HOOFDSTUK XVI. POPPEN EN VLINDERS.

"Ik vroeg eens een bekoorlijk Japansch meisje: 'Hoe kan een pop

leven?' 'Wel,' antwoordde zij, 'als gij er genoeg van houdt,

zal zij leven!'"

_Lafcadio Hearn._

De Engelsche en Japansche Poppen.

Onze poppen, met haar lichtblond haar, blauwe oogen en gemaakte

lachjes, strekken zeker niet tot eer en roem van de poppenmakers,

als het geacht moet worden, dat zij eenige gelijkenis dienen te

vertoonen met levende kinderen. Als zij horizontaal gehouden worden,

zal er iets in haar kopjes tikken en zullen haar blauwe oogen zich

sluiten of liever gezegd achterover rollen; knijpt men ze, dan zullen

zij een geluid geven dat eenigszins doet denken aan de woorden:

"Papa! Mama!" en toch hebben zij, in weerwil van die mechanische

kunstgrepen niets in haar voordeel dan de liefde van korten duur,

haar door een kind betoond. Spoedig breken zij, of loopen zij gevaar,

dat op ieder oogenblik een broertje ze het hoofd afbreekt of op andere

wijze voor goed beschadigt.

In Japan echter is de pop niet alleen een stuk speelgoed, waardoor

kleine meisjes zich voorstellen, moedertjes te zijn, maar in vroeger

dagen werd zij als het middel beschouwd, om van vrouwen moeders te

maken. Lafcadio Hearn schrijft hierover: "En als gij een dergelijke,

door een Japansche moeder vervaardigde pop ziet, die haar handen kan

uitsteken, haar naakte voetjes kan bewegen en haar hoofd kan omdraaien,

dan zoudt gij, al werd zij vlak bij u gehouden, er bijna tegen opzien,

een weddenschap aan te gaan, dat het maar een pop is." Het is die

treffende gelijkenis, die waarschijnlijk de oorzaak is van de vreemde

en schoone liefde, die aan Japansche poppen verbonden is.

Levende Poppen.

Er was een tijd, dat men meende, dat sommige poppen werkelijk levend

werden en in haar kleine lichamen een menschelijke ziel kregen, en

dat geloof is niets anders dan een echo van het oude denkbeeld, dat

rijke liefde het beeld van een levend iets tot leven kan wekken. In

het Oude Japan ging de pop over van het ééne geslacht op het volgende,

en bleef somtijds volkomen ongeschonden gedurende een periode van

meer dan honderd jaar. Een pop, die honderd jaar lang in de armen van

kleine kinderen was gekoesterd, van voedsel was voorzien, geregeld

iederen nacht naar bed was gebracht en het voorwerp van voortdurende

liefkozingen was geweest, moest ongetwijfeld wonderen doen in de

dichterlijke verbeelding van een gelukkig en kinderlijk volk.

De kleine pop, bekend als O-Hina-San valt niet binnen het gebied van

deze studie; zij was eenvoudig een stuk speelgoed en niets meer. Wij

hebben hier alleen de levensgroote poppen te bespreken, die poppen,

die zoo uitnemend kleine kinderen voorstellen van twee of drie

jaar. De meisjespop van die soort draagt den naam van O-Toku-San en de

jongenspop van Tokutaro-San. Men geloofde, dat, als die poppen, hoe dan

ook, slecht behandeld of verwaarloosd werden, zij zouden huilen, boos

zouden worden en ongeluk zouden brengen over haar bezitters. Bovendien

hadden zij nog een aantal andere bovennatuurlijke gaven.

In een zeker gezin was er een Tokutaro-San, die bijna niet minder

vereerd werd dan Kishibojin, de Godin, tot wie Japansche vrouwen

en kinderen bidden. Die Tokutaro-San werd door kinderlooze echtparen

geleend. Zij gaven hem nieuwe kleeren en verzorgden hem met liefdevolle

zorgen, daar zij er van overtuigd waren, dat een dergelijke pop,

die een ziel bezat, hen gelukkig zou maken, door hun gebeden om een

kind te verhooren. Tokutaro-San was volgens de legende zeer levendig

en vlug, want toen het huis in brand vloog, rende hij haastig den

tuin in, om zich te redden!

