had
genoten. Op den Naakten Berg maakte hij gebruik van zóó krachtige
tooverformulieren, dat de vroeger geheel dorre berg overdekt werd
met bloemen en boomen.
Kobo Daishi werd, naarmate de tijd voortschreed, voortdurend
heiliger. Gedurende een godsdienstig twistgesprek vloeide het
Goddelijke Licht van hem uit, en steeds bleef hij voortgaan, een
aantal wonderen te volbrengen. Hij maakte brak water zuiver, gaf de
dooden het leven weder, en bleef in gemeenschap en in overleg met
enkele goden. Bij een zekere gelegenheid verscheen Inari [61], de
God van de Rijst, op den berg Fushimé, en nam uit de handen van den
grooten heilige het offer in ontvangst, dat hij opdroeg. "Wij samen,
gij en ik", zoo sprak Kobo Daishi, "zullen dit volk beschermen".
De Dood van Kobo Daishi.
Die merkwaardige heilige stierf in het jaar 834 na Christus, en volgens
de berichten weende een groote menigte, zoowel leeken als priesters,
op het kerkhof te Okunoin, in Koya, waar hij begraven is. Zijn dood
maakte echter volstrekt niet plotseling een einde aan de wonderen,
die door hem werden verricht; immers toen Keizer Saga stierf,
"werd zijn doodkist op geheimzinnige wijze door de lucht naar Koya
gebracht en Kobo zelf verrichtte, na uit zijn graf te zijn verrezen,
de begrafenis-ceremoniën." En ook dit was nog niet het einde van
de door hem verrichte wonderen, immers Keizer Uda ontving van Kobo
Daishi den heiligen Doop. Toen de Keizerlijke Boodschapper, die den
tempel bezocht, waar Kobo Daishi vereerd werd, niet in staat was,
het gelaat van dien grooten heilige te zien, "leidde Kobo de hand
van den aanbidder, en liet hem zijn knie aanraken. Nooit, zoolang
hij leefde, vergat de Boodschapper dat gevoel!"
Het Wonderdadige Beeld.
In Kawasaki is een tempel, aan Kobo Daishi gewijd. De legende van die
plaats schrijft haar roep van heiligheid toe aan een beeld van Kobo
Daishi, dat door dien heilige zelf was gesneden tijdens zijn verblijf
in China, en dat door hem aan de golven was toevertrouwd. Het dreef
naar de kust, waar het gevangen werd in het net van een visscher, en
verrichtte, toen het aan land was gebracht, een aantal buitengewone
wonderen. De boomen in het park om den tempel, die gekweekt zijn in de
gedaante van jonken onder zeil, zijn een getuigenis van de vereering,
door de zeelieden aan dit heilige beeld bewezen. [62]
Nichiren.
Nichiren was de stichter der Buddhistische secte, die naar
hem heet. Zijn naam beteekent Zonnelotus, en werd hem gegeven,
omdat zijn moeder droomde, dat de zon op een lotus rustte, toen
hij verwekt werd. Nichiren was een beeldenstormer van een zeer
geprononceerd karakter. Hij had door openbaring een volledige
kennis van Buddhistische mysteriën gekregen, hoewel men, als men
de geschiedenis van zijn leven leest, zou hebben ondersteld, dat
hij zijn merkwaardige godsdienstige kennis door inspannende studie
had verworven. Tijdens zijn leven werd Japan geteisterd door een
vreeselijke aardbeving, gevolgd door een verwoestenden orkaan, door
pest en hongersnood. Die rampen waren zóó verschrikkelijk, dat men
bad, liever te mogen sterven dan te midden van zulk een algemeene
ellende te moeten leven. Nichiren zag in die groote rampen de hand
van het Noodlot. Hij zag, dat godsdienst en politiek verdorven waren
geworden, en dat de Natuur in opstand was gekomen tegen het groote
aantal ongerechtigheden, die toen bestonden. Nichiren zag in, dat
het Buddhisme niet langer uit de eenvoudige leerstellingen van Buddha
bestond. Hij had zóó ijverig gestudeerd in de boeken der verschillende
Buddhistische secten, dat het hem bleek, dat de priesters Shaka Muni
(den Buddha) hadden verwaarloosd en in zijn plaats Amida aanbaden,
een vorm, waarin zich Buddha openbaarde. En dit was nog niet het einde
van hun ketterij, want het bleek hem, dat priesters en bevolking ook
Kwannon en andere godheden aanbaden. Nichiren wenschte die godheden aan
kant te zetten en het Buddhisme in zijn oude zuiverheid en eenvoud van
opvatting te herstellen. Hij riep in één van zijn leerredenen uit:
"Ontwaakt, mannen, ontwaakt! Ontwaakt en ziet om u heen. Niemand
is geboren met twee vaders of met twee moeders. Ziet naar den hemel
boven u: er zijn geen twee zonnen aan den hemel. Ziet naar de aarde
aan uw voeten: geen twee koningen kunnen gelijktijdig over een land
regeeren." Met andere woorden, hij duidde hiermede aan, dat niemand
twee meesters kan dienen, en de eenige meester, dien hij waardig
achtte gediend en aanbeden te worden, was Buddha zelf. Door dit
geloof trachtte hij de gewone _mantra_, _Namu Amida Butsu_ weer te
vervangen door _Namu Myoho Renge Kyo_ ("O, de Schrift van den Lotus
der Wonderbaarlijke Wet!")
