"De aarde is vol salpeter en zwavel, die opstijgen in den vorm
van nevel, en die, na zich in de lucht te hebben verbonden,
een damp worden, die de eigenschap van buskruit heeft. Als die
damp de hevige hitte der zon bereikt, ontploft hij, als een
natuurlijk gas; en het ontzettende geluid wordt over de geheele
wereld gehoord. De schok, die dieren treft en vogels, die door
de wolken trekken, slingert ze op den grond. Daarom zijn donder
en bliksem, en de schepselen, die uit de wolken neerslaan, niet
één en dezelfde zaak."
"_Shin-rai-ki_." (Verslag van den Donder).
Raiden.
Er zijn een aantal vreemdsoortige legenden met betrekking tot den
donder, en in Bakins _Kumono Tayema Ama Yo No Tsuki_ [66] ("De Maan,
die door een Scheur in een Wolk schijnt in een Regenachtigen Nacht"),
heeft de beroemde Japansche romanschrijver, die een innig geloof heeft
in een aantal bijgeloovigheden van zijn land, heel wat te vertellen met
betrekking tot Raiden, den God van den Donder, en de bovennatuurlijke
wezens, die met hem in betrekking staan. Raiden wordt gewoonlijk
uitgebeeld met een roode huid, met het gelaat van een boozen geest,
met twee klauwen aan iederen voet, terwijl hij op zijn rug een groot
wiel van trommels draagt. Men vindt hem dikwijls in gezelschap van
Fugin of van zijn zoon Raitaro. Toen de Mongolen een inval trachtten te
doen in Japan, werd hun dat belet door een grooten storm, en volgens de
legende ontsnapten slechts drie man om de gebeurtenis te verhalen. De
bijstand van Raiden ten gunste van Japan wordt in de Japansche kunst
dikwijls uitgebeeld. Hij wordt voorgesteld als zittende op de wolken,
terwijl hij den bliksem uitzendt, en een stortvloed van pijlen op de
invallers afschiet. In China wordt de Dondergod beschouwd als een
wezen, dat steeds op den uitkijk staat naar slecht volk. Als hij
die vindt, schiet de Godin van den bliksem een spiegel af op hen,
die de God wil treffen.
Het Donderdier.
Raiju, of het Donderdier, blijkt nauwer verbonden te zijn met den
bliksem dan met den donder. Hij wordt gezien in vormen, die gelijken
op een wezel, das of aap. In de _Shin-rai-ki_ ("Verslag van den
Donder") lezen wij het volgende: "Op den twee en twintigsten dag
der zesde maand van het tweede jaar van Meiwa (Juli 1766), viel een
Donderdier te Oyama (Groote Berg) in de provincie Sagami. Het werd
door een landbouwer gevangen, die het naar Yedo bracht en het voor
geld op de Riyo-goku Brug liet zien. Het schepsel was iets grooter
dan een kat, en geleek op een wezel: het had zwart haar, en vijf
klauwen aan iederen poot. Als het goed weer was, was het zeer zacht
en tam; maar vóór en tijdens een storm was het vreeselijk woest en
onhandelbaar." In China wordt het Donderdier beschreven als een dier
met "den kop van een aap, hoogroode lippen, oogen als spiegels en
twee scherpe klauwen aan iederen poot." Tijdens een storm springt het
Japansche Donderdier van den éénen boom op den anderen, en als het
blijkt, dat enkele van die boomen door den bliksem zijn getroffen,
dan meent men, dat dit het woeste werk is van de klauwen van het
Donderdier. Dat wezen heeft, naar men zegt, evenals de Dondergod zelf,
een bepaalde voorliefde voor menschelijke navels, zoodat dan ook om
die reden vele bijgeloovige menschen tijdens een onweersbui trachten
zoo mogelijk op hun buik te liggen. Boomschors, door het Donderdier
afgescheurd, wordt zorgvuldig bewaard, en is, naar men meent, een
uitstekend geneesmiddel tegen kiespijn.
De Dondervogel en de Dondervrouw.
Raicho, de Dondervogel, gelijkt op een kraai, maar hij heeft sporen
van vleesch, die, zoodra zij hard tegen elkander geslagen worden,
geluid voortbrengen. Het is de vogel, op wien de Keizer van Goto-bain
doelde in het volgende gedicht:
"In de schaduw van den pijnboom van Shiro-Yama
Rusten dondervogels, die den nacht daar doorbrengen."
Die vogels voeden zich met den boomkikker _rai_ (donder genaamd),
en vliegen altijd tijdens een onweer in de lucht rond.
Er is omtrent Kaminari (Dondervrouw) weinig bekend, behalve dat zij
bij zekere gelegenheid moet verschenen zijn in de gestalte van een
Chineesche Keizerin.
Vreemde Denkbeelden.
Bakin maakt de opmerking, dat bij hen, die bevreesd zijn voor den
donder, de _In_, of het vrouwelijke beginsel de overhand heeft, terwijl
bij hen, die niet bevreesd zijn, de _Yo_ of het mannelijke beginsel
overheerschend is. Dezelfde schrijver wijst op het volgende gebruik
ten opzichte van hen, die ziek zijn ten gevolge van een donderbui,
en wij vestigen er de aandacht op, dat de nadruk gelegd wordt op
_donder_ als de verwoestenden kracht--dus eer een heftig geluid dan
een fel licht: "Als iemand door den donder is getroffen, laat hem
dan op zijn rug liggen en leg een levenden karper in zijn boezem. Als
de karper zich beweegt en springt, zal de patiënt herstellen. Dit is
onfeilbaar waar. Als de donder het vleesch verschroeit, brand dan _Ko_
(wierook) onder den neus van den lijder. Dit zal hem aan het hoesten
maken, en de betoovering van den Dondergod verbreken."
