HOOFDSTUK XIV. SPIEGELS.

"Zooals het zwaard de ziel is van een _samurai_, zoo is de spiegel

de ziel van een vrouw."

"Als de spiegel dof is, is de ziel onrein."

_Japansche Spreekwoorden._

De Beteekenis der Japansche Spiegels.

De oude Japansche metalen spiegels zijn cirkelvormig, met een bol

oppervlak, terwijl de achterzijde versierd is met relieffiguren van

bloemen, vogels en andere natuurtafereelen. Professor Chamberlain

schrijft: "Een bijzondere eigenaardigheid kenmerkt sommige

van die Japansche spiegels: het zonlicht, dat op de _voorzijde_

wordt teruggekaatst, geeft een lichtend beeld van de figuren op de

_achterzijde!_ Een dergelijke vreemd verschijnsel heeft natuurlijk

de aandacht der geleerden getrokken." Het is hier de plaats niet,

de verschillende theorieën te vermelden, hierover gegeven; het

verschijnsel zelf boezemt ons meer belang in dan verklaring van het

verschijnsel; ongetwijfeld verklaart ons dit vreemde feit eenigermate

de magische beteekenis van spiegels uit Nippon.

De groote grondgedachte, die aan de legenden omtrent Japansche spiegels

ten grondslag ligt, is deze, dat de spiegel, door het voortdurend

terugkaatsen van het gelaat van den eigenaar, de ziel zelf van

den bezitter naar zich toe trekt, en zooals wij later zullen zien,

kan men iets van datzelfde denkbeeld terugvinden, waar het oude,

maar zeer geliefde Japansche poppen betreft.

Hidari Jingoro.

De beroemde beeldhouwer Hidari Jingoro werd bij zekere gelegenheid

plotseling verliefd op een zeer bekoorlijke vrouw, die hij op straat

ontmoette, toen hij zich naar zijn atelier begaf. Hij was zóózeer

betooverd door haar zeldzame schoonheid, dat hij, zoodra hij zijn

bestemming had bereikt, een beeld van haar begon te houwen. Tusschen

de gebeitelde kleeren plaatste hij een spiegel, en wel dien, welken

de bekoorlijke vrouw had laten vallen en dien haar ontstuimige

minnaar dadelijk had opgeraapt. Omdat die spiegel duizenden malen

dat schoone lichaam had teruggekaatst, had hij in zijn glinsterende

oppervlakte lichaam en ziel van zijn eigenares opgenomen, en ten

gevolge daarvan kwam het beeld tot leven, tot groote zaligheid zoowel

van den beeldhouwer als van het meisje.

De Goddelijke Spiegel.

Reeds lang voordat de Japansche spiegel een voorwerp van dagelijksch

gebruik in het huisgezin was geworden, had hij reeds een diepe

godsdienstige beteekenis in verband met het Shintoisme. De Goddelijke

Spiegel, waarin de zonnegodin staarde, berust te Isé. Er worden

andere spiegels gevonden in Shinto-tempels; die spiegels vormen in

werkelijkheid een voornaam bestanddeel van een tempel, die om zijn

eenvoud bekend is. De spiegel "stelt een menschelijke hart voor, dat,

als het volkomen vredig en zuiver is, het beeld van de godheid zelf

weerkaatst." Wij lezen in de _Kojiki_, dat Izanagi zijn kinderen

een gepolijste zilveren schijf aanbood, en hen beval dagelijks 's

morgens en 's avonds daarvoor te knielen en het teruggekaatste beeld

te onderzoeken. Hij beval hen ook, daarbij te denken aan hemelsche

dingen, hun hartstochten en alle slechte gedachten te onderdrukken,

opdat de schijf een reine en beminnelijke ziel zou weerkaatsen.

De Ziel van een Spiegel.

De tempel van Ogawachi-Myojin geraakte in verval, en de

Shinto-priester, die belast was met het toezicht op dien tempel,

Matsumura, reisde naar Kyoto, in de hoop, dat zijn verzoek aan den

Shogun, dat hij zijn toestemming zou geven tot het herstel van den

tempel, met een gunstigen uitslag zou worden bekroond.

Matsumura en zijn gezin namen hun intrek in een huis te Kyoto, dat

den naam had bijzonder ongelukkig te zijn, en vele bewoners hadden

zich reeds in den put geworpen, die aan den noordoostelijken kant

van het huis gelegen was. Maar Matsumara trok zich van die verhalen

niets aan, en was volstrekt niet bevreesd voor booze geesten.

In den zomer van dat jaar heerschte er in Kyoto groote droogte. Hoewel

de beddingen der rivieren opdroogden en een aantal putten bij gebrek

aan regen geen water meer bevatten, was de put in den tuin van

Matsumura tot overloopens vol. De ellende, die het gevolg was van het

gebrek aan water, dwong vele arme menschen, om bij Matsumura om water

te verzoeken, en niettegenstaande zij voortdurend water schepten,

verminderde het water in dien put volstrekt niet.