Nichiren schreef _Rissho Ankoku Ron_ ("Boek om het Land tot Rust te
Brengen"), dat de voorspelling bevatte van een Mongoolschen inval
en een aantal heftige aanvallen tegen de andere Buddhistische
secten. Eindelijk was Hojo Tokiyori verplicht hem voor den tijd
van dertig jaar naar Ito te verbannen. Hij ontsnapte echter en
hernieuwde zijn heftige aanvallen op de andere secten. De vijanden
van Nichiren zochten hulp bij den Regent Tokimune, die besloot, dat
de monnik onthoofd moest worden, en de wraakgierige Nichiren werd
ten slotte naar de kust van Koshigoye gezonden, om ter dood te worden
gebracht. Terwijl hij den noodlottigen slag afwachtte, bad Nichiren
tot Buddha en het zwaard brak, toen het zijn hals aanraakte. En dit was
niet het eenige wonder, want onmiddellijk na het breken van het zwaard
trof een bliksemschicht het paleis te Kamakura, en een hemelsch licht
omgaf den heiligen Nichiren. De beambte, die met de terechtstelling
was belast, kwam sterk onder den indruk van die bovennatuurlijke
gebeurtenissen, en hij zond een bode naar den Regent, om uitstel
der terechtstelling te vragen. Tokimune had echter reeds iemand te
paard gezonden, die het bericht bracht, dat aan Nichiren genade was
geschonken, en beide mannen kwamen elkaar te gemoet bij een rivier,
die thans Yukiai genoemd wordt ("Ontmoetingsplaats.")
De wondervolle redding van Nichiren werd gevolgd door een nog heviger
aanval op hen, die hij beschouwde als niet tot den waren godsdienst
te behooren. Weer werd hij verbannen, en eindelijk koos hij den berg
Minobu tot verblijfplaats. Men zegt, dat een schoone vrouw naar dien
berg kwam, terwijl Nichiren bezig was te bidden. Toen de groote heilige
haar zag, zeide hij: "Neem weer uw natuurlijke gedaante aan." Nadat de
vrouw water had gedronken, veranderde zij in een slang van omstreeks
twintig voet lengte, met ijzeren tanden en gouden schubben.
Shodo Shonin.
Shodo Shonin was de stichter van den eersten Buddhistischen tempel te
Nikko, en de volgende legende heeft, naar men meent, geleid tot den
bouw der heilige brug van Nikko. Toen Shodo Shonin op zekeren dag op
reis was, zag hij vier wolken van een vreemden vorm van de aarde in
de lucht opstijgen. Hij haastte zich voort, ten einde ze duidelijker
te kunnen zien, maar kon niet ver voorttrekken, daar het hem bleek,
dat zijn weg versperd werd door een woesten bergstroom. Terwijl
hij bad om een middel, om zijn reis voort te zetten, verscheen een
reusachtige gestalte vóór hem, gekleed in blauwe en zwarte kleederen,
met een halsband van doodshoofden. Het geheimzinnige wezen schreeuwde
hem van den overkant deze woorden toe: "Ik zal u helpen, zooals
ik vroeger Hiuen heb geholpen." Na die woorden te hebben gesproken,
wierp de Godheid twee blauwe en groene slangen over de rivier heen en
zoo was de priester in staat over de brug van slangen den bergstroom
over te trekken. Toen Shodo Shonin de andere oever had bereikt,
verdwenen de God en zijn blauwe en groene slangen.