Het Kind van den Dondergod.
De meeste legenden, die met Raiden en zijn verwante geesten in
betrekking staan, zijn van een kwaadaardige natuur; maar in het
volgende verhaal zien wij, dat het kind van den Dondergod grooten
voorspoed aanbracht.
Dicht bij den Berg Hakuzan leefde eens een zeer arme landbouwer,
Bimbo genaamd. Zijn stukje land was bijzonder klein, en hoewel hij
daarop werkte van den vroegen morgen tot laat op den avond, kostte
het hem groote moeite, voor zich en zijn vrouw genoeg rijst daarvan
binnen te halen.
Op zekeren dag zag Bimbo na een langdurige droogte treurig naar zijn
verdorde rijsthalmen. Toen hij daar zoo stond, en vreesde voor gebrek
in de naaste toekomst, daalde plotseling de regen neder, vergezeld van
heftige donderslagen. Toen Bimbo op het punt was een schuilplaats te
zoeken tegen den storm, werd hij bijna verblind door een bliksemstraal,
en hij bad vurig tot Buddha om bescherming. Nadat hij dit had gedaan,
keek hij om zich heen, en tot zijn verbazing zag hij een klein
jongetje, dat lachte en kraaide, terwijl het op den grond lag.
Bimbo nam het knaapje in zijn armen, en droeg het teeder naar zijn
nederige woning, waar zijn vrouw het met verrassing en genoegen
begroette. Het kind werd Raitaro, het Kind van den Donder, genoemd,
en leidde bij zijn pleegouders een gelukkig leven, terwijl het zich
tegenover hen zeer gehoorzaam gedroeg. Hij speelde nooit met andere
kinderen, want hij vond het heerlijk in de velden rond te dolen en den
stroom gade te slaan en de snelle vlucht der wolken boven zijn hoofd.
Met de komst van Raitaro kwamen ook welvaart en voorspoed in Bimbo's
woning binnen, immers Raitaro kon de wolken naar zich toe wenken
en ze bevelen, regendroppels uitsluitend te doen neervallen op het
veld van zijn pleegvader. Toen Raikaro tot een schoonen jongeling van
achttien jaar was opgegroeid, bedankte hij het echtpaar nog eens voor
alles wat zij voor hem gedaan hadden, en deelde hun mede, dat hij nu
afscheid van hen moest nemen.
Bijna voordat de jongeling had uitgesproken, veranderde hij plotseling
in een kleinen witten draak, bleef nog een oogenblik talmen en vloog
toen weg.
Het oude paar rende naar de deur. Naarmate de witte draak in den hemel
opsteeg, werd hij al grooter en grooter, totdat hij achter een groote
wolk was verdwenen.
Toen Bimbo en zijn vrouw gestorven waren, werd een witte draak op
hun graftombe gebeeldhouwd ter herinnering aan Raitaro, het Kind van
den Donder.
Shokuro en de Dondergod.
Shokuro, die op goeden voet wilde staan met Toru, het hoofd van zijn
district, beloofde hem den Dondergod te zullen pakken. "Indien ik",
zoo sprak Shokuro, "den navel van een mensch zou kunnen vastbinden aan
het uiteinde van een vlieger, en dien op een stormachtigen dag zou
oplaten, zou ik Raiden zeker kunnen pakken, daar de Dondergod niet
in staat zou zijn aan zulk een maaltijd weerstand te bieden. Het is
echter moeilijk een navel meester te worden."
Met dit doel ging Shokuro op reis, om voedsel voor den Dondergod
te zoeken. Toen hij een boschje bereikte, zag hij een schoone vrouw,
Chiyo genaamd. Zonder de minste gewetenswroeging doodde hij het meisje,
en na zijn doel te hebben bereikt, wierp hij haar lijk in een diepe
gracht. Hij ging toen met een verlicht gemoed op weg.
Raiden zag, terwijl hij op een wolk gezeten was, het lijk van het
meisje in een gracht liggen. Hij daalde snel neer, en daar hij onder de
bekoring kwam van de schoonheid van Chiyo, nam hij een navel uit zijn
mond, en gaf haar het leven terug, waarna zij samen de lucht in vlogen.
Eenige dagen later was Shokuro buiten, terwijl hij jacht maakte op
den Dondergod, en zijn vlieger met zijn afgrijselijk aanhangsel hoog
over de boomen heen en weer vloog in den krachtigen wind. Chiyo zag
den vlieger, en daalde hoe langer hoe meer. Eindelijk pakte zij hem
en zag zij, wat er aan bevestigd was. Ten diepste verontwaardigd keek
zij naar beneden, om te zien wie den vlieger opliet, en was zij ten
hoogste verbaasd, toen zij haar moordenaar herkende. Op dat oogenblik
daalde Raiden woedend neer, doch alleen om zwaar gekastijd te worden
door Shokuro, die daarna vrede sloot met Chiyo, en later een beroemd
man in zijn dorp werd. Dit is inderdaad een vreemde geschiedenis!