De Laatste Rustplaats van een Pop.

Wat gebeurt er met een Japansche pop, als zij eindelijk na een lang en

gelukkig leven breekt? Hoewel zij voor goed dood wordt geacht, worden

haar overblijfselen met den grootsten eerbied behandeld. Zij wordt

niet met vuil of afval weggeworpen of verbrand, of zelfs eerbiedig op

stroomend water gelegd, zooals dikwijls met doode Japansche bloemen

geschiedt. Zij wordt niet begraven, maar aan Kojin gewijd, een godheid,

die dikwijls wordt voorgesteld met een aantal armen. Men stelt zich

voor, dat Kojin huist in een _enoki_-boom, en tegenover dien boom is

een klein altaar en _torii_. Hier worden de overblijfselen van een oude

pop eerbiedig neergelegd. Haar klein gelaat moge al gekrabd zijn, haar

zijden kleed gescheurd en verschoten, haar armen en beenen gebroken,

zij had vroeger een ziel, en had eens de geheimzinnige _begeerte_

het moederschap te schenken aan haar, die het verlangden.

Op den derden Maart wordt het Feest der Meisjes gevierd. Het is bekend

als _Jomi no Sekku_, of _Hina Matsuri_, of het Poppenfeest.

Vlinders.

"Waar bijeenverzameld liggen

Zachte bloesems, dra vergaan,

Waait daar soms een enkel blaadje

Op zijn vroeg'ren boomtak aan?

Neen, 't was een vlinder, zoo licht als een blad,

Die zich in 't luchtruim verheven had."

_Arakida Mortitake_.

(Naar _Clara A. Walsh_.)

De vlinder staat in China meer dan in Japan in betrekking met legenden

en folk-lore. De Chineesche geleerde Rosan had, zoo wordt gezegd,

bezoek ontvangen van twee meisjesgeesten, die hem onthaalden op

spookachtige verhalen omtrent die insecten met hun prachtig gekleurde

vleugels.

Het is meer dan waarschijnlijk, dat de legenden omtrent vlinders, die

van Japan bekend zijn, aan China zijn ontleend. Japansche dichters

en kunstenaars vonden er genoegen in, als hun beroepsnaam namen te

kiezen zooals "Vlinderboom", "Eenzame Vlinder", "Vlinderhulp" en

dergelijke. Zulke denkbeelden, hoewel waarschijnlijk van Chineeschen

oorsprong, deden een beroep op de aesthetische gevoelens van het

Japansche volk, en het is niet twijfelachtig, of de Japanners speelden

in vroegere dagen het romantische vlinderspel. Keizer Genso was gewoon

de vlinders te gebruiken, om voor hem een keuze te doen voor zijn

minnerijen. Bij een wijnfeest in zijn tuin moesten schoone dames

opgesloten vlinders loslaten. Die schoongekleurde insecten vlogen

dan rond en zetten zich neer op de schoonste meisjes, en die meisjes

ontvingen dan dadelijk de gunst van den Keizer.

Vlinders, die iets goeds, en die iets slechts voorspelden.

In Japan werd de vlinder een tijd lang beschouwd als de ziel van een

levenden man of levende vrouw. Als hij een ontvangkamer binnenkwam en

zich vastzette achter het bamboescherm, dan was dit een zeker bewijs,

dat de persoon, die hij vertegenwoordigde, binnen kort in dat huis zou

komen. De aanwezigheid van een vlinder werd als een goed voorteeken

beschouwd, hoewel natuurlijk alles afhing van den persoon, die met

den vlinder vereenzelvigd was.

De vlinder was niet altijd de voorbode van goede tijdingen. Toen

Taira-no-Masakado in het geheim een oproer voorbereidde, was Kyoto

het tooneel van een zwerm vlinders, en de bevolking, die ze zag, was

zeer verschrikt. Lafcadio Hearn geeft als zijn meening te kennen,

dat die vlinders de geesten kunnen zijn van hen, die bestemd waren

in het gevecht te sneuvelen, de geesten van de levenden, die een

voorgevoel hadden van een spoedig naderen van den dood. Vlinders

kunnen ook de zielen der dooden zijn, en zij verschijnen dikwijls

onder die gedaante, ten einde kenbaar te maken, dat zij voor goed

afscheid nemen van het lichaam.

