Nieuwjaar.
De _San-ga-nichi_, of "drie dagen" van het Nieuwe Jaar, is één van
de belangrijkste van de Japansche feestgetijden, want de Japanners
vieren het nieuwjaarsfeest veel feestelijker dan wij. Zij beschouwen
de eerste drie dagen van het jaar als een geschikte gelegenheid,
om zich voorspoed en geluk voor de toekomst te verzekeren, en om dit
gedaan te krijgen, worden een aantal vreemde en oude gebruiken in acht
genomen. Voordat de huizen worden versierd, heeft er eerst een afdoende
winterschoonmaak plaats. "In oude tijden", zoo schrijft Mevrouw Salwey,
"werd dit gebruik in acht genomen zoowel aan het Hof van den Keizer
als in de hut van den boer, en wel zóó nauwgezet, dat het Hof van den
Shogun opzichters leverde, die rondgingen met versierde stoffers,
om het werk der bedienden na te zien, en die hun officieele bezems
over richels en spleten bewogen, terwijl zij daarbij hun tooverroeden
op een bepaalde wijze zwaaiden, om daarmede het Chineesche teeken,
dat water beteekende, aan te duiden." Niet alleen wordt het geheele
huis door en door gereinigd en alles op zijn plaats gezet, maar men
wordt verlost van de booze geesten, door erwten en boonen uit de open
_shoji_ te werpen, of ook wel papiersnippers.
Bij het Nieuwjaarfeest worden de huizen en deurposten versierd met
koorden van stroo, en deze worden dikwijls zóó gemaakt, dat zij
de getallen drie, vijf of zeven voorstellen, welke getallen bij de
Chineezen als gelukkig worden beschouwd. Het voornaamste voedsel,
dat bij die gelegenheid wordt gegeten, bestaat uit zeekreeften (wier
gebogen en oud uiterlijk op een lang leven wijst), sinaasappels en
enkele soorten van eetbaar zeegras. Bovendien zijn er spiegelkoeken,
in verband met de Zonnegodin, en die koeken, die uit rijst bestaan,
worden gegeten met de sinaasappelen en de zeekreeften, en opgediend
op zuiver witte bakken. Een andere belangrijke versiering mag niet
over het hoofd gezien worden, en wel de takken van een pijnboom. Die
takken zijn het zinnebeeld van een lang leven, en om de ééne of andere
niet bekende reden worden zij verbrand, zoodra het feest is afgeloopen.
Één van de meest schilderachtige gebruiken, dat met dit feest in
verband staat en dat in het bijzonder op kinderen een grooten indruk
maakt, is het Spookschip met de Zeven Goden van het Geluk aan boord,
waarover wij reeds vroeger hebben gesproken. [54]
De Feestdag voor Jongens.
De _Tango no Sekku_, of Feestdag voor Jongens, wordt gevierd op
den 5_den_ Mei, en dient, om de Japansche jeugd met krijgshaftige
eigenschappen te bezielen. Het is de dag, waarop overal vlaggen worden
gezien, waarop de daken der huizen met irisbladeren worden versierd,
zoodat de vlag der Natuur en de vlag door menschenhanden vervaardigd,
beide in het oog vallen op dien vroolijken feestdag, die algemeen
bekend staat onder den naam van het Vlaggenfeest. De knapen krijgen
dien dag kleine beeldjes ten geschenke, die bepaalde groote helden
uit het verleden voorstellen, terwijl oude zwaarden, bogen, pijlen,
speren en dergelijke van het ééne geslacht van kinderen aan het andere
worden overgegeven.
Misschien is wel de meest op den voorgrond tredende trek van dit feest
de papieren vlag, die de gedaante heeft van een karper. Zij is hol,
en als zij met wind wordt gevuld, heeft zij het voorkomen, alsof
zij krachtig door de lucht vliegt. De karper is meer dan een gewoon
symbool van den ruwen oorlogsgeest, want hij is het zinnebeeld van
vasthoudendheid in den opzet en van ontembaren moed. Zooals de karper
tegen den stroom opzwemt, zoo wordt van de Japansche jeugd verwacht,
dat zij tegen de krachtigste stroomingen van den tegenspoed kan
strijden. Dit denkbeeld is waarschijnlijk ontleend aan de betooverende
Chineesche legende van den Drakenkarper, wien het na een langen
strijd gelukte, voorbij de watervallen van den Drakenpoort te zwemmen,
en die duizend jaar leefde, totdat hij eindelijk in de lucht opsteeg.
