"Ochtenddauw".
Tsuyu ("Ochtenddauw") was de eenige dochter van Iijima. Toen haar vader
hertrouwde, vond zij, dat zij niet gelukkig met haar stiefmoeder kon
samenwonen, zoodat er voor haar een afzonderlijke woning werd gebouwd,
waar zij met haar dienstbode Yoné woonde.
Op zekeren dag kreeg Tsuyu een bezoek van den huisdokter, Yamamoto
Shijo, die vergezeld was van een schoonen jongen _samurai_, Hagiwara
Shinzaburo genaamd. De jongelieden werden op elkander verliefd, en
bij het vertrek fluisterde Tsuyu tot Shinzaburo: "_Denk er om! als
gij mij niet weer komt opzoeken, zal ik zeker sterven!_"
Shinzaburo had het beste voornemen, de schoone Tsuyu zoo dikwijls
mogelijk te bezoeken. Maar de etiquette verbood hem, haar alleen te
spreken, zoodat hij verplicht was te vertrouwen op de belofte van den
ouden geneesheer, dat hij hem zou medenemen naar de villa, waar zijn
geliefde woonde. De oude dokter echter, die meer had gezien dan het
jonge volk had gemeend, onthield er zich met opzet van, zijn belofte
te houden.
Tsuyu, die meende, dat de jonge schoone _samurai_ haar ontrouw was
geworden, kwijnde langzaam weg en stierf. Haar trouwe dienstbode Yoné
stierf eveneens kort daarna, daar zij zich niet in staat gevoelde
zonder haar meesteres te leven, en zij werden naast elkander begraven
op het kerkhof van Shin-Banzui-In.
Korten tijd nadat die droevige gebeurtenis had plaats gegrepen, bezocht
de oude dokter Shinzaburo en vertelde hem in alle bijzonderheden den
dood van Tsuyu en haar dienstbode.
Shinzaburo voelde den slag hevig. Dag en nacht was het meisje in zijn
gedachten. Hij schreef haar naam op een grafsteen, plaatste offers
daarvoor, en zegde een aantal gebeden op.
De Dooden keeren terug.
Toen de eerste dag van het Doodenfeest aanbrak, zette hij voedsel op
de Plank der Zielen en hing hij lantarens op, om de geesten gedurende
hun kort aardsch verblijf den weg te wijzen. Daar de nacht warm was
en het juist volle maan was, ging hij in zijn warande zitten en bleef
hij wachten. Hij was er van overtuigd, dat al die voorbereidselen
niet vergeefsch zouden zijn, en hij geloofde in zijn hart, dat de
ziel van Tsuyu bij hem zou komen.
Plotseling werd de stilte verbroken door het geluid van _kara-kon,
kara-kon_, het zachte geklepper van de _geta_ van vrouwen. Er was
iets vreemds en spookachtigs in dat geluid. Shinzaburo stond op
en keek over de heining heen. Hij zag twee vrouwen. De ééne droeg
een langwerpige lantaarn met zilveren pioenrozen aan den bovenkant
vastgestoken; de andere droeg een mooi kleed, bedekt met patronen
van herfstbloesems. Een volgend oogenblik herkende hij de liefelijke
gedaante van Tsuyu en haar dienstbode Yoné.
Toen Yoné had medegedeeld, dat de gemeene oude dokter beiden had
verhaald, dat Shinzaburo dood was, en de jonge _samurai_ zijn
bezoeksters evenzoo had medegedeeld, dat hij ook uit dezelfde bron
had vernomen, dat zijn geliefde en haar dienstbode uit het leven
waren gescheiden, traden beide vrouwen het huis binnen, en brachten
zij daar den nacht door, terwijl zij even vóór het opkomen der zon
naar huis terugkeerden. Nachten achtereen kwamen zij op diezelfde
geheimzinnige wijze en altijd droeg Yoné de brandende lantaarn met
pioenrozen, terwijl beiden altijd op hetzelfde uur vertrokken.
Een Spion.
