"Aanbidding aan de groote barmhartige Kwannon, die boven het
geluid van het gebed naar beneden ziet."
_Een Opschrift._
Kwannon.
Kwannon, de Godin der Barmhartigheid, gelijkt in menig opzicht op
den niet minder barmhartigen en vriendelijken Jizo; immers beiden
deden afstand van de vreugde der Nirwana, ten einde vreugde en geluk
aan anderen te brengen. Kwannon is echter een godheid van een meer
ingewikkeld karakter dan Jizo, en hoewel zij meestal wordt uitgebeeld
als een zeer schoone en heilige Japansche vrouw, neemt zij toch een
aantal verschillende gedaanten aan. Wij kennen enkel Indische goden
en godinnen met tallooze handen, en Kwannon wordt somtijds afgebeeld
als Senjiu-Kwannon, of Kwannon-met-de-Duizend-Handen. [49] Iedere
hand bevat het ééne of andere voorwerp, als moest hierdoor worden
uitgedrukt, dat hier inderdaad een godin is, die in haar liefde bereid
is, al het mogelijke te schenken en zooveel als in haar vermogen is,
gebeden te verhooren.
Vervolgens is er Jiu-ichi-men-Kwannon, de Kwannon
met-de-Elf-Gezichten. Hier wordt het gelaat van Kwannon voorgesteld als
"lachend met eeuwigdurende jeugd en oneindige teederheid", en in haar
schitterend uiterlijk wordt het ideaal van het goddelijk vrouwelijke
voorgesteld met een onbegrensde schoonheid van opvatting. In de
tiara van Jiu-ichi-men-Kwannon zijn heerlijke koppen, als het
ware een straling van kleine Kwannons. Somtijds neemt de tiara
van Kwannon een anderen vorm aan, zooals bij Bato-Kwannon, of
Kwannon-met-den-Paardekop. De naam is eenigszins misleidend, immers
zulk een sierlijk schepsel heeft in geen van de vormen, waaronder het
optreedt, iets van een paardekop. Afbeeldingen van dien bijzonderen
Kwannon doen ons een paard zien, in de tiara uitgesneden. Bato-Kwannon
is de Godin tot wie de landbouwers bidden voor de veiligheid en de
redding van hun paarden en hun vee, en men verhaalt, dat Bato-Kwannon
niet alleen stomme dieren beschermt, vooral die, welke werken voor het
menschdom, maar dat zij haar macht ook zóóver uitstrekt, dat zij hun
geesten beschermt, en hun kalmte schenkt en een gemakkelijker leven
dan zij op aarde leidden. In scherpe tegenstelling met de Kwannons,
die wij reeds hebben beschreven, is Hito-Koto-Kwannon, de Kwannon,
die slechts één enkel gebed wil beantwoorden. De Goden der Liefde
en der Wijsheid worden dikwijls voorgesteld in verbinding met die
Godin, en de "Acht en Twintig Volgelingen" zijn personificaties van
bepaalde sterrenbeelden. Maar in alle vormen, waarin Kwannon optreedt,
behoudt zij steeds dezelfde maagdelijke schoonheid, en die Godin
der Barmhartigheid wordt zeer eigenaardig, en niet ten onrechte,
wel eens de Japansche Madonna genoemd.
Kwannon in de Chineesche Mythen.
In China staat Kwannon bekend onder den naam van Kwanjin, en als
de geestelijke zoon van Amitâbha, maar die godheid treedt steeds
op als godin, zooals haar beeltenissen zoowel in China als in Japan
ons aantoonen. De Chineezen maken er aanspraak op, dat Kwanjin van
Chineeschen oorsprong is, en dat zij oorspronkelijk de dochter was
van den Koning der Tschou-dynastie. Zij werd door haar vader ter
dood veroordeeld, omdat zij weigerde te huwen, maar het zwaard van
den beul brak af, zonder een wond te veroorzaken. Men verhaalt, dat
haar geest later weer ter helle ging. Er was iets zóó stralend schoon
in den geest van Kwanjin, dat het feit harer tegenwoordigheid de Hel
in het Paradijs veranderde. De Koning der Onderwereld zond Kwanjin
terug naar de aarde, ten einde het sombere uitzicht van zijn rijk
te bewaren; hij liet haar op wonderbaarlijke wijze op een lotusbloem
overbrengen naar het eiland Pootoo.
