HOOFDSTUK XVIII. DE LANTAARN MET PIOENROZEN. [57]

"Ochtenddauw".

Tsuyu ("Ochtenddauw") was de eenige dochter van Iijima. Toen haar vader

hertrouwde, vond zij, dat zij niet gelukkig met haar stiefmoeder kon

samenwonen, zoodat er voor haar een afzonderlijke woning werd gebouwd,

waar zij met haar dienstbode Yoné woonde.

Op zekeren dag kreeg Tsuyu een bezoek van den huisdokter, Yamamoto

Shijo, die vergezeld was van een schoonen jongen _samurai_, Hagiwara

Shinzaburo genaamd. De jongelieden werden op elkander verliefd, en

bij het vertrek fluisterde Tsuyu tot Shinzaburo: "_Denk er om! als

gij mij niet weer komt opzoeken, zal ik zeker sterven!_"

Shinzaburo had het beste voornemen, de schoone Tsuyu zoo dikwijls

mogelijk te bezoeken. Maar de etiquette verbood hem, haar alleen te

spreken, zoodat hij verplicht was te vertrouwen op de belofte van den

ouden geneesheer, dat hij hem zou medenemen naar de villa, waar zijn

geliefde woonde. De oude dokter echter, die meer had gezien dan het

jonge volk had gemeend, onthield er zich met opzet van, zijn belofte

te houden.

Tsuyu, die meende, dat de jonge schoone _samurai_ haar ontrouw was

geworden, kwijnde langzaam weg en stierf. Haar trouwe dienstbode Yoné

stierf eveneens kort daarna, daar zij zich niet in staat gevoelde

zonder haar meesteres te leven, en zij werden naast elkander begraven

op het kerkhof van Shin-Banzui-In.

Korten tijd nadat die droevige gebeurtenis had plaats gegrepen, bezocht

de oude dokter Shinzaburo en vertelde hem in alle bijzonderheden den

dood van Tsuyu en haar dienstbode.

Shinzaburo voelde den slag hevig. Dag en nacht was het meisje in zijn

gedachten. Hij schreef haar naam op een grafsteen, plaatste offers

daarvoor, en zegde een aantal gebeden op.

De Dooden keeren terug.

Toen de eerste dag van het Doodenfeest aanbrak, zette hij voedsel op

de Plank der Zielen en hing hij lantarens op, om de geesten gedurende

hun kort aardsch verblijf den weg te wijzen. Daar de nacht warm was

en het juist volle maan was, ging hij in zijn warande zitten en bleef

hij wachten. Hij was er van overtuigd, dat al die voorbereidselen

niet vergeefsch zouden zijn, en hij geloofde in zijn hart, dat de

ziel van Tsuyu bij hem zou komen.

Plotseling werd de stilte verbroken door het geluid van _kara-kon,

kara-kon_, het zachte geklepper van de _geta_ van vrouwen. Er was

iets vreemds en spookachtigs in dat geluid. Shinzaburo stond op

en keek over de heining heen. Hij zag twee vrouwen. De ééne droeg

een langwerpige lantaarn met zilveren pioenrozen aan den bovenkant

vastgestoken; de andere droeg een mooi kleed, bedekt met patronen

van herfstbloesems. Een volgend oogenblik herkende hij de liefelijke

gedaante van Tsuyu en haar dienstbode Yoné.

Toen Yoné had medegedeeld, dat de gemeene oude dokter beiden had

verhaald, dat Shinzaburo dood was, en de jonge _samurai_ zijn

bezoeksters evenzoo had medegedeeld, dat hij ook uit dezelfde bron

had vernomen, dat zijn geliefde en haar dienstbode uit het leven

waren gescheiden, traden beide vrouwen het huis binnen, en brachten

zij daar den nacht door, terwijl zij even vóór het opkomen der zon

naar huis terugkeerden. Nachten achtereen kwamen zij op diezelfde

geheimzinnige wijze en altijd droeg Yoné de brandende lantaarn met

pioenrozen, terwijl beiden altijd op hetzelfde uur vertrokken.

Een Spion.