In zekeren nacht hoorde toevallig Tomozo, een der bedienden
van Shinzaburo, die naast zijn meester huisde, het geluid van een
vrouwenstem in het vertrek van zijn meester. Hij loerde door een spleet
in één der schuifdeuren, en zag bij het licht der lantaarn, die binnen
de kamer brandde, dat zijn meester met een vreemde vrouw sprak onder
het muskietennet. Hun gesprek had iets zóó eigenaardigs, dat Tomozo
besloot, te trachten het gelaat der vrouw te aanschouwen. Toen dit hem
eindelijk gelukte, rezen zijn haren te berge en beefde hij vreeselijk,
daar hij het gelaat van een doode vrouw zag, een vrouw, die reeds lang
gestorven was. Er was geen vleesch op haar vingers, immers wat vroeger
haar vingers geweest waren, was nu een bos rammelende beenderen. Alleen
het bovengedeelte van haar lichaam was stoffelijk; beneden haar middel
was niets dan een flauwe, zich bewegende schaduw. Terwijl Tomozo
met afschuw op een zoo afschrikwekkend tafereel staarde, sprong de
gestalte van een tweede vrouw binnen in de kamer op. Zij vloog af op
de spleet en op het oog van Tomozo daarachter. Met een kreet van schrik
vluchtte de spionneerende Tomozo naar het huis van Hukuodo Yusai.
De Raad van Yusai.
Yusai was een man, doorkneed in alle soorten van mysteries; maar toch
maakte de geschiedenis van Tomozo een diepen indruk op hem, en hij
luisterde naar iedere bijzonderheid met de groote verbazing. Toen de
bediende de toedracht der zaak volledig had verteld, deelde Yusai
hem mede, dat zijn meester een veroordeeld man was, als het bleek,
dat de vrouw een geest was, daar liefde tusschen een levende en een
doode steeds eindigde met den ondergang van den levende.
Doch onafhankelijk van die critische beoordeeling van die vreemde
gebeurtenis, deed Yusai bovendien practische stappen, om den jongen
_samurai_ voor een zoo droevig lot te bewaren. Den volgenden morgen
besprak hij de zaak met Shinzaburo, en vertelde hem tamelijk duidelijk,
dat hij een geest had liefgehad, en dat het, hoe eer hij zich van dien
geest had losgemaakt, des te beter voor hem zou zijn. Hij eindigde
zijn gesprek, met den jongen man den raad te geven, naar het district
Shitaya, in Yanaka-no-Sasaki, te gaan, de plaats, waar die vrouwen
volgens haar bewering woonden.
Het Geheim wordt onthuld.
Shinzaburo volgde den raad van Yusai, maar nergens in Yanaka-no-Sasaki
kon hij de woonplaats van Tsuyu vinden. Toen hij op de terugreis was,
liep hij toevallig door den tempel Shin-Banzui-In. Daar zag hij twee
graven naast elkander, het ééne zonder eenig bijzonder kenteeken
en zeer eenvoudig, het andere echter groot en schoon, versierd
met een lantaarn met pioenrozen, die zachtjes door den wind werd
bewogen. Shinzaburo herinnerde zich, dat die lantaarn volkomen gelijk
was aan die, welke door Yoné werd gedragen, en een altaardienaar deelde
hem mede, dat die graven die van Tsuyu en Yoné waren. Toen begreep
hij de vreemde beteekenis van de woorden van Yoné: "_Wij gingen weg,
en vonden een zeer kleine woning in Yanaka-no-Sasaki. Wij kunnen
daar nauwelijks leven, door eenigen privaten arbeid te verrichten._"
Haar huis was dus een graf. De geest van Yoné droeg de lantaarn met
pioenrozen, en de geest van Tsuyu sloeg haar vleeschlooze armen om
den hals van den jeugdigen _samurai_.
Heilige Toovermiddelen.
Shinzaburo, die nu ten volle bewust was van het afgrijselijke van den
toestand, keerde haastig naar huis terug en vroeg raad aan den wijzen,
verzienden Yusai. Die geleerde man bekende, dat hij niet in staat was,
hem verder in die zaak te helpen, maar raadde hem aan, naar Ryoseki
den hoogepriester van den tempel Shin-Banzui-In, te gaan, en gaf hem
een brief mede, waarin was uitgelegd, wat er was geschied.
