"Ik vroeg eens een bekoorlijk Japansch meisje: 'Hoe kan een pop
leven?' 'Wel,' antwoordde zij, 'als gij er genoeg van houdt,
zal zij leven!'"
_Lafcadio Hearn._
De Engelsche en Japansche Poppen.
Onze poppen, met haar lichtblond haar, blauwe oogen en gemaakte
lachjes, strekken zeker niet tot eer en roem van de poppenmakers,
als het geacht moet worden, dat zij eenige gelijkenis dienen te
vertoonen met levende kinderen. Als zij horizontaal gehouden worden,
zal er iets in haar kopjes tikken en zullen haar blauwe oogen zich
sluiten of liever gezegd achterover rollen; knijpt men ze, dan zullen
zij een geluid geven dat eenigszins doet denken aan de woorden:
"Papa! Mama!" en toch hebben zij, in weerwil van die mechanische
kunstgrepen niets in haar voordeel dan de liefde van korten duur,
haar door een kind betoond. Spoedig breken zij, of loopen zij gevaar,
dat op ieder oogenblik een broertje ze het hoofd afbreekt of op andere
wijze voor goed beschadigt.
In Japan echter is de pop niet alleen een stuk speelgoed, waardoor
kleine meisjes zich voorstellen, moedertjes te zijn, maar in vroeger
dagen werd zij als het middel beschouwd, om van vrouwen moeders te
maken. Lafcadio Hearn schrijft hierover: "En als gij een dergelijke,
door een Japansche moeder vervaardigde pop ziet, die haar handen kan
uitsteken, haar naakte voetjes kan bewegen en haar hoofd kan omdraaien,
dan zoudt gij, al werd zij vlak bij u gehouden, er bijna tegen opzien,
een weddenschap aan te gaan, dat het maar een pop is." Het is die
treffende gelijkenis, die waarschijnlijk de oorzaak is van de vreemde
en schoone liefde, die aan Japansche poppen verbonden is.
Levende Poppen.
Er was een tijd, dat men meende, dat sommige poppen werkelijk levend
werden en in haar kleine lichamen een menschelijke ziel kregen, en
dat geloof is niets anders dan een echo van het oude denkbeeld, dat
rijke liefde het beeld van een levend iets tot leven kan wekken. In
het Oude Japan ging de pop over van het ééne geslacht op het volgende,
en bleef somtijds volkomen ongeschonden gedurende een periode van
meer dan honderd jaar. Een pop, die honderd jaar lang in de armen van
kleine kinderen was gekoesterd, van voedsel was voorzien, geregeld
iederen nacht naar bed was gebracht en het voorwerp van voortdurende
liefkozingen was geweest, moest ongetwijfeld wonderen doen in de
dichterlijke verbeelding van een gelukkig en kinderlijk volk.
De kleine pop, bekend als O-Hina-San valt niet binnen het gebied van
deze studie; zij was eenvoudig een stuk speelgoed en niets meer. Wij
hebben hier alleen de levensgroote poppen te bespreken, die poppen,
die zoo uitnemend kleine kinderen voorstellen van twee of drie
jaar. De meisjespop van die soort draagt den naam van O-Toku-San en de
jongenspop van Tokutaro-San. Men geloofde, dat, als die poppen, hoe dan
ook, slecht behandeld of verwaarloosd werden, zij zouden huilen, boos
zouden worden en ongeluk zouden brengen over haar bezitters. Bovendien
hadden zij nog een aantal andere bovennatuurlijke gaven.
In een zeker gezin was er een Tokutaro-San, die bijna niet minder
vereerd werd dan Kishibojin, de Godin, tot wie Japansche vrouwen
en kinderen bidden. Die Tokutaro-San werd door kinderlooze echtparen
geleend. Zij gaven hem nieuwe kleeren en verzorgden hem met liefdevolle
zorgen, daar zij er van overtuigd waren, dat een dergelijke pop,
die een ziel bezat, hen gelukkig zou maken, door hun gebeden om een
kind te verhooren. Tokutaro-San was volgens de legende zeer levendig
en vlug, want toen het huis in brand vloog, rende hij haastig den
tuin in, om zich te redden!