Het Doodenfeest.
Het Doodenfeest, of _Bommatsuri_, moet hier worden besproken, omdat
het veel bevat, dat mythisch is. De opvatting van den Japanschen
boer omtrent een toekomstig leven is niet bijzonder opgewekt. Na den
dood wordt het lichaam onmiddellijk gewasschen en geschoren en dan
gestoken in een helder wit gewaad--in werkelijkheid het gewaad van
een pelgrim. Om den nek wordt een zakje gehangen met drie of zes
_rin_ [55], welk aantal afhangt van de gewoonten der plaats, waar
de overledene gewoond heeft, en die _rin_ worden met den overledene
begraven. Het denkbeeld, om munten met dooden te begraven, is ontleend
aan het geloof, dat allen die sterven, met uitzondering van kinderen,
moeten reizen naar de Sanzu-no-Kawa, of "De Rivier der Drie Wegen". Aan
den oever van die sombere rivier wacht Sodzu-Baba, de Oude Vrouw der
Drie Wegen, de komst af van de zielen, te gelijk met haar echtgenoot,
Ten-Datsu-Ba. Als geen drie _rin_ aan de Oude Vrouw worden betaald,
neemt zij de witte kleeren van den doode weg, en hangt zij die, zonder
op zijn smeekingen te letten, aan de boomen op. Dan is er nog de niet
minder angstwekkende Emma-O, de Heerscher der Dooden; en als wij bij
die sombere figuren nog voegen enkele van die verschrikkingen van
de hellen der Buddhisten, dan behoeft het geen verbazing te wekken,
dat de zachtzinnige en poëtische Japanner een feest heeft ingesteld,
dat een aangename, zij het dan ook slechts een korte vertroosting
schenkt van de verschrikkingen van den Hades.
Het feest heeft plaats van 13 tot 15 Juli. In dien tijd van het jaar
zijn de meeste huizen niets dan geraamten, daar zij aan alle kanten aan
de zomerbries toegang verschaffen. Men loopt in de lichtst mogelijk
gewaden rond. De vlinders vermaken zich, in ontelbare hoeveelheden
rondvliegend over een koel lotusveld of zich neerzettend op de purperen
bloemblaadjes van een iris. De Fuji steekt zijn grooten kop in de
heldere blauwe lucht uit, en draagt als een witte sluier een strook
van snel wegsmeltende sneeuw.
Als de ochtend van den 13_den_ Juli aanbreekt, worden nieuwe matten van
rijststroo op alle Buddhistische altaren witgespreid en op de kleine
tempels in huis. Ieder Japansch huis houdt dien dag een eigenaardig
nauwkeurig omschreven maal gereed voor de groote menigte geesten.
Tegen het ondergaan van de zon zijn de straten helder verlicht door
de vlammen der fakkels, en de ingangen der huizen hebben een vroolijk
aanzien door de helder gekleurde lantarens. Zij, voor wie dit feest
in bijzondere mate geldt, en dus niet als voor ieder ander--dat wil
zeggen, zij, die kort geleden iemand hebben verloren, die hun dierbaar
was--gaan dien nacht naar buiten, om de kerkhoven te bezoeken, waar zij
bidden, offers brengen, wierook branden en water uitgieten. Lantarens
worden aangestoken en bamboevazen met bloemen gevuld.
Op den avond van den 15_den_ Juli worden de geesten van den Kring
der Boetedoening of Gakido gevoed, en bovendien al die geesten, die
onder de levenden geen vrienden hebben, die voor hen zorgen. Er is
een legende, die betrekking heeft op dit bijzonder onderdeel van het
Doodenfeest. Dai-Mokenren, een groot leerling van Buddha, kreeg eens
toestemming, de ziel van zijn moeder in de Gakido te bezoeken. Hij
had zóó bitter verdriet over haar ontzettend lijden, dat hij haar een
kom gaf, die het meest uitgelezen voedsel bevatte. Maar iederen keer,
als zij trachtte er van te eten, veranderde het voedsel plotseling
in vuur, en eindelijk in asch. Toen vroeg Mokenren Buddha, hem te
willen mededeelen, wat hij kon doen om het lijden van zijn moeder
te verzachten. Hem werd toen bevolen, om de schimmen der groote
priesters in alle landen "op den vijftienden dag der zevende maand"
te spijzigen. Toen dit geschied was, keerde Mokenren terug en vond
zijn moeder weer, springende van vreugde. In dien gelukkigen dans na
veel beproevingen vinden wij de sporen terug van den oorsprong der
_Bon-odori_, die plaats heeft in den derden nacht van het feest.