Onbewogen luisterde Ryoseki naar het verhaal van Shinzaburo, daar
hij zooveel verhalen had gehoord, die op hetzelfde onderwerp, de
noodlottige macht van Karma, betrekking hadden. Hij gaf den jongen
man een klein gouden beeld van Buddha, en zeide hem, dat hij dit op
zijn bloote lichaam moest dragen, daar het dan den levende tegen
den doode zou beschermen. Ook gaf hij hem een heilige _sutra_,
"Schatten-Regenende Sutra" genaamd, terwijl hij hem aanbeval,
die iederen avond in huis op te zeggen; en ten slotte gaf hij hem
een pakje heilige teksten. Hij moest iedere heilige strook over een
opening in zijn huis plakken.
Tegen den nacht was alles in het huis van Shinzaburo in orde
gebracht. Alle openingen waren met heilige teksten beplakt, en de lucht
weerklonk van het opzeggen der "Schatten-Regenende Sutra", terwijl
het kleine gouden beeld van Buddha zich op de borst van den _samurai_
heen en weer bewoog. Maar toch keerde de vrede dien nacht niet terug
in het gemoed van Shinzaburo. Geen slaap sloot zijn vermoeide oogen, en
juist op het oogenblik, dat een klok uit den tempel ophield te luiden,
hoorde hij weer op nieuw het oude _karan-koron, karan-koron_, het zacht
geklepper der spookachtige _geta_! Daarna hield het geluid op. Vrees
en vreugde streden met elkander in het hart van Shinzaburo. Hij hield
op met het opzeggen der heilige _sutra_ en keek naar buiten in het
donker. Weer zag hij Tsuyu en haar dienstbode met de lantaarn met
pioenrozen. Nooit had Tsuyu er zoo schoon en verlokkelijk uitgezien;
maar een namelooze vrees hield hem terug. Met doodelijken angst hoorde
hij de vrouwen samen spreken. Hij hoorde Yoné vertellen, dat zijne
liefde verdwenen was, daar zijn deuren gesloten waren, om hem tegen
haar te beveiligen; en hij hoorde Tsuyu klagen en weenen. Eindelijk
liepen de vrouwen rond naar de achterzijde van het huis. Maar noch
van achteren noch van voren konden zij het huis binnentreden, zóó
groot was de macht van de heilige woorden van Buddha.
Het Verraad.
Toen alle pogingen van Yoné, om in het huis van Shinzaburo binnen
te komen, vruchteloos waren, ging zij nacht aan nacht naar Tomozo
en smeekte hem, de heilige teksten uit de woning van zijn meester te
verwijderen. Telkens op nieuw beloofde Tomozo uit ontzetttende vrees,
dit te doen, maar bij het aanbreken van den dag werd hij weer moedig
en besloot hij den man niet te bedriegen, die altijd zoo goed voor
hem was geweest, en wien hij zooveel verschuldigd was. In zekeren
nacht weigerde Yoné echter, nog langer zich voor den gek te laten
houden. Zij bedreigde Tomozo met haar afschuwelijken haat, als hij
niet één der heilige teksten verwijderde, en bovendien trok zij een
zóó verschrikkelijk gezicht, dat Tomozo bijna van schrik bezweek.
Toevallig werd Miné, de vrouw van Tomozo, wakker en hoorde zij
een vreemde vrouw met haar man spreken. Toen de vrouwelijke geest
verdwenen was, gaf Miné haar echtgenoot den listigen raad, dat hij
er in zou toestemmen, aan het verzoek van Yoné te voldoen, als deze
hem met honderd _ryo_ zou willen beloonen.
Twee nachten later, toen die slechte dienaar zijn belooning had
ontvangen, gaf hij Yoné het gouden beeldje van Buddha, nam één van de
heilige teksten uit het huis van zijn meester weg, en verbrandde op een
akker de _sutra_, die zijn meester placht op te zeggen. Dit stelde Yoné
en haar meesteres in staat, nog eens het huis van Shinzaburo binnen
te treden, en van dat oogenblik af begon weer die afgrijselijke liefde
voor de doode, onder den invloed van de geheimzinnige macht van Karma.
Toen Tomozo den volgenden ochtend het huis betrad, om zooals
gewoonlijk zijn meester te roepen, kreeg hij op zijn kloppen
geen antwoord. Eindelijk trad hij het vertrek binnen en daar lag
zijn meester dood onder het muskietennet, en naast hem lagen de
witte beenderen van een vrouw. De beenderen van "Morgendauw" waren
gestrengeld om den nek van hem, die haar te zeer had bemind, van hem,
die haar zóó hartstochtelijk had liefgehad, dat het ten slotte zijn
verderf was geweest.