Op zekeren dag vond men een lijk in den put liggen, en wel dat van

een bediende, die water was komen halen. In dit geval was zelfmoord

volkomen uitgesloten en het scheen onmogelijk, dat hij bij toeval

in het water was gevallen. Toen Matsumura van het ongeluk hoorde,

ging hij een onderzoek bij den put instellen. Tot zijn verbazing

bewoog zich het water met een vreemde schommelende beweging. Toen de

beweging verminderde, zag hij in het heldere water de gedaante van

een schoone jonge vrouw teruggekaatst. Zij raakte haar lippen aan

met _beni_. Eindelijk lachte zij hem toe. Het was een vreemdsoortige

glimlach, die Matsumura duizelig maakte, een glimlach, die alles

uitwischte behalve het prachtige gelaat der vrouw. Hij voelde een

bijna onweerstaanbaar verlangen, zich in het water te werpen, opdat

hij toch die betooverende vrouw mocht bereiken en vasthouden. Hij

streed echter krachtig tegen dat vreemde gevoel, en was na korten

tijd in staat het huis binnen te treden, waar hij bevel gaf, dat een

schutting om den put zou worden gebouwd, en dat van dat oogenblik af

niemand, onder welk voorwendsel ook, daar water mocht scheppen.

Korten tijd daarna hield de droogte op. Gedurende drie dagen en

drie nachten viel het water voortdurend bij stroomen neder, en een

aardbeving deed de geheele stad schudden. Den derden nacht van den

storm werd er hard geklopt op de deur van Matsumura. De priester

ging zelf onderzoeken, wie zijn bezoeker wel zou zijn. Hij opende

de deur op een kier en zag nog eens de vrouw, die hij in den put had

gezien. Hij weigerde haar toe te laten, en vroeg, waarom zij zooveel

onschuldige en argelooze menschen aan den dood had prijs gegeven.

De vrouw antwoordde hierop: "Helaas, goede priester, ik heb nooit

begeerd, menschelijke wezens in den dood te lokken. Het is de

Vergif-Draak, die in dien put huisde, en die mij tegen mijn wil

dwong de menschen in den dood te lokken. Maar nu hebben de Goden den

Vergif-Draak gedwongen, ergens anders te wonen, zoodat ik van nacht

in staat was de plaats te verlaten, waar ik gevangen zat. Er is nu

maar weinig water in den put, en als gij daarin een onderzoek doet,

zult gij mijn lichaam vinden. Zorg er ter wille van mij goed voor, en

ik zal niet in gebreke blijven, u te beloonen voor uw goedheid." Na

die woorden te hebben gesproken, verdween zij even plotseling als

zij verschenen was.

Den volgenden dag werd de put door putten-reinigers nagezien en deze

vonden er oude haarversierselen in en een ouden metalen spiegel.

Daar Matsumura een verstandig man was, nam hij den spiegel en reinigde

hij dien, in de meening, dat deze hem een oplossing van het geheim

zou geven.

Op de achterzijde van den spiegel ontdekte hij verschillende

letterteekens. Een aantal van die eigenaardige letterteekens waren te

zeer uitgewischt om nog leesbaar te zijn, maar toch gelukte het hem,

"derde maand, de derde dag" te ontcijferen. In oude tijden heette

de derde maand Yayoi of Maand van Aangroeiïng, en daar hij zich

herinnerde, dat de vrouw zich Yayoi had genoemd, begreep Matsumura,

dat hij waarschijnlijk een bezoek had ontvangen van de Ziel van

den Spiegel.

Matsumura droeg zooveel mogelijk zorg voor den spiegel. Hij liet dien

op nieuw verzilveren en polijsten en toen dit geschied was, legde hij

hem in een doos, die daarvoor opzettelijk was vervaardigd, en spiegel

en doos werden geplaatst in een daarvoor bestemd vertrek in het huis.

Op zekeren dag, toen Matsumura in het vertrek gezeten was, waar de

spiegel geplaatst was, zag hij Yayoi vóór zich staan, die er nog

schooner uitzag dan ooit te voren, en de glans van haar schoonheid

was als het maanlicht in den zomer. Nadat zij Matsumura had begroet,

deelde zij hem mede, dat zij inderdaad de Ziel van den Spiegel

was, en verhaalde zij, hoe zij in het bezit geraakt was van Kamo,

een adellijke dame van het Keizerlijke Hof, en hoe zij een erfstuk

geworden was van het Huis Fujiwara, totdat zij gedurende het tijdperk

van Hogen, toen de geslachten der Taira en Minamoto in strijd geraakt

waren in een put werd geworpen en daar vergeten was. Nadat zij al die

dingen had medegedeeld en al de gruwelen, die zij had ondergaan onder

de tyrannie van den Vergift-Draak, smeekte Yayoi, dat Matsumura den

spiegel ten geschenke zou geven aan den Shogun, den Edelen Yoshimasa,

die een afstammeling was van haar vroegere eigenaars, terwijl zij

den priester grooten voorspoed beloofde, als hij dat deed. Voordat

Yayoi vertrok, raadde zij Matsumura aan, zijn woning onmiddellijk te

verlaten, daar het door een grooten watervloed zou worden weggespoeld.