De Laatste Rustplaats van een Pop.
Wat gebeurt er met een Japansche pop, als zij eindelijk na een lang en
gelukkig leven breekt? Hoewel zij voor goed dood wordt geacht, worden
haar overblijfselen met den grootsten eerbied behandeld. Zij wordt
niet met vuil of afval weggeworpen of verbrand, of zelfs eerbiedig op
stroomend water gelegd, zooals dikwijls met doode Japansche bloemen
geschiedt. Zij wordt niet begraven, maar aan Kojin gewijd, een godheid,
die dikwijls wordt voorgesteld met een aantal armen. Men stelt zich
voor, dat Kojin huist in een _enoki_-boom, en tegenover dien boom is
een klein altaar en _torii_. Hier worden de overblijfselen van een oude
pop eerbiedig neergelegd. Haar klein gelaat moge al gekrabd zijn, haar
zijden kleed gescheurd en verschoten, haar armen en beenen gebroken,
zij had vroeger een ziel, en had eens de geheimzinnige _begeerte_
het moederschap te schenken aan haar, die het verlangden.
Op den derden Maart wordt het Feest der Meisjes gevierd. Het is bekend
als _Jomi no Sekku_, of _Hina Matsuri_, of het Poppenfeest.
Vlinders.
"Waar bijeenverzameld liggen
Zachte bloesems, dra vergaan,
Waait daar soms een enkel blaadje
Op zijn vroeg'ren boomtak aan?
Neen, 't was een vlinder, zoo licht als een blad,
Die zich in 't luchtruim verheven had."
_Arakida Mortitake_.
(Naar _Clara A. Walsh_.)
De vlinder staat in China meer dan in Japan in betrekking met legenden
en folk-lore. De Chineesche geleerde Rosan had, zoo wordt gezegd,
bezoek ontvangen van twee meisjesgeesten, die hem onthaalden op
spookachtige verhalen omtrent die insecten met hun prachtig gekleurde
vleugels.
Het is meer dan waarschijnlijk, dat de legenden omtrent vlinders, die
van Japan bekend zijn, aan China zijn ontleend. Japansche dichters
en kunstenaars vonden er genoegen in, als hun beroepsnaam namen te
kiezen zooals "Vlinderboom", "Eenzame Vlinder", "Vlinderhulp" en
dergelijke. Zulke denkbeelden, hoewel waarschijnlijk van Chineeschen
oorsprong, deden een beroep op de aesthetische gevoelens van het
Japansche volk, en het is niet twijfelachtig, of de Japanners speelden
in vroegere dagen het romantische vlinderspel. Keizer Genso was gewoon
de vlinders te gebruiken, om voor hem een keuze te doen voor zijn
minnerijen. Bij een wijnfeest in zijn tuin moesten schoone dames
opgesloten vlinders loslaten. Die schoongekleurde insecten vlogen
dan rond en zetten zich neer op de schoonste meisjes, en die meisjes
ontvingen dan dadelijk de gunst van den Keizer.
Vlinders, die iets goeds, en die iets slechts voorspelden.
In Japan werd de vlinder een tijd lang beschouwd als de ziel van een
levenden man of levende vrouw. Als hij een ontvangkamer binnenkwam en
zich vastzette achter het bamboescherm, dan was dit een zeker bewijs,
dat de persoon, die hij vertegenwoordigde, binnen kort in dat huis zou
komen. De aanwezigheid van een vlinder werd als een goed voorteeken
beschouwd, hoewel natuurlijk alles afhing van den persoon, die met
den vlinder vereenzelvigd was.
De vlinder was niet altijd de voorbode van goede tijdingen. Toen
Taira-no-Masakado in het geheim een oproer voorbereidde, was Kyoto
het tooneel van een zwerm vlinders, en de bevolking, die ze zag, was
zeer verschrikt. Lafcadio Hearn geeft als zijn meening te kennen,
dat die vlinders de geesten kunnen zijn van hen, die bestemd waren
in het gevecht te sneuvelen, de geesten van de levenden, die een
voorgevoel hadden van een spoedig naderen van den dood. Vlinders
kunnen ook de zielen der dooden zijn, en zij verschijnen dikwijls
onder die gedaante, ten einde kenbaar te maken, dat zij voor goed
afscheid nemen van het lichaam.