Als de avond van den derden nacht aanbreekt, worden voorbereidselen
gemaakt voor het vertrek der geesten. Duizenden bootjes worden
volgeladen met voedsel en met vriendelijke afscheidsgroeten. De
vertrekkende geesten stappen in die bootjes. Liefhebbende handen
plaatsen die brooze bark op rivier, meer of zee. Een kleine lantaren
brandt aan den voorsteven, terwijl lichtblauwe wolken van wierook
van den achtersteven opstijgen. Hearn schrijft: "Langs alle kreken,
rivieren en kanalen gaan de spookachtige vloten flikkerend naar zee;
en de geheele zee glinstert over den geheelen horizon van de lichten
der dooden, en de zeewind is welriekend door het wierook."
Er is een pathetische bekoring in dat feest. Het is volstrekt niet
alleen in Japan, dat het gevierd wordt; immers het komt overeen met
het Indische _Sraddha_; maar in Japan wordt het aangeraakt door een
fijnere en meer betooverende schoonheid. Niemand is tot nu toe in staat
geweest, den oorsprong der _Torii_ onfeilbaar vast te stellen, die
wonderlijke poort, die nergens heenleidt. Wat een bekoorlijke ingang of
uitgang voor een troep ronddolende schimmen! Wat een prachtige plaats
voor geesten is een Japansche tuin, met zijn meren en maanvormige
brug, zijn steenen lantarens, zijn paden met zilverzand, om daarin
te spelen en bij tijden te droomen! En wat een prachtige straat om
daarin te wandelen is voor geesten de Eeuwigdurende Straat, die zóó
nabij is aan de straat van Oude Mannen! In de volgende bewoordingen
geeft Yone Noguchi de tooverpracht weer van een Japansche nacht,
één van die drie nachten, als de zielen in aanraking komen met oude
aardsche herinneringen:
"De geurig purpren bries van een Japanschen nacht!
De oude maan, die als een tooverschip vol goud
Begint te wieg'len door de zee der droomen:
(Ik hoor den nooit gehoorden Schoonheidszang in 't schip der maan,
Ik hoor zelfs 't zacht gefluister van hun gouden kleed).
Die honderden lantarens, in liefde brandend en gebed,
Bewegen zich langs weg en straat, als dolende herinnering.
De zilveren muziek van 't houten schoeisel der Japansche meisjes!
Zijn dit niet kleine geesten, gekomen uit den boezem van den
ouden tijd?
Heeft hun terugkomst soms ten doel, hun duizend wenschen, reeds
vergeten, te vervullen?
Hoe groot is toch de fantaisie van den Japanschen nacht
Geboren uit de oude liefde en onvervulde wenschen!
De droeve minnezang in den Japanschen nacht,
De _samisen_ muziek van hartstocht en van tranen!
De droeve harteklacht door duisternis en liefde!"
Het Lachfeest van Wasa.
In den loop van het jaar worden er een aantal andere Japansche feesten
gevierd, en twee daarvan, het Poppenfeest en het Feest van Tanabata,
het Wevende Meisje, zijn reeds vroeger door ons besproken. Misschien
is het Lachfeest van Wasa wel het meest vreemde onder al de Japansche
feesten. Gedurende de maand October vormen een aantal oude mannen
een optocht, waarbij zij twee kisten vol met sinaasappelen dragen,
en persimonpruimen op stokken gestoken. Die oude mannen worden gevolgd
door kinderen met dezelfde vruchten op bamboestokken. Op het oogenblik,
waarop de aanvoerder den tempel nadert, draait hij zich om en trekt
een allerbespottelijkst gezicht, dat onmiddellijk gevolgd wordt door
een onbedaarlijke lachbui. Die onweerstaanbare vroolijkheid berust
op de volgende legende.
De Goden waren gewoon in de maand October bijeen te komen in
een grooten tempel te Izumo; het doel van hun bijeenkomst was, de
liefdesaangelegenheden van het volk in orde te brengen. Toen de Goden
in den tempel zaten, zeide één van hen: "Waar is Miwa Daimyo-jin?" Alle
Goden keken overal naar hem uit, maar hij kon niet gevonden worden. Nu
was Miwa Daimyo-jin erg doof, en daardoor had hij zich vergist in
den grooten dag, waarop de Goden te zamen kwamen. Toen hij te Izumo
aankwam, was de bijeenkomst reeds ontbonden en alle Goden lachten
uitgelaten, toen zij dit hoorden, een gelach, dat jaar aan jaar wordt
herhaald bij het Lachfeest, waarover wij hebben gesproken.