Den volgenden dag verliet Matsumura het huis, en zooals Yayoi had

voorspeld, werd bijna onmiddellijk daarna zijn laatste verblijfplaats

weggespoeld.

Eindelijk was Matsumura in de gelegenheid, den spiegel aan den Shogun

Yoshimasa aan te bieden, te gelijk met een geschreven verhaal van die

vreemde gebeurtenis. De Shogun was zóó ingenomen met het geschenk,

dat hij niet alleen Matsumura persoonlijk een aantal geschenken gaf,

maar dat hij den priester ook een belangrijke som gelds aanbood voor

het wederopbouwen van zijn tempel.

Een Spiegel en een Klok.

Toen de priesters van Mugenyama een groote klok voor hun tempel

noodig hadden, vroegen zij de vrouwen in de buurt, om hare oude

bronzen spiegels ten geschenke te geven, als bijdragen voor het

benoodigde metaal.

Honderden spiegels werden voor dit doel geschonken, en alle werden

gaarne aangeboden, met uitzondering van den spiegel, door de vrouw van

een landbouwer geschonken. Zoodra zij haar spiegel aan den priester

had ingeleverd, begon zij er berouw over te hebben, dat zij dien had

afgestaan. Zij herinnerde zich, hoe oud die spiegel was, hoe hij de

glimlachjes en tranen van haar moeder had weerkaatst, en zelfs die

van haar overgrootmoeder. Zoo dikwijls de vrouw van den landbouwer

naar den tempel ging, zag zij den spiegel, die zij zoo gaarne terug

had, op een grooten hoop achter een hek liggen. Zij herkende hem

aan een teekening op de achterzijde, die bekend was onder den naam

van de _Sho-Chiku-Bai_, of de drie zinnebeelden van den Pijnboom,

den Bamboe en de Pruim. Zij verlangde vurig, haar arm uit te steken

tusschen de tralies, en haar geliefden spiegel weg te rukken. Haar

ziel was gelegen in de spiegelende oppervlakte, en was vermengd met

de zielen, die daarin hadden gestaard, voordat zij geboren was.

Toen men bezig was met het gieten van de klok van Mugenyama, ontdekten

de klokkengieters, dat één spiegel niet wilde smelten. De werklieden

zeiden, dat het metaal niet wilde smelten, omdat de eigenares later

berouw had gehad van haar gift, waardoor het metaal even hard was

geworden als het zelfzuchtige hart van de vrouw.

Spoedig wist iedereen, wie de geefster geweest was van den spiegel,

die niet wilde smelten, en daarom verdronk zich de vrouw van den

landbouwer uit boosheid en schaamte, nadat zij eerst het volgende had

geschreven: "Als ik dood ben, zult gij mijn spiegel kunnen smelten en

alzoo de klok kunnen gieten. Mijn ziel zal naar hem toekomen, die de

klok bij het luiden breekt, en ik zal hem groote rijkdommen schenken."

Toen de vrouw gestorven was, smolt haar oude spiegel onmiddellijk,

en de klok werd gegoten en op haar gewone plaats opgehangen. Daar een

aantal personen gehoord hadden van de boodschap, door de overleden

vrouw van den landbouwer achtergelaten, kwam er een groote menigte

naar den tempel, die één voor één de klok met ontzaglijk geweld

luidden, in de hoop haar te breken en dus groote rijkdommen te

verkrijgen. Dagen aaneen duurde dat luiden voort, totdat geraas ten

slotte zóó ondragelijk was, dat de priesters de klok in een moeras

rolden, waar zij voor het gezicht verborgen was.

De Spiegel van Matsuyama.

In oude tijden leefden in een afgelegen gedeelte van Japan een

man en zijn vrouw; zij waren gezegend met een klein meisje, dat de

lieveling en de afgod van haar ouders was. Op zekeren dag werd de

man voor zaken weggeroepen naar het verwijderde Kyoto. Voordat hij

wegging, zeide hij zijn dochter, dat hij, als zij braaf was en aan

haar moeder gehoorzaam zou zijn, haar een geschenk zou medebrengen,

dat zij op hoogen prijs zou stellen. Daarna nam de goede man afscheid,

terwijl moeder en dochter hem uitgeleide deden.