"De Vliegende Haarspeld van Kocho".

Het Japansche drama maakt herhaaldelijk van de spookachtige beteekenis

der vlinders gebruik. In het tooneelspel, dat bekend staat als _De

Vliegende Haarspeld van Kocho_, pleegt de heldin, Kocho, zelfmoord,

op grond van valsche beschuldigingen en wreede behandeling. Haar

minnaar tracht te ontdekken, wie de oorzaak van haar ontijdigen dood

is geweest. Op een zeker oogenblik verandert Kocho's haarspeld in een

vlinder, welke blijft zweven boven de schuilplaats van den misdadiger,

die al die ellende heeft veroorzaakt.

De Witte Vlinder.

Er is een vreemde en roerende Japansche legende, die in verband

staat met den vlinder. Een oude man, Takahama genaamd, woonde in een

huisje achter het kerkhof van den tempel van Sozanji. Hij was een

uiterst beminnelijk man en bij al zijn buren dan ook zeer geliefd,

hoewel de meesten hem als eenigszins krankzinnig beschouwden. Zijn

krankzinnigheid bestond, naar het scheen, uitsluitend in het feit,

dat hij nooit was getrouwd en nooit het verlangen had uitgesproken

naar intiemen omgang met vrouwen.

Op een zekeren Zondag werd hij ernstig ziek, en wel zóó ziek, dat hij

zijn schoonzuster met haar zoon liet ontbieden. Zij kwamen beiden, en

deden alles wat in hun macht was, om in zijn laatste levensuren zijn

lijden te verzachten. Terwijl zij waakten, viel Takahama in slaap; maar

nauwelijks was hij in rust, of een groote witte vlinder vloog de kamer

binnen, en bleef stil zitten op het hoofdkussen van den lijder. De

jonge man trachtte dien met een waaier te verdrijven, maar driemaal

kwam hij terug, alsof hij er tegen opzag, den zieke te verlaten.

Eindelijk joeg de neef van Takahama hem op naar den tuin, waarna

hij door de tuindeur naar het kerkhof vloog, dat aan den overkant

gelegen was, waar hij bleef zitten op het graf van een vrouw en

daarna geheimzinnig verdween. Toen de jonge man den grafsteen nader

beschouwde, zag hij, dat er de naam "Akiko" op was geschreven, en

tevens een beschrijving, hoe Akiko op achttienjarigen leeftijd was

gestorven. Hoewel de grafsteen met mos was bedekt en wel vijftig jaar

geleden moest zijn opgericht, zag de jonge man, dat hij door bloemen

omringd was, en dat de kleine waterbak onlangs was gevuld.

Toen de jonge man naar huis terugkeerde, bleek het, dat in dien

tusschentijd Takahama was gestorven; hij keerde toen naar zijn moeder

terug en vertelde haar, wat hij op het kerkhof had gezien.

"Akiko?" mompelde zijn moeder. "Toen uw oom jong was, was hij met

Akiko verloofd. Zij stierf kort vóór haar trouwdag aan de tering. Toen

Akiko deze wereld verliet, besloot uw oom, nooit te huwen en steeds

in de nabijheid van haar graf te blijven wonen. Al die jaren lang is

hij zijn gelofte getrouw gebleven, en hield zijn hart al de zoete

herinneringen aan zijn eenige liefde. Dagelijks ging Takahama naar

het kerkhof, zoowel als de lucht geurig was van de zomerzoelte, als

wanneer zij bezwangerd was met vallende sneeuw. Dagelijks ging hij

naar het graf en bad voor haar heil, maakte den grafsteen schoon

en plaatste daarop bloemen. Toen Takahama stervende was, en hij

die hem zoo dierbare taak niet meer kon volbrengen, kwam Akiko hem

bezoeken. Die witte vlinder was haar vriendelijke en liefhebbende

ziel." Voordat Takahama naar het Land van de Gele Lente vertrok,

kon hij wel woorden gemompeld hebben zooals die van Yone Noguchi:

"Daar waar de bloemen slapen,

Slaap ik, Goddank! van avond.

O, kom, o vlinder kom. [53]

Mythen & Legenden van Japan · 第 29 / 53 题