De Torii.
Wij hebben in dit hoofdstuk en reeds vroeger melding gemaakt van
de _torii_, en hoewel de verschillende autoriteiten op dit gebied
verschillen in hun opvatting omtrent gebruik en oorsprong, is het
onderwerp zeer aantrekkelijk en de studie overwaard. Volgens de
populaire opvatting beteekent het woord _torii_ "hoenderplaats"
of "vogelrustplaats." Op den top van dien indrukwekkende poort
verkondigden de hoenders het aanbreken van den dageraad, en
waarschuwden door hun gekraai de priesters om met hen morgengebeden
te beginnen. In één legende wordt ons medegedeeld, dat de zon op
aarde neerdaalt in den vorm van den Ho-Ho Vogel, den bode van liefde,
vrede en welgezindheid, en dat zij op één der _torii_ rust.
Chamberlain is van meening, dat de afleiding van "vogelrustplaats"
en de daaraan ontleende theorieën onjuist zijn, en gelooft, dat
de _torii_ oorspronkelijk uit Azië afkomstig zijn. Hij schrijft in
_Japansche Zaken_: "De Koreanen richten daarmede veel overeenkomende
poorten op in de nabijheid van hun koninklijke paleizen; de Chineesche
_p'ai lou_, die dienen, om de deugden van mannelijke of vrouwelijke
verdienstelijke personen te vermelden, schijnen in vorm en in gebruik
verwant te zijn; en het voorkomen van het woord _turan_ in Noord-Indie
en van het woord _tori_ in Centraal-Indië, waarmede poorten worden
aangeduid met vormen, die met de _torii_ treffend overeenkomen, geeft
ons veel te denken." Dr. Aston is evenzeer de meening toegedaan,
dat de _torii_ van buiten zijn ingevoerd, "maar is van oordeel,
dat er vroeger een andere naam aan verbonden was, die oorspronkelijk
'drempel' moet hebben beteekend, voordat er de tegenwoordige gewijde
begrippen aan verbonden waren." [56]
Mevrouw Salway schrijft naar aanleiding van den bouw van die poorten:
"De oudste _torii_ van Japan... waren vervaardigd van gewoon
ongevernist hout. Zij werden gemaakt van rechte, hooge boomstammen
in hun natuurlijken toestand, hoewel zij somtijds beroofd waren
van hun buitenschors. Later werd het hout geverfd in een donkere
vermiljoenkleur, misschien wel om het effect te verhoogen als de
achtergrond dicht begroeid was". Hoewel de _torii_ oorspronkelijk met
het Shintoïsme verbonden waren, werden zij later ook door de Buddhisten
overgenomen, die de eenvoudige maar schoone constructie aanzienlijk
wijzigden door de hoeken der horizontale balken naar boven te buigen,
en door opschriften daarop aan te brengen en verschillende soorten
van versieringen.
"Het Voetbankje van den Koning".
Wat ook de oorsprong en de beteekenis der Shinto _torii_ mogen zijn,
niemand zal hun bijzondere schoonheid ontkennen, en velen zullen
met ons van oordeel zijn, dat het de schoonste poort ter wereld
is. Misschien is de schoonste _torii_ die, welke voor den tempel van
Itsukushima staat op het eiland Myajima, en deze wordt "Het Voetbankje
van den Koning", "De Poorts des Lichts", of "de Waterpoort van het
Heilige Eiland" genoemd.
Mevrouw Salway schrijft: "Is niet die Poort het symbool van de Goede
Richting, volgens de leerstellingen van den Shinto Eeredienst,
het Doel, waarnaar het gelaat moet gericht worden--'De Weg der
Goden'. Zijn het niet waarschuwers, die hun mystieke boodschap als in
eigenaardige teekens van den Heerscher der Goden voor de opkomende
en ondergaande zon schrijven, terwijl zij door hun tegenwoordigheid
de dichte weelderigheid der geheimzinnige lanen vergrooten, en zich
weerspiegelen in de donkere, stille rivieren of de zilveren rimpels
der Binnenzee?" Wij moet tevreden zijn met die liefelijke verklaring
van het symbolisme der _torii_, want zij voert ons door de poort van
tegenstrijdige theorieën, en geeft ons iets, dat ons meer voldoet
dan de ingewikkelde vertakkingen der woordafleiding.