"De Vliegende Haarspeld van Kocho".
Het Japansche drama maakt herhaaldelijk van de spookachtige beteekenis
der vlinders gebruik. In het tooneelspel, dat bekend staat als _De
Vliegende Haarspeld van Kocho_, pleegt de heldin, Kocho, zelfmoord,
op grond van valsche beschuldigingen en wreede behandeling. Haar
minnaar tracht te ontdekken, wie de oorzaak van haar ontijdigen dood
is geweest. Op een zeker oogenblik verandert Kocho's haarspeld in een
vlinder, welke blijft zweven boven de schuilplaats van den misdadiger,
die al die ellende heeft veroorzaakt.
De Witte Vlinder.
Er is een vreemde en roerende Japansche legende, die in verband
staat met den vlinder. Een oude man, Takahama genaamd, woonde in een
huisje achter het kerkhof van den tempel van Sozanji. Hij was een
uiterst beminnelijk man en bij al zijn buren dan ook zeer geliefd,
hoewel de meesten hem als eenigszins krankzinnig beschouwden. Zijn
krankzinnigheid bestond, naar het scheen, uitsluitend in het feit,
dat hij nooit was getrouwd en nooit het verlangen had uitgesproken
naar intiemen omgang met vrouwen.
Op een zekeren Zondag werd hij ernstig ziek, en wel zóó ziek, dat hij
zijn schoonzuster met haar zoon liet ontbieden. Zij kwamen beiden, en
deden alles wat in hun macht was, om in zijn laatste levensuren zijn
lijden te verzachten. Terwijl zij waakten, viel Takahama in slaap; maar
nauwelijks was hij in rust, of een groote witte vlinder vloog de kamer
binnen, en bleef stil zitten op het hoofdkussen van den lijder. De
jonge man trachtte dien met een waaier te verdrijven, maar driemaal
kwam hij terug, alsof hij er tegen opzag, den zieke te verlaten.
Eindelijk joeg de neef van Takahama hem op naar den tuin, waarna
hij door de tuindeur naar het kerkhof vloog, dat aan den overkant
gelegen was, waar hij bleef zitten op het graf van een vrouw en
daarna geheimzinnig verdween. Toen de jonge man den grafsteen nader
beschouwde, zag hij, dat er de naam "Akiko" op was geschreven, en
tevens een beschrijving, hoe Akiko op achttienjarigen leeftijd was
gestorven. Hoewel de grafsteen met mos was bedekt en wel vijftig jaar
geleden moest zijn opgericht, zag de jonge man, dat hij door bloemen
omringd was, en dat de kleine waterbak onlangs was gevuld.
Toen de jonge man naar huis terugkeerde, bleek het, dat in dien
tusschentijd Takahama was gestorven; hij keerde toen naar zijn moeder
terug en vertelde haar, wat hij op het kerkhof had gezien.
"Akiko?" mompelde zijn moeder. "Toen uw oom jong was, was hij met
Akiko verloofd. Zij stierf kort vóór haar trouwdag aan de tering. Toen
Akiko deze wereld verliet, besloot uw oom, nooit te huwen en steeds
in de nabijheid van haar graf te blijven wonen. Al die jaren lang is
hij zijn gelofte getrouw gebleven, en hield zijn hart al de zoete
herinneringen aan zijn eenige liefde. Dagelijks ging Takahama naar
het kerkhof, zoowel als de lucht geurig was van de zomerzoelte, als
wanneer zij bezwangerd was met vallende sneeuw. Dagelijks ging hij
naar het graf en bad voor haar heil, maakte den grafsteen schoon
en plaatste daarop bloemen. Toen Takahama stervende was, en hij
die hem zoo dierbare taak niet meer kon volbrengen, kwam Akiko hem
bezoeken. Die witte vlinder was haar vriendelijke en liefhebbende
ziel." Voordat Takahama naar het Land van de Gele Lente vertrok,
kon hij wel woorden gemompeld hebben zooals die van Yone Noguchi:
"Daar waar de bloemen slapen,
Slaap ik, Goddank! van avond.
O, kom, o vlinder kom. [53]