Een Incarnatie van Kwannon.
Chujo Hime, een Buddhistische non, wordt meestal beschouwd als de
grootste Japansche kunstenares in het borduren, uit den ouden tijd,
en zij was, volgens de legende, een incarnatie van Kwannon. Chujo
Hime werd door haar stiefmoeder wreed behandeld, totdat zij zich ten
slotte terugtrok in den tempel van Toema-dera, en daar werkte zij aan
het wonderbaarlijke borduursel van lotusdraden, dat het Paradijs der
Buddhisten voorstelde. De schets is zóó voortreffelijk, dat wij ons
goed kunnen voorstellen, dat de Japanners gelooven, dat de Goden de
groote kunstenares bij haar werk hielpen.
Kwannon de Moeder.
Er is nog een ander merkwaardig borduurwerk, door Kano Hogai, dat
Kwannon voorstelt als de Goddelijke Moeder, die uit een kristallen
fleschje het water der schepping giet. Als dit water in een reeks van
blaasjes neervalt, blijkt het, dat ieder blaasje een klein kindje bevat
met eerbiedig gevouwen handen. Het is een prachtig stuk werk, en als
men na de artistieke schoonheid te hebben bewonderd, de technische
uitvoering bestudeert, dan zien wij, dat de uitvoering drie jaar
heeft geduurd, en dat 12 100 verschillende nuances van zijde, en
twaalf van gouddraad zijn gebruikt.
De "Drie en dertig Plaatsen" aan Kwannon Gewijd.
Er zijn drie en dertig tempels, aan Kwannon gewijd. Zij zijn alle
nauwkeurig genummerd, en worden gevonden in de provincies, in de
nabijheid van Kyoto. De volgende legende geeft misschien wel een
verklaring van den eerbied, die voor de Saikoku Sanju-san Sho (de
Drie en dertig Plaatsen) gekoesterd wordt.
Toen de groote Buddhistische abt der achtste eeuw, Tokudo Shonin,
stierf, werd hij tot voor Emma-O, den Heerscher over de Dooden,
geleid. Het kasteel, waarin Emma-O woonde, schitterde van zilver en
goud, rose paarlen en alle soorten van glinsterende juweelen. Een
licht straalde ook uit van Emma-O, en die schrikwekkende God had
een glimlach op zijn gelaat. Hij ontving den uitnemenden abt met de
grootst mogelijke wellevendheid, en sprak hem aldus aan:
"Tokudo Shonin, er zijn drie en dertig plaatsen, waar Kwannon haar
bijzondere gunst openbaart, want weet wel, in haar grenzenlooze
goedheid heeft zij zich in een aantal lichamen verdeeld, zoodat hij,
die om hulp roept, niet te vergeefs zal roepen. Helaas! de menschen
blijven op het slechte pad voortgaan, want zij weten van die heilige
tempels niets af. Zij leven hun schandelijk leven en gaan in een
groote en ontelbare menigte naar de Hel. O, hoe blind zijn zij, hoe
eigenzinnig, en hoe vol van verdwaasdheid! Als zij maar één enkele
bedevaart deden naar die drie en dertig tempels, die aan onze Vrouw van
Barmhartigheid zijn gewijd, dan zou een rein en wonderlijk licht van
hun voeten afschijnen, die geestelijk krachtig genoeg zouden worden,
om alle kwaad te verpletteren en de honderd zes en dertig hellen
tot stukken te verbrijzelen. Indien, in weerwil van die bedevaart,
iemand bij ongeluk in de Hel valt, dan zal ik zijn plaats innemen
en alle lijden op mij nemen; want, indien dit geschiedde, zou mijn
verhaal over vrede een leugen zijn, en zou ik werkelijk verdienen te
lijden. Hier is een lijst van de drie en dertig heilige tempels van
Kwannon. Breng die lijst naar de in onrust zijnde wereld van mannen
en vrouwen, en predik de eeuwigdurende barmhartigheid van Kwannon".