In zekeren nacht hoorde toevallig Tomozo, een der bedienden

van Shinzaburo, die naast zijn meester huisde, het geluid van een

vrouwenstem in het vertrek van zijn meester. Hij loerde door een spleet

in één der schuifdeuren, en zag bij het licht der lantaarn, die binnen

de kamer brandde, dat zijn meester met een vreemde vrouw sprak onder

het muskietennet. Hun gesprek had iets zóó eigenaardigs, dat Tomozo

besloot, te trachten het gelaat der vrouw te aanschouwen. Toen dit hem

eindelijk gelukte, rezen zijn haren te berge en beefde hij vreeselijk,

daar hij het gelaat van een doode vrouw zag, een vrouw, die reeds lang

gestorven was. Er was geen vleesch op haar vingers, immers wat vroeger

haar vingers geweest waren, was nu een bos rammelende beenderen. Alleen

het bovengedeelte van haar lichaam was stoffelijk; beneden haar middel

was niets dan een flauwe, zich bewegende schaduw. Terwijl Tomozo

met afschuw op een zoo afschrikwekkend tafereel staarde, sprong de

gestalte van een tweede vrouw binnen in de kamer op. Zij vloog af op

de spleet en op het oog van Tomozo daarachter. Met een kreet van schrik

vluchtte de spionneerende Tomozo naar het huis van Hukuodo Yusai.

De Raad van Yusai.

Yusai was een man, doorkneed in alle soorten van mysteries; maar toch

maakte de geschiedenis van Tomozo een diepen indruk op hem, en hij

luisterde naar iedere bijzonderheid met de groote verbazing. Toen de

bediende de toedracht der zaak volledig had verteld, deelde Yusai

hem mede, dat zijn meester een veroordeeld man was, als het bleek,

dat de vrouw een geest was, daar liefde tusschen een levende en een

doode steeds eindigde met den ondergang van den levende.

Doch onafhankelijk van die critische beoordeeling van die vreemde

gebeurtenis, deed Yusai bovendien practische stappen, om den jongen

_samurai_ voor een zoo droevig lot te bewaren. Den volgenden morgen

besprak hij de zaak met Shinzaburo, en vertelde hem tamelijk duidelijk,

dat hij een geest had liefgehad, en dat het, hoe eer hij zich van dien

geest had losgemaakt, des te beter voor hem zou zijn. Hij eindigde

zijn gesprek, met den jongen man den raad te geven, naar het district

Shitaya, in Yanaka-no-Sasaki, te gaan, de plaats, waar die vrouwen

volgens haar bewering woonden.

Het Geheim wordt onthuld.

Shinzaburo volgde den raad van Yusai, maar nergens in Yanaka-no-Sasaki

kon hij de woonplaats van Tsuyu vinden. Toen hij op de terugreis was,

liep hij toevallig door den tempel Shin-Banzui-In. Daar zag hij twee

graven naast elkander, het ééne zonder eenig bijzonder kenteeken

en zeer eenvoudig, het andere echter groot en schoon, versierd

met een lantaarn met pioenrozen, die zachtjes door den wind werd

bewogen. Shinzaburo herinnerde zich, dat die lantaarn volkomen gelijk

was aan die, welke door Yoné werd gedragen, en een altaardienaar deelde

hem mede, dat die graven die van Tsuyu en Yoné waren. Toen begreep

hij de vreemde beteekenis van de woorden van Yoné: "_Wij gingen weg,

en vonden een zeer kleine woning in Yanaka-no-Sasaki. Wij kunnen

daar nauwelijks leven, door eenigen privaten arbeid te verrichten._"

Haar huis was dus een graf. De geest van Yoné droeg de lantaarn met

pioenrozen, en de geest van Tsuyu sloeg haar vleeschlooze armen om

den hals van den jeugdigen _samurai_.

Heilige Toovermiddelen.

Shinzaburo, die nu ten volle bewust was van het afgrijselijke van den

toestand, keerde haastig naar huis terug en vroeg raad aan den wijzen,

verzienden Yusai. Die geleerde man bekende, dat hij niet in staat was,

hem verder in die zaak te helpen, maar raadde hem aan, naar Ryoseki

den hoogepriester van den tempel Shin-Banzui-In, te gaan, en gaf hem

een brief mede, waarin was uitgelegd, wat er was geschied.

Onbewogen luisterde Ryoseki naar het verhaal van Shinzaburo, daar

hij zooveel verhalen had gehoord, die op hetzelfde onderwerp, de

noodlottige macht van Karma, betrekking hadden. Hij gaf den jongen

man een klein gouden beeld van Buddha, en zeide hem, dat hij dit op

zijn bloote lichaam moest dragen, daar het dan den levende tegen

den doode zou beschermen. Ook gaf hij hem een heilige _sutra_,

"Schatten-Regenende Sutra" genaamd, terwijl hij hem aanbeval,

die iederen avond in huis op te zeggen; en ten slotte gaf hij hem

een pakje heilige teksten. Hij moest iedere heilige strook over een

opening in zijn huis plakken.