Eindelijk kwam hij weer thuis, en nadat zijn vrouw en kind hem zijn

grooten hoed hadden afgenomen en zijn sandalen hadden uitgetrokken,

ging hij op de witte matten zitten en opende hij een mand van bamboe

en lette op den verlangenden blik van zijn dochtertje. Hij nam er

een prachtige pop uit en een verlakte doos met gebak, en plaatste die

in haar uitgestrekte handen. Nog eens stak hij zijn hand in de mand

en haalde er een metalen spiegel uit voor zijn vrouw. Zijn bolle

oppervlakte was schitterend gepolijst, terwijl op de achterzijde

pijnboomen en ooievaars waren gegraveerd.

De vrouw van den goeden man had nooit te voren een spiegel gezien,

en toen zij er in keek, kreeg zij den indruk, dat een andere vrouw

haar aankeek, zoo dikwijls zij met toenemende verbazing een blik in

den spiegel sloeg. Haar man verklaarde haar het geheim, en verzocht

haar, goed voor den spiegel te zorgen.

Korten tijd na die gelukkige thuiskomst en de uitdeeling dier

geschenken, werd de vrouw ernstig ziek. Even vóór haar dood liet

zij haar dochtertje bij zich komen en zeide: "Lieveling, zorg, als

ik dood ben, goed voor uw vader, Als ik u heb verlaten, zult gij mij

zeer missen. Maar neem dien spiegel, als gij u erg eenzaam en verlaten

voelt, kijk dan in den spiegel, en gij zult mij steeds zien." Nadat

zij die woorden had gesproken, stierf zij.

Na verloop van tijd hertrouwde de man weer, en zijn vrouw was

volstrekt niet vriendelijk voor haar stiefdochter. Maar de kleine,

die zich de laatste woorden van haar moeder herinnerde, trok zich dan

in een hoekje terug en keek verlangend in den spiegel, waar het haar

toescheen, alsof zij het gelaat van haar dierbare moeder zag, niet

door smart verwrongen, zooals zij het op haar doodsbed had gezien,

maar jong en schoon.

Op zekeren dag zag de stiefmoeder van het kind haar toevallig

in een hoek neergehurkt over een voorwerp, dat zij niet goed kon

onderscheiden, terwijl het in zich zelf iets mompelde. Die onwetende

vrouw, die een hekel had aan het kind en meende, dat haar stiefdochter

van haar kant ook een hekel aan haar had, verbeeldde zich, dat de

kleine de ééne of andere vreemde tooverkunst volbracht--misschien

wel, dat zij een beeldje maakte en daarin spelden stak. Vol van die

gedachte ging de stiefmoeder naar haar echtgenoot en vertelde hem,

dat zijn ondeugend kind haar best deed, haar door toovenarij te dooden.

Toen het hoofd van het gezin dit ongeloofelijke verhaal had gehoord,

ging hij onmiddellijk naar de kamer van zijn dochter. Hij overviel

haar onverhoeds, en zoodra het meisje hem zag, liet zij den spiegel

in haar mouw vallen. Voor het eerst van haar leven werd haar vader,

die zooveel van haar hield, boos op haar, en hij vreesde, dat er

werkelijk eenige waarheid was in hetgeen zijn vrouw hem had verteld,

en onmiddellijk deelde hij haar dat mede.

Toen zijn dochter die onrechtvaardige beschuldiging had gehoord, was

zij verbaasd over de woorden van haar vader, en zij zeide hem, dat zij

hem veel te veel liefhad, om ooit te trachten zijn vrouw te dooden of

zelfs haar dood te wenschen, daar zij wist, hoeveel hij van deze hield.

"Wat houdt gij in uw mouw verborgen" vroeg haar vader, nog maar half

overtuigd, en nog altijd niet wetende, wat hij er van moest denken.

"Den spiegel, dien gij moeder hebt geschonken, en dien zij mij op haar

sterfbed heeft gegeven. Zoo dikwijls ik in het glinsterende oppervlak

van den spiegel staar, zie ik het gelaat van mijn lieve moeder, jong

en schoon. Als mijn hart bedroefd is--en ach! dit is in den laatsten

tijd zoo dikwijls gebeurd--dan neem ik den spiegel in de hand, en het

gelaat van mijn moeder, met haar zachten, vriendelijken lach, brengt

mij vrede, en stelt mij in staat harde woorden en onvriendelijke

blikken te verdragen".

Toen begreep de man alles en had zijn kind nog des te meer lief om haar

kinderliefde. Zelfs de stiefmoeder van het kind was, toen zij wist,

wat werkelijk was geschied, beschaamd en vroeg vergiffenis. En het

kind, dat geloofde, dat het moeders gelaat in den spiegel had gezien,

vergaf wat geschied was, en zorgen en verdriet verdwenen uit het huis.

Mythen & Legenden van Japan · 第 27 / 53 题