Nadat Tokudo zorgvuldig geluisterd had naar alles, wat Emma-O hem
mededeelde, antwoordde hij: "Gij hebt mij met een zoodanige zending
vereerd, maar stervelingen zijn vol twijfelingen en vol vrees, en
zij zouden om het ééne of andere teeken vragen, waaruit de waarheid
kan blijken van wat ik hun vertel".
Emma-O gaf den abt onmiddellijk zijn met juweelen bezet zegel, en
na afscheid van hem te hebben genomen, zond hij hem weg, na hem twee
bedienden te hebben medegegeven.
Terwijl die vreemde gebeurtenissen in de Onderwereld plaats grepen,
bemerkten de leerlingen van Tokudo, dat niettegenstaande het lijk
van hun meester reeds drie dagen en drie nachten had neergelegen, het
vleesch nog niet koud was geworden. De getrouwe volgelingen begroeven
het lijk niet, daar zij meenden, dat hun meester nog niet dood was. En
dit was inderdaad het geval, want na eenigen tijd ontwaakte Tokudo
uit zijn bewusteloosheid, en hield hij in zijn rechter hand het met
juweelen bezette zegel van Emma-O.
Tokudo liet er geen tijd overheen gaan, voordat hij zijn vreemde
avonturen verhaalde, en toen hij zijn verhaal had geëindigd,
ging hij met zijn leerlingen ter bedevaart naar de drie en dertig
heilige plaatsen, waarover de Godin der Barmhartigheid het bestuur
uitoefent. [50]
Lijst der "Drie en dertig Plaatsen".
Hier volgt een volledige lijst van de "Drie en dertig Plaatsen",
aan Kwannon gewijd:
1. Fudaraku-ji, te Nachi, in Kishu.
2. Kimii-dera, bij Wakayama, in Kishu.
3. Kokawa-dera, in Kishu.
4. Sefuku-ji, in Izumi.
5. Fujii-dera, in Kawachi.
6. Tsubosaka-dera, in Yamato.
7. Oka-dera, in Yamato.
8. Hase-dera, in Yamato.
9. Nan-endo, te Nara, in Yamato.
10. Mimuroto-dera, te Uji, in Yamashiro.
11. Kami Daigo-dera, te Uji, in Yamashiro.
12. Iwama-dera, in Omi.
13. Ishiyama-dera, bij Otsu, in Omi.
14. Miidera, bij Otsu, in Omi.
15. Ima-Gumano, te Kyoto, in Yamashiro.
16. Kiyomizu-dera, te Kyoto.
17. Rokuhara-dera te Kyoto.
18. Rokkaku-do, te Kyoto.
19. Kodo te Kyoto.
20. Yoshimine-dera, te Kyoto.
21. Anoji, in Tamba.
22. Sojiji, in Settsu.
23. Katsuo-dera, in Settsu.
24. Nakayma-dera, bij Kobe, in Settsu.
25. Shin Kiyomizu-dera, in Harima.
26. Hokkeji, in Harima.
27. Shosha-san, in Harima.
28. Nareai-ji, in Tango.
29. Matsunoo-dera, in Wakasa.
30. Chikubu-shima, eiland in het Meer Biwa, in Omi.
31. Chomeiji, in Omi.
32. Kwannonji, in Omi.
33. Tanigumi-dera, bij Tarui, in Mino [51].
De "Zaal van de Tweede Maan".