Tegen den nacht was alles in het huis van Shinzaburo in orde

gebracht. Alle openingen waren met heilige teksten beplakt, en de lucht

weerklonk van het opzeggen der "Schatten-Regenende Sutra", terwijl

het kleine gouden beeld van Buddha zich op de borst van den _samurai_

heen en weer bewoog. Maar toch keerde de vrede dien nacht niet terug

in het gemoed van Shinzaburo. Geen slaap sloot zijn vermoeide oogen, en

juist op het oogenblik, dat een klok uit den tempel ophield te luiden,

hoorde hij weer op nieuw het oude _karan-koron, karan-koron_, het zacht

geklepper der spookachtige _geta_! Daarna hield het geluid op. Vrees

en vreugde streden met elkander in het hart van Shinzaburo. Hij hield

op met het opzeggen der heilige _sutra_ en keek naar buiten in het

donker. Weer zag hij Tsuyu en haar dienstbode met de lantaarn met

pioenrozen. Nooit had Tsuyu er zoo schoon en verlokkelijk uitgezien;

maar een namelooze vrees hield hem terug. Met doodelijken angst hoorde

hij de vrouwen samen spreken. Hij hoorde Yoné vertellen, dat zijne

liefde verdwenen was, daar zijn deuren gesloten waren, om hem tegen

haar te beveiligen; en hij hoorde Tsuyu klagen en weenen. Eindelijk

liepen de vrouwen rond naar de achterzijde van het huis. Maar noch

van achteren noch van voren konden zij het huis binnentreden, zóó

groot was de macht van de heilige woorden van Buddha.

Het Verraad.

Toen alle pogingen van Yoné, om in het huis van Shinzaburo binnen

te komen, vruchteloos waren, ging zij nacht aan nacht naar Tomozo

en smeekte hem, de heilige teksten uit de woning van zijn meester te

verwijderen. Telkens op nieuw beloofde Tomozo uit ontzetttende vrees,

dit te doen, maar bij het aanbreken van den dag werd hij weer moedig

en besloot hij den man niet te bedriegen, die altijd zoo goed voor

hem was geweest, en wien hij zooveel verschuldigd was. In zekeren

nacht weigerde Yoné echter, nog langer zich voor den gek te laten

houden. Zij bedreigde Tomozo met haar afschuwelijken haat, als hij

niet één der heilige teksten verwijderde, en bovendien trok zij een

zóó verschrikkelijk gezicht, dat Tomozo bijna van schrik bezweek.

Toevallig werd Miné, de vrouw van Tomozo, wakker en hoorde zij

een vreemde vrouw met haar man spreken. Toen de vrouwelijke geest

verdwenen was, gaf Miné haar echtgenoot den listigen raad, dat hij

er in zou toestemmen, aan het verzoek van Yoné te voldoen, als deze

hem met honderd _ryo_ zou willen beloonen.

Twee nachten later, toen die slechte dienaar zijn belooning had

ontvangen, gaf hij Yoné het gouden beeldje van Buddha, nam één van de

heilige teksten uit het huis van zijn meester weg, en verbrandde op een

akker de _sutra_, die zijn meester placht op te zeggen. Dit stelde Yoné

en haar meesteres in staat, nog eens het huis van Shinzaburo binnen

te treden, en van dat oogenblik af begon weer die afgrijselijke liefde

voor de doode, onder den invloed van de geheimzinnige macht van Karma.

Toen Tomozo den volgenden ochtend het huis betrad, om zooals

gewoonlijk zijn meester te roepen, kreeg hij op zijn kloppen

geen antwoord. Eindelijk trad hij het vertrek binnen en daar lag

zijn meester dood onder het muskietennet, en naast hem lagen de

witte beenderen van een vrouw. De beenderen van "Morgendauw" waren

gestrengeld om den nek van hem, die haar te zeer had bemind, van hem,

die haar zóó hartstochtelijk had liefgehad, dat het ten slotte zijn

verderf was geweest.

Mythen & Legenden van Japan · 第 31 / 53 题