De Buddhistische tempel van Ni-gwarsu-do ("Zaal van de Tweede Maan")
bevat een klein koperen beeld van Kwannon. Het heeft de wonderbaarlijke
eigenschap, dat het warm is als levend vleesch, en sedert het beeld is
weggesloten, worden in den maand Februari bepaalde godsdienstoefeningen
gehouden ter eere van Kwannon, en den achttienden van iedere maand
wordt het heilige beeld tentoongesteld om aangebeden te worden.
Kwannon en het Hert.
Een oude kluizenaar, Saion Zenji genaamd, koos tot verblijfplaats den
berg Nariai, opdat hij in de gelegenheid zou zijn, de schoonheid
te aanschouwen van Ama-no-Hashidate, een smalle landtong met
pijnboomen bedekt, die het Meer Iwataki en de Baai Miyazu van elkander
scheidt. Ama-no-Hashidate wordt nog steeds beschouwd als één van de
_Sankei_, of "Drie Groote Tafereelen" van Japan, en nog steeds wordt
de berg Nariai beschouwd als de beste plek, van waar dit bekoorlijke
tafereel kan worden bewonderd.
Op den Berg Nariai richtte die vriendelijke en heilige kluizenaar een
kleinen tempel op ter eere van Kwannon, niet ver van een eenzamen
pijnboom verwijderd. Hij bracht zijn gelukkige dagen door met neer
te zien op Ama-no-Hashidate en met de Buddhistische geschriften te
zingen, en zijn zoo vriendelijke inborst en vroom gedrag werden zeer
op prijs gesteld door het volk, dat kwam bidden in den kleinen tempel,
dien hij zoo liefdevol had opgericht voor zijn eigen genoegen en dat
van anderen.
De verblijfplaats van den kluizenaar, die bij zacht en zonnig weder
zeer liefelijk was, was in den wintertijd somber, immers als het
sneeuwde, was de man van den omgang met menschen afgesloten. Op
zeker tijdstip viel de sneeuw zóó hevig neer, dat zij op sommige
plaatsen tot een hoogte van twintig voet lag opgestapeld. Dag aan dag
bleef het strenge weer voortduren, en eindelijk bleek het den armen
kluizenaar, dat hij hoegenaamd geen voedsel meer over had. Toen hij
op zekeren morgen toevallig naar buiten keek, zag hij een hert dood
in de sneeuw neerliggen. Toen hij het arme schepsel aanschouwde,
dat doodgevroren was, dacht hij er aan, dat het naar de opvatting
van Kwannon tegen de wet was, het vleesch van dieren te eten; maar
toen hij de zaak nog eens nauwkeuriger overwoog, kwam het hem voor,
dat hij zijn medeschepselen meer goed kon doen door van dat vleesch
te eten dan door zich te houden aan de strenge letter der wet en zich
te laten verhongeren in het gezicht van den overvloed.
Toen Saion Zenji tot dit verstandige besluit was gekomen, ging hij
naar buiten en sneed een stuk van het wild af, kookte het, en at de
helft op, onder talrijke dankzeggingen voor zijn behoud. Het overige
gedeelte van het wild liet hij in zijn kookpan achter.
Eindelijk smolt de sneeuw, en een aantal menschen gingen op weg van het
naburige dorp en bestegen den Berg Nariai, in de verwachting, dat hun
goede en teerbeminde kluizenaar, voor goed van deze wereld zou zijn
verdwenen. Toen zij den drempel naderden, hoorden zij verheugd, dat
de oude man met heldere en luidklinkende stem de heilige Buddhistische
Geschriften zong.
Het volk uit het dorp verzamelde zich om den kluizenaar, terwijl hij
het verhaal van zijn redding deed. Toen zij uit nieuwsgierigheid
eens een blik sloegen in zijn kookpan, zagen zij tot hun stomme
verbazing, dat deze geen wild bevatte, maar een stuk hout, met
goudblad bedekt. Terwijl zij zich steeds nog verbaasden en niet
begrepen, wat dit beteekende, zagen zij naar het beeld van Kwannon
in den kleinen tempel en bleek het, dat een stuk uit haar lendenen
was gesneden, en toen zij het stuk hout daarin pasten, was de wond
genezen. Toen begrepen de oude kluizenaar en het volk, dat zich om hem
had verzameld, dat het hert niemand anders geweest was dan Kwannon,
die in haar onbegrensde liefde en teedere barmhartigheid haar eigen
goddelijk vleesch ten offer had gebracht.
Benten.
"De wilde bloemen worden slap, de ahornblaadren,
Door vingers van de vorst geraakt, zij buigen zich ter aard';
Maar op den boezem van de zee
Verwelken niet de bloemen uit het nat geboren
Der golven, als de bloesems op het land,
Noch voelen zij de kilheid van des Najaars hand",
_Yasuhide_ (Naar _Clara A. Walsh_.)
Benten, de Godin der Zee, is tevens één der zeven Godheden van het
Geluk, en in romantischen zin wordt zij beschouwd als de Godin van
Liefde, Schoonheid en Welsprekendheid. In de Japansche kunst wordt zij
voorgesteld, rijdende op een draak of slang, wat wel de verklaring
kan zijn van het feit, dat in sommige streken slangen als heilig
worden beschouwd. Op afbeeldingen wordt Benten weergegeven met acht
armen. Zes handen zijn boven haar hoofd uitgestoken en houden een boog,
een pijl, een wiel, een zwaard, een sleutel en een heilig juweel,
terwijl zij haar beide overige handen eerbiedig in gebed gekruist
houdt. Zij gelijkt in menig opzicht op Kwannon, en beelden van de
twee godinnen worden dikwijls bij elkander gezien, maar de tempels
van Benten worden gewoonlijk op eilanden gevonden.
Benten en de Draak.
Wij hebben er reeds melding van gemaakt, dat Benten op een draak rijdt,
en de volgende legende kan misschien met die bijzondere voorstelling
in verband gebracht worden.
In een zeker hol leefde een geduchte draak, die de kinderen van het
dorp Koshigoe verslond. In de zesde eeuw besloot Benten een einde
te maken aan het ongepaste gedrag van het monster, en na een groote
aardbeving te hebben doen ontstaan, ging zij op de loer liggen in
de wolken boven het hol, waar de gevreesde draak zijn woonplaats
had gevestigd. Benten daalde toen uit de wolken neder, trad het hol
binnen, huwde den draak, en was zoo, door haar uitstekenden invloed,
in staat, een einde te maken aan de slachting van kleine kinderen. Bij
de aankomst van Benten verrees uit de zee het bekende eiland Enoshima
[52], dat op den huidigen dag gewijd is gebleven aan de Godin der Zee.
Benten-van-het-Geboorte-Water.
Hanagaki Baishu, een jong dichter en geleerde, woonde een groot
feest bij, dat gehouden werd ter viering van den wederopbouw van den
tempel van Amadera. Hij wandelde door het schoone park en bereikte op
zijn wandeling ook de plaats van een fontein, waar hij dikwijls zijn
dorst had gelescht. Hij zag, dat wat oorspronkelijk een fontein was
geweest, nu een vijver was geworden, en bovendien, dat aan één der
hoeken van den vijver een bord stond, waarop de woorden geschreven
waren _Tanjo-Sui_ ("Geboorte-Water") en tevens een kleine, maar
aantrekkelijke tempel, aan Benten gewijd. Terwijl Baishu oplettend
de veranderingen in het park van den tempel naging, voerde de wind
een prachtig geschreven minnedicht naar zijn voeten. Hij raapte het
op en ontdekte, dat het door een vrouwenhand was geschreven, dat de
letters prachtig gevormd waren, en dat de inkt nog versch was.
Baishu keerde naar huis terug en las en herlas het gedicht. Het
duurde niet lang, of hij werd verliefd op de schrijfster, en besloot
ten slotte haar te huwen. Eindelijk ging hij naar den tempel van
Benten-van-het-Geboorte-Water en riep: "O, Godin, kom mij te hulp,
en sta mij bij in mijn pogingen, de vrouw te vinden, die deze door den
wind naar mij toegevoerde verzen heeft geschreven!" Na zoo gebeden te
hebben, besloot hij een godsdienstoefening van zeven dagen te houden,
en den zevenden nacht te bestemmen aan onafgebroken vereering vóór
den heiligen tempel van Benten, in het park van Amadera.
Gedurende den zevenden nacht van zijn nachtwake hoorde Baishu een
stem, die riep om toegelaten te worden door de hoofdpoort van het
park van den tempel. De poort werd geopend, en een oud man, in
staatsiekleederen en met een zwarte muts op zijn hoofd, kwam naar
voren en knielde zwijgend voor den tempel van Benten. Daarna werd de
buitendeur van den tempel geheimzinnig geopend, en een bamboe-gordijn
werd gedeeltelijk opgetild, waarbij een schoone knaap te voorschijn
kwam, die den ouden man aldus toesprak: "Wij hebben medelijden met
een jong man, die een liefdeband wenscht te sluiten, en wij hebben u
geroepen, om die zaak te onderzoeken, en na te gaan, of gij de jonge
lieden niet samen kunt brengen".
De oude man boog, en trok toen uit zijn mouw een touw, dat hij om
het middel van Baishu bond, terwijl hij een uiteinde aanstak aan een
lantaarn van den tempel, en onderwijl met de hand wuifde, alsof hij
een geest wenkte, om uit den donkeren nacht te voorschijn te komen. In
een oogenblik kwam een jonge maagd het park van den tempel binnen,
en terwijl zij met haar waaier haar lief gezicht halverwege bedekte,
knielde zij naast Baishu neder.
Daarna sprak de schoone knaap Baishu aldus toe: "Wij hebben uw gebed
gehoord, en het is ons gebleken, dat gij in den laatsten tijd veel hebt
geleden. De vrouw, die gij lief hebt, is nu naast u geplaatst". En
na die woorden te hebben gesproken, vertrok de goddelijke jongeling,
en de oude man verliet het park bij den tempel.
Toen Baishu zijn dank had gebracht aan Benten-van-het-Geboorte-Water,
ging hij naar huis. Toen hij de straat bereikte buiten het park, zag
hij een jong meisje, en herkende hij haar dadelijk als het meisje, dat
hij liefhad. Baishu sprak haar aan, en toen zij antwoordde, vervulden
de vriendelijkheid en liefelijkheid van haar stem den jongen man
met vreugde. Zij wandelden te zamen door de stille straten, totdat
zij ten slotte aan het huis kwamen, waar Baishu woonde. Er was een
oogenblik van diep zwijgen, en daarna zeide het meisje: "Benten heeft
mij u tot vrouw gegeven", en de gelieven traden beiden het huis binnen.
Het huwelijk was buitengewoon voorspoedig, en de gelukkige Baishu
ontdekte, dat zijn vrouw, behalve in andere huiselijke deugden, ook
volmaakt bedreven was in de kunst, bloemen te rangschikken, en dat
haar fijne manier van schrijven niet minder aangenaam was te zien dan
haar bekoorlijke schilderijen. Baishu wist niets van haar familie
af, maar daar zij hem geschonken was door de godin Benten, achtte
hij het onnoodig, haar daarnaar te vragen. Er was slechts één ding,
dat den verliefden Baishu vreemd voorkwam, en dat was, dat de buren
totaal onkundig schenen te zijn van de tegenwoordigheid van zijn vrouw.
Toen Baishu op zekeren dag in een afgelegen gedeelte van Kyoto
wandelde, zag hij, dat een bediende hem van de voordeur van een
particuliere woning toewenkte. De man kwam naar hem toe, boog
eerbiedig en zeide: "Wilt gij u wel verwaardigen, dit huis binnen
te treden? Mijn meester verlangt er naar, de eer te hebben, met u
te spreken". Baishu, die niets afwist van den bediende of van diens
meester, was niet weinig verbaasd over die vreemde begroeting, maar
hij liet zich toch naar de ontvangkamer geleiden en daar sprak de
bewoner van het huis hem aldus toe:
"Ik bied u zeer nederig mijn verschooning aan voor de weinig vormelijke
wijze, waarop ik u heb uitgenoodigd, maar ik meen gehandeld te hebben
in overeenstemming met een boodschap, die ik van de godin Benten heb
ontvangen. Ik heb een dochter, en daar ik er zeer op gesteld ben, een
goeden echtgenoot voor haar te vinden, heb ik de door haar geschreven
gedichten naar alle tempels van Benten in Kyoto gezonden. De Godin
is mij nu in een droom verschenen en heeft mij medegedeeld, dat zij
een uitnemenden echtgenoot voor mijn dochter had, en dat hij mij den
volgenden winter zou bezoeken. Ik heb eerst niet veel gewicht gehecht
aan dien droom; maar den vorigen nacht is Benten mij weer in den droom
verschenen, en zeide zij mij, dat den volgenden dag de echtgenoot,
dien zij voor mijn dochter had gekozen, mij een bezoek zou brengen,
en dat ik dan alles omtrent het huwelijk kon in orde brengen. De
Godin beschreef het uiterlijk zóó nauwkeurig, dat ik er zeker van ben,
dat gij de aanstaande echtgenoot van mijn dochter zijt."
Die vreemde woorden vervulden Baishu met droefenis, en toen zijn
beleefde gastheer voorstelde, hem met het meisje in kennis te brengen,
was hij niet moedig genoeg, om zijn zoogenaamden schoonvader te
vertellen, dat hij reeds een vrouw had. Baishu volgde zijn gastheer
in een ander vertrek en tot zijn verbazing en vreugde bleek het hem,
dat de dochter des huizes niemand anders was dan zijn eigen vrouw! En
toch was er een fijn onderscheid tusschen beiden, immers de vrouw,
die hem nu toelachte, was het lichaam van zijn vrouw, en zij die hem
verschenen was voor den tempel van Benten-van-het-Geboorte-Water,
was haar ziel. Men verhaalt ons, dat Benten dit wonder had volbracht
ter wille van haar vereerders, en zoo geschiedde het, dat Baishu een
vreemdsoortig dubbel huwelijksleven had met de vrouw, die hij liefhad.
Daikoku.
Daikoku, de God van den Rijkdom, Ebisu zijn zoon, de God van den
Arbeid, en Hotei, de God van het Lachen en van de Tevredenheid,
behooren tot dien kring der godheden, die bekend staan onder den
naam van de Goden van het Geluk. Daikoku wordt voorgesteld met een
Tooverhamer, die het teeken draagt van den Juweel, die den mannelijken
en vrouwelijken geest personifieert, en beteekent een scheppende
godheid. Een slag van zijn hamer brengt rijkdom, en zijn tweede
attribuut is de Rat. Daikoku is, zooals men licht zal begrijpen,
een bijzonder populaire godheid, en hij wordt dikwijls geschilderd
als een voorspoedige Chineesche mijnheer, rijk uitgedost, terwijl
hij meestal wordt voorgesteld staande op balen rijst, met een zak
vol kostbare zaken op zijn schouder. Die vroolijke en weldadige God
wordt ook wel voorgesteld, zittende op balen rijst, of zijn schatten
vertoonend aan een of ander gretig kind, dat vol verwachting naar
die schatten ziet; ook wel wordt hij voorgesteld, de Roode Zon met
de ééne hand tegen zijn borst houdend, terwijl hij den Tooverhamer
met de andere hand vasthoudt.
De Rat van Daikoku.
Het attribuut van Daikoku, een Rat, heeft een zinnebeeldige en een
zedelijke beteekenis, in verband met den rijkdom, die in den zak van
den God verborgen is. De Rat wordt dikwijls voorgesteld òf in een
baal met rijst, waaruit zijn kop uitsteekt, of terwijl deze binnen
in den zak zit, òf terwijl hij met den Hamer speelt; somtijds ziet
men een groot aantal ratten.
Volgens een oude legende werden de Buddhisten afgunstig op
Daikoku. Zij overlegden samen, en besloten ten slotte, dat zij
den te populairen Daikoku uit den weg zouden ruimen, aan wien de
Japanners gebeden en wierook aanboden. Emma-O, de Heerscher der
Dooden, beloofde zijn sluwsten en verstandigsten _oni_, Shiro te
zenden, die, zooals hij zeide geen moeite zou hebben, den God van
den Rijkdom te overmeesteren. Shiro, wien door een musch den weg
werd gewezen, ging naar het kasteel van Daikoku, maar hoewel hij
hoog en laag speurde, hij kon den eigenaar niet vinden. Eindelijk
ontdekte Shiro een groot magazijn, waarin hij den God van den Rijkdom
zag zitten. Daikoku riep zijn Rat en beval hem te onderzoeken, wie
het waagde hem lastig te vallen. Toen de Rat Shiro zag, rende hij
in den tuin en bracht een takje hulst mede, waarmede hij den _oni_
verjoeg. Tot op den huidigen dag blijft Daikoku één der meest populaire
Japansche Goden. Men zegt, dat deze gebeurtenis de oorsprong is van
het oudejaarsavond-toovermiddel, dat bestaat uit een hulstblad en
een vleeschpin, of een hulsttakje, bevestigd op den drempel van de
deur van een huis, om den terugkeer van den _oni_ te beletten.
De Zes Daikoku's.
1. Makura Daikoku, de gewone vorm, met een Hamer op een lotusblad.
2. Ojikara Daikoku, met zwaard en _vajra_.
3. Bika Daikoku, een priester met een Hamer in de rechter hand en
een zwaard met een _vajra_-gevest in de linker hand.
4. Yasha Daikoku, met het Wiel der Wet in de rechter hand.
5. Shinda Daikoku, een knaap, zittend met een kristal in de linker
hand.
6. Mahakara Daikoku, een zittende vrouw, met een baal rijst op
haar hoofd.
Ebisu.
Ebisu en zijn vader Daikoku worden gewoonlijk te zamen uitgebeeld:
de God van den Rijkdom gezeten op balen rijst, terwijl hij de Roode
Zon met één hand tegen zijn borst drukt, en met de andere den rijkdom
schenkenden Hamer vasthoudt, terwijl Ebisu wordt uitgebeeld met een
hengel en een grooten _tai_ visch onder den arm.
Hotei.
Hotei, de God van het Lachen en der Tevredenheid, is één der komiekste
der Japansche Goden. Hij wordt als uitermate dik voorgesteld, terwijl
hij op zijn rug een linnen zak (ho-tei) draagt, waaraan hij zijn naam
ontleent. In dien zak pakt hij de kostbare zaken in, maar als hij in
een bijzonder speelsche bui is, gebruikt hij dien als een bewaarplaats
voor vroolijke en nieuwsgierige kinderen. Somtijds wordt Hotei
voorgesteld, gezeten in een gebroken en bijzonder haveloos rijtuig,
dat wordt voortgetrokken door jongens; in die gedaante is hij bekend
als de Wagen-Priester. Ook wordt hij geschilderd met een Chineeschen
waaier in de ééne hand, en zijn zak in de andere, of terwijl hij op
het ééne uiteinde van een stok den zak met kostbare zaken en op het
andere uiteinde een knaap